VorigeHet Hollandse Huis, 1101-1299Volgende

Floris IV, graaf van Holland

Inhoud van deze pagina

  • Genealogie :
    Geboren : 24 Juni 1210 (1);
    overleden : 19 juli 1234 (2);
    zoon van : Willem I en Aleida van Gelre (3);
    trouwt : Machteld van Brabant, dochter van Hendrik I van Brabant (4);
    genoemd in oorkonden : (5);
    gegeven oorkonden : 48, 1222-1234 (6).
    Kinderen :
    • Willem II, volgt onder.
    • «Floris de Voogd, geb. ± 1228, regent van Floris V 1256-1258, gedood in een steekspel te Antwerpen 26 Maart 1258, begr. in de abdij te Middelburg.» ().
    • «Aleida, regentes van Floris V 1258-1263, stichtte Schiedam en gaf deze plaats in 1275 stedelijke rechten; gest. tussen 1 Maart en 9 April 1284, begr. te Valencijn- tr. Sept. 1246 Jan I van Avesnes, mederegent van Henegouwen, zoon van Burchard van Avesnes en Margaretha, gravin van Vlaanderen en Henegouwen, geb. te Houffalize April 1218, gest. te Valencijn 24 Dec. 1257.» (8).
    • «Margaretha, gest. 26 Maart 1277, begr. te Loosduinen; tr. vóór 12 Juli 1249 Herman I, graaf van Henneberg, zoon van Poppo, graaf van Henneberg en Jutta van Thuringen, geb. 1224; verkocht in Aug. 1281 de bij hun huwelijk verkregen rechten op de tollen te Ammers en Geervliet aan Jan II van Henegouwen; gest. 18 Dec. 1290. (Hertr. 1283 Catharina van Hesseburg.)» (9).
    • «Machteld.» (10).
  • De oorkonden en de kanselarij, 1971 :
    «Floris IV graaf 4 febr. 1222, ‘Tabula Egmundana’, uitg. Hulshof, Egmondse annalen 14e eeuw, p. 60; wordt mondig 24 juni 1222, zie hiervóór, p. 7; sterft 19 juli 1234, ibid., p. 61 – In de jaren 1223 tot 1226 treedt graaf Boudewijn I van Bentheim wel als ruwaard op, zie hiervóór, p. 7.» (11).
  • Nijhoffs Geschiedenislexicon, 1981 :
    «Floris IV (1222-34), *24.6.1210, †19.7.1234 Noyon (of Corbie); zoon van Willem I. Stond eerst onder voogdij van zijn achterneef Boudewijn van Bentheim; huwde ca. 1220 Machteld van Brabant; breidde zijn gebied uit met het land van Altena en nam deel aan de kruistocht tegen de Stedingers (1234); werd in een Frans toernooi gedood.» (12).
  • Genealogie van de graven van Holland, 1954 :
    «Floris IV, graaf van Holland 4 Febr. 1222-1234, geb. 24 Juni 1210, stond eerst onder voogdij van zijn achterneef, Boudewijn, graaf van Bentheim. Hij maakte het land van Altena tot leengebied van Holland, nam in 1234 deel aan een veldtocht tegen de Stedingen aan de Elbe, werd gedood in Frankrijk 19 Juni 1234 tijdens een steekspel (te Noyon of Corbie ?). Verloofd 5 Nov. 1214, tr. vóór 6 Dec. 1224 Machteld van Brabant, dochter van Hendrik I, hertog van Brabant, en Machteld van Boulogne, gest. 22 Dec. 1267, begr. Loosduinen. (Zij tr. eerder te Aken eind Nov. ± 1212 Hendrik II van de Palts, geb. ± 1195, gest. 25 of 26 April 1214.).» (13).
  • Biographisch woordenboek der Nederlanden, 1859 :
    «FLORIS IV, Graaf van Holland, was de zoon van Graaf W i l l e m I en van A d a of A d e l h e i d, dochter van O t t o, Graaf van Gelder, trad bij zijns vaders dood, op zijn dertiende jaar, in 1223, in het bewind dezer landen, en stond toen als zoodanig waarschijnlijk onder de voogdij van zijnen moederlijken oom, den Graaf van Gelder, ofschoon dat ook door anderen betwist wordt. Zeker is het, dat hij door dezen in een oorlog der Gelderschen tegen den Bisschop O t t o v a n d e r L i p p e gewikkeld werd die eindelijk door Pausselijke tusschenkomst een einde nam. Kort hierop andermaal met den Utrechtschen Bisschop in geschil geraakt, over het leggen en onderhouden der zeven sluizen in den Wendeldijk, werd hetzelve door onderlinge overeenkomst vereffend, even als dat tusschen hem en den Graaf van Vlaanderen ontstaan, over het versterken en van handvesten voorzien van de steden Domburg en Westkapelle op Walcheren. Hij stond vervolgens in 1226 en 1227 den Utrechtschen Bisschop bij in zijnen strijd tegen R u d o l f v a n C o e v o r d e n, waarvan wij op het artikel van den laatst genoemde melding hebben gemaakt, en bewerkte na den dood van den Bisschop, dat zijn bloed verwant W i l l i b r a n d tot den zetel van Utecht verkozen werd, waardoor de vrede tusschen Holland en Utrecht geruimen tijd bewaard is gebleven.
    Na in 1230 zich ter inhuldiging naar Friesland beoosten het Vlie begeven te hebben, welks bestuur hem in 1234 ontnomen werd, en waarmede de heerschappij der Hollandsche graven over Friesland een einde nam, had Graaf F l o r i s in het laatstgenoemde jaar deel aan den kruistogt tegen de Stadingers, die van ketterij beschuldigd werden, omdat zij zich tegen de knevelarijen der geestelijken verzet hadden. Men wil dat hij daarvoor in Holland wel 300 schepen uitrustte, en alzoo veel toebragt aan de belangrijke maar weinig roemrijke overwinning op hen, den 24sten Junij 1234 behaald, waarbij hij persoonlijke moed en dapperheid ten toon spreidde. Hij overleefde dit niet lang, daar hij in 1235 in een steekspel vermoord werd. Omtrent de plaats waar, de oorzaak waarom, en den persoon door wien dien gruweldaad verrigt werd, bestaan zulke onzekere berigten, dat men tot nog toe in dezen niet heeft durven beslissen, en wij ons alzoo daarbij niet behoeven op te houden, dan alleen te melden dat de vermoedelijke plaats waar die moord geschiedde Corbie, of Noviomagum (Noyon in Picardië) of Clermont in Beauvais genoemd wordt. Zijn lijk werd herwaarts gevoerd, en te Rijnsburg begraven. Zijn vroegtijdigen dood werd allerwege betreurd. Hij was gehuwd met M a c h t e l d, dochter van Hertog H e n d r i k van Brabant, bij wie hij twee zonen en twee dochters verwekte. Zijn zoon W i l l e m volgde hem in de regering op, en werd later Roomsch Koning, en zijn andere zoon F l o r i s was later de voogd van Graaf F l o r i s V, en volgt hier mede. Zijne dochters waren A d e l h e i d, gehuwd met J a n v a n A v e n n e s, Graaf van Henegouwen, en M a r g a r e t h a of M a c h t e l d, welke aan H e r m a n, Graaf van Henneberg gehuwd was, en van wie het sprookje der wonderlijke kinderbaring bekend is. De afbeelding van F l o r i s IV ziet het licht.
    Zie Melis Stoke, Rijm-Kronijk, D. II. B. III. bl. 49-56; 0ude Holl. Divisie Kron. 17 Div. bl. 163; Scriverius, Chron. van Holl., Zeel. en Friesl. bl. 465-468; Schotanus, Friesche Hist. bl. 118; van Leeuwen. Bat. Illustr. bl. 1367; Balen. Beschr. van Dordr. bl. 714; Boxhoorn, Chron. van Zeel. bl. 54-68; Hoogstraten, Woordenb.; van Hemert. Levensbeschr. der Holl. Gr. bl. 147-156; Luïscius, Woordenb. Wagenaar, Vaderl. Hist. D. II. bl. 356-375; Loosjes, Charakterk. der Vaderl. Gesch. D I. bl. 258-261; Kok, Vaderl. Woordenb. D. XV. bl.  247-253; Levensb. van Nederl. Mann. en Vrouw. D. VII. bl. 148-168; van Wijn, Aanm. en Bijv- op Wagenaar, D. II. bl. 112-115; van Kampen, Vaderl. Karakterl. D. I. bl. 102-104; Collot d’Escury, Holl. roem D. I. Aant. bl. 48, D. II. Aant. bl. 42; Arend, Algem. Geschied. des Vaderl. D. II. St. I. bl. 221-224, 273, 318, 321; van der Chijs, de Munten van Holl. en Zeel. bl. 78-81; Muller, Cat. van Portt. bl. 305; Kron. van het Hist. Gen, te Utr. D. II. bl. 211-219.»
     (14).
  • Nieuw Nederlandsch biographisch woordenboek, 1912 :
    «FLORIS IV, (Florentius), zoon van graaf Willem I en Aleid van Gelre (1) (I kol. 70), geb. 24 Juni 1210, ov. 19 Juli 1234 en te Rijnsburg in de abdijkerk begraven. Hij volgde in 1222 zijn vader als graaf van Holland en Zeeland op en stond onder voogdij van graaf Boudewijn van Bentheim (I Kol. 441), welke op naam van zijn pupil Westkapelle en Domburg met stadsrechten begiftigde (1223), aldus voortgaande op den weg, ingeslagen door graaf Willem I, welke reeds in 1217 Middelburg van rechten voorzien had. Drie jaar later (1226) werd de oude twist bijgelegd. die de hollandsche graven met de bisschoppen van Utrecht hadden over het afdammen van den Rijn bij Zwammerdam en over het gemeenschappelijk bezit van Friesland beoosten Flie; met welk laatste gebied Floris kort daarna zijn broeder Otto, den lateren bisschop van Utrecht, beleende. In 1227 zond Floris den bisschop. Otto II van der Lippe, hulptroepen tegen Koevorden, in welke oorlog deze kerkvorst bij Ane sneuvelde. In hetzelfde jaar betoonde Floris, na eenig tegenstribbelen, den graaf van Vlaanderen leenhulde voor Zeeland, zoodat gedurende zijne regeering de verhouding met den Vlaming goed bleef. Van groot belang was het, dat in 1230 Dirk, heer van Altena, zich leenman van graaf Floris verklaarde voor zijne goederen in het land van Altena en den Bommelerwaard gelegen; de grenzen van het graafschap Holland werden hierdoor niet weinig uitgezet. In 1234 vertrok Floris met zijn neef Otto II, graaf van Gelre, en een stoet hollandsche edelen naar de streken aan de Elbe, om de Stadingers te onderwerpen, bij welken tocht o.m. heer Willem van Egmond sneuvelde. De graaf vond nog hetzelfde jaar den dood in een steekspel, dat ergens in Picardië werd gehouden; de juiste plaats is tot nog toe onzeker (Noyon of Corbie ?). Hij huwde, volgens de bepaling daaromtrent reeds in 1214 gemaakt, met M a c h t e l d v a n B r a b a n t, (zie dit deel), weduwe van keizer Otto IV (ov. 1218) en dochter van hertog Hendrik I, en won bij haar: zijn opvolger Willem II, Roomsch-koning, Floris, die Volgt, Aleid (3) (I kol. 72) vrouw van Jan van Avennes (I kol. 200), Margaretha (I kol. 1299) gehuwd met den graaf van Henneberg, en M a c h t e l d, jong gestorven.
    Zie : Oorkondenb. van Holland, de Kronieken van Stoke (III, 587) en Beka. De bezwaren ingebracht tegen zijn geboortejaar, dat wij kennen uit een oorkonde, door J. Bolhuis van Zeeburgh (Nijhoff’s Bijdr. N.R. X, 77) zijn niet afdoende. Zie voorts over de twisten omtrent den Rijn bij Zwammerdam : Fruin. Verspr. Geschr. VI, 180; over het beleenen van zijn broeder met Friesland: Kluit, Hist. Crit. I: 2, 140; over de leenhulde omtrent Zeeland, dez. I: 2, 280; over den tocht tegen de Stadingers : H.A. Schumacher, Die Stedinger (Bremen 1865) en Jahrb. f.d. Gesch. des Herzogt. Oldenb. V; over het steekspel: Kron. Hist. Gen. Utr. 2e jaar (1846) 211.
    Obreen.»
     (15).
  • Bronnen :
    «Tekst 437. (Bronnenboek nr 180)
    1234
    Maar de graaf van Holland (Floris IV) ging naar huis en is in een toernooi te Noviomagus (Noyon) gedood.
    Bron: Annales Stadenses, MGS, XVI, p. 362.
    Nota: Vlak voor deze passage verhaalt de abt van Staden (bij Bremen) dat de graafvan Holland had deelgenomen aan de oorlog tegen de Stadingers. Het Bronnenboek vat de tekst aldus op, dat Floris IV uit het Elbe-gebied over Nijmegen terugkeerde en daar in een toernooi omkwam. Wat deze tekst met de karolingische kwestie te maken heeft, is mij een raadsel, daar het van algemene bekendheid is dat Nijmegen omstreeks deze tijd Noviomagus werd genoemd zodat, zelfs als de tekst werkelijk Nijmegen bedoelde, hij niets bewijst ten gunste van de karolingische mythe van Nijmegen. Hij zal ook wel gepresenteerd zijn om te “bewijzen” dat in de 13e eeuw Noviomagus niet meer Noyon kan betekenen, Maar aangezien zelfs op onze lagere scholen wordt geleerd, dat Floris IV in Noyon sneuvelde, hebben de professoren van Amsterdam en Nijmegen een dubbele blunder begaan, nog erger dan “de bisschop van Nijmegen”. Achteraf (Numaga, p. 79) worden nieuwe onwaarheden aangedragen, nameIijk dat de abt van Staden zich vergist heeft en het feit ten onrechte aan Nijmegen toeschreef, zodat eindelijk wordt toegegeven dat het Bronnenboek deze tekst ten onrechte tweemaal (Eerste en Tweede Bronnenboek) voor Nijmegen heeft aangevoerd, al blijft men met de aperte en welbewuste onwaarheid schermen dat Noviomagus, ondanks de vergissing van de abt van Staden, toch Nijmegen betekent. De samenstellers van het Bronnenboek hebben zich in dit geval weer onbenullen getoond bij het blind varen op de foutieve indices van de Monumenta Germanica, die het feit op Nijmegen indiceren. Immers, de Stadingi zaten helemaal niet bij Bremen, doch in Frans Vlaanderen, zoals de volgende teksten (die ik niet eens kompleet citeer) afdoende bewijzen, zodat het “naar huis gaan” door de professoren ook 400 km verkeerd is gelokaliseerd, de normale afstand die zij met alles van streek zijn. Helder is nu ook dat hun exklusief werken op de indices, op zichzelf al een gruwel voor een rechtgeaard historicus, niets voorstelt; zij hebben deze niet verder geraadpleegd dan op het woord Nijmegen; Stadingi sloegen zij maar over.
    Tekst 438. (niet in het Bronnenboek)
    1234Er werd een oorlog gevoerd tussen de christenen en de ketters fond het feest van St. Barnabas (11 juni) op een eiland dat Stadingas heet. Daar werden tot 5000 ketters gedood, zowel mannen, vrouwen en kinderen. De expeditie stond onder leiding van de voogd van Béthune en Boudewijn van Béthune, Bertram de Grote en vele anderen.
    Bron: Annales Vigornienses en Teohesburienses, MGS, XXVII, p. 467.
    Tekst 439. (niet in het Bronnenboek)
    1234
    In het jaar 1234 is het kruis gepredikt tegen de Stadingi, in de uiterste gebieden van Teutonia en Flandria. Nadat een groot leger verzameld was, wiens deelnemers getekend waren met het kruis, werden op de dag na Hemelvaart dezelfde Stadingi overwonnen en volledig in hun land uitgeroeid. De Stadingi waren een volk, gezeten in het grensgebied van Frisia en Saxonia, omringd door ontoegankelijke moerassen en rivieren, dat wegens zijn uitspattingen en zijn weigering om tienden te betalen, al vele jaren in de ban was en als verachters van de Kerk werden beschouwd. Daar zij sterke mannen waren, vielen zij hun buren aan, zelfs graven en bisschoppen; zij overwonnen dikwijls en werden zelden overwonnen. Om deze reden werd met verlof van de paus in veel bisdommen een kruistocht tegen hen gepredikt. In deze oorlog zijn ongeveer 2000 van hen gesneuveld; de weinige overgeblevenen vluchtten naar de naburige Frisones... In hetzelfde jaar sneuvelde de graaf van Holland op een toernooi te Corbie in het bisdom Amiens.
    Bron: Annales Colonienses maximi, MGS, XVII, p. 843.
    Tekst 440. (niet in het Bronnenboek)
    1234
    Hendrik, oudste zoon van hertog Hendrik van Lotharingen, graaf Floris van Holland en vele andere landsheren ondernamen een kruistocht tegen het ketterse volk van de Stadingi (in sommige kronieken Kataren of Katiers genoemd). Op de 7e der kalenden van juni vond een grote slag plaats, waarbij weinigen van het christelijk leger sneuvelden. Van de Stadingers vielen 4000 man door het zwaard, daarbij niet eens meegeteld de kinderen en vrouwen die bij de vlucht verdronken. Hun land werd geheel door brand verwoest.
    Bron: Chronica de origine ducum Brabantiae, MGS, XXV, p. 410.
    Historia Monasterii Rastedensis, MGS, XXV, p. 495 (deze kroniek plaatst de gebeurtenis bij Bremen).
    Balduini Ninovensis chronicon, MGS, XXV, p. 542
    Johanni Longi chronicon, MGS, XXV, p. 840.
    Nota: Na het voorafgaande is het geen vraag meer, waar de raakpunten van Flandria, Frisia, Saxonia en Teutonica te zoeken zijn. Dat de leiding van de strafexpeditie berustte bij de graven van Béthune, doet de deur dicht. De Kataren of Katiers hebben vermoedelijk hun naam achtergelaten in Estaires, op 14 km noord-oost van Béthune, een moerassig gebied waar alle details geheel passen.
    Tekst 441. (niet in het Bronnenboek)
    1234
    De Stetingers worden gedood, namelijk 5025 in het bisdom Bremen.
    Bron: Chronica minor Ecphordiensis, MGS, XXIV, p. 198.
    Nota:Ongeveer 50 jaren na het feit, dat zich zonder de minste twijfel in het noord-oosten van Frankrijk had afgespeeld, wordt het per vergissing naar de omgeving van Bremen verplaatst. Men behoeft niet op te kijken van deze termijn; er zijn wel meer mythen aan te wijzen, waarbij feiten en personen op betrekkelijke korte tijd zijn verplaatst. De samenstellers van het Bronnenboek schermen derhalve met feiten, die niet waar zijn, en die na een onderzoek van een paar minuten gekrontroleerd en gerektificeerd kunnen worden; desondanks gaan ze voort met hun laster dat ik “niet wetenschappelijk” werk. Dat sommige schrijvers het sneuvelen van Floris IV in Corbie plaatsen, valt geheel te verklaren. Toen zij de tekst met Noviomagus lazen (denk eraan dat dit zich heeft afgespeeld in de 13e eeuw!), wat ook in hun ogen Nijmegen betekende omdat zij Noyon niet kenden en zeker niet onder deze naam, meenden zij dat dit fout moest zijn, omdat zij terdege wisten dat Floris IV in Vermandois gevallen was, te meer omdat zij ook nog zeer goed wisten dat de vlak daaraan voorafgaande gebeurtenis zich in het noord-oosten van Frankrijk had afgespeeld. Zij vervingen het daarom door Corbie. Het moge duidelijk zijn, dat de professoren van Amsterdam en Nijmegen ook op het “toernooi van Nijmegen” gesneuveld zijn, en wel tweemaal, ten eerste omdat Noviomagus niet Nijmegen betekent, en ten tweede omdat het Elbe-gebied helemaal niet van pas komt bij de juiste lokalisatie van de Stadingers. Een en ander illustreert de erbarmelijke manier waarop het Bronnenboek de “Nijmegen’s” bij elkaar heeft geharkt. Hier knalde het jeugd-elftal van de nijmeegse universiteit grandioos de beslissende goal in eigen doel. En dat warempel met een tekst, die geen snars heeft uit te staan met de karolingische kwestie, derhalve ook niet met het Bronnenboek. Hij had hoogstens ter sprake moge zijn gebracht om te illustreren welke blunders er in de indices van de Monumenta Germanica zitten.»
     (16).
  • Gegeven oorkonden :

Noten

1. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., zonder bronopgave.

2. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., zonder bronopgave.

3. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., zonder bronopgave.

4. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., bronnen : «v.d. Bergh I, 245; Smets, Henri I, p. 154. v.d. Bergh I, 287 waar zij voor het eerst als gravin van Holland vermeld wordt.»

5. Te controleren.

6. De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299, t.a.p., p. 259-266.

7. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., bronnen : «Van Mieris I p. 326; Melis Stoke, Rijmkroniek, ed. Brill, Utrecht 1885 (W.H.G. N.S. 40), p. 210 (=Vierde Boek, vs. 35-43); vgl. H. Obreen, Floris V, graaf van Holland en Zeeland, heer van Friesland, 1907, p. 10, en J.C. de Jonge in: Verhandelingen der Mij. der Ned. Letterkunde te Leiden, 1819, III 1e stuk, p. 203 e.v.»

8. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., bronnen : «Obreen, Floris V, p. 33.»

9. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., bronnen : «v.d. Bergh II 432. Hübner, Geslachtsrekenk. tafelen, tafel 615.»

10. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., zonder bronopgave.

11. De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299, t.a.p., p. 259.

12. Nijhoffs Geschiedenislexicon, t.a.p., p. 193.

13. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., p. 5; bronnen : «Tabula etc. uitgegeven door A. Hulshof in B.M.H.G. 1914 (XXXV), p. 67. Smets, Henri I p. 138; Knetsch, Haus Brabant, p. 24.»

14. Biographisch woordenboek der Nederlanden, deel 6, t.a.p., p. 119-120.

15. Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel 2, t.a.p., kol. 446-447.

16. De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 228-230.


Start : 30 mei 2004 | Laatst bijgewerkt : 12 september 2004