VorigeInleidingVolgende

De transgressies

Inhoud van deze pagina

  1. De middeleeuwse transgressies
  2. Vroeg-middeleeuws Kennemerland
  3. Duinkerke I, II en III
  4. Sedimentatie, veenvorming en inklinking van de bodem
  5. Temperatuurschommelingen
  6. Het vertrek van de Romeinen en de overige bevolking
    Noten

1. De middeleeuwse transgressies

Na de Romeinse periode was er in de Lage Landen alleen hier en daar alleen nog tijdelijk enige bewoning mogelijk op de strandwallen langs een smalle kuststrook. Daar achter lag zo goed als onbewoonbaar kwelder- en waddengebied en veenmoeras. De bevolking was zo gering van omvang en zo onbetekenend dat er ons daarvan geen enkele schriftelijke bron van is overgeleverd. De schamele archeologische vondsten bestaan doorgaans uit nauwelijks meer dan een paar paalgaten en wat losse potscherven. Vandaar dat geschiedkundigen het voortdurend hebben over :

«de historisch tamelijk duistere periode van ongeveer 400 tot 1000» (1).

Een juister gevolgtrekking is :

«Eigenlijk begint de geschiedenis van de Hollanders pas in de 12de eeuw, want dan duikt de naam Holland voor het eerst op. Een plaatselijke potentaat, Floris (2), wordt in 1101 door de bisschop van Utrecht in een officieel stuk aangesproken als ‘Graaf van Holland’. Dat Holland is dan weliswaar nog slechts de benaming voor de streek rond Leiden, Rijnland (3), maar toch ligt daar de bakermat van wat in de eeuwen erna zal uitgroeien tot het machtige graafschap Holland.» (4).

Door alles dat daaraan, afgaande op verkeerd begrepen historische bronnen, vooraf zou zijn gegaan kan beter maar een dikke streep worden getrokken. Een ander, niettemin een verklaard traditionalist, schrijft :

«Het gebied Holland is een zuiver middeleeuwse schepping, dat op geen enkele wijze verband houdt met zijn romeinse voorgeschiedenis.»

En over de ‘droge’ Romeinse periode :

«Het binnenland, dat door de Oude Duinen beschermd werd, was overwegend een veengebied. In de kerngebieden bevonden zich eilanden van hoogveen, dat voor zijn groei uitsluitend aangewezen was op regenwater. De hoogveen-eilanden hadden een kussenvormig gewelfd aanzien, hielden als in een spons veel van het regenwater vast en waren in het algemeen onbegaanbaar. Aan de randen bevond zich laagveen; dit werd door het grondwater gevoed, dat via rivieren en kreken aan en af werd gevoerd. Door de mogelijkheden van afwatering kon het laagveen bij gunstige omstandigheden zo droog worden dat het begaanbaar werd.»

Tenslotte, concluderend :

«Bewoonbare plaatsen in de romeinse tijd vinden we in de Oude Duinen, op de kleiboorden langs de rivieren en op de getijde-afzettingen in het binnenland. De getijdekreken konden tweeërlei gevolg hebben: of ze raakten door zandaanvoer verstopt en werden op den duur tot verhoogde banen (kreekruggen), of ze bleven open en zorgden voor een goede ontwatering van het aangrenzende laagveen. In het laatste geval maakten ze ook de laagveengebieden geschikt voor bewoning. Het centrale hoogveengebied bleef echter onbewoonbaar. Tot aan het menselijk ingrijpen met ontginningswerken en dijkaanleg in de middeleeuwen zijn deze voorwaarden bepalend geweest voor de bewoonbaarheid van het land.
Nu moet men zich dit ook weer niet voorstellen als een statisch geheel; er konden natuurlijke verstoringen optreden, die de bewoning op de geschikte plaatsen toch kon doen verdwijnen: in de Oude Duinen waren dit verstuivingen, op de achtergelegen klei- en laagveengebieden overstromingen. Beide verschijnselen hangen ten nauwste samen met fasen van verhoogde activiteit van de zee, men noemt ze ook wel transgressie-fasen. De ‘rustige’ fasen ertussen worden naar analogie regressie-fasen genoemd. Uit vele onderzoekingen blijkt steeds meer, dat de periode, die wij de romeinse tijd noemen, juist samenvalt met een dergelijke regressie-fase. Een gevolg hiervan is, dat we op de voor bewoning geschikte plaatsen: Oude Duinen, klei- en laagveengebieden, sporen van bewoning vinden vanaf de 1e eeuw voor Chr. tot omstreeks het midden van de 3e eeuw na Chr. Het begin valt samen met het einde van de voor-romeinse transgressie-fase en het einde met het inzetten van de laat-romeinse transgressie-fase. Dit verschijnsel is niet tot het hollandse kustgebied beperkt; het is ook geconstateerd in de complementaire delen van onze kust, in het noordelijke terpengebied van Friesland en Groningen, en het zuidelijk deel van de delta in Zeeland, waar de omstandigheden niet wezenlijk verschilden.»
 (5).

De droogte van de regressie-perioden is inderdaad betrekkelijk voorzover er geen kunstmatige afwateringskanalen of dijken waren. De Romeinen, die in een regressie-periode in de ‘Lage Landen’ waren, twijfelden of het gebied nu water of land was, omdat je er nóch kon lopen, nóch kon varen. Hoe het er vóór 1200 moet hebben uitgezien werd in 293 na Chr. al beschreven door de Romeinse Panegyrici :

«Het gelijkt bijna niet op aarde, want dit woord past er nauwelijks. Het is immers zo met water doordrenkt, dat het niet alleen daar waar het duidelijk moeras is, in het niet verdwijnt en de voetstap weigert, maar ook waar het een beetje steviger lijkt wijkt het terug voor de voet en trekt het zich terug bij elke stap.» (6).

2. Vroeg-middeleeuws Kennemerland

Dr. Jan Klaas de Cock, die in de eerste helft van de jaren 1960 onderzoek deed naar de historische geografie van Kennemerland, bleef slachtoffer van de mythe, maar levert toch alle benodigde elementen om duidelijk te maken dat vóór 950 Kennemerland voor het overgrote deel onbewoonbaar was. Het aantal inwoners schat hij voor het jaar 900 op hoogstens 4.000. De ontginnningen beginnen volgens hem in de tweede helft van de tiende eeuw, en de eerste bedijkingen dateert hij rond het jaar 1000 (7). Die jaartallen en aantallen zijn rijkelijk optimistisch als we bedenken dat de Westfriese omringdijk pas in 1320 voor het eerst als geheel wordt vermeld (8). In zijn Inleiding schrijft hij :

«Het historisch-geografisch onderzoek, wat betreft de tijd vóór 1500, bevindt zich op het ogenblik in een overgangsperiode. Tot ongeveer 1940 had men vrijwel uitsluitend als bronnenmateriaal wat historici en historisch-geografisch geïnteresseerden als Beekman uit kronieken, oorkonden en oude kaarten bij elkaar hadden gebracht. Door het fysisch-geografisch en bodemkundig onderzoek alsmede het oekologisch, prehistorisch en toponymisch onderzoek is er echter een schat van gegevens bekend geworden over overstromingsfasen, oude waterlopen, afwisseling van droge en vochtiger perioden van veengebieden etc., etc.
Hierdoor heeft ook de historische geografie geheel nieuwe impulsen gekregen. Onder meer is hier bijvoorbeeld te denken aan een hernieuwd historisch verkavelingsonderzoek in verband met begrenzing en expansie van gemeenten.
In welke perioden zijn veengebieden verkaveld? Is ook hier een discontinuïteit van bewoning vast te stellen in die zin, dat in perioden met lagere grondwaterstand de droger wordende venen verkaveld werden en dat deze gronden in perioden met hogere grondwaterstand weer verloren zijn gegaan? Of heeft men door het nemen van maatregelen als bedijkingen het land bewoonbaar kunnen houden?
Zo zouden er ook nog talrijke andere onderwerpen te noemen zijn.
Van alle kustgebieden in Nederland kan men zonder uitzondering zeggen dat er historisch-geografisch nog veel te weinig van bekend is en bovendien dat er nog veel te weinig van onderzocht is. Een dergelijke opmerking maakte Fockema Andreae reeds ten aanzien van de historische geografie van Kennemerland en Delfland (*).
Het valt eigenlijk tegen wat men in de literatuur over Kennemerland vindt.»
 (9).
*) S.J. Fockema Andreae, Willem I en de Hollandse hoogheemraadschappen, Wormerveer, 1954, p. 64.

Na 1130 wordt Kennemerland in zijn geheel opnieuw bedreigd. In 1135 vindt een grote overstroming plaats. Kennemerland wordt nogmaals overstroomd in 1163 en in 1170. Anders dan tijdens de eerdere transgressies, toen er vooral afwateringssloten werden gegraven, wordt nu voor het eerst de dijkenbouw ter hand genomen vanaf de duinen en vooral de oudere strandwallen landinwaarts. Desondanks wordt Kennemerland in 1248 opnieuw overstroomd (10).

3. Duinkerke I, II en III

De transgressie-regressie-perioden worden in de Nederlandse literatuur doorgaans als volgt ingedeeld (de jongste periode bovenaan, de lagen in de volgorde waarin geologen ze aantreffen) (11) :

Duinkerke IIIb1500 na Chr. – heden
Duinkerke IIIa800 - 1000 na Chr.
Duinkerke II250 - 600 na Chr.
Duinkerke I500 - 200 voor Chr.

Een geheel andere is (12) :

Een laat-Middeleeuwse van ongeveer 1130-1500 na Chr.
Een Karolingisch-Ottoonse van 800-950 n. Chr.
Een laat-Romeinse van ca. 250-500 n. Chr.

Waar bij de één de transgressie begint neemt die bij de ander juist een einde ! De vraag is ook gerechtvaardigd in hoeverre de Nederlandse geologische indeling nog altijd onder invloed staat van de traditionalistische opvatting van de geschiedschrijvers die als uitgangspunt diende. Het bovenstaande citaat van dr. Jan Klaas de Cock is in dat opzicht sprekend.

Geologen in Frankrijk en België hanteren de volgende indeling (13) :

Duinkerke IIISinds de elfde eeuw
Duinkerke IIVierde tot achtste eeuw
Duinkerke ITweede eeuw voor Chr. tot eerste eeuw na Chr.

De verschillen kunnen niet verklaard worden uit de afstand tot het Kanaal waar het verschil tussen eb en vloed het grootst is. Het lager gelegen Nederland kwam in het transgressie-regressie-model juist eerder onder water en viel later droog.

Albert Delahaye maakt de volgende indeling :

«Voor ons onderwerp, de toestand in het gebied van de Renus(Schelde)-delta, moet men drie fasen of tijdperken onderscheiden :
1. De situatie van de eeuw vóór Chr. tot ca. het midden van de 1e eeuw, een periode van transgressie, bekend onder de nu eenmaal gevestigde naam “Duinkerken I” en historisch gezien voornamelijk gedekt door het boek van Caesar : De bello Gallico.
2. Dat van het einde van de 1e eeuw tot ca. 250 na Chr., een periode van regressie, beschreven door Strabo, Plinius, Tacitus, Ptolemeus, en het Itenerarium Antonini.
3. Een nieuwe periode van transgressie, “Duinkerken II”, in Nederland beginnend ca. 250 na Chr., in het noorden van Frankrijk enkele decennia vroeger. Zij heeft onafgebroken, met op- en neergangen, geduurd tot de 9e eeuw in Frankrijk, tot de 10e eeuw in Nederland.»
 (14).

De transgressies en regressies zijn het gevolg van een ingewikkeld samenspel van schommelingen in de zeespiegel, de invloed van stormvloeden op een onbeschermd gebied, bodemverhoging door veenvorming, bodemverlaging door afwatering en inklinking, al dan niet als gevolg van menselijke activiteit.

4. Sedimentatie, veenvorming en inklinking van de bodem

Nieuw onderzoek, onder andere verwoord door prof. dr. Cecile Baeteman (Vrije Universiteit Brussel en directeur van de Geologische Dienst in België), sluit wonderwel op die conclusie aan. Cecile Baeteman trekt weliswaar het model van de Duinkerkse transgressies in twijfel, maar alleen om dat beeld te wijzigen in een veel ingewikkelder, waarbij vooral sedimentatie, vorming en inklinking van veen en de opvulling van getijdegeulen met zand een grote rol spelen, terwijl de kustlijn zich tijdens het eerste millennium oostwaarts verplaatste, hetgeen pas rond het jaar 800 tot een zekere rust zou zijn gekomen. Ze sluit grotere schommelingen van de zeespiegel uit, maar wijt de veranderingen veeleer aan een “negatieve sediment balans” (er verdwijnt meer grond dan er bijkomt) en het inklinken van het veen, onder andere als gevolg van menselijke aktiviteit tijdens de Romeinse periode, en dat alles in een onbeschermd getijden- cq. waddengebied. Ze veronderstelt ook een klimaatverandering, met name een vergrote neerslag, aan het einde van de Romeinse periode (15).

Het oorspronkelijke model van de Duinkerkse transgressies wordt inderdaad door steeds meer geologen verlaten. Voor de conclusies over de bewoonbaarheid maakt dat geen verschil; de onbewoonbaarheid krijgt alleen een betere en nauwkeuriger verklaring.

5. Temperatuurschommelingen

Albert Delahaye redeneerde herhaaldelijk al te simpel dat omdát het Romeins meters onder het huidige maaiveld wordt gevonden, de zeespiegel in de Romeinse periode meters lager moet hebben gelegen dan tegenwoordig. Maar het Romeins kan ook de bodem zijn ingezakt door inklinking van veenlagen, die meters dik kunnen zijn geweest. Vandaar bijvoorbeeld dat onder middeleeuwse kerken in Holland turflagen worden gevonden waardoor het lijkt alsof de kerken op een terp zijn gebouwd, terwijl in werkelijkheid de omliggende bodem sterk is gedaald.

Wanneer de verklaring ingewikkelder is dan Albert Delahaye veronderstelde – hij kon nauwelijks beter weten en baseerde zich op de toenmalige stand van de wetenschap – betekent dat echter geenszins dat het vraagstuk van de bewoonbaarheid niet bestaat.

Sinds het hoogtepunt van de laatste ijstijd 18.000 jaar geleden is de zeespiegel met zo'n 130 meter gestegen (16). Die gemiddelde waarden gerekend over duizenden jaren helpen ons echter niet veel verder (17).

Maar daarbinnen zijn er ook kleinere schommelingen op de kortere termijn. Schommelingen van enkele tientallen centimeters kunnen wel degelijk grote gevolgen hebben voor een laag gelegen land. Maar terwijl er voor het tweede millennium op dit vlak veel gegevens zijn verzameld, versneld door het debat over klimaatverandering door de globale opwarming (18), is dat voor het eerste millenium veel minder het geval. Wat wel duidelijk wordt is dat de bewoonbaarheid niet alleen afhangt van de schommelingen van de zeespiegel, maar eveneens van de wisselende hoeveelheid neerslag en van temperatuurschommelingen. De Hollandse, Friese en Utrechtse geschiedenis begint tijdens de Noord-Atlantische middeleeuwse warmte-periode van ongeveer 800-1300 (19), die gepaard ging met een aanzienlijke bevolkingsgroei en kolonisering naar het noorden en oosten van eerder nauwelijk bewoonde gebieden (20). Voor Alaska zijn er drie periode van betrekkelijke warmte vastgesteld : de jaren 1-300, 850-1200 en de periode vanaf 1800, wat heel goed aansluit bij de periodisering van de Duinkerke-transgressies.

Een warmere periode in het Noord-Atlantische gebied betekent paradoxaal niet noodzakelijk een globale stijging van de zeespiegel in diezelfde periode, maar kan met juist het omgekeerde gepaard zijn gegaan : een betrekkelijke daling van de zeespiegel, terwijl bovendien door toenemende vegetatie en veenvorming de bodem zal zijn gestegen.

De middeleeuwse warmteperiode werd opgevolgd door een “kleine ijstijd” die tot halverwege de negentiende eeuw duurde, met als koudste periode het Maunderminimum van 1645-1715 (21), paradoxaal de periode bij uitstek van landaanwinning.

Dat neemt niet weg dat kan worden aangenomen dat door een samenhang van verschillende en elkaar tegenwerkende dan wel versterkende factoren vanaf de derde eeuw het gebied aanzienlijk natter en kouder is geworden tot in de tiende eeuw, en dat het land daardoor nauwelijks bewoonbaar was, en dat is precies wat Albert Delahaye beweerde op grond van de historische bronnen.

6. Het vertrek van de Romeinen en de overige bevolking

De stelling van Albert Delahaye dat de Romeinen niet uit Nederland zouden zijn verdreven door de Friezen maar door het water is een halve waarheid. Inderdaad, ze zijn niet verdreven voor strijdlustige “Friezen” die zich veel zuidelijker bevonden. Maar het verdwijnen van de Romeinen uit de lage landen hangt vooraleerst samen met de instorting van het Romeinse Rijk in de derde eeuw; klimatologische veranderingen kunnen dit vertrek hooguit hebben bespoedigd. En wanneer er toch al nauwelijks een bevolking van enige betekenis was toen de Romeinen aankwamen, dan waren het zeker de klimatologische veranderingen die deze overige plaatselijke bevolking eveneens naar het zuiden dreven. Want terwijl de Romeinen in het jaar 410 noodgedwongen Brittannia verlieten, alwaar de waterhuishouding veel minder een rol speelde, beginnen de Saksen daar binnen te vallen – in een door de Romeinse bezetting sterk ontvolkt land – terwijl een dergelijke immigratie in de “Lage Landen” niet heeft plaatsgevonden, ondanks alle verhalen over “volksverhuizingen” die juist toen “Friezen, Franken en Saksen” naar ons land zouden hebben gebracht na het spoorloos verdwijnen van de kloeke Batavieren en Caninefaten die zich ook veel zuidelijker bevonden.


Noten

1. Algemene geschiedenis der Nederlanden : Deel I. Oudheid en vroege middeleeuwen tot het jaar 925. – Utrecht : De Haan, 1949. Hoofdstuk X, Friesland van de vijfde tot de tiende eeuw, p. 386.

2. Bedoeld Floris II, de Vette.

3. Juister : de omgeving Dordrecht / Vlaardingen.

4. Oorsprong en geschiedenis van de Hollanders / C. Bunnik, P. van der Heijden, W. van Kranendonk, A. Visser. – Amsterdam, Brussel : Elsevier, 1982. – p. 30.

5. Friezen - Romeinen - Cananefaten / H. Sarfatij. – [s.l.] : Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, [s.d.]. – (Overdrukken ; nr. 33). – Oorspronkelijke uitgave in : Holland, jaargang 3, 1971. – p. 33-47, 89-105, 153-179. – p. 34, 36 en 37.

6. Ex veteribus Panegyricis de Gallis, Histoire de France, I, p. 713; aangehaald in : De Ware kijk op ..., deel 1, t.a.p., p. 68. Zie ook : Vraagstukken in de historische geografie van Nederland, t.a.p., p. 172.

7. Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de Middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag / Dr. J.K. de Cock. – Groningen : J.B. Wolters, 1965. – 288 p. Vergelijk : Getekend land. Nieuwe beelden van Hollands Noorderkwartier / Herman Lambooij. – Alkmaar : Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier, 1987. – 160 p. De kaart van Noord-Holland in 1350 die bij dit laatste boek wordt geleverd is een waarschijnlijk heel precieze reconstructie; over de periode daarvoor is nauwelijks iets te zeggen omdat veel land is weggeslagen, met name hele veenlagen. Zie ook, in volgorde van verschijningsjaar, de volgende werken :

  • Mémoire sur les changements que la côte d’Anvers à Boulogne à subis, tant à l’intérieur qu’à l’extérieur, depuis la conquête de César jusqu’à nos jours / A. Belpaire. – In : Mémoires Couronnées par l’Academie Royale de Sciences et Belles Lettres de Bruxelles, vol. 6, 1826
  • De bodem van Nederland; de zamenstelling en het ontstaan der gronden in Nederland ten behoeve van het algemeen beschreven / door W.C.H. Staring. – Haarlem : Kruseman, 1860. – 2 delen. – (Natuurlijke historie van Nederland). – Gewijzigde herdruk door Prof. J. van Boven, 3 delen, 1908-1924.
  • Nederland en zijne bewoners; handboek der aardrijkskunde en volkenkunde van Nederland / door H. Blink – Amsterdam : Van Looy, Gerlings, Brinkman, [1889-1892]. – 3 delen.
  • Opkomst van Nederland als economisch-geografisch gebied van de oudste tijden tot heden / Prof. dr. H. Blink. – Amsterdam : Maatschappij voor goede en goedkope lectuur, 1925. – 550 p.
  • Inleiding tot de bodemkunde van Nederland / Prof. dr. C.H. Edelman. – Amsterdam : N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers maatschappij, 1950. – 178 p.
  • De sub-atlantische transgressie langs de Nederlandse kust / C.H. Edelman. – In : Geologie en Mijnbouw, Nieuwe serie, jaargang 15, 1953, p. 351-364
  • Les changements du niveau de la mer dans la plaine maritime flamande pendant l’Holocène / R. Tavernier en F. Moormann. – In : Geologie en Mijnbouw, Nieuwe serie, jaargang 16, 1954, p. 201-206
  • Bodem- en zeespiegelbewegingen in het Nederlandse kustgebied / J. Bennema. – In : Boor en Spade, jaargang 7, 1954, p. 1-96
  • Holocene movements of land- and sea-level in the coastal area of the Netherlands / J. Bennema. – Geologie en Mijnbouw, Nieuwe serie, jaargang 16, 1954, p. 254-264
  • Holocene sea level changes in the Netherlands / S. Jelgersma. – Leiden, 1961. – (Dissertatie Rijksuniversiteit Leiden)
  • The coastal dunes of the western Netherlands; geology, vegetational history and archeology / S. Jelgersma [et al.]. – In : Mededelingen Rijks Geologische Dienst, Nieuwe serie, jaargang 21, 1970, p. 93-167
  • De bodem van Noordholland : toelichting bij blad 5 van de bodemkaart van Nederland, schaal 1 : 200 000 / door L[eendert].J[aphet]. Pons en M[aximillian]. F[rançois]. van Oosten. – Wageningen : Stichting voor bodemkartering, STIBOKA, 1974. – 193 p.
  • Bijdrage tot de historische geografie van de Nederlandse kuststrook / [door T. Edelman]. – ’s-Gravenhage : Directie waterhuishouding en waterbeweging, Rijkswaterstaat, 1974. – 84 p.  – (Rijkswaterstaat-serie ; 14)
  • Knokke en het Zwin; de geschiedenis, de topografie en de toponomie van Knokke met een geschiedenis van de Zwindelta; boekdeel 1 / M. Coornaert. – Tielt : Lannoo, 1975. – 444 p.
  • De Belgische kustvlakte in de Romeinse tijd. Bijdrage tot de studie van de landelijke bewoningsgeschiedenis / H. Thoen. – In : Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, jaargang 60, 1978
  • Sea-level change and water level movements in the Netherlands during the Holocene / O. van de Plassche. – In : Mededelingen Rijks Geologische Dienst, jaargang 36, 1982
  • Wie alt sind die ältesten niederländischen Deiche? die Aussagen der frühesten schriftlichen Quellen / D.P. Blok. – Probleme der Küstenforschung im südlichen Nordseegebiet, Band 15, 1984, p. 1-7
  • Zeespiegelrijzing, transgressiefasen en stormvloeden in maritiem Vlaanderen tot het einde van de XVIde eeuw; een landschappelijke, ecologische en klimatologische studie in historisch perspektief; Band I-II / Beatrijs Augustyn. – Brussel : Algemeen Rijksarchief, 1992. – (2 delen)
  • Holocene evolution of relative sea level and local high water spring tides in Belgium – a first assessment / L. Denys en C. Baeteman. – In : Marine Geology, Vol. 124, 1995, p. 1-19
  • Sea-level rise during the last 2000 years as recorded on the Frisian islands (the Netherlands) / Th.A.M. de Groot, W.E. Westerhoff en J.H.A. Bosch, In : Coastal studies on the Holocene of the Netherlands / scientific ed.: D.J. Beets, M.M. Fischer, W. de Gans. – Haarlem : Rijks Geologische Dienst, 1996. – 268 p. – (Mededelingen ; nr. 57). – p. 69-78
  • Stuivend zand en stormende golven. De vorming van de Hollandse kust in de Middeleeuwen / P.J.E.M. van Dam. – In : Madoc, 1999, p. 225-233
  • Human occupation because of regression, or the cause of a transgression? A critical review of the interaction between geological events and human occupation in the Belgian coastal plain during the first millenium AD’ / A. Ervynck, C. Baeteman, H. Demiddele, Y. Hollevoet, M. Pieters, J. Schelvis, D. Tys, M. van Strydonck en F. Verhaeghe. – In : Probleme der Küstenforschung im südlichen Nordseegebiet, Jrg. 26, 1999, p. 97-121
  • De verwerping van het zgn. Duinkerke-transgressiemodel en nieuwe inzichten in de vroegste bedijking van de kustvlakte / D. Tys. – In : Miscellanea Archivistica Studia / E. Huys en M. Vandermaesen (red.). – Brussel, 2001, p. 17-54
  • Holocene tidal back-barrier development at decelarating sea-level rise; a 5 millennia record, exposed in the western Netherlands / D.J. Beets, Th.A.M. de Groot en H.A. Davies. – In : Sedimentary Geology, Vol. 158, 2003, p. 117-144
  • Eine neue Meeresspiegelkurve für die südliche Nordsee Transgressionen und Regressionen in den letzten 10.000 Jahren / K.-E. Behre. – In : Probleme der Küstenforschung im südlichen Nordseegebiet, Jrg. 28, 2003, p. 9-63

8. Vergelijk : WestfrieseOmringdaikSait.

9. Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de Middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag, t.a.p., p. 1.

10. Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland. Deel 1. De periode vóór 1400 / M.K.E. Gottschalk. – Assen : Van Gorcum, 1971. – xx, 581 p. – (Sociaal-geografische studies ; nr. 10). Vastgesteld wordt dat er voor de eerdere periode, dat wil zeggen vóór 1130, geen betrouwbare schriftelijke bronnen bestaan voor de waterhuishouding, dat wil zeggen vóór het werkelijke stichtingsjaar van de Egmondse abdij.

11. Vergelijk : Het ontstaan van West-Friesland / Frans J.P.M. Kwaad, en literatuuropgaven aldaar. Minder serieus : Oorsprong en migraties van de Friezen, met veel ‘altgermanische’ onzin (verdwenen).

12. Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de Middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag, t.a.p., p. 264. In de bibliografie wordt daarvoor vooral naar zegge en schrijven twee tijdschriftartikelen en één boek verwezen (zelfs de boeken van Staring en Blink staan er niet bij) :

  • Zijn de bijzonder hoge vloeden in ons land in vroeghistorische en historische tijd aan bepaalde perioden gebonden? / J.P. Bakker. – In : Folio Civitatis, weekblad van de Universiteit van Amsterdam, maart 1953;
  • The significance of physical geography and pedology for historical geography in the Netherlands / J.P. Bakker. – In : Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie, oktober-november 1958, p. 214-227
  • Inleiding tot de bodemkunde van Nederland / C[ornelis]. H[endrik]. Edelman [1903-1964]. – Amsterdam, Noord-Hollandse Uitgevers Maatschappij, 1950. – ix, 188 p. In 1960 verscheen een tweede druk met aanvullende bibliografie.

13. Zie bijvoorbeeld : Interreg-II Project; voor Zeeland, zie : Fysisch-Geografische verkenning van het kustgebied Domburg - Oostkapelle (de wordings-geschiedenis) / Piet van der Klis.

14. De Ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 530.

15. De laat holocene evolutie van de Belgische kustvlakte: Sedimentatieprocessen versus zeespiegelschommelingen en Duinkerke transgressies / Dr. Cecile Baeteman. Lezing gehouden in 2007. Met uitgebreide literatuurlijst. Te bevragen bij Cecile Baeteman. Zie ook : Wikipedia (Nederlandstalig), Duinkerke transgressies, en : Wikipedia (engelstalig, met discussie) Transgression (geology). Zie vooral ook : Zee, wind, veen en land ; Kustvorming in de Lage Landen / [Redactie: Ad Maas, Janus Jochems]. – [Breda] : Stichting Uitgeverij Papieren Tijger, 2009. – 161 p.

16. Wikipedia (Engelstalig), Sea level rise; en : Thermohaline circulation.

17. Zie : Transgressies en hun gevolgen / Dr. W. Bruijnesteijn van Coppenraet en : Transgressies/regressies in de Lage Landen bij de Zee / M. Boidin. – In : SEMafoor, jaargang 1, nr. 3, november 2000. – p. 6-9. Eén langere termijn effect is voor Nederland veronachtzaamd : de op- en neergang van de bodem sinds de laatste ijstijd als gevolg van het afsmelten van de ijskappen en de verminderde druk daarvan op de bodem. In Schotland vond de laatste opwaartse beweging (“rebouding”, terugkaatsing) van de bodem 2000 jaar geleden plaats. Zie : After the Ice, a Global Human History / Steven Mithen. – London : Orion Books Ltd, 2003. – 622 p., p. 198-199 (aldaar op p. 12 ook een grafiek van de temperatuurschommelingen van de laatste 20.000 jaar). Er wordt vooral verwezen naar het werk van Alistair Dawson van de University of Coventry.

18. Zie : UNEP/GRID-Arendal, United Nations Environment Programma, Climate Change 2001: The Scientific Basis.

19. Wikipedia, Medieval Warm Period.

20. Wikipedia, Medieval demography, en vergelijk : Wikipedia, Crisis of the Late Middle Ages.

21. Wikipedia (Nederlandstalig), Kleine ijstijd, en, uitvoeriger, Wikipedia (Engelstalig), Little Ice Age, met veel referenties.



Start : 22 november 2003 | Laatst bijgewerkt : 4 augustus 2008

Holland2

De lage landen in de vroege Middeleeuwen, voor zover bewoonbaar toen er nog geen dijken waren
In grijs ter oriëntatie enkele toen niet bestaande plaatsen.
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Vergelijk : Nederland omstreeks 800 (kies de optie links) met nog minder bewoonbaar gebied; de laagveengebieden lagen geheel onder water, de hoogveengebieden vormden onbewoonbaar moerasbos en de brakke kleigebieden overstroomden met grote regelmaat; de rest was waddengebied :
«De kustlijn verliep in 800 geheel anders dan nu. Grote delen van het land waren onbewoonbaar door het moerassige karakter of door regelmatige overstroming. De hogere delen van de veenkussens waren wel bewoonbaar. Voorts bouwde men terpen om zich tegen hoog water te beschermen. In het hoger gelegen oosten en zuiden van het land was meer bewoning mogelijk.»
Atlas van Nederland. – Utrecht : Stichting Wetenschappelijke Atlas van Nederland, 2003. – (Universiteit Utrecht, Faculteit Geowetenschappen, Disciplinegroep Kartografie).
Vergelijk ook : Wikipedia, The areas of the Netherlands that are above sea level.



Holland1

Reconstructie van Romeins Nederland van ca. 50 tot 250 na Chr.
(Bron : De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 565).
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)
Vergelijk : Paleogeografie 1.900 (Romeinse Tijd) (kies de optie links) (15) :



Romeins-Holland

Romeins Nederland, volgens T. Edelman
Riviermonden ten tijde van de Romeinen, Bron : Land en water, 1962, p. 240; overgenomen uit : Hart van Kennemerland, t.a.p., p. 13.
Het bijschrift luidt : «Ons land omstreeks het begin van de jaartelling.
De kaart heeft niet de pretentie een volkomen juist beeld te geven.
De toenmalige kustvorm en de loop der rivieren zijn in veel gevallen niet nauwkeurig vast te stellen. De rivier die hier als Flevo staat aangeduid, volgde ongeveer tot Velsen de richting van het Noordzeekanaal, stroomde vervolgens naar het noorden en mondde bij Castricum in zee uit.»
.



Romeins-Nederland

Romeins West-Nederland
Voor het overgrote deel ‘fen-peat’ ofwel moerasturf
Bron : Friezen-Romeinen-Cananefaten / H. Sarfatij. – In : Holland. – jaargang 3, 1971, p. 35.
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Vergelijk : Paleogeografie 1.900 (Romeinse Tijd) (kies de optie links).



VlaanderenRomeins

«Vlaanderen tijdens de Laat-romeinse tijd : stedelijke agglomeraties, wegennet en Duinkerke II-kustlijn als (natuurlijke) Rijksgrens, naar Thoen. Let op het parallellisme tussen het verloop van deze grens en dat van de vroegste taalgrens(zone).»
(Bron : Galloromaniae neerlandicae submersae fragmenta / Luc van Durme. – Gent : Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1996. – 650 p. + map kaarten)
De afgebeelde steden zijn van links naar rechts : Boulogne, Terwaan, Cassel, Atrecht, Kortrijk, Doornik, Valenciennes.
Luc Durme verwijst naar : De Romeinen langs de Vlaamse kust / H. Thoen (red.). – Brussel : Gemeentekrediet Brussel, 1987.
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Voor historische kaarten op het web, zie : Dukatz, onder “maps”, en : University of Texas and Austin Library, en Altea Gallery.