VorigeHet Hollandse Huis, 1101-1299Volgende

Willem II, koning van Allemaigne, graaf van Holland

Inhoud van deze pagina

  • Genealogie :
    Geboren : 1227 (1);
    overleden : 28 januari 1256 (2);
    zoon van : Floris III en Machteld van Brabant (3);
    trouwt : Elisabeth, dochter van Otto I het Kind van Brunswijk-Lüneburg en Mathilde van Brandenburg (4);
    genoemd in oorkonden : (5);
    gegeven oorkonden : 294, 1235-1248 (6).
    Kinderen :
    • Floris V, volgt onder.
    • «Machteld, geb. eind 1255 of Januari 1256, vermeld 13 Oct. 1256 in het vredesverdrag met Vlaanderen, waarschijnlijk jong gest.» (7).
    • «Bastaardzoon: Dirk, vermeld 11 Oct. 1303 als landcommandeur der Duitse orde te Utrecht, gest. 1312 (?).» (8).
  • De oorkonden en de kanselarij, 1971 :
    «Willem broer van Floris IV, ruwaard voor de onmondige Willem II van 19 juli 1234 tot 30 aug. 1238 (zie hiervóór, p. 7). – Tot 27 mei 1235 is Machteld weduwe van Floris IV ruwaardes van Zeeland; op 27 mei 1235 treedt graaf Dirk V van Kleef op als deelhebber aan het grafelijk gezag.»
    «Otto elekt van Utrecht, ruwaard voor de onmondige Willem II van 30 aug. 1238 tot uiterlijk 3 okt. 1239; zie hiervóór, p. 8.»
    «Willem II graaf 19 juli 1234, ‘Tabula Egmundana’, uitg. Hulshof, Egmondse annalen 14e eeuw, p. 61; wordt mondig tussen 19 juli en 3 okt. 1239, zie hiervóór, p. 7, n. 6; verkozen en gekroond tot rooms-koning 3 okt. 1247 resp. 1 nov. 1248, Böhmer-Ficker, Regesta Imperii, V-2, nrs. 4885e, 4934a, sterft 28 jan. 1256, zie hiervóór, p. 114, n. 27. – Van kort vóór 3 febr. 1248 tot 28 jan. 1256 is Willems broer Floris belast met het medebestuur van het graafschap, zie hiervóór, p. 8.» (9).
  • Nijhoffs Geschiedenislexicon, 1981 :
    «Willem II, graaf van Holland (1234-56), *1227 Leiden, †(vermoord) 28.1.1256 bij Hoogwoud; zoon van Floris IV en Machteld van Brabant; huwde 25.1.1252 Elisabeth, dochter van Otto I van Brunswijk-Lüneburg. Stond 1234-40 onder regentschap van zijn oom Willem (†1238), daarna van zijn andere oom Otto III, elect van Utrecht; gaf 22.2.1240 de eerste oorkonde in eigen naam; stelde zich op instigatie van paus lnnocentius IV tegenover Frederik II Hohenstaufen; werd 3.10.1247 tot rooms-koning gekozen en 1.11.1248 te Aken, dat hij veroverd had, gekroond; kon zich echter niet aan de Duitse belangen wijden, doordat hij in strijd geraakte met Vlaanderen t.g.v. zijn weigering Margaretha van Konstantinopel te huldigen voor Zeeland. Deze strijd eindigde tenslotte 1253 met een nederlaag van Margaretha. Willem vergrootte zijn macht tegenover de vorsten; werd door paus Alexander IV naar Rome uitgenodigd om tot keizer gekroond te worden, welke tocht hij 1256 zou ondernemen; wenste vóór zijn vertrek de West-Friezen te onderwerpen; zakte echter bij Hoogwoud door het ijs en werd door zijn vijanden gedood. Stichter van het Hof te ’s-Gravenhage met de Ridderzaal.» (10).
  • Genealogie van de graven van Holland, 1954 :
    «Willem II, graaf van Holland 19 juli 1234-1256, geb. 1227. Stond eerst onder voogdij van zijn ooms Otto en Willem, daarna van zijn moeder. Werd 3 Oct. 1247 en nogmaals 25 Maart 1252 gekozen tot Rooms koning, na de dood van zijn tegenstander Koenraad IV in 1254 vrijwel algemeen erkend. Sneuvelde 28 Januari 1256 bij Hoogwoud tegen de West-Friezen; tr. te Brunswijk 25 Jan. 1252 Elisabeth van Brunswijk, dochter van Otto I het Kind, eerste hertog van Brunswijk-Lüneburg, en Mathilde van Brandenburg, geb. in of na 1229; gest. 27 Mei 1266.» (11).
  • Biographisch woordenboek der Nederlanden, 1877 :
    «WILLEM II, Graaf van Holland en Zeeland, oudste zoon van F l o r i s IV en M a c h t e l d v a n B r a b a n t, werd vermoedelijk te Leiden in 1228 geboren. Hij was 6 jaren oud bij het overlijden van zijne moeder, en kwam onder de voogdij van zijn ooms O t t o III, bisschop van Utrecht en W i l l e m, die als praeses (voogd of regent) van Holland voorkomt, die bij een ridderlijk steekspel in 1238 zijn dood vond en opgevolgd werd door B o u d e w ij n v a n B e n t h e m. Deze voogdij was gelukkig, ’t land inwendig gerust en van naburen ongemoeid. Op veertienjarigen leeftijd nam W i l l e m zelf de teugels van het bewind in handen (5 Mei 1240) en toonde zich, hoe jong ook, voor die taak berekend.
    Na den dood van den Roomscben koning H e n d r i k v a n T h u r i n g e n, bood de Paus de Duitsche kroon aan verschillende vorsten aan, doch W i l l e m, jong en eergierig, had voor den kroon, hoezeer ook met doornen omvlochten, te veel aanlokkelijkst dan dat hij die, toen I n n o c e n t i u s ze hem aanbood, zou weigeren. Hij nam ze aan, en liet zich te Woeringen, geen twee uren van Keulen, tot Roomsch koning verkiezen (Oct. 1247), werd te Keulen in de Domkerk tot ridder geslagen, en den 1sten November van het volgend jaar te Aken tot Roomsch koning gekroond. Na deze plechtigbeid trok hij met een gedeelte van zijn leger voor Keizerswaard, voor welke vesting hij zich een jaar ophield, hij versloeg te Oppenheim K o e n r a a d IV, den opvolger van F r e d e r i k II en huwde, door bewerking van den Paus (1252), E l i s a b e t h, dochter van O t t o I, hertog van Brunswijk. De geschillen met Vlaanderen vorderden zijne tegenwoordigheid in Holland en de Vlaamsche gravin, zwarte M a r g r i e t, die met een magtig leger een inval in Zeeland had gewaagd, werd verslagen. Op wraak bedacht, zocht zij hulp bij K a r e l v a n A n j o u, wien zij Henegouwen afstond, indien zij hem tegen den Roomsche koning bijstond.
    A n j o u viel in het land en wist het deels door wapenen, deels door onderhandelingen bijna geheel te onderwerpen. W i l l e m poogde hem door goede woorden te bewegen, om J a n A v e r n e s in zijn graafscbap ongemoeid te laten, doch ontving het tergend antwoord “dat de waterkoning maar uit zijne moerassen moest komen, en tijd en plaats bepalen om hem onder de oogen te zien, hij zou dan zoo met hem omspringen, dat men er ten eeuwigen dagen van zoo spreken.” W i l l e m bepaalde dag en plaats op de heide te Assche bij Maastricht; doch de snoever verscheen niet. Te Utrecht, zoozeer door hem begunstigd, werd hij met een steen geworpen, hoog nam de koning dit op, doch waarschijnlijk was de burgerij onschuldig aan dit misdrijf.
    Hoogst ongelukkig was zijn togt tegen de onrustige West-Friesen, waarbij hij te Hoogwoude, zwaar geharnast, met zijn paard in het ijs zakte en door eenige ligt gewapende Friezen dood geslagen werd. Het lijk begroef men onder de haardstee van een boerenhuis. Eerst toen F l o r i s V in 1282 met meer voorspoed de wapenen tegen hem gevoerd had, werd het ontdekt, in een prachtige kist gelegd en naar Middelburg gevoerd om aldaar begraven te worden. Graaf W i l l e m III stichtte in 1325 in de kerk te Middelburg een kapel voor de rust van ’s konings ziel, en begiftigde ze met 25 ponden tournois. In 1542liet M a r i a, gouvernante der Nederlanden, door F l o r i s v a n S c h o o n h o v e n, een deftige graftombe ter zijner gedachtenis oprigten, die daarna door de vlammen en de beeldstormers verwoest is. Zijn echtgenoote verliet Duitschland en bragt het overige van haar leven in Holland door. De koning liet twee kinderen na, F l o r i s en M a t h i l d a, de eerste volgde hem op, de laatste schijnt jong gestorven te zijn.
    Hij onderscheidde zich door voortreffelijke lichaamsgaven, was, de eerste der graven die in Holland de burgerijen, de inwoners der steden, verhief, een werk dat zijn zoon met kracht doorzette. Hij stelde er een eer in onder de burgers van Utrecht te zijn ingeschreven, en verklaarde in de misdaden, tegen een edelman en een stedeling in Zeeland geen onderscheid te zullen maken.
    Nochtans riep hij de steden nog niet ter dagvaart, ter beraadslaging over algemeene belangen op, waarschijnlijk oordeelde hij ze daartoe nog niet rijp, of ontzag hij den adel, die hij zoo noodig had, en de toenemende magt der steden met leede oogen aanzagen. Hij bewees de steden vele gunsten. Haarlem, Delft, Dordrecht, Alkmaar, Zierikzee en anderen, werden door hem van keuren voorzien, ook worden hem vele treffelijke gebouwen (men noemt hem de stichter van het hof bij den vijver te ’s Hage, het stadhuis te Haarlem en van een huis te Alkmaar), toegeschreven. Bij burgerstand, edelen en geestelijken stond hij in hooge achting. Hij was dapper en vroom. De zinspreuk van zijn Monogramma, waren de woorden uit den 71sten Psalm, vs. 5 en 6. Spes mea Dominus a juventute mea; in te confiscus sum ex utero ; de ventre matris meaetu es protector meus.
    Sommigen schrijven hem het volgende werkje toe:
    Gulielmi II. Hollandiae comitis et Romanorum regis Agalma religiosorum, sive meditationes circa misteria passionis Dominica. Dit gebedenboekje, door F.G. O t t o, Colon. 1849 12°, op nieuw uitgegeven, wordt echter door andere gezegd, alleen door hem gebruikt te zijn, althans de aanteekenaar op de Kerkel. oudheden van Rhijnland, bl. 277, schrijft Korte Latijnse getijden in handen gehad te hebben ten dienste van den koning opgesteld.
    Zie behalve de geschiedschrijvers Scriverius, Vossius, van Hemert, Wagenaar, van Wijn, Cerisier, Bilderdijk, Arend. Wynne en anderen, de Rijmkr. v. Melis Stoke, (uitg. van Huydecoper); Joan. à Leydis; Chronik. van Holl. Lib. XXIII. C. 1 etc.; Rener Snoy, Rer. Bat. Lib. VII. fol. 88 cet.; J. Veldenaer, Holl. Kron. fol. 32 enz.; Goud. Kron. fol. 60 enz.; Holl. Kron. Div. XVIII. C. 2 volgg.; P. Scriverius, Oud Batavia, fol. 198 enz.; J.J. Orlers, Beschr. v. Leyden, bl. 283, 291, 292, 293 enz.; Balen, Beschr. v. Dordr., bl. 715 volgg.; Gargon, Walch. Arc. D. II. bl. 278; Eikelenberg, Beschr. v. Alkmaar, bl. 80; Beka en Buchelius, bl. 87-1; Wilh. Procurator ap. Scriverius, p. 204. Verder Matthaeus Parisiensis, Ubbo Emmius, Beninga, Hist. v. Oost.Friesl. bl. 75 volgg.; Menconis Chron. ap. Matth. in Anal. III. 229 etc.; Worp van Thabor, Chr. v. Friesl. Oudh. van Kennmerl. D. II. bl. 464; v. d. Chijs, Munt. d. Grav. van Holland en Zeeland; vooral Meerman, Gesch. van Graaf Willem van Holland, Roomsch koning, ’ Gravenh. 1283 97, 5 vol. 8°., in het Hoogd. vertaald door Hieron. Christ. Wilh. Eschenbach, Leipz. 1787; in ’t Fransch, La Haye, 1784-1797, 5 T. (niet voleindigd); Lev. van N.M. en W. D. VI bl. 148; Wilhelms von Holl. Königswahl, Ritterschlag und Kroning im Westphalia, 1826, S 4; A.D. Schinkel, Konings-krooning van Willem II in Kath. Volks-Alm. 1859, bl. 65; A.C. Lambrechtsen, Verslag der grafzerk van graaf Willem II te Middelb. in de Koorkerk gevonden in Ned. Verh. Z.G. D. III. bl. 1; Iets over het in 1817 gevonden graf in de Abdijkerk te Middelburg in Lett. 1821, I. 438; A. Busson, Ueber einen Plan an Stelle Wilhelms von Holland Ottokar von Böhmen zum Romischen Konig zu erwählen tn Arch. Oestern Ges. 1869. XI. 131; Räumer, Gesch. d. Hohenstaufen; Baur, H.W.B. Jöcher; Le Petit, Grande Chr, de Holl. et Zeel.; Biogr. Univ.; Biogr. géner. Moderne; Hoogstraten; Kok; Verwoerd; Kobus en de Rivecourt: Muller, Cat. v. portr.; Moll, t.a.p., D. II. 1, 114. II 4. 235-237. II. 2, 104. II. 1, 20. II. 3. 175. II. 2, 358.»
     (12).
  • Nieuw Nederlandsch biographisch woordenboek, 1937 :
    «WILLEM II, graaf van Holland, Roomsch-koning, geb. 1228 als zoon van F l o r i s IV en M a t h i l d e v a n B r a b a n t, gesneuveld 28 Jan. 1256. Hij stond eerst onder voogdij van zijn oom 0 t t o III, elect van Utrecht en aanvaardde in 1240 op twaalfjarigen leeftijd zelf de regeering in Holland en Zeeland. In 1246 werd hij in den strijd tusschen Paus en Keizer gewikkeld, erkende eerst den tegenkoning, en werd in 1247 op aanwijzing van hertog Hendrik II van Brabant, vooral door toedoen van aartsbisscbop Koenraad van Hochstaden, tot Roomsch-koning gekozen. Aanvankelijk had hij weinig macht, veroverde met moeite Aken in 1248, waar hij gekroond kon worden. Eerst na den dood van Frederik II en het vertrek van Koenraad IV naar Italië en zijn huwelijk met E l i s a b e t h v a n B r u n s w ij k, werd hij door de meeste vorsten erkend (1252). Hij maakte van zijn koninklijke macht gebruik om het leensverband van Zeeland bewesten Schelde met Vlaanderen op te heffen en zijn zwager J a n v a n A v e n n e s met rijksvlaanderen te beleenen (uitspraak van Frankfort in 1252). Het vlaamsche leger, dat de macht van Vlaanderen over Zeeland zou herstellen, werd Juli 1253 bij Westkapelle verslagen. Na Koenraad’s dood (1254) was Willem de eenige, wettige, maar weinig machtige koning. Hij erkende 10 Maart 1255 den rijnlandschen stedenbond, maar handhaafde daarbij zijn koninklijk oppergezag. De begunstiging der Avennes bracht hem in 1254 in oorlog met Frankrijk, waar Karel van Anjou, koning van Napels toen het regentschap voerde, hetgeen waarschijnlijk de aanleiding werd, dat de geestelijke keurvorsten aan Ottocar van Bohemen de duitsche koningskroon wilden bezorgen. Misschien daardoor aangezet hervatte Willem de oude, echt hollandscbe territoriale politiek tegenover de Friezen. Maar op den krijgstocbt tegen hen zakte zijn paard door het ijs, zoodat de Roomsch-koning door de vijanden vermoord kon worden. In zijn eigen land begunstigde hij de steden, kwam echter in conflict met de stad Utrecht en gaf de vrije rijksstad Nijmegen aan graaf Otto II van Gelre. Hij werd in het klooster Middelburg begraven.
    Zie: H. Pirenne, Bibliographie de l’histoire de Belgique2 (1931), 263; R. Post, Geschiedenis van Nederland I (1935), 222-229.
    Post.»
     (13).
  • Gegeven oorkonden :
  • Hermanni Altanensis annales :
    «Toen de roomskoning Willem (graaf Willem II van Holland) met de gravin van Vlaanderen en de Fresones (Vlaanderen) oorlog voerde, sloten de steden langs de Rijn een verbond met elkander.» (14).
  • Anciennes chroniques de Flandre :
    «Toen de koning van Allemaigne... gehoord had dat de Frisones (Vlaanderen) en de Danois (Normandië) zonder heer waren en dat zij de eerste die er zou komen als heer zouden erkennen, liet hij Henegouwen voor wat het was en begaf hij zich met een groot leger naar het land van Frise (Vlaanderen)... De koning gaf z’n paard de sporen om over een lage en brede gracht te springen en viel midden tussen hen in. Zijn paard gleed uit en viel terug in de gracht, en hij met hem... toen kwamen de boeren aan, gewapend volgens het gebruik van hun land, en sloegen hem dood. Zijn gezellen konden hem vanwege de gracht niet te hulp komen.» (15).
  • Chronique anonyme de Reims :
    «De koning van Allemaigne had gehoord dat Frise (Vlaanderen) zonder heer was... Hij verzamelde een leger en ging naar Frise, dat hij met geweld wilde innemen, maar hij kende er niet goed de weg. Zo gebeurde het op een dag dat hij met een groot paard en weinig volk bij zich aan een gracht kwam, waar zich een grote menigte boeren bevond... De koning wilde de gracht overspringen, maar zijn paard was te zwaar en de gracht was te breed, zodat hij erin viel. Het paard plonsde tot aan zijn buik in het slijk, en zijn getrouwen konden hem niet helpen. Toen de boeren zagen dat hij in hun macht was, gingen zij naar hem toe en met zware slagen doodden zij hem...» (16).
  • Commentaar :
    «Maar zijn paard was te zwaar en de gracht was te breed!
    Dát kon Melis Stoke natuurlijk niet vertellen, toen hij ongeveer 50 jaar later het mooie verhaal verzon, daarna kritiekloos door alle Nederlandse historici gevolgd, dat de koning, in zijn eentje! te paard het ijs van de bevroren Zuiderzee overstak, dat de Friezen hem doodsloegen, feitelijk per vergissing! en hem schielijk en heimelijk onder een huis in Hoogwoud begroeven.
    De kronieken staan vol met bewijzen (ik heb niet alle teksten gegeven, daar dit niet nodig is) dat koning Willem in Vlaanderen is gedood. Sneuvelen mag men zoiets niet eens noemen. Zo ziet men hoe de Hollandse geschiedenis is verkracht.
    Als het een Duitse keizer of koning was geweest, waaraan Holland of Melis Stoke een hekel hadden, zou het verhaal met plezier overeenkomstig de waarheid verteld zijn, waarschijnlijk nog smeuïg aangedikt, maar nu het een graaf van Holland betrof, die zo volslagen doelloos een gracht in donderde en toen door Vlaamse boeren op een smadelijke manier werd afgemaakt... dát verhaal mocht niet in de krant.
    Melis Stoke durft aan zijn vervalsing waarachtig nog toevoegen (Derde Boek, vers 1597): “En bleef dood, al zonder sage, op Sinte Agnieten dage”.»
     (17).
  • Hetzelfde verhaal wordt verteld van Albert, Graaf van Egmond, die te hulp kwam van Floris (III) tegen de Friezen, en die 20 januari 1168 met zijn paard door het ijs zakte en door de vijand werd doodgeknuppeld (18).

Noten

1. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., zonder bronopgave.

2. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., zonder bronopgave.

3. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., zonder bronopgave.

4. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., zonder bronopgave.

5. Te controleren.

6. De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299, t.a.p., p. 267-298.

7. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., bronnen : «v.d. Bergh II, 3. Obreen, Floris V, p. 5.».

8. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., bronnen : «v. Mieris II, p. 35; Berkelbach v.d. Spr. nr. 56, p. 21; Nieuw Ned. Biogr. Woordenboek II, 396. Zijn sterfjaar bij v.d. Bergh I, Geslachtstafel van de Graven van Holland, doch zonder enige bewijs.».

9. De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299, t.a.p., p. 267-269.

10. Nijhoffs Geschiedenislexicon, t.a.p., p. 627; bronnen : «LITT. O. Hintze, Das Königtum Willem’s von Holland (1885); H.P.H. Camps, De stadsrechten van Graaf Willem II van Holland en hun verhouding tot het recht van ’s-Hertogenbosch (1948); D. Breebaart, Graaf Willem II (in: Westfrieslands Oud en Nieuw 1956); K.E. Demandt, Der Endkampf des staufischen Kaiserhauses im Rhein-Maingebiet (in: Hessisches Jb. f. Landesgesch. 1957); D. Hägerman, Studien zum Urkundenwesen Wilhelms von Holland (1977).»

11. Genealogie van de graven van Holland, t.a.p., p. 6; bronnen : «O. Hintze, Das Königtum Wilhelmus von Holland, 1885.». Bij Elisabeth van Brunswijk : «Haar ouders huwden einde 1228, Otto I was een neef van Keizer Otto IV».

12. Biographisch woordenboek der Nederlanden, deel 20, t.a.p., p. 220-223.

13. Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel 10, t.a.p., kol. 1211.

14. Hermanni Altanensis annales, in : MGS, XVIII, p. 397; aangehaald in : De ware kijk op..., deel 2, t.a.p., p. 299.

15. Anciennes chroniques de Flandre, in : Histoire de France, XXII, p. 340; aangehaald in : De ware kijk op..., deel 2, t.a.p., p. 299.

16. Chronique ananyme de Reims, in : Histoire de France, XXII, p. 320; aangehaald in : De ware kijk op..., deel 2, t.a.p., p. 299-300.

17. De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 300.

18. Van Nidek en Le Long, t.a.p., p. 302.


Start : 30 mei 2004 | Laatst bijgewerkt : 12 september 2004