VorigeI.1Volgende

Jacob

De gedocumenteerde familiegeschiedenis begint in 1589 (zie verderop), zestien jaar na het beleg van Alkmaar, waartijdens het stadsarchief verloren ging.

De naam van de familie verschijnt in documenten dertien jaar later, in 1602, toen volgens sommigen de “Gouden Eeuw” begon met de oprichting van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie.

Het begint met ene Jacob, die we alleen kennen uit het patroniem van zijn zoon Willem (1).

Op 22 mei 1593 worden Cornelis Pauwelsz., wonende in de Varnebroek, Willem Jacobsz [later IJpelaan] en Ponciaen Jacobsz., beide inwoners van Heiloo, genoemd als kopers van de Bagijnecroft.

Omdat het gaat om drie kopers, die gezamenlijk een stuk land verwerven, zou verondersteld kunnen worden dat Willem en Ponciaen broers waren; en dat Cornelis Pauwelsz. een zwager was; dat blijft echter een veronderstelling, want verder is er niets over Ponciaen te vinden; net zo min als over de vrouw van Cornelis Pauwelsz. Er is ook geen kind van Jacob vernoemd naar een Ponciaen. Verkoper was Cornelis Thomasz. Backer, poorter van de stad Alkmaar.

Kortom, hier lopen alle sporen dood bij gebrek aan oudere documentatie.

Op de achterzijde van het charter staat :

«Een Crofte lants genaemt de Bagijne Croft gelegen inde banne van heijloo, groot omtrent ses hondert roeden»

Tekst :

«Wy Frederik Reyersz. Schout tot heyloe en oesdom Dirck Pietersz en Dirck Willemsz schepenen
aldaer doch te wezene een ijegelycken dient beho[or?]t dat voor ons gecomen is Cornelis Thomasz
backer poorter der stede Alcmaer ende bekenden wettelicken vercogt en tot een v[r]yen eygen opgedragen te
hebben als hij doet by desen Cornelis Pauwelsz en wonend inde Vernebrouck Willem Jacobsz en Ponciaen
Jacobsz beyde onsse buyteluyden tot heylo een crofte lants leggende inde banne van heyloe ende
oostersijde groot omtrent achtien hondert Roede zo groot en cleyn die selve aldaer gelegen als belent
mitte erfge[namen] ysbrant Claesz melsz ande noortzijde die oostewech ant westeynt als Cornelis Jansz-
en vander nyenburgh ande zuytzijde vry lant sonder eenich opstal ofte belastinge dan alleen uit sulcken
oncosten als bruyck en lendens genen[e?] zijn en mitte sw[?]tuyt dat ome die selven croft als vrye notwech
gaet van welcke vercopinge en opdragte die voorn[oemde] comp[ar]ant hem bekende van voors[chreven] Cornelis
Pauwelsz en Willem Jacobsz ende Ponciaen Jacobsz al voldaen en wel betaelt te weesen dien
lesten penn[ing] mitten eerste belooffde daeronder hij comp[ar]ant die voors[chreven] crofte Lants buijten die voors[chreven]
notwech te vrijen ende te waeren als nae een vrye Crofte Lants daer een notwech ome gaet schulen
en te vryen ende te waeren nae die regten en tgebruyck van banne daer inne die voors[chreven] crofte lants
gelegen en daer voren verbinden hij compa[ra]nt ende stellende te onderpanden generalicken en specialicken alle
zijne goed[er]en] roerend ende onroerend tegenwoordighen ende toecomenden geen uytgesondert omme alle gebreck
van waernisse als voren daer aen costeloos als schadeloos mit alle interesten te moegen verhaelen
ende doen verhalen als rustinge wilkeur maecsel en heerlicken schulde mit heerlicken ende realen
executie vanden hove van hollant ofte met ander sulck recht rechtens ende executie alst de v[oor]s[chreven] Corn[elis]
Pauwelsz ende W[ille]m Jacobsz ende Ponciaen Jacobsz ofte den houder van desen tselven gelenen zal sonder
eenige defencie ter contrarien Alles sonder fraude dese toirconde hebben ick Vrerick Reyersz schout
voors[chreven] desen brieff besegelt deur be[i]de van voorn[oemde] comp[ar]anten en ooc be[i]de van mijnen voorn[oemde]
schepenen die selijfs geen zegel en gebruycken ende myn segel hier beneden angehangen en wij
schepenen voorn[oemd] onssen hantscriften hier onder gestelt opten xxijen May Anno xv drie ende
tnegentich [=22 mei 1593]
Dirck pietersz
merck
dirck willemsz»

Daaronder, op dezelfde charter, is de volgende akte opgemaakt :

«Wy Adriaen heyndericxsz rabbi[?] en henderick florisz schepen in Alcmaer oirconden en [?] dat
voor ons gecomen is Cornelis thomasz barbier poorter deser stede ende tot meerder sekerheyt
van waernisse van crofte lantst inde bovenges[chreven] quytscheldinge gemelte daer voren specialicken
verbonden en verbindt bij desen zijn huys als [?] staend als leggende binnen deser stede ande noortzijde
vande Zedt[?] belent met Cornelis Willemsz messemaeker ande westzijde en harman jansz [?]
ande oostzijde en voorts qualick alle zijne anderen goeden roerlicke als onroerlicke tegenwoordige als comende
geen uytgesondert ende alle gebruyck van waernisse als [?] inde bovenges[chreven] quytscheldinge van [?]
staet daer aen costeloos en schadeloos met alle intereste te moeten verhaelen en d[?]
alsook recht rechtens en[?] inde bovegen[oemde] quytscheldinge [?], sonder [aech?] ofte fraude [?]
hebben wij schepen voorn[oemd] elcx onsser segel hiere beneden angehangen opten xxij May Anno xv drie
en negentich zij [?] secretaris
[Ondertekeningen niet op copie]»
 (2).

Het in 1593 kopende drietal, Cornelis Paulusz., Willem Jacobsz., en Ponsiaen Jacobsz., wordt nogmaals vermeld in 1666, als de Begijnecroft al niet meer in de familie is :

«Wij IJsbrant van der Velden officier, mitsgaders Aerjen Pietersz Groot, ende Jochen Claesz
Mors, schepenen der heerlijcheijt Heijloo ende Oesdom, oirconden ende kennen dat voor
ons gecomen is Aerjen Cornelisz Lienman wonende tot Heijloo, ende bekende wettelijck
vercost, ende tot een vrije eijgendom opgedragen te hebben, so hij doet bij desen, aen ende
ten behoeve van Jan Wilboortsz Coijman, ende Dirck Laurissz Plag, mede wonende
tot Heijloo, een crofte land gelegen inde voors[egde] banne van Heijloo, benoorden
de kerk, genaamt de Begijnen Croft, groot omtrent ses hondert roeden, belent Sijmon
Jacobsz IJpelaen als bruijcker ten oosten, Guurt Aerjens [IJpelaan?] met ’t halve slootje ten
suijden, d’Oosterwech ten westen, Pieter Cornelissz ende de voors[egde] Sijmon Jacobsz
met ’t halve slootje ten noorden, mits conditie dat de voors[egde] croft noch drie jaren
in huurje, t’siaew[?] voor sesen dertich guld[en] vrij goet, welcke huur de copers sullen
moeten presteren, mits genieten de huur penningen, voors voor vrij lant niet verder
beswaart dan buren ende lendens, van welcke vercopinge en opdrachte de voorn[oemde] comparant
hem bekenne, al en ten vollen voldaen te sijn, den laatsten penning metten eersten, so dat
hij daerom belooft de voors[egde] crofte lants te vrijen en de te waren, van allen lasten
en de beswaeren en daermede die selve gedurens, ende t’sedert de eijgendomme van Corn[eli]s
Paulussz, Willem Jacobsz, ende Ponsiaen Jacobsz, eenigsints belast ofte beswaert
souden mogen sijn. Daer voren verbindende sijn persoon en generalijc alle sijne goederen
roerende ende onroerend geen uijt gesondert, maeckens die subject allen rechtig ende
rechtens, transporteren , k[?]opende de verdere waernisse de copers de oude quitschel[dinge]
bij de voorn[oemde] Corn[eli]s Paulussz, Willem Jacobsz, en Ponsiaen Jacobsz, daer van vercregen
besegelt en gedateert den xxije maij Anno xvc drie en negentig met al het recht
hem daer uijt competeren, op de welcke deser doorgestoken ende gesegelt is. Noch
compareerde voorde voors[egde] schepenen, Jan Hendriksz Pijper, wonend tot Opperdoes
ende verclaerde hem tot meerder seeckerheijt van de copers, voor de voors[egde] waarnis
te constitueren borg:, reminchieren[?] tot dien sijnde t’benefitie excussionist t’
effect[?] vandien welstaen, verbindende daer voren mede sijn persoon en generelijck
alle sijne goederen, roerende en onroerende, geen uijt gesondert, omme alle gebruijck
van waernisse daer aen teogen en doen verhalen, en dat metalsulck recht rechtens
en executie alst den voorn[oemde] copers, hare selven en nacomelingen, als ofte sullen mogen
godt vinden. Actum sonder fraude dese oirconde hebben ic officier voor[oemd] [?]
[laatste regel grotendeel onleesbaar op kopie door vouw] xvie juli anno sestien hondert ses en sestig
[Op vouw:] Solvit den xl penning, Henrik de Vos, 1666»
 (5).

Jan Hendriksz Pijper is ook voogd over kinderen IJpelaan geweest.

Kinderen van Jacob :

  1. Willem IJpelaan, geboren ca. 1560, trouwt Maritje Pieters, zie II.1.
  2. ? Ponciaen Jacobsz.
  3. ? Dochter, trouwt Cornelis Paulusz.

Aantekeningen Aantekeningen

  • Cornelis Paulusz zijn huijsvrou, begraven Alkmaar, St. Laurentius- of Grote Kerk, 28 december 1604, 7 gld. (3).
    1. Cornelis Paulusz zijn zoon, begraven Alkmaar, St. Laurentius- of Grote Kerk, 23 september 1604, 4 gld. (4).

Met verbeteringen van Remko Ooijevaar te Heemskerk voor de transcriptie van de akte van 1593.

Vervolg Volgende


Noten

1. In de genealogische literatuur is de gewoonte om te beginnen met iemand die we alleen uit een patroniem (vadersnaam) kennen vaak – en geheel terecht – veroordeeld. De nummering voor deze genealogie kwam echter tot stand op een moment dat er nog alle hoop bestond méér te vinden.

2. Regionaal Archief Alkmaar, Familiearchief Van Foreest / Van Egmond-Van den Nijenburgh, vE 264. Dat het hier inderdaad om Willem Jacobsz. IJpelaan gaat en niet een ander volgt er uit dat de akte van 1593 bijgevoegd is bij latere documenten betreffende de familie IJpelaan. De Bagijnecroft wordt in 1685 Pauluscroft genoemd, zie : V.2

3. Regionaal Archief Alkmaar, DTB, inventarisnummer 16, aktenummer 4027.

4. Regionaal Archief Alkmaar, DTB, inventarisnummer 16, aktenummer 3970.

5. Regionaal Archief Alkmaar, Familiearchief Van Foreest / Van Egmond-Van den Nijenburgh, vE 264.


Start : 31 december 1999 | Laatst bijgewerkt : 7 april 2013

Akte 1593

Akte uit 1593
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)