VorigePlaatsen in KennemerlandVolgende

De Castricumse heerlijke rechten

Inhoud van deze pagina

  1. Inleiding
  2. Lijst van heren en vrouwen van Castricum
  3. De verloren stukken uit het Archief Van Haarlem
  4. Opsomming van de heerlijke rechten tot 1669 in handen van Cornelis Geelvinck
  5. Opsomming tot 1814 van de vervallen rechten van Albert Schuijt
  6. De opeenvolging van de rechten volgens Dirk van Deelen in 1973
    Noten

1. Inleiding

Het Archief van de Heerlijkheden Bakkum en Castricum (1) is gebrekkig overgeleverd, zo zijn er voor Castricum geen stukken van vóór 1307. De stukken over het ambacht Castricum (van een afzonderlijke ‘heerlijkheid’ is tot 1664 geen sprake) in het Archief van Haarlem zijn geheel verloren en alleen uit oude inventarissen bekend (2). Het ambacht Castricum, dat zelden afzonderlijk wordt genoemd, viel onder de heren en vrouwen van het huis van Heemskerk; pas vanaf 1621 wordt Castricum telkens afzonderlijk genoemd.

Na jaren van conflict krijgt volgens het Archief van de Heerlijkheden Bakkum en Castricum in 1328 Jan van Polanen het huijs te Heemskerk en de ambachten Heemskerk en Castricum in leen van graaf Willem van Henegouwen. Voor de periode daarvóór wordt in 1307 alleen Willem van Haerlem genoemd, niet eens als heer van Castricum, terwijl de eerdere Simon van Haarlem (overleden 1280) en de latere Jan van Bergen (heer tot 1321) in deze stukken ontbreken waardoor we over hen vooral worden ingelicht in verloren gegane stukken.

Wat we over Cronenburg te weten komen is dat in 1440 Jan van der Leck “landen en huisen” (meervoud) te Castricum in leen geeft aan Hendrik van Cronenburg ten behoeve van diens zoon Willem van Cronenburg, die vervolgens een “huijsinge” (enkelvoud) met de daarbij behorende rechten het volgende jaar al weer overdraagt aan dezelfde Jan van der Leck onder de naam Cronenburg, wat de naam was van zijn vader’s kasteel in Loenen. Naast die ene vermelding uit 1441 wordt er in onderstaande documenten tot 1664 géén Castricums Cronenburg meer vermeld, of zelfs maar een huis te Castricum of daaraan verbonden leenplichtige rechten. Cronenburg wordt pas weer vermeld als Cornelis Geelvinck de titel begint te voeren, nadat hij de heerlijkheid Castricum met alles wat daar bij hoorde had gekocht van Anna van Renesse die hem graag een plezier deed door een extra titel voor hem te bedenken. Tussen 1441 en 1664 is de naam Kronenburg aangetroffen op een kaart uit ca. 1593, in de Beschryvinge ende lof der stad Haerlem in Holland uit 1628 en de Kronyck van Alckmaer uit 1658, maar nergens als titel, zelfs niet bij de verkoopster.

Het lijkt er het meeste op dat Willem van Cronenburg, dan wel zijn vader ten behoeve van zoonlief, in 1141 met de bouw was begonnen, en dat het al dan niet voltooide huis vervolgens onbewoond is gebleven; over bewoners is immers niets te vinden, en de leenheren Van der Leck woonden elders.

Bakkum wordt pas in 1431 voor het eerst als afzonderlijke heerlijkheid vermeld.

De volgende opsommingen en samenvattingen zijn natuurlijk geen vervanging van de oorspronkelijke bronnen in die archieven, waar meer gegevens in kunnen staan, maar waarvan het grootste deel is zoekgeraakt zodat er heel weinig controlemiddelen zijn.

2. Lijst van heren en vrouwen van Castricum

Voor het overzicht beginnen we met een volledige lijst van veronderstelde heren en vrouwen van Castricum, ook al omdat ze niet allemaal in de onderstaande documentatie voorkomen (3). Castricum viel onder het huis van Heemskerk; hoewel het al in 1290 een afzonderlijk ambacht is genoemd, wordt het pas sinds 1628 telkens als afzonderlijk ambacht van de leenmannen en -vrouwen vermeld.

<1254-1280Simon van Haarlem, in 1254, 1275, 1276 en 1277 vermeld en beleend met een niet nader genoemd goed, in 1280 opgevolgd door zijn zoon; in 1326, lang na zijn overlijden, wordt vermeld dat hij in Castricum een huis had laten bouwen waarin van graaf Willem III de Castricumse pastoor mocht gaan wonen; hij wordt nergens heer van Castricum genoemd; hij had twee huwelijken, twee dochters en een zoon, Willem van Haarlem, die hem opvolgt.
1280-1317Willem van Haarlem, in 1317 overleden; hij wordt vermeld in een verloren gegaan document uit 1290; zijn echtgenote Katharina zou dan gevestigd zijn in het ambacht Castricum; hij zelf zou dan het huis met ambacht van Heemskerk in leen hebben, en ‘tijnsen’ (= cijns, belasting) ontvangen van Limmen, Heiloo, Bergen, Castricum, Heemskerk en Oesdom; twee huwelijken, twee dochters en een zoon, Jan van Haarlem, die echter al in 1307, blijkbaar kinderloos, overlijdt.
1317-1321Jan (van Haarlem) van Bergen, erft in 1317 van zijn oom Willem van Haarlem, overlijdt in 1321 zonder kinderen, waarna er jaren conflict is over zijn niet met name genoemde lenen; die aan de graaf vervallen.
1327-1342Jan (I) van Duvenvoord-van Polanen, wordt door graaf Willem III in 1327 beleend met diens kasteel te Heemskerk met bijbehorend land, molen en erf, alsmede met het ambacht Heemskerk en Castricum; hij wordt vermeld vanaf 1305; hoekse edele, overleden Monster in 1342; hij had voornamelijk Zuid-Hollandse bezittingen; in 1328 neemt hij deel aan de Slag bij Kassel en wordt vervolgens tot ridder geslagen; ook is hij baljuw van onder andere Kennemerland; zoon van Philips III van Duivenvoorde en Elisabeth, vrouwe van Vianen; trouwt Catharina van Brederode († 1372), vijf kinderen waaronder Jan (II) van Polanen, die hem opvolgt.
1342-1378Jan (II) van Polanen (1325-1378), zoon van Jan I van Duvenvoord-Polanen die hij in 1342 opvolgt; eveneens hoeks; in 1356 verzoening met Willem V van Holland en de Kabeljauwers; hij trouwt drie keer, zes kinderen, waaronder Jan (III) van Polanen.
1379-13??Dirk van Polanen-van der Leck, zoon van Jan II van Polanen en Machteld van Brabant, verkreeg de dorpen Castricum en Heemskerk met de hofstad Haarlem in 1379, overlijdt 1419, trouwt Gillisje van Kralingen, twee kinderen, Jan en Machteld (4); hij wordt niet vermeld als heer van Castricum, maar zijn vader en zoon wél.
1394-14??Jan van der Leck; in 1440-1441 korte tijd Willem van Cronenburg, die verder nergens wordt vermeld. Jan van der Lecke, een broer van Catharina van der Lecke, de moeder van Willem van Cronenburg uit het huis Wassenaar; als haar ouders worden Jan II van Polanen en Machteld van Brabant opgegeven (5).
14??-14??Jan Dircksz. van der Leck, zoon van Dirk van Polanen-van der Leck en Gillisje van Kralingen, geboren ca. 1390, heer van Castricum en Haarlem (Heemskerk wordt niet vermeld !), van Kralingen en Honingen, overleden voor 1472, trouwt Johanna van Egmond, twee kinderen, Gillisje en Adriaan.
1478-1482Adriaen Jansz. van der Leck († 1482), zoon van Jan Dirksz. (Polanen) van der Leck en Johanna Dirksdr. van Egmond, trouwt Catharina van Assendelft; hij was jongere broer van Gillisje Jansdr. van der Leck (ook Jelijs) die hem opvolgt; wordt niet in verband met Castricum vemeld.
1482-1485Gillisje Jansdr. van der Leck, trouwt Floris van Kijfhoek, had een dochter Alijt, erfde in 1482 van haar broer Adriaan; wordt niet in verband met Castricum vemeld.
1485-1531Alijt van Kijfhoek († 1531), dochter van Floris van Kijfhoek en Gillisje van der Leck, trouwt Nicolaas van Assendelft, kinderen : Gerard, Floris, Josina, Dirk, Cornelis, Beatrix en Catharina; wordt niet in verband met Castricum vemeld.
1531-1558Gerrit van Assendelft (1487-1558), zoon van Klaas van Assendelft en Aleid van Kijfhoek, trouwt te Orléans Catharina de Chasseur; zij hebben één zoon, Klaas, met een opmerkelijk bestaan; wordt niet in verband met Castricum vemeld.
1560-1570Klaas van Assendelft († 1570) wordt vanwege de “slechte en geringe afkomst” van de moeder gedwongen priester te worden; na het overlijden van zijn vader vecht hij dit aan, verwerft toch zijn vader’s erfenis en wordt ontslagen van zijn priestereed, waarna hij Wilhelmina van Haaften trouwt; omdat dit huwelijk kinderloos blijft gaat zijn erfenis over op de kinderen van Otto van Assendelft (6); wordt niet in verband met Castricum vemeld. «6-2-1560: Nicolaes van Assendelft en Eemskerck bij dode van zijn vader heer Geraerdt van Assendelft, ridder»
1570-1600Cornelis van Assendelft (1540-1600), zoon van Otto van Assendelft, heer van Goudriaan en Kijfhoek, en Geertruida van Bergen; hij trouwt Margaretha van Meerten met wie hij acht kinderen had : Floris, Gerrit, Anna, Antonetta, Mees, Meijntgen, Clara en Dirck; wordt niet in verband met Castricum vemeld.
1600-1618Gerrit van Assendelft (geboren ca. 1567-1618), in 1601 «heer van Assendelft en Heemskerk, bij dode van zijn vader jonkheer Cornelis, heer van Assendelft», van hem zijn huwelijk nog kinderen bekend; wordt niet in verband met Castricum vemeld.
1618-1626Anna van Assendelft (1571-1626), sinds 1618 vrouwe van Assendelft, Heemskerk en Castricum, dochter van Cornelis van Assendelft en Margaretha van Abcoude van Meerten, trouwt 1594 Gerrit van Renesse van der Aa (1552-1609), burgemeester van Utrecht, twee dochters : Agnes († 1634, trouwt Nicolaas van Renesse van Elderen) en Margaretha, waarvan geen kinderen bekend zijn. In 1625 is er ook sprake van jonkheer Gerrit, heer van Assendelft en Cralingen die de eed vernieuwd, waarvan is niet duidelijk, Heemskerk en Castricum worden niet afzonderlijk genoemd. «4-5-1618 : Jonkvrouwe Anna van Assendelft, vrouwe van Assendelft, Heemskerck en Castricum, weduwe van heer Gerrit van Renesse van der Aa, heer van der Aa, Denmarken, Streefkerck en Nieuw Leckerland, hulde door jonkheer Adriaen van Helmijs van Welle volgens procuratie d.d. 3-5-1618, bij dode van haar broer jonkheer Gerrit, heer van Assendelft en Heemskerck».
1626-1635Agnes de Renesse-van Assendelft «17-2-1626 : Vrouwe Agnes van Renesse van der Aa, vrouwe van der Aa en Vosmair, hulde door Dirck van Grave volgens procuratie op 31-1-1626 verleden door haar man Nicolaes de Renesse, baron van Halderen, heer van Vosmaer en de Aa, na overdracht door meester Adriaen Hellemijs van der Welle volgens procuratie op 28-1-1626 verleden op het huis ter Aal namens vrouwe Anna, vrouwe van Heemskerck, Assendelft, Castricum, van de landen van de Leck en Swijndrecht, behoudens haar lijftocht.» «5-3-1630 : Vrouwe Agnes van der Aa, vrouwe van Assendelft, baronesse van Haerlem, vrouwe van der Aa, Vosmaer, Beverwijck, Eemskerck en Castricum tocht ten overstaan van Jan Lourensz., schout-, Cornelis die Assighijsen en Dirck Cornelisz., schepenen te Eemskerck, haar man Nicolaes de Renesse, baron, heer van Mansuy, vrijheer van Assendelft, baron van Haerlem, heer van der Aa, Vosmaer, Beverwijck Heemskerck en Castricum.»
1635-1654Gerrit Frederik de Renesse. «10-10-1635 : Jonkheer Gerrit Frederick van Renesse, onmondig, hulde door meester Adriaen van Hellemijs van Welle volgens procuratie verleden op 12-9-1635 op het huis van der Aa door zijn vader heer Nicolaes de Renesse, baron van Elderen, Mansuy, vrijheer van Assendelft, baron van Haerlem, heer van der Aa, Vosmeer, Beverwijck, Eemskerck en Castricum, tevens vader van jonkheer Hendrick en jonkvrouwe Anne, bij dode van zijn moeder vrouwe Agnes de Renesse van der Aa etc.»
1654-1662Hendrik de Renesse. «20-7-1654 : Heer Hendrick de Renesse, vrijheer van Assendelft, baron van Haerlem, heer van der Aa, van Heemskerck en Castricum, hulde door meester Augustijn Stalpaert van der Wielen, advocaat voor het Hof van Hollandt, volgens procuratie verleden op het huis ter Aa op 10-1-1654, bij dode van zijn broer jonkheer Gerrit Frederick de Renesse, heer van Assendelft.»
1662-1664Anna de Renesse. «12-10-1662 : Vrouwe Anna de Renesse, vrijvrouwe van Assendelft, baronesse van Haerlem, vrouwe van der Aa, Heemskerck en Castricum, hulde door haar rentmeester meester Martinus Barben volgens procuratie verleden op 12-7-1662 voor notaris Hessel Jansz. Brouckenburch te Uitgeest, bij dode van haar broer heer Hendrick van Renesse, vrijheer van Assendelft, baron van Haerlem, heer van der Aa, Heemskerck en Castricum.» Zij doet Castricum in de verkoop (7)
1664-1691Cornelis Geelvinck (1621-1689), zoon van Jan Cornelisz. Geelvinck en Aechje de Vlaming van Oudshoorn; hij trouwde de kleindochter van een Amsterdamse burgemeester, Elisabeth Velecker (1622-1658) met wie hij zes kinderen kreeg; van 1673 tot 1689 burgemeester van Amsterdam, in 1662 hertrouwde hij Margaretha Bicker van Swieten (1619-1697) uit een zeer gegoede Amsterdamse regentenfamilie; ze woonden Heerengracht 174. Cornelis Geelvinck liet zijn eigendom te Castricum in 1664 gelijk allodiaal verklaren, dat wil zeggen vrij van leenplicht, wat gold voor de grond die zijn vrije eigendom werd, maar hij behield wél het leenrecht. De patriotten Nicolaas en Joannes Geelvinck deden nog wel feodale hulde, eed en manschap in handen van de stadhouder, van de overige Geelvinck’s is dat niet bekend (8).
1691-1707Joannes Geelvinck (1644-1707), koopman, bewindvoerder van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, woont Singel 460, Amsterdam; hij trouwt Anna van Loon; hij was betrokken bij de expeditie van het schip De Geelvinck om de westkust van Australië in kaart te brengen; een baai, een groep eilanden en ontdekte dieren werden naar hem genoemd, zie : Joan Geelvinck (Wikipedia).
1707-1743Lieve Geelvinck (1676-1743), tweeling met zijn broer Cornelis en zoon van Joannes, staatsgezind en invloedrijk burgemeester van Amsterdam, lid van de Raad van State en bewindvoerder van de Oost-Indische Compagnie; in 1699 trouwt hij Agatha Theodora van Bambeeck (1674-1713), met wie hij zeven kinderen kreeg; in 1730 hertrouwt hij Anna de Haze weduwe van de rijke Amsterdammer Gillis Graafland; dan begint ook zijn belangstelling voor de geschiedenis; hij woonde Heerengracht 504 en 520, zie : Lieve Geelvinck (Wikipedia).
1743-1764Nicolaas Geelvinck (1706-1764), zoon van Lieve, enige tijd schepen en burgemeester van Amsterdam, tevens belastingontvanger, lid van het vroedschap en de Amiraliteit van Amsterdam en bewindhebber van de West-Indische Compagnie; in 1729 trouwt hij Johanna Jacoba Graafland (overleden 1740), waarvan de moeder een jaar later met zijn vader Lieve zou hertrouwen; zelf hertrouwt hij 1743 Hester Hooft, weduwe van Mr. Willem Meulenaar en die twee maanden later al overleed, en in 1747 de schatrijke Maria Margareta Corver, weduwe van Jan Hooft en dochter van de Amsterdamse burgemeester Gerrit Corver; hij had negen kinderen en bewoonde het duurste huis van Amsterdam; in 1747 moest hij het stadhuis ontvluchten door het pachtersoproer wat leidde tot belastinghervorming, inperking van de burgemeestersmacht geen ambt meer voor Nicolaas; hij liet ƒ 6.000.000,- na, zie : Nicolaes Geelvinck (Wikipedia).
1764-1802Joannes Geelvinck (1737-1802), zoon van Nicolaas, patriot, lid van de vroedschap, baljuw en dijkgraaf, ambassadeur te Brussel, burgemeester van Amsterdam nadat twee prinsgezinde burgemeesters waren afgezet; hij trouwt in 1760 Elisabeth Beck; zijn dochters Johanna Albertina en Maria Petronella deden in 1802 de vervallen rechten van en vele bezittingen in Castricum, Bakkum en Cronenburg in de uitverkoop.
1803-1814Albertus Cornelis Schuijt trouwt Johanna Albertina Geelvinck (1762-1815), sinds 1806 dame du Palais van koningin Hortense de Beauharnais die in 1802 uitgehuwelijkt was aan Lodewijk Napoleon en daardoor in 1806 de eerste koningin van Holland werd. Albertus Cornelis Schuijt is niet verwarren met zijn zoon Albertus Johannes die na het overlijden van zijn vader te Haarlem op 20 januari 1814 de titel heer van Castricum voert : Albertus Johannes Schuijt van Castricum, lid van de stadsraad van Amsterdam, geboren Amsterdam, 32 jaar oud, zoon van Albertus Cornelis Schuijt en Johanna Albertine Geelvinck, trouwt Amsterdam, B.S., 17 augustus 1815 Susanna Maria Johanna Hartsinck, rentenierster, geboren Amsterdam, 32 jaar oud, dochter van Pieter Cornelis Hartsinck en Maria Petronella van Marselis.
1814-1855Albertus Johannes Schuijt

3. De verloren stukken uit het Archief Van Haarlem

Voor beter begrip van wat volgt eerst een genealogie Van Haarlem, met daarin in vet de drie vroegst bekende ‘heren van Castricum’, hoewel ze nergens als zodanig afzonderlijk zijn vermeld (ze waren onder andere heren van Heemskerk), overgenomen van J.C. Kort, hij schrijft 

«Het geslacht [van Haarlem] was inheems en aanzienlijk, zoals steeds blijkt, wanneer het naar buiten optreedt. Zo zijn Simon van Haarlem, Willem, zijn zoon, en Jan van Bergen, diens neef, allen baljuw van Kennemerland geweest.»
  • IJsbrand van Haarlem (9), vermeld 1162-1174.
    1. Simon van Haarlem, vermeld 1198-1215.
      1. Wouter van Haarlem, vermeld 1220-1237.
        1. Simon van Haarlem († 1280), trouwt (1) Beatrijs, (2) Katharina van Dale.
          • Willem van Haarlem († 1317), trouwt (1) Katharina, (2) Geertruida van de Wateringe.
            • Jan van Haarlem († 1307), trouwt Aleid van de Lek.
            • Beatrijs van Haarlem, trouwt Jan Mulaert van Borsele.
            • Heilwig van Haarlem.
          • Dirk van Haarlem, vermeld 1279-1305.
            • Jan (van Haarlem) van Bergen († 1321), trouwt Jutte Persijn.
          • Hendrik van Diepenheid, vermeld 1307-1323.
        2. Wouter van Haarlem.
        3. Willem van Haarlem.
        4. Beatrijs van Haarlem, trouwt Wouter van Egmond.
    2. IJsbrand van Haarlem, vermeld 1215-1231.
    3. Gerard van Haarlem, vermeld 1203-1204.

Inventaris van de verloren gegane stukken :

«Stukken van persoonlijke aard, Willem van Haarlem (gest. 1317), Jan van Bergen (gest. 1321), en stukken betreffende rechten en bevoegdheden.
(1) Akte van bevestiging door graaf Floris V van de lijftocht van Katharina, echtgenote van Willem van Haarlem, gevestigd op het ambacht van Castricum, 8 pond jaarlijks, gevestigd op de tijnsen van Limmen, Heiloo, Bergen, Castricum, Heemskerk en Oesdom, en ambacht en huis van Heemskerk, 16-5-1290.
(2) Akte van toezegging door Hendrik van Diepenheim om Jan van Bergen, zijn neef, te sterken in het goed van Willem van Haarlem, 6-8-1316.
(3) Akte van bevestiging door Willem, roomskoning, ten gunste van Simon van Haarlem van de vererving van diens goed op een jongere telg, wanneer de oudste mocht komen te sterven, 13-7-1254.
(4) Akte van bevestiging door graaf Floris V ten gunste van Simon van Haarlem, ridder, om leengoed, gehouden van de graven van Holland, te brengen aan Dirk, diens zoon, 1275.
(5) Akte van toezegging door graaf Willem III aan Jan van Bergen, dat het hem toegezegde leengoed van zijn oom Willem van Haarlem na diens dood zal komen aan zijn oudste zoon of oudste dochter, wanneer Jan zou komen te sterven tijdens de krijgstocht van de graaf naar Vlaanderen, 14-8-1315.
(6) Akte van verblijf door Hendrik van Diepenheim aan Jan van Bergen, zijn neef, inzake het goed van Willem van Haarlem, zijn broer, bevestigd door Jan Persijn, 24-1-1316.
(7) Akte van bevestiging door graaf Willem III van de uitspraak, te doen door Jan van Bergen in diens geschil met Hendrik van Diepenheim, Jan's oom, over het goed van Willem van Haarlem, 12-7-1318.
(8) Akte van belening door graaf Willem III van Jan van Bergen met het goed, hem aanbestorven van Willem van Haarlem, bestaande uit heerlijkheden, ambachten of andere rechten, bevestigd door (Jacob), bisschop van Zuden, (Gerard), heer van Voorne, zijn neef, en Simon van Benthem, ridder, 5-8-1318.
(9) Akte, houdende beschikking door graaf Floris V ten gunste van Simon van Haarlem, dat de lieden tussen Haarlem en Heiloo, die zich willen vestigen te Alkmaar, hun goed aan de heer zullen verliezen, 1276.»
«8. De biertol van Castricum (1472: jaarlijks 2 pond 10 schelling waardig)
26-2-1325: lijftocht van Femense, vrouw van Simon van Zaanden, op de mindere helft van zijn leengoed, onder meer afkomstig van Jan van Bergen
..-..-1390: Willem van Zaanden
2-10-1393: Jan van Zaanden bij dode van Willem, zijn vader
20-11-1461: Frank van Zaanden bij dode van Pieter, zijn vader
20-11-1461: lijftocht van Elisabeth, bastaarddochter van Jan van Dongen, vrouw van Frank van Zaanden
9-11-1470: Jan van Assendelft bij overdracht door Frank van Zaanden
..-..-1472: Jan van Assendelft vermeld
20-12-1486: Nikolaas van Assendelft, ridder, bij dode van Gerard, zijn vader, binnen een jaar na de dood van Jan van Assendelft, diens broer
6-4-1502: Pieter Hanneman voor Gerard van Assendelft bij dode van Nikolaas, diens vader, behoudens de lijftocht van Aleid van Kijfhoek, diens moeder
24-4-1510: hulde van Gerard van Assendelft
23-11-1559: Nikolaas van Assendelft bij dode van Gerard, zijn vader
13-9-1570: Floris van Assendelft bij dode van Nikolaas, zijn oom
13-9-1570: lijftocht van Willem van Haaften, weduwe van Nikolaas van Assendelft, bevestigd
30-12-1573: Cornelis van Assendelft bij dode van Floris, zijn zoon»
«9. Twee geersen aan Langeveld en anderhalf honderd land (1412: in Castricum)
27-12-1318: Gerard Dirk ver Hadewigszz. bij dode van Loef (LRK. 49: Dove1), zijn broer
..-..-1346: Gerard Dirksz.
10-7-1353: Gerard Dirksz. van Castricum
..-..-1390: Gerard Dirksz. van Castricum
13-5-1412: Dirk Gerardsz. bij dode van Gerard Dirksz., zijn vader
10-1-1421: Dirk Gerardsz.
8-6-1429: Dirk Gerardsz.
26-3-1439: Willem Nikolaasz. met ledige hand
14-1-1456: Jan van Egmond Ottenz. bij overdracht door Willem Nikolaasz.
12-8-1488: Joost van der Hoeve bij overdracht door Jan van Egmond»

4. Opsomming van de heerlijke rechten tot 1669 in handen van Cornelis Geelvinck

De volgende opsomming is meest waarschijnlijk kort na 1664 geschreven toen Cornelis Geelvinck de heerlijkheid Castricum met de bijbehorende papieren kocht. Vervolgens is het onderaan de eerste bladzijde in ander handschrift aangevuld tot 1765 (10).

[omslag]

[Achtiende eeuws handschrift :] «[...]eijde pampieren [...] de Heerlijkheijd Castricum.»
[Zeventiende eeuws handschift :] «Leenvolgers van Kastrichem»

[eerste bladzijde]

«Leenvolgers van Castricum

1328. Jan van Polanen coopt en wert verlijt van Graeff Willem van Henegouwen het huijs tot Heemskerkck en t ambacht van Heemskerck en Castricum
 (11)
.... noch een als boven
1379. Jan van Polanen
maeckt scheijdinge met sijn broeders van haere goederen
.... Extract van de goederen van Castricum met de scheijdinge beginnende
.... Jan van Polanen etc. Dirck van Polanen
etc.
1478. Adriaan van der Leck maeckt huwelijcks contract met sijn soon.
1482. Jonckv[rouwe] Gillis van der Lecke werd verlijt met alle de Goederen voorsz[egt] van Castricum door Engelbrecht Grave van Nassauw
 (12) .
1485. Alijt van Kijffhouck Gillis voorsz[egde] Dochter wert verlijt van Engelbrecht Grave van Nassau met alle voorsz[egde] goederen.
1531. Allijt voorsz[egt] werd als voren verlijt van Hr. Hendrick Grave van Nassauw.
Gerrit Heer van Assendelft
Cornelis Heere van Assendelft
Gerrit Heere van Assendelft
Anna vrou van Assendelft wed[uw]e van Hr. Gerard van Renesse.
Niclaes de Renesse van der Aa
 (13) .
Gerrit Frederick de Renesse
Hendrick de Renesse.
Anna de Renesse.»

[later op deze bladzijde ingevoegd in 18de eeuws handschrift ]
«a° 1664 Cornelis Geelvinck
1691. Joan Geelvinck
1707. Lieve Geelvinck
1743 Nicolaas Geelvinck
20 Junii 1765 Mr. Joan. Geelvinck»


[tweede bladzijde]

«De Biertolle (14) Graefflijckh[eid]. ter leen.
2 1470 Vranck van Zaenden
1 1465 .... ..Bo[?]s uijtspraecken van de Biertolle
1486. Claes van Assendelft wert verlijd met de Biertolle van Keijzer Maximiliaen.

Leen van de Pacht garst.

1307. Accoort van Willem van Hairlem over de 34½ hoed
1422. 1427. 1424 1429. garst
1438. 1442. ordre van Hertog Philips
 (15) hoe die te betalen
1–
1446 Concessio van
1449. Willem van Assendelft vercoopt sijn recht aen Gerrit sijn broeder.
1452. Jan van Assendelft vercoopt sijn broeder als voorz[egt].
1536. Accoort over de 1½ hoed garst van de Pape proeve
1537. Approbatie van Jan van Egmond Bisschop Transport van Hr. Gerrit van Hr. Jan etc.
1585.
1640
1658.

IJsingermade

1466. quijtscheldinge voor schepenen tot Amsterdam. tot 6. in getale
1546. Gerrit Hr. van Assendelft vraeght den Prins van Orangien de ijsin[germa]de voor Cer[?] op onder andere goederen [...] daer mede verlijt.»


[derde bladzijde]

«Hoffstadt Kronenburgh (16)

Cijns Penningen
Bruijckwaer en Pachthoen[?]
½ Criminele & civile Bruicken
Visserijen
Ettinge van St. Aeghten Dijck.
Jus Patronatus (17) oft Pastoor & stellen van een Predicant Re[?] van die goederen
t stellen van een voorzanger[?] costere en schoolmr.
T Schout ampt
sschepen ampt
Daer aen.
Dijckgraefschap. Bandinghrecht
 (18).
Alle Keuren en placcatien
Schouwing van St. Aeghte en Zantdijck
Commiszien opt Honsbosche en uitwaterende sluizen
Weesmeesteren
Kerck Me[e]steren
Aelmis Me[e]steren
 (19)
Polderme[e]steren
ent Doen van haere rekeningen
ent geen voo[?] in den naem van he[?]
onder de hoge overicheijt uijt te voeren
T’sec[cretaris]ampt
Not[aris]scap
[?] ampt
[?] ampt»

Twee aanvullende bladzijden, gemaakt kort na 1669 (20).

[eerste bladzijde]

«1664. 8. Dec[ember]. Staten van Holl[an]t octroij aen Cornelis Geelvinck om van sijn leengoedere als allodiale te mogen disponeren» (21).
«1531. 10 Maj [?]is t voorste[?]. Leenbrieff van Keijzer Carel (22) met alle voorgaende formalia van t decreet op hr. Gerrit van Assend[elft] van 4 Hoet gerste uijt de monninkshoeve tot Texel door de Wed[uw]e IJsbrant van Schoten.
1665. 7 Dec[ember]. Procuratie van vrou Anna van Assendelft tot overdracht van de voorsz[egde] 4 hoet gerste.
" 10. Dec[ember]. Heergewaden (23) hoffrengten[?] etc. met de 4c. pen[ningen] van de 4 hoet gerste bet[aald?].
" . " Leenbrief van de Staten van Hollant op Cornelis Geelvinck tot verlij van de 4 hoet gerste.
1470. 9 Nov[ember]. Vrijbrief van Philips van Bourgoignen op Jan van Assendelft Re[?] en Re[?] van noortholl[an]t van de biertolle tot Castricum en de vroonsschonden (24) tot Uijtgeest en Ackersloot door Vranck van Zaenden over gegeven voor Jan G[erri]t. tot Wassenaer Philips broeder tot Wassenaer G[erri]t Arent van Swieten en Willem van Alckmade IJbrants. N[?] Boschuijsen.
1467. 1 Novemb[er]. Dirck Poes[?] secret[ari]s van Hertogh Philips van Bourgoignen geeft uijtsprake tussen Vranck van Zaenden en de buijren (25) van Castricum over het betalen van de biertolle.
1662. 14 Octob[er]. Verlijbrieff van de biertolle tot Castricum op vroue Anna van Renesse door haar Ed[ele] Grootv[ader].
1664. 6 Dec[ember]. Procuratie van vrou Anna van Assendelft tot de overdrachte van Biertolle op Corn[elis] Geelvinck en Margareta Bickers.
" 8 Dec[ember] Vrijbrieff van de biertolle tot Castricum op Corn[elis] Geelvinck
" 8 Dec[ember] Leenbrieff van Wilhem Hendrick Prince van Orange (26) als G[e]r[rit] van Polanen Cornelis Geelvinck & Margareta Bicker van het gerecht en Heerlijcheijt van t Dorp etc. van alle de goederen en renten van Castricum van de IJsingermade en 8[?] Hoet Garst oft de thienden.
" 6 Dec[ember]. Procuratie van vrou Anna [de Renesse] om affstant te doen van Castricum & Cronenburgh
"14 Nov[ember]. Declaratie van Frederick de Renesse baron van Mal en de baron van Elderen met Cessie (27) van hun recht.
1665. 2 Maert Quitantie van de 40e p[enning] van Cronenburg.
1665. 10 Dec[ember]. Quitantie van de bet[alinge?] van Castricum Cronenburg et omnibus.
1664. 15 Nov[ember]. Advijs van adv[oca].ten[?] voor t verbant van de vercochte goederen.
1669. 17 Jan[uarij] Quitantie van de Rentemr. van Kennemerlant van 12 g[u]l[den] jaarlijcks erffpacht op de pacht garst
1441. St. Mathijsdag Willem van Cronenburgh Hendrikssoon (28) vercoopt [aan] Jan van der Lecke sijn neve sijn huijsinge tot Castricum geheten Cronenburgh met alsulcke leengoederen daer toe horende als hij van hem te leen ontvangen hadde noch zulcks eijgenlijcke goederen als daer noch gebleven waaren welck Willem Dircksz niet gecocht heeft daer aen Willem Dircksz aen die Zuijtzijde ent leen aen de Noordzijde welck geheten is dat ackerlant [van] Sijmen van Adrichem de jonge.
1440. donderdag na Maijdag[?] Hendrick van Cronenburg (29) en tot Loenen geeft over[?] Jan van der Leck sijn swager tot behoufs van Willem van Cronenburg sijns soons alle soo danige landen en huijsen gelegen tot Castricum als hij deze tot leen hielt van Jan van der Leck.»
 (30)

[tweede bladzijde]

«1466. 6 Maij. quijtsz. voor Sijmon Claes en Sijmen Melisz schepenen tot Amsterdam voor Simon Teding[?] aen Gerrit Bannijnck van 8½ grase lants (31) tot Castricum inde Zuijder IJsingmade bruijcker Jacob Sijboutsz, belast met cijnse.
1466. St. Margarethendag Ave Jan Pietersz wed[uwnaa]r met Sijbout Janssoens hant[?] mijns soeris[?] en Monbaris[?] oude Zijbout Jans voorsz[egt] voir hem zelven Katrina Jans en Gerrit Jans en vercoper Gerrit Benninck poorter tot Amsterdam 4 geerste lan[t]s in Zuijderijsingemade en tot Castricum
1499. 16. Octob[er]. quijtsz voor Jan Claes schout tot Castricum door Albert Jansz als Frans Claes Hijmansz poorter tot Amsterdam [?] geers[?] lant gelegen in Castricum van Willem IJvensz gerouwen[?] inde grote IJsingermade daer van hondert aent oostzijde en t grote Langevelt aen de Suijtzijde de Reguliers & hanleen[?] aen de Noordzij den lijden wech [?] voorstaen van Pieter Gerritsz en Jan Nannensz schepenen.
1506. 20 Febr[uari]. quijtsz voor Jan Claes voorsz[egt] door Aeff Meijnsz aen Frans Claes leuders[?] zooal zij den notweg oost grote Langevelt zuijt de gemeene wateringe.
1539 26 Febr[uari]. quijtsz voor Claes Jansz schout Gerrit Dircksz Jacob Jacobsz en Gerrit Claesz schepenen tot Castricum voor jonge Pieter Pietersz. Kodde poorter tot Amsterdam aen h. Gerrit van Assendelft van de grote IJsingermade oostz[ijde]. als boven westzijde de Huij[?]ege zuijt zijde de Boenacker met de wateringe, noortzijde de cleijne IJsingermade
1539 26 Febr[uari]. Borgtocht voor Joost Buijck Sijbrantsz en Jan Willemsz schepenen in Amsterdamme door Cornelis Buijck Sijbrantsz zaet[?] voor jonge Pieter Pietersz Kodde aen Hr. Gerrit van Assendelft.
1664. 1 Decemb[er]. Opdracht voor Willem Bouw schout Maerten Jacobsz en Jan Cornelisz int plattehuijs schepen door vrou Anna etc. gedaen als Corn[elis] Gel[?] en van de Hofstadt Cronenburg en annexe landen
1664. 28 Aug[ustus]. Coopvoorwaarden van de hofstadt Cronenburg etc. als boven.»

5. Opsomming tot 1814 van de vervallen rechten van Albert Schuijt

Inventaris van stukken tot 1810 (32

«No. 0 Verleijbrief van de Heerlijkheid Castricum van Mr. Lieve Geelvinck op Mr. Nicolaas Geelvinck (anno 1743)
No. I Verleijbrief van de Heerlijkheid Baccum op Nicolaas Geelvinck en zijne erven (anno 1749)
No. II Verleijbrief van de Heerlijkheid Castricum met alle ab- en depentiën op Mr. Johan Geelvinck (anno 1765)
No. III Verleijbrief van Hooge en Lage Heerlijkheid van Baccum op Johan Geelvinck (anno 1765)
No. IV Octrooi van Nicolaas Geelvinck (Requestrant blijkens No. VIII om over zijnde leengoederen te disponeren jare 1758)
No. V Octrooi van J. Geelvinck (dito dito) jan[uari] 1789
No. VI Transport bewijs voor A.C. Schuijt betreffende Heerlijkheid Baccum
No. VII Dito bewijs betreffende Heerlijkheid Castricum enz. enz.
No. VIII Minute request van Nicolaas Geelvinck suppliant tot het verkrijgen van octrooi om over leengoederen te disponeren.
No. IX Declaratoir van de Municipaliteit van Castricum omtrent de Heerlijke Regten en derzelve lasten.
No. X Brieven inzake Castricum (Heerlijkheid van)
No. XI Acte van overdragt betreffende Heerlijkh[eid]. enz. enz. van den Heer Geelvinck op A.C. Schuijt
No. XII Rekening Castricum (1809)
No. XIII Rekening Baccum (1809)
No. XIV Rekening Castricum (1810)
No. XV de geabandoneerde geëxecuteerde landen te Castricum van 1748-1754»

Opsomming van de “heerlijke rechten” van Albert Schuijt tot 1814, op een moment dat die rechten al waren vervallen (33).

[Omslag]

«Geschiedenis van Castricum Baccum Cronenburgh. Voorzoover die blijkt uit de Papieren behorende aan den WelEd[el] geb[oren] Heer A.C. Schuijt v[an] Castricum Baccum Stabroek en Cronenburgh.»

[eerste bladzijde]

«Geschiedenis van Castricum

In den jare 1328 koopt Jan van Polanen het huis te Heemskerck en het ambacht van dien naam, en nog het ambacht van Castricum van Graaf Willem van Henegouwen en wordt ermede verlijd. In 1478 wordt Adriaan van der Leck leenman van het huis van Polanen als heer van Castricum.
In 1482 Gillis v.d. Leck.
In 1485 Aleid van Kijffhouck, vrouw van Assendelft dochter van de vorige. Dan volgt :
Gerrit van Assendelft. Deze koopt van den pastoor van Castricum Sebastiaan Willemse Schouten 1½ hoed garst, die deze jaarlijks ontvangt van de papelijke proeve van Castricum. Deze 1½ hoed zijn per jaar door elkander 12 Karolus guldens van 40 groot Vlaamsch waard. In ruil geeft de heer van Assendelft eenige stukken land, alle gelegen in het ambacht van Heemskerck, te weten 1. een stuk Pauwelstuin genaamd, 2. een dito groot 4 achtendeel Rogsadinge
 (34). 3. twee akkers zaadland groot 4 achtendeel Rogsadinge. 4. 53 Karolus guldens die gebruikt zullen worden om de Pastorie te Castricum te herstellen.»

[tweede bladzijde]

«Dit gebeurt in 1536. In 1531 koopt Gerrit v[an]. Assendelft van Vrouwe Josijne van Kruijningen eene erfrente van 4 hoed garst - door elkaar jaarlijks 38 ponden 5 schellings 9 pennings waard zijnde die de rentmeester van Kennemerland jaarlijks uit naam des keizers uit de domeinen en het Monnikenhof te Tessel uitreikt voor een som van 842 ponden, 2 schellingen en 6 penningen.
Met deze erfrente wordt hij den 10e Mei 1531 door keizer Karel verlijd. Dezelfde G[er]r[it]. A[ssendelft]. koopt in 1539 van de Amsterdamschen Poorter Pieter Pietersz. Kodde de Isingermade (later IJsemaat geheten), een stuk land te Castricum int W[esten]. grenzende aan de Huijsbossche int Z[uiden]. aan den Boonakker en in het N[oorden] aan de “kleine Isingermade” (ten O[osten]?).
Gerrit v[an] Assendelft wordt opgevolgd door Cornelis van Assendelft. Gerrit van Assendelft, Anna vrouwe v[an] Assendelft, weduwe van Gerard Renesse, Nicolaas Renesse van der Aa, Gerrit Frederik de Renesse, Hendrik de Renesse, Anna de Renesse.
In 1641 ontstaat er een geschil : De duinen verstoelen[?] zich om de tien jaar. Dan zijn de inwoners der banne van Castricum verplicht ieder naar de grootte van zijn land een gedeelte der duinen met nieuwe helm te beplanten. Zij halen daartoe de planten met karren en wagens uit de zee-»


[derde bladzijde]

«duinen tot de halve Gals[?] bij Wijk a[an] Zee. Hoewel dit zeer slecht is voor de duinen verzetten zich de Castricummers toen hun dit in 1641 verboden wordt zich beroepende op hun recht dat door hunne grootvaders, en vaders steeds zonder hindernis was uitgeoefend. De uitslag van dit twistgeding wordt niet vermeld.
In 1664. Verkoopt Anna de Renesse aan Cornelis Geelvinck, raad en oudschepen der stad Amsterdam voor 33000 gulden de heerlijkheid Castricum met de rechten die daartoe behooren bestaande in gift[?] der kerk met de kosterij & de scholastenij, het uitreiken van het Schoutsambte, secretaris & bodeambt de helft der Hooijboeten als mede het recht van de biertolle die ter leen gehouden wordt van de Staten van Holland en West Friesland (35). Verder koopt Corn[elis]. Geelvinck nog van haar voor ƒ 25.000 de “hofstad” Cronenburgh met de landen daartoe behoorende.
In het volgend jaar verkoopt Anna de Renesse per procuratie van Martinus Barben (36) aan denzelfde de erfrente van 4 hoed garst jaarlijks aan huis te leveren die zij ontvangt naar aanwijzing van oude brieven uit de Monnikenhof te Tessel.
Den 19e Juni 1674 is voor M[eeste]r. Jan Duijm, Schout van Castricum, Jan Jacobsz. in de wandeling genoemd Jan Florest, en Cornelis Meijndertsz. schepenen aldaar gecompareerd de heer Dirk Deijman Burgemeester der stad Haarlem (37) en rentmeester»


[vierde bladzijde]

«generaal der domeinen van de Edele Groot Mogende Heeren Staten van Holland en West Friesland over landen van Kennemerland en W[est] Friesland en getuigt dat hij aan den Heer Cornelis Geelvinck oud burgermeester en raad der stad Amsterdam verkocht heeft voor ƒ 2855.50 ende eerste en laatste penning, alle tienden van Castricum met name : zand en hennep tienden, herfstbede (38), vroonschulden, voederpenningen, smaltienden, boddingen (39) en recht op de koornmolen (40) van het dorp. Cornelis Geelvinck sterft in 1690. 15. Jan[uari] van het volgende jaar compareren voor Pieter Schrik openbaar notaris bij het hof van Holland : vrouwe Margaretha Bicker van Swieten we[du]we van Cornel[is]. Geelvinck, de heer Mr. Joan Geelvinck kolonel van de burgerij & bewindhebber van de O[ost].I[ndische]. Compagnie, het kamer deser Stad A[?]eer Albert Geelvinck (41) oud medepresideerend schepen en raad der stad Amsterdam, de heer Mr. Albert Bentes (42) presideerend schepen van Amsterdam als echtgenoot van Breguta Geelvinck (43) en de heer Coenraad Geelvinck (44), commissaris van Amsterdam, alle kinderen en gezamenlijke erfgenamen van den Heere van Castricum [?]alijk zij scheiden de goederen van hun overledene en bij onderling goedvinden krijgt Mr. Joan Geelvinck.
1. Het Gerecht en de Heerlijkheid van Castricum met zulke rechten als daartoe behooren.»


[vijfde bladzijde]

«2. Al de goederen & renten van het voorgenoemde in het leenregister van het huis van Polanen ingeschreven op no. 35.
3. De Isingermade groot 6 morgen 533 roeden, 4 voet in het O[osten]. (z[ie] bov[en].) begrensd door : Groot Langeveld int W[esten]. het [?]gerbosch (?) int Z[uiden] de Boonakker met de watering & ten N[oorden]. de kleine Isingermade.
4. Eene erfrente van 6 hoed gerst uit de tienden van Castricum jaarlijks op Paschen te ontvangen zoals het den 8. Dec[ember]. 1664 aan Mr. Cornelis Geelvinck & Margaretha Bicker van Swieten door de P[rinselijke].H[oofheid]. den Prins van Oranje is verlijd.
5. De biertolle van Castricum (z[ie] b[ove]n)
6. Alle tienden van Castricum met name van de henneptienden, herfstbede, vroonschulden voederpenning & smaltienden boddingen en rechte op den koornmolen van het dorp.
7. Het huis en erve waarin Schout v[an]. Castricum woont, staande & gelegen in de kerkbuurt aldaar met de vangschuur (45) en erf waar die op staat groot 132 roeden zijnde leenroerig aan het huis van Egmond, en andere getimmerten erven en gronden daarbij behoorende belast met een som van ƒ 500 waar Catharina Jansz. weduwe van Gerrit Schouten recht op heeft.
8. De uiterdijken van 2 stuk[?] land aan West[?] Aagtendijk.
9. De vervallen huizinge & hofstede genaamd Kronenburg.
10. Het recht op den inboedel van Corn[elis]. Meijndertsz. woonachtig halfweg Haarlem en Amsterdam omzake van»


[zesde bladzijde]

«achterstallige landhuur van eenige landerijen.
11. Het recht op den inboedel van de heer van Druivesteijn, bailluw (46) van Kennemerland wegens de helft van al crimineele Hoogboeten gedurende z[?] bailluwschap in de jaren dat ze van Castricum gevallen en tot nog toe aan den Heer onverantwoord gebleven. –
Verder is bedongen dat Joan Geelvincks vrouwe Margaretha Bicker van Swieten hare leven lang het vrije vruchtbezit van alle bovengenoemde zaken zal [doorgestreept : hebben] geven except van de hofstad Kronenburgh en van no. 10 & 11.
In 1707 wordt Joan Geelvinck door Lieve Geelvinck opgevolgt die sterft in 1743. –
30 Oct[ober]. 1743 verlijt Willem Karel Hendriks Pres[ident] der Grave Gods Prinse Orange etc. etc. Mr. Nic[olaas]. Geelvinck schepen en ontvanger der stad Amsterdam
1. de Heerlijkheid en het Gerecht van Castricum met alle rechten die daartoe behooren & alle goederen & renten van voornoemd dorp en de Isingermade, [?] [?] gaande uit de tienden van Castricum en jaarlijks op Paschen te ontvangen. Nagelaten en geschonken door wijlen zijn vader Mr. Lieve Geelvinck behouden van de Heeren en Vrouwen van Polanen met alle zulke rechten die Mr. Lieve Geelvinck 22 Dec[ember]. 1707 zijn verlijd. Mr. Nic[olaas] Geelvinck doet huld eed en manschap in handen van Jan Pieter Raven stadhouder van het leenhof van Polanen.
20 Junij 1765 [doorgestreept : sterft] verlijden Willem Karel Hendriks Pres[ident]. v[an] Prins v[an] Oranje»


[zevende bladzijde]

«Mr. Joan Geelvinck met de Heerlijkheid & het Gerecht van Castricum enz. het geen hem bij testament nagelaten en geschonken is door wijlen zijn vader Nicolaas Geelvinck den 8e Junij 1764. te Amsterdam gepasseert voor den notaris Jan Ardenois met zulke rechten als zijn vader 30 Oct[ober]. 1743 verlijd was voor die leenen heeft Jan Hendrik Imeunek[?] [?]en de bode der stad Amsterdam als gemachtigde van genoemden Joan Geelvick hulde eed en manschap gedaan in handen van den [?] stadhouder van den leenhove van Polanen Mr. Caspar Jacob Ravens Jan Pietersz.
In 1774 wordt Joan Geelvinck na het aftreden van Mr. Abraham Calkoen als bailluw van de hooge Jurisdictie over de Heerlijkheden Waveren Botshol en Ruige Willnisse tot dat ambt door de Staten van Holland en West Friesland, na raadpleging van den Prins van Oranje, benoemd.
1 Febr[uari] 1803 compareeren voor Jan Brakenhof Schout van Castricum & Pieter Kuijs schepen aldaar Mr. Joachim Nuhout v[an] d[er] Veen wonende te Castricum, als gemachtigden van de heeren J. Nunaber Mr. P. Galenus & Mr. N. Sinderen executeurs van het testament en redders van de boedel van wijlen den heere Joan Geelvinck gewoond hebbende en overleeden te Amsterdam zij verkoopers aan den heer Albert Cornelis Schuijt wonende de Amsterdam gehuwd met de dochter van Mr. Joan Geelvinck.»


[achtste bladzijde]

«1e Het recht van uitoefening der heerlijke of leenrechten van Castricum zoodanig als dat ingevolge van art. 15 der algemeene beginselen & bepalingen van de staatsregeling van 1798 (47) geplaatst [?] mocht worden aan den eigenaar te comptens of het recht op voorstelling voor het gem[?] dier uitoefening zooals in art. 16 [= 25] der voornoemde beginselen [?] bepaald
2e De IJsemaat (Isingermade) vroeger leenroerig a[an] het huis Polanen thans bij de staatsregeling allodiaal (48) verklaard alsmede een ander stuk genaaks IJsenmaat groot 533 roeden zijnde vrij allodiaal goed, tans groot 7 morgen 1310 roeden.
3e 6 hoed gerst, zijnde leenroerig geweest a[aan] h[et] huis v[an] Polanen.
4e Alle [?] & tienden in Castricum (zie bladz. 5.6e.
5e De biertol te Castricum. – Alles samen voor ƒ 8000.

Biertolle te Castricum

In 1470 wordt melding gemaakt van een biertolle te Castricum in een stuk waarin Karel de Stoute aan iedereen verkondigt dat voor zijn getrouwen raad en kamerling den Heere van Gruijthuijsen gecompareerd is zekere Frank Amzaenden [= van Zaenden] en verklaard heeft het recht van de biertol te Castricum en van de vroonschulden van Uijtgeest en Akersloot verkocht te hebben aan Jan Assendelft. Na raadpleging van oude stukken wordt deze er 15 Nov[ember]. 1470 mede verlijd en schenkt de Hertog het hem als erfleen. Getuige was Jan Heer van Wassenaer Philips zijn broeder, Arent v[an] Swieten en Willem van Alkemade IJsbr[and]sz. Tot 1664 blijft het recht van de biertol in de familie van»


[negende bladzijde]

«Assendelft – in welk jaar de vrouwe van Assendelft comparant voor Johan de Witt stadhouder & regestmeester der leenen en recht van de biertol verkoopt aan Cornelis Geelvinck schepen van Amsterdam en vrouwe Margaretha Bicker van Swieten voor de somma van 120 gulden. 23 Jan[uari] 1691 doet Joan Geelvinck kolonel der Burgerij van Amsterdam hulde eed en manschap in handen van den raadspensionaris Anthonij Heijnsius voor de biertolle te Castricum die hij geerfd heeft van zijn vader Cornelis Geelvinck.
De biertol blijft verder in de familie Geelvinck en wordt later als onderdeel der heerlijkheid Castricum nadat zij de 20e April 1798 bij brieven van octrooi op verzoek van Joan Geelvinck voor vrij en allodiaal verklaard is, den 1. Febr[uari]. 1803 aan den Heer Cornelis Schuijt verkocht.

Bierstal van Castricum

De papieren hierop betrekking hebbende beginnen pas met het jaar 1687.
In dat jaar compareert voor Jan Duijm schout van Castricum Jan Schouten vroeger brouwer in de brouwerij van de “Olijphant” Hij verkoopt het recht van den bierstal te Castricum aan Adriaan Stoep. In hetzelfde jaar compareert voor denzelvde Heijn Stoep en verklaart dat recht verkocht te hebben aan Wouter van der Graeff brouwer in de brouwerij»


[tiende bladzijde]

«van den “Passer” (49) te Haarlem volgens de acte in Maastricht voor den notaris Jacques de Cruce [te Maastricht, 1658-1693] gepasseerd.
In 1725 compareert voor Joh. Rollerus Schout in Castricum Frans Teeuwse van Dijck [ook Robeek genaamd] en Willem Jansz. schepen aldaar Jan van der Wal mr. timmerman te Haarlem als gemachtigden van Hr.[?] H. van Heijningen gewezen brouwer in de brouwerij van den Passer te Haarlem gehuwd met Anna Meijns en voogd der minderjarige kinderen van mej. van der Graeff die met haar zuster gemelde Anna Meijns universeele ergenamen zijn geweest van Wouter d[e] Graeff [eigenaar van 1686 tot zijn overlijden in 1703] & mej[uffrouw]. Maria Zwinderwijk. De biertol wordt door hem verkocht aan Huijbert v[an] Speijck brouwer oude brouwen hij de “Passer”. In 1743 compareert voor Leonaard Tempelaar schout & IJsbrant Broens & Jacob Kuijs schepenen v[an] Castricum Christoffel van Arum als gemachtigde van Huijbert van Spijck en getuigt dat het recht van den biertol te C[astricum]. verkocht is aan Cornelis van der Cocq [notaris te Leiden] en Maria van der Meij ieder voor de helft voor ƒ 300,-. In hetzelfde jaar compareert voor dezelfden de heer Willem van der Strengh als gemachtigde van den heer Cornelis v[an] d[der] Cocq woonende te Leiden en Maria van der Mej wonende te Zandvoort en verklaart dat zij het recht van den biertol verkocht hebben aan de heeren Mr. Abraham de Pape oudschepen van Haarlem en Huijbert van Spijck voor ƒ 300,- contact, ieder voor de helft.
In 1746 compareerden voor Leon[ard]. Tempelaar schout Corn[elis] Hogebert [= Hogebrecht] en Corn[elis] Amze schepenen v[an] Castricum»


[elfde bladzijde]

«de heer Christoffel v[an] Arum als gemachtige van den Wel Ed[ele] Gertr[ouwe]. heere Mr. Abraham de Pape die zijne helft in het recht van den bierstal voor ƒ 150,- verkoopt aan Huijbert van Spijck die reeds de andere helft bezit.
Verdere [?] ontbreken.

De Heerlijkheid Baccum

In ’t laatste der 16e eeuw behoort Baccum aan den staatsman Van Oldebarneveldt die gehuwd is het Maria van Utrecht. Hij sterft 13 mei 1629.
20 juni 1625 oorkonden de Edelen, Ridderschap en Steden van Holland en West Friesland voorstellende de staten van dat geweste, dat zij Cornelis van der Mijle [ca. 1570-1642, schoonzoon van Johan van Oldebarneveldt] ridder, Heer van der Mijle St. Anthonispolder, Bleskens Grave enz. als man een voogd van vrouw Maria van Oldenbarneveldt, die van hare vrouwe moeder Maria van Utrecht de heerlijkheid Baccum geerft heeft, verlijd heeft met voornoemde heerlijkheid. Hij doet daarvoor hulde eere & manschap in hande van Johan v[an] Wassenaar stadhouder & regestenmeester der leenen. Getuijgen waren Reijnoud v[an] Brederode. Jonkh[eer]. Theophilers Cats Jonkh[eer] Jacob v[an] Lanseroon en Dirk Grol Griffier der leenen. –
6 maart 1658 doen de Staten van Holland en West Friesland te weten dat zij Adriaan van der Mijle verlijd hebben met de heerlijkheid Baccum met de rechten daar toe behoorende en dat in hooge & lage gerechten ze het Bailluwschap schouten & bodebeamte, Visscherij het P[?] Graafschap vogelarijen & zeevonderijen geheel zooals»


[twaalfde bladzijde]

«het gelijk uit oude brieven en oorkonden blijkt in 1431 door den Graaf van Holland is uitgeleend. De heer van der Mijle heeft hulde, eer en manschap gedaan per procuratie van Jacob Bosct[?] secret[aris] v[an] d[e] [?]rkamer te ’s Gravenhage in handen van Jacob Cats Ridder & bewaarder van het Grootzegel stadhouder en regentmeester der leenen. –
30 Dec[ember]. 1664 verlijen de Staten v[an]. Holl[and]. Jhk. [= Jonkheer] van der Mijle (’t waarschijnlijk 1686 daar dan zijne erfenis gescheiden wordt) oud 19 jaar met genoemde heerlijkheid & alle rechten.
Petronella van Wassenaar wed[u]we van Adr[iaan]. v[an]. d[er]. Mijle als moeder & testamentaire voogdesse van gemelde Johan v[an] d[er] Mijle legt eed & manschap af in hande van Johan de Witt Raadspesionaris & bewwarder van het Grootzegel. –
14 Sept[ember] 1695 verkoopt genoemde vrouwe de heerlijkheid aan Jacob Perné rijk koopman te Amsterdam voor 4500 Karolus guldens die betaald zullen worden zoodra de opdracht geschied is. Als koopvoorwaarde wordt gesteld dat de kooper de schout bodeamt en secretaris Gerrit Gertner in die ambten zal laten totdat kooper hem een hooger ambt zal schenken. Drie maanden later staat Jacob Perné voor ƒ 2000 het recht van zee en strandvonderij af aan Petronella van der Mijle terwijl hij met Baccum wordt verlijd.
14 April 1696 staat G. Gertner wonend te Marquette zijn ambten af aan den heer Jacob Perné. In 1748 bemerkt Isaak Perné dat zijn vader, reeds eenige jaren vroeger overleden hem bij testament de Heerlijkheid Bac-»


[dertiende bladzijde]

«cum heeft geschonken. Hij begeeft zich naar de Rekenkamer om er verlij van te nemen doch die wordt hem door den Griffier der leenen geweigerd daar zijn vader reeds eenigetijd dood was er er in de leenwet geschreven stond dat iemand binnen 6 maanden na overlijden van een leenman verlij moet vragen van het goed dat hij geerfd heeft. Isaak Perné wendt zich nu tot de Staten zich beroepende op zijne onbekendheid met de leenen. De Heer Adr[iaan]. van der Duijm, heer van Gravenmoer bewaarder van het Grootzegel stadhouder & regestenmeester der lenen is geneigd hem het verlij toe te staan mits hij voor boete dubbele Heergewaden & hofrechten betalen. Dit wordt door de Staten goedgekeurd en het verlij wordt gegeven.
In 1749 verkoopt Abr[aham]. Perné oud schepen van Haarlem de heerlijkheid Baccum aan Mr. Nic[olaas] Geelvinck met alle rechten behalve de zeevonderij voor ƒ 4000 volgens acte voor not[aris]. François Jacob Gallé verleden.
In 1765 wordt Mr. Joan Geelvinck mede verlijd en legt deze hulde eed en manschap af in handen van den Raadspensionaris Pieter Steijen.
In 1803 wordt de heerlijkheid gelijktijdig & door dezelfde voor ƒ 1000 aan den Heer Albert Cornelis Schuijt verkocht.»


[veertiende bladzijde]

«Cronenburgh

In 1440 geeft Hendrik Heer van Loenen en Cronenburgh aan Jan v[an] d[er] Leck zijn zwager alle landen en huizen over die hij van deze in Castricum ter leen had te behoeve van zijn zoon Willem. In 1141 verkoopt deze aan Jan [van] d[er] Leck zijn neef, zijne huizinge te Castricum Cronenburgh genaamd met alle zulke goederen die daartoe behooren en hij van Jan v[an]. d[er]. Leck in leen ontvangen heeft en nog eenige eigen goederen. Later is Cronenburgh overgegaan in het geslacht van Assendelft & in 1664 verkoopt Anna de Renesse het geheel aan Mr. Cornelis Geelvinck voor ƒ 25.000.»

6. De opeenvolging van de rechten volgens Dirk van Deelen in 1973

In 1973 verschijnt posthuum de Historie van Castricum en Bakkum van de hand van Dirk van Deelen. Het hoofdstuk daaruit over de Heren van Castricum volgt hier. Dirk van Deelen heeft ongetwijfeld gebruik gemaakt van de bovenstaande bronnen, maar meest waarschijnlijk heeft hij de oorspronkelijke bronnen niet zelf ingezien; hij haalt daaruit immers niets eigens aan.

Historie van Castricum en Bakkum / D. van Deelen. – Schoorl : Uitgeverij Pirola, 1973. – 202 p. – p. 47-52
«De Heren van Castricum

Wanneer uit de chaos van de Middeleeuwen het gezag in ons dorp voor het eerst georganiseerd en aanvaard, is ingesteld en uitgeoefend, is niet bekend. De eerste Ambachtsheer van Castricum wordt in 1250 genoemd.
Mogelijk is er na Willebrord al iets van gehoorzaamheid, aan het kerkelijk gezag bv., geboren en nadien blijven hangen. Bekend is verder, dat tot aan de Middeleeuwen, als uitvoerders van het Gerecht in de dorpen, de Asingen bekend waren. De Asing zouden we in zekere zin moeten zien als de latere Schepen; iets machtiger misschien omdat hij als direkte uitvoerder van het gerechtelijk gezag alleen verantwoording schuldig was aan de Graaf of de Hoogbaljuw. Het was Graaf Floris de Vijfde die in 1291 (vrijdag na halfvasten) een einde maakte aan het Asingendom. Het werden toen Schepenen.
“Wat die Asingen wijzen souden, dat sullen die Schepenen wijzen in alsulcken recht, als ’t die Asingen wijzen souden.”
Voor Castricum is het van belang te weten dat in 1247 Graaf Willem de Tweede door Paus Innocentius IV tot de Rooms-Koninklijke waardigheid werd verheven en Koning van Holland werd. Tijdens zijn bewind werden er in Kennemerland verschillende sterkten gebouwd. Kastelen die verdedigd konden worden en één zo’n versterkt huis was, wat wij noemen : het kasteel Kronenburg. Ene Simon van Haerlem die Slotheer was van de Burgt Haerlem bij Heemskerk kan de bouwheer van Kronenburg zijn geweest en tevens Heer van Castricum. Maar zekerheid dienaangaande bestaat niet. Was zekere Bruin van Castricum al Heer van Castricum ? En de Gozzowijn of Gosewijn die in de Balladen van Kennemerland in 1005 al wordt genoemd, in welke verhouding stond die tot ons dorp ? Na Simon van Haerlem zou tot 1318 Willem van Haerlem Heer van Castricum zijn geweest. Dan gaat de Heerlijkheid Castricum over op Jan van Bergen die ook Baljuw van Kennemerland was. Tot nu toe kunnen we hierover weinig met zekerheid vertellen. Pas in de 14e eeuw komt er enige klaarheid in het ambtelijk gezag dat toen over ons dorp werd uitgeoefend. In 1328 verkoopt Willem van Henegouwen (de 19e  graaf van Holland) het Ambacht van Castricum aan Jan van Polanen. In dat jaar werd de familie van Polanen door aankoop met het Ambacht van Castricum verleden, d.w.z. er werd een akte opgemaakt waardoor de Heerlijkheid erfelijk in leen werd gegeven.
Na Jan van Polanen wordt nog Dirk van Polanen genoemd, waarna de Heerlijkheid Castricum over gaat op Jan van der Leek [= Leck] die Kronenburg in leen geeft aan Willem van Kronenburg. In 1478 wordt Adriaan van der Leek [= Leck] leenman van het Huis van Polanen als Heer van Castricum. In 1482 is Gilles van der Leek [= ] Heer van Castricum. Diens dochter Aleid van Kijffhoek neemt de Heerlijkheid in 1482 over.
Nadien is de Heerlijkheid van Castricum overgegaan op Gerrit van Assendelft. Deze doet een ruil met de pastoor Sebastiaan Willems Schouten van Castricum. Pastoor kreeg uit “de Papenlijke proeve van Castricum” ‘1½ Hoed garst’ (± 15 mud gerst). Deze gerst was 12 Karolusgulden van 40 groten Vlaams waard. In ruil hiervoor geeft de Heer van Assendelft diverse stukken land in Heemskerk gelegen. Verder koopt Gerrit van Assendelft in 1531 van Vrouwe Jozijne van Kruiningen een erfrente van ‘4 Hoed garst’ (± 40 mud) door elkaar ruim 38 ponden waard, die de Rentmeester van Kennemerland jaarlijks uit naam van de Keizer uit de Domeinen en het Monnikenhof op Texel moest trekken. Met deze erfrente werd Gerrit van Assendelft op 10 mei 1531 door Keizer Karel verleden. In 1539 koopt Gerrit van Assendelft van een Amsterdamse poorter, Pieter Pietersz. Kodde, een groot stuk land in Castricum, de Isingermade. De Van Assendelfts hadden de Heerlijkheid Castricum 125 jaar in hun bezit. In 1626 ging de Heerlijkheid over op Agnes van Renesse. In 1664 verkoopt Anna van Renesse de Heerlijkheid Castricum met alle rechten daartoe behorende voor 33.000 gulden aan Cornelis Geelvinck. De rechten waren : gift der Kerke met de Kosterij en de Scholastenij; het uitreiken van het Schoutambt; Secretaris en Bodeambt; de helft van de Hooiboeten en het recht van de Biertol. De heer Geelvinck koopt ook de hofstede Cronenburgh met de landen daartoe behorende voor 25.000 gulden en de erfrente van ‘4 Hoed garst’, jaarlijks aan huis te leveren. Ook koopt hij alle tienden van Castricum met name zand- en henneptienden, Herfstbede, Vroonschulden, Voederpenningen, Smaltienden, Boddingen en het recht op de korenmolen voor 2.855 gulden en 50 cent.
Cornelis Geelvinck sterft in 1690. Joan Geelvinck erft dan ‘het Gerecht en de Heerlijkheid van Castricum met alzulke rechten daartoe behorend’. In 1707 volgt Lieve Geelvinck Joan op. Na de dood van Joan Geelvinck in 1743 worden Nicolaas Geelvinck door de Prins van Oranje alle rechten op de Heerlijkheid Castricum toegewezen. Op 5 juni 1764 worden bij testament alle rechten overgemaakt op Mr. Joan Geelvinek. Februari 1803 gaan alle rechten over op de heer Albertus Cornelis Schuyt die met een dochter van Mr. Joan Geelvinck was gehuwd. De rechten worden alle genoemd en de prijs is 8.000 gulden.
In 1814 wordt deze opgevolgd door Albertus Johannes Schuyt en van 1855 tot 1899 wordt Henri Cornelis Schuyt nog als Heer van Castricum genoemd. Alhoewel de erfrechten na 1814 niet meer aan de Heer van Castricum zijn uitbetaald, zijn sommige rechten nog lange tijd van kracht gebleven. Art. 11 van het Reglement op Het Bestuur ten Plattenlande van 23 juli 1825 geeft pertinent aan, dat de Burgemeester benoemd wordt op voordracht van de eigenaar van het Heerlijk recht. De Heer van Castricum moest die voordracht binnen twee maanden bij de Koning indienen.
Ook het Collatierecht – voordracht van een predikant –is nog tot in onze tijd van kracht gebleven. De bij velen bekende Ds. A. van Poelgeest is nog met accoord-bevinden van de Heer van Castricum in Castricum beroepen. Nadien zijn mij geen gevallen als bovengenoemd bekend. De titulatuurerving ging echter gewoon door. Nog heden ten dage bestaat de naam ‘Van Castricum’ en ‘Van Bakkum’ achter de naam van de familie. Momenteel is dat de heer Elias van Castricum en de heer Brakenburg van Bakkum.
De Heer Mr. Albertus Johannes Schuyt, die van 1814 tot 1855 de titel Heer van Castricum gevoerd heeft, vertoefde veel in het buitenland. Niettemin heeft hij tot het uiterste geprobeerd om de Heerlijke rechten, welke aan zijn voorgangers steeds waren uitbetaald, alsnog te incasseren. De Raad van Castricum was zeer verbaasd over de brieven die zij in 1837 omtrent bedoelde Heerlijke rechten van de zaakwaarnemer van de heer Schuyt, de heer Wiarda Beckman, ontving. Daar zij allen daarvan niets wisten, waren de raadsleden niet weinig verwonderd, zo kunnen we lezen in bewaard gebleven correspondentie. Daar de heer Schuyt hierover bleef informeren, vroeg de Burgemeester van Castricum aan de Staatsraad Gouveneur om raad. Volgens de gevoerde correspondentie waren de Heerlijke rechten als Herfstbede, Voederpenningen. Vroonschulden, Smaltienden en Boddingen in 1807 nog uitbetaald aan de vorige Heer van Castricum. Echter de 96 zakken graan, die ook tot de Heerlijke rechten behoorden, waren niet van dorpswege gegeven, maar rechtstreeks door de grondeigenaars verstrekt. De heer Gouveneur wist ook geen positief antwoord te geven, zodat de zaak slepende bleef. Twintig jaar later was de kwestie nog niet opgelost. De Alkmaarse advocaat, de heer D. van Foreest, was toen met de belangen van de heer Schuyt belast. Hij schreef op 18 juli 1856 dat het met de Heerlijkheid van Castricum wel niet al te ‘heerlijk’ af zou komen. De goudmijn die de heer Schuyt in Castricum zocht, zou wel eens een verlaten kopermijn kunnen zijn. De tienden waren verlopen, meende hij, en zo ze niet waren verlopen dan zou het toch weinig de moeite waard zijn er werk van te maken. De opbrengst van aardappelen en graan was toen niet veel op de schrale duingronden, en al met al weinig hoopvol voor de heer Schuyt. Of er later nog pogingen zijn aangewend om de Heerlijke rechten te doen voortbestaan, is mij niet bekend.
Een weinig bekend recht, dat de Heer van Castricum mocht incasseren, was het recht van de Biertol (bieraccijns) en het recht op de Bierstal (lees : heel eenvoudige herberg).

OVER DE BIERTOL EN DE BIERSTAL

De oudste gegevens over de tol, die op het bier betaald moest worden, zijn uit 1470. Karel de Stoute maakte toen bekend dat zekere Frank Amzaenden [= van Zaenden] bij zijn Kamerling, de heer Van Gruythuizen, was geweest en verklaard had dat het recht van den Biertol in Castricum verkocht was aan heer Jan van Assendelft, die op 15 november 1470 met dat recht verleden werd, zodat hij dat recht in erfleen had. Tot 1664 houdt de familie Van Assendelft dat recht, waarna het voor 120 gulden overgaat aan de familie Geelvinck. De heer Cornelis Schuyt verwierf het recht op de Biertol van Castricum op 1 februari 1803.
Middelpunt van de Bierhandel in Castricum was de Bierstal. Volgens het Middel-Nederl. Handwoordenboek wordt met een Bierstal een Bierkraam bedoeld. Vanaf 1687 weten we iets van de Bierstal van Castricum af. De Castricumse Schout Jan Duym verkoopt dan de Bierstal namens de eigenaar Jacob Schouten, die brouwer was in de Haarlemse Brouwerij ‘de Oliphant’, aan Adriaan Stolp. Nadien wordt Wouter de Graaff, die in de Brouwerij ‘de Passer‘’ werkte, als eigenaar genoemd. Dan in 1725 gaat de Bierstal over op de voogd van de minderjarige kinderen van De Graaff, de heer W.H. van Meyringen, die een gedeelte of het geheel verkoopt aan de heer Huybert van Speyk, ook een brouwer in ‘de Passer’.
In al deze akten wordt nog steeds gesproken van een Bierstal. In 1743 gaat de Bierstal voor 600 gulden over op Corn. van der Cocq in Leiden en Maria van der Mey in Zandvoort. Dan wordt nog Abraham de Pape als eigenaar genoemd, die Schepen in Haarlem was geweest, en in 1746 is Huybert van Speyk de volle bezitter van de Bierstal van Castricum. In 1753 blijkt de heer Mr. Nic. Geelvinck eigenaar te zijn. Op 8 mei 1787 wordt de herberg verkocht aan de Schout Mr. Joachim Nuhout van der Veen.
In de verkoopakte wordt geschreven over de vangschuur. Hiermede werd de doorrijstal bedoeld. Men kon met paard en wagen de stal inrijden en na het voederen der paarden aan de andere zijde naar buiten rijden. Enkele jaren geleden is de stal afgebroken. Omstreeks of na 1800 stonden er in Castricum, voor zover ik weet, vier doorrijstallen, waarvan er nu nog één gedeeltelijk intakt is.

DE HEREN PRIVÉ

Uit het privéleven van de Ambachtsheren van Castricum van vóór 1800, is niet zo veel bekend. Het meest is nog bewaard gebleven in de brieven van de Heren Geelvinck, welke familie de Heerlijkheid Castricum van 1664 tot 1803 in bezit heeft gehad. De Geelvincks behoorden tot de rijke families van het land en hadden door aankoop of vererving vele Heerlijkheden in hun bezit. Vele hoge posten als Burgemeester of Schepen van Amsterdam, werden door de Geelvincks bekleed. Mr. Joan Geelvinck was niet alleen Schepen van Amsterdam, maar kon zich ook ‘Minister Plenipotentians van H.H. Mag. Heeren Staaten-Generaal der Nederlanden’ noemen enz. Vijf Geelvincks worden als Heer van Castricum genoemd. Het waren Cornelis, Joan, Lieve, Nicolaas en tot slot weer een Joan. Zover ik heb kunnen nagaan woonden de meeste Geelvincks in Amsterdam. De laatste Joan hield zich ook wel in Frankrijk op. Van Nicolaas Geelvinck (1744 tot 1764) heb ik veel brieven kunnen lezen. Daaruit blijkt dat hij naast een Herenhuis aan de Reguliersgracht in Amsterdam in 1743 van zijn zuster de schitterend gelegen buitenplaats ‘Akerendam’ in Beverwijk heeft gekocht. Toen hij een jaar later door aankoop de Heerlijkheid Castricum had verkregen, woonde de familie veel op ‘Akeren’. Nicolaas Geelvinck moet heel rijk zijn geweest. Veel van de brieven gaan dan ook over aankoop van gronden of huizen. Wanneer de Schout van Castricum wist dat een ingezetene van Castricum een stuk grond of een huis te koop had, werd veelal de heer Geelvinck daarvan in kennis gesteld. Daar de heer Geelvinck niet zo vaak in Castricum kwam, belastte hij de Schout veelal met de aankoop. Zo kreeg hij talrijke gronden in zijn bezit.
Heer Nicolaas Geelvinck ontving zijn gasten gewoonlijk op ‘Akerendam’. Interessant is het te lezen hoe een vriend uit Den Haag bericht van zijn bezoek dat hij van plan is af te leggen, “op overmorgen zullende zijn Donderdag 8 october 1747 wanneer ik smorgens met de Schuyt van seven uren van hier sal vertrekken en dus smiddags ten drie uren te Haarlem staa te arriveren, weshalven ik mits dezen de vrijheid neme U Wel Ed. Gestr. te versoeken, dat ter selver tijd een rijtuyg mag wesen aan de Schuyt, of wel andersins aan het Logement de Goude Leeuw in de Zijlstraat over het Stadhuys.”»

Noten

1. Beschrijving van het archief, 102 inventarisnummers, bij elkaar 35 centimer.

2. Het archief van de Heren van Haarlem, 1254-1321 / J.C. Kort. – ’s-Gravenhage : Rijksarchief, 1976. – XI, 38 p. – (Rijksarchieven in Holland : inventarisreeks ; 9), nummer toegang 3.19.15.

3. Deze lijst geheel onder voorbehoud; de oorspronkelijke bronnen zijn te controleren.

4. Zie : Kwartierstaat Vreeswijk-van Meegeren (concept)12 december 2011.

5. Zie : Kwartierstaat Keesmaat-Bothof (met bronnen).

6. Zie : Goede luiden en gemene onderzaten / Bert Koene. – Hilversum : Verloren, 2009, en : Voor God, Graaf en Geslacht / Bert Koene. – Hilversum : Verloren, 2005; zie ook : De leenkamer van de Burcht te Leiden, 1256-1744 / C.Hoek.

7. Anna de Renesse kon volgens het oud gewoonterecht dit leen niet ‘verkopen’ zonder toestemming van haar leenheer, want het was haar eigendom niet; ze had slechts het vruchtgebruik met feodale rechten en plichten.

8. De familiegeschiedenis Geelvinck begint met Jan Gerritse, nederduits gereformeerd schipper op “de Geelvinck” en vervolgens winkelier te Amsterdam die in 1576 trouwt met Geert Luytgensdr. (1537-1619); hun zoon Cornelis Jansz Geelvinck (1544-1624) was eveneens schipper en vervolgens graan- erwten-, en bonenhandelaar, leverancier aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie en de West-Indische Compagnie; hij trouwt Geerte Wiggertsdr. Ramp. In 1579 wordt hun zoon Jan Cornelisz. Geelvinck geboren die lid wordt van het Amsterdamse vroedschap en in 1626 burgemeester. Voor de familie Geelvinck, zie : Geelvinck (familie) (Wikipedia); Genealogie van Jan Cornelisz. Geelvinck / J. Zwart, en Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek (NNBW), deel 6, p. 546-547. Ergens tussen 1682 en 1727 gaat Heemskerk met Assendelft ook in de verkoop : 16-1-1727 : Jean Deutz de Jonge te Amsterdam, heer van Assendelft, bij dode van zijn vader Jean Deutz de Oude, heer van Assendelft, die het leen had gekocht van heer Maximiliaen Henri de Renesse, graaf de Masny.».

9. In de Annalen van Egmond wordt een Baldramnus van Haarlem vermeld in verband met een mythologische veldslag tegen de ‘Friezen’ in 1168, dezelfde waaraan ook ene Bruno van Castricum zou hebben deelgenomen. Verder vinden we : Geraerdi, Walteri en Bartholomei de Harlem (OHZ II, nr. 427, oktober 1222, p. 5, afschrift; Antheun Janse, Ridderschap in Holland, geeft p. 33, noot 69, bij vergissing nr. 442); Isbrandum, Waltherum en Bartholomeum de Harlem (OHZ II, nr. 468, 24 februari 1227, p. 71, afschrift); Isbrandus, Waltherus en Bartholomeus (OHZ II, nr. 496, 14 januari 1230, p. 96, Egmonds origineel). Helaas verantwoordt J.C. Kort zijn bronnen niet afzonderlijk, maar hij geeft wel nuttig kritisch commentaar. De documentatie voor de eerste drie generaties is te wantrouwen.

10. Regionaal Archief Alkmaar, Archief van de Heerlijkheden Bakkum en Castricum, inventarisnummer 100, 1 stuk, Staat van stukken en beleningen betreffende Castricum vanaf 1307. De hier gepubliceerde stukken zijn uit het Alkmaarse archief ontvangen op 7 april 2015.

11. Er is nog geen sprake van een ‘huijs’ te Castricum.

12. Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg († 1442), aanvankelijk proost, trouwt 1403 Johanna van Polanen (1392-1445), zes kinderen.

13. Niclaes de Renesse van der Aa († <1618), trouwt Agnes van der Aa, sinds 1626 vrouwe van Assendelft, baronesse van Haerlem, vrouwe van der Aa, Vosmaer, Beverwijck, Eemskerck en Castricum. Zij wordt in 1635 opgevolgd door haar zoon jonkheer Gerrit Frederik van Renesse, onmondig, door zijn vader heer Nicolaes de Renesse, baron van Elderen, Mansuy, vrijheer van Assendelft, baron van Haerlem, heer van der Aa, Vosmeer, Beverwijck, Eemskerck en Castricum, tevens vader van jonkheer Hendrick en jonkvrouwe Anne, bij dode van zijn moeder vrouwe Agnes de Renesse van der Aa etc.

14. Over de bierstolle en de bierstal in Castricum, zie : De historie van De Rustende Jager / S.P.A. Zuurbier. – In : Oud Castricum, 7e jaarboekje, 1984, p. 3-9.

15. Filips van Bourgondiën (1396-1467), landsheer van Brabant, Namen en Limburg, hertog van Bourgondië, graaf van Vlaanderen en Artesië, in 1433 ook landsheer van Holland en Zeeland en Henegouwen (als zodanig opvolger van Jacoba van Beieren), en in 1451 tevens hertog van Luxemburg; hij werd opgevolgd door Karel de Stoute, een zoon van Filips de Goede en Isabella van Portugal.

16. Dit is een merkwaardig document omdat allerlei rechten aan Kronenburgh worden toegeschreven die normaal gesproken bij het ambt hoorden. We kunnen ons ook afvragen of Cornelis Geelvinck hier niet probeerde om benoemingsrechten op te eisen die eerder nergens waren gedocumenteerd en in hoeverre hij erin geslaagd is dat recht ook daadwerkelijk uit te oefenen.

17. Jus Patronatus : patronaatsrecht = benoemingsrecht.

18. Het dingrecht, de rechtspraak van de banne. Dat de Dingstoel te Castricum later Dingstal werd genoemd kan geen getuige zijn van respect voor die instelling.

19. Aelmismeesteren, later armmeesters genaamd.

20. Regionaal Archief Alkmaar, Archief van de Heerlijkheden Bakkum en Castricum, inventarisnummer 101, 1 stuk, Staat van stukken betreffende Castricum en Kronenburg over 1440-1665.

21. Hij kreeg ze in eigendom in plaats van in leen, want logisch is omdat hij ze gekocht had; daarmee was hij ook niet meer gebonden aan de leenplichten; hij behield wel leenrechten die hem niet meer toekwamen, zie : Heerlijkheid (bestuursform) (Wikipedia).

22. Karel V (1500-1558), deed in 1555 afstand van de troon ten gunste van zijn zoon Philips II (1527-1598).

23. Voorwerp of bedrag dat de leenheer ontvangt van de leenman bij diens verhef.

24. Vroon : Heer; een bezitting (geen eigendom) waarop (horige) herendiensten rustten, later bij vrije gezinnen op leengoederen in vrije eigendom ook gewoon een belasting in geld.

25. Buijren : inwoners die in dezelfde buurt wonen.

26. Willem Hendrik, prins van Oranje (1650-1703), als Willem III sinds 1672 (het rampjaar) stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, sinds 1675 ook van Gelre, Zutphen en Overijssel en sinds 1696 ook van Drenthe; in 1689 tevens koning van Engeland, Schotland en Ierland.

27. Cessie : opheffing.

28. Willem van Cronenburg zou geboren zijn ca. 1403, zoon van Hendrik van Cronenburg en Catharina van der Lecke, van hem zijn huwelijk noch kinderen bekend, en omdat zijn lenen te Castricum van 1440 in 1441 alweer werden teruggegeven aan Jan van der Leck, die verder niet meer wordt vermeld, mogen we met enige zekerheid aannemen dat hij weinig later op jeugdige leeftijd is overleden.

29. Hendrick van Cronenburg, tweede heer, maarschalk van het Nedersticht Utrecht, voerde in 1405 oorlog tegen de stad Garpaarn bij Vianen, in 1426 tot ridder geslagen; zoon van Willem van Cronenburg en een onbekende dochter van Jan (II) van Polanen van der Lecke. Webgegevens zonder bronnen en onderling maar gedeeltelijk overlappend : a) Nederlandsch Geslachts-, Stam- en Wapenboek, 1785, p. 147-150; b) https://books.google.be/books?id=S1NDAAAAcAAJ&pg=PA928&lpg=PA928&" TARGET="_blank">Batavia Illustrate, c) stamboom Warmenhove-Thierry en c) Stamboom Vennik.

30. In het Alkmaarse archieven (Archief van de Heerlijkheden Bakkum en Castricum, inventarisnummer 62) bevinden zich van de akten uit 1440 en 1441 alleen fotokopiën; de oorspronkelijke akten bevinden zich sinds 1973 in het Centraal Bureau voor de Genealogie in Den Haag.

31. Grase, Geers of geerste land; landmaat, in Noord-Holland éénderde van een plaatselijke morgen. Een Castricumse morgen was 300 vierkante roede ofwel 8.117 vierkante meter; een Castricumse vierkante roede was 27,06 vierkante meter, bron : Eenhedenlexicon / J.H.G. Boekhorst. – Doetichem, 2011; de opgegeven omrekeningen naar vierkante meters kloppen niet meer elkaar.

32. Regionaal Archief Alkmaar, Archief van de Heerlijkheden Bakkum en Castricum, inventarisnummer 102, 1 stuk, Staat van stukken betreffende Castricum en Bakkum, ca. 1875.

33. Regionaal Archief Alkmaar, Archief van de Heerlijkheden Bakkum en Castricum, inventarisnummer 80, Geschiedenis van Castricum, Bakkum, Stabroek en Kronenburg, opgesteld aan de hand van in het archief aanwezige stukken, 1 katern, ca. 1875

34. Rogsadinge = akkers ingezaaid met rogge, geen veldnaam.

35. De staten van Holland hadden zich het gravelijke leenrecht toegeëigend dat voortaan ook te koop was en in allodiaal eigendom kon overgaan.

36. Martinus Barben was rentmeester te Amsterdam.

37. Dirk Deijman, burgemeester van Haarlem 1670-1678.

38. Herfstbede : een najaarsbelasting.

39. Bodding : een vorstelijke of gravelijke belasting.

40. Het malen van graan werd in natura betaald : de molenaar had recht op een deel van het meel, en een deel daarvan ging weer als belasting naar de leenheer.

41. Albert Geelvinck (1647-1693).

42. Albert Bentes († 1701).

43. Brigitte Geelvinck (1651-1721).

44. Coenraad Geelvinck, geboren 1654.

45. Volgens Dirk van Deelen in 1973 is de “vangschuur” een doorrijstal voor paarden.

46. Bailluw : baljuw, administratief vertegenwoordiger van een vorst.

47. De Staatsregeling 1798 was een eerste grondwet die bij volksreferemdum werd aangenomen. Artikel 25 luidt :
«Alle Tiend-, Chijns- of Thijns-, Nakoops-, Afstervings-, en Naastings-Regten, van welken aard, mids-gaders alle andere Regten of Verpligtingen, hoe ook genoemd, uit het Leenstelsel of Leenrecht afkomstig, en die hunnen oorsprong niet hebben uit een wederzijdsch vrijwillig en wettig verdrag, worden, met alle de gevolgen van dien, als strijdig met der Burgeren gelijkheid en vrijheid, voor altijd vervallen verklaard.
Het Vertegenwoordigend Lichaam zal, binnen agtien Maanden, na Deszelfs eerste zitting, bepaalen den voet en de wijze van afkoop van alle zoodanige regten en renten, welke als vruchten van wezenlijken eigendom kunnen beschouwd worden. Geene aanspraak op pecunieele vergoeding, uit de vernietiging van gemelde Regten voordvloeiende, zal gelden, dan welke, binnen zes Maanden na de aanneming der Staatsregeling, zal zijn ingeleverd.»

In een aanhangsel van 7 mei 1799 werden rechten en plichten uit het leenstelsel met terughoudendheid vervallen verklaard, zie : Nederlandse Grondwet; bij de wijziging in 1801 werd het aanhangsel gehandhaafd.

48. Allodiaal, een niet-leenroerig goed, dus in volle eigendom. In 1664 waren de goederen al allodiaal verklaard : op 8 december 1664 verleenden de Staten van Holland immers octrooi aan Cornelis Geelvinck om van zijn leengoederen als allodiale te mogen disponeren (zie boven), maar de Geelvinck’s bleven sindsdien wel de feodale rechten die hen niet meer toekwamen in hun voordeel uitoefenen; zie : Heer (feodalisme) (Wikipedia).

49. De Passer, een Haarlemse brouwerij vermeld sinds 1594.


Start : 7 april 2015 | Laatst bijgewerkt : 26 april 2015

1664-1669, omslag
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1664, eerste bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1664, tweede bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1664, derde bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1669, eerste bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1669, tweede bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Inventaris tot 1810
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, omslag samenvatting
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, eerste bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, tweede bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, derde bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, vierde bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, vijfde bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, zesde bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, zevende bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, achtste bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, negende bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, tiende bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, elfde bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, twaalfde bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, dertiende bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

1814, veertiende bladzijde
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Krantenbericht over de Castricumse onroerende goederenbelasting met dreigement, 1798.
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Advertentie Rotterdamse Courant, 7 november 1801
Zelfde advertentie ook in de Haagsche en Utrechtse Courant, 9 november 1801
Joannes Geelvinck zelf overleed weinig later op 2 juli 1802
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Castricum in de uitverkoop, advertentie Amsterdamse Courant, 28 oktober 1802.
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Krantenbericht over Albert J. Schuijt van 9 januari 1849; hij overleed in Hanau in Duitsland in 1855.
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)