VorigeInleidingVolgende

Verklaring van de namen

Inhoud van deze pagina

  1. Laar
  2. Laan
  3. IJpe : persoonsnaam of naam van een boom
  4. De persoonsnaam IJpe
  5. De boomnaam iep/olm/taxus
  6. De lange ij en de uitspraak van de naam
  7. De stadsnaam Ieper
    Noten

1. Laar

Het laatste deel van de geografische naam IJpelaar is het voornamelijk Zuid-Nederlandse woord laar.

Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal geeft :

laar (o.; laren) [Mnl laer (open veld, als bn.: ledig), ~Hd. leer (leeg)], 1 open plaats in een bos; b (gew.) open plein in een dorp. (1).

Het Woordenboek der Nederlandsche taal geeft :

LAAR (I), znw. onz. (en vr.P), mv. laren. Mnl. laer. Blijkbaar behoorende bij het „ledig” beteekenende bnw. mnl. *laer (waarnaast t. ww. laren; KIL. vermeldt Laer als „Ger. Sax.”), os. lri, ohd. lri, mhd. lǽre, nhd. leer, ags. lǽre enz., waarbij ook ohd. gilri, ruimte.
 1) Open, ledige plek, met name (zoo althans in Gelderl.) in een bosch. || L a e r. Locus incultus & vacuus : solum incultum. & Pascuum publicum, KIL. – Nimant sal enig holt in den bus (het Gortelerbosch) mogen kloven dan op die laer, butten alle holtgewassen vijf und twintig treden, in Tijdschr. van Staatshuish. 12, 332. Leem halen noch graven ... op de vroente oft eenighe laren, bij CHRISTYN, Brab. Recht 1301 b. t Laar, een veldt op een vierendeel myls van Antwerpen geleeghen, HOOFT, N. H. 84. Het 1 perceel gelegen tusschen de oude Traa en het Laer gemijnt bij Dirck Bonen, bij PLEYTE e.a., Meerv. XLVII (a°. 1711). Alvorens afscheid te nemen van dit bosch (Het Gortelerbosch) , bezochten wij nog de Prinsentafel ..., in dat gedeelte, hetwelk onder den naam in het laer, achter het Grevelt bekend is, WERNER, in Geld. Volksalm. 22, 214.
 – Niet onwaarschijnlijk zullen de dorpanamen Laren, Zuidlaren enz. het hier genoemde laar bevatten. Ook (de) Laar, te Laar zijn herhaaldelijk voorkomende eigennamen. Zie boven bij de voorbeelden, en HOEUFFT, Bred. T. 347; STALLAERT 2, 131 a; Nom. Geogr. Neerl. 3, 163.
2) Open plein in een dorp, In een deel van Z.- Nederl. || U vermaert Clooster ... dat ... van voor het laer 1465. te Dendermonde op het Laer ghebouwt ... is, SALOMONS, Uerw. III. Veel dorpen hebben een laar, coRN.-VERVL. Hij woont op t Laar, Ald.
 Samenst. Als eerste lid in eigennamen als Laarbroek, -veld (zie STALLAERT 2, 131 a).
 – Als tweede lid in tal van eigennamen, zoowel van open plekken in het bosch en elders (als Doodemanslaar, zie b. V. PLEYTE e. a., Meerv. XLIX, a°. 1716; Knappelaar, zie b.v. a. w. 29; Langelaar, zie b. v. a. w. XXXVII, a°. 1690; zie ook SCHUERM. 320 a), als van dorpen (als Eksterlaar, Hallaar, Vorselaar : zie SCHUERM., t.a.p.; STALLAERT 2, 131 a; CORN.-VERVL.), en van kasteelen en hofsteden (als de IJpelaar, Wolfslaar; zie HOEUFFT, Bred. T. 347); verg. Nom. Geogr. Neerl 3, 160 volg.
 (2).

En het Middelnederlandsch woordenboek :

LAER, bnw. Ohd. osa. lri; mhd. lǽre; hd. leer; verg. ags. lære, gelære, meng. ilre, eng. dial. leer (ledig, leegmagig, hongerig). Vgl. Kluge 204 op l e e r, en Van Dale 774. Ledig. Het woord is in het Mnl. niet zeer gewoon geweest. Kil. kenmerkt l a e r, dat hij opgeeft in de beteekenis „inanis, vacnus” als Ger. Sax., doch blijkens het ww. l a r e n, d. i. ledigen, hetwelk voorkomt bij Praet 591: „nemen sal hi zijn oosvat, ende daarmede zuver laren (nl. het schip) ende makent droghe al was het nat”, moet het ook in vlaamsche tongvallen bekend zijn geweest. Het in het volg. Art. genoemde znw. l a e r, zal wel in oorsprong met dit bnw. samenhangen.
 LAER, znw. o. Een bijna alleen in plaats- en geslachtsnamen overgebleven woord, waarvan de oorspronkelijke beteekenis niet vaststaat. In het ohd. komt een znw. gilari voor in de bet. woning, verblijf (Graff 2. 243; Schade 1, 252), dat misschien met mnl. l a e r een in oorsprong is (V. d. Bergh, Mnl. Geogr. 262). Indien dit zoo is, kan de naam der ndl. dorpen Laren hetzelfde zijn als Huizen, NoordLaren hetzelfde als Nordhausen; enz. (V. d. Bergh t.a.p.). – Doch in een lateren tijd van het Germ., b. v. in het Mnl., beteekent het woord niet of niet meer dit, maar veld, open veld, onbebouwd land. Kil. l a e r, locus incultus et vacuus, solum incultum. Zie het vorig Art. en Stallaert 2, 131, waar evenwel geen voorbeeld van het woord in dezen zin uit Mnl. schrijvers wordt gegeven. Misschien staat het in deze bet. Reg. Bisd. 2, 715: „Henrijc van den Laer hout in den kerspel van Ummen in der marke to Gheetmende dat Laer mit enen waer in Dalmeshout mit sinen toebehoren”, en is de geslachtsnaam Van de(n) Laer hetzelfde als ndl. Van de Velde. Daarnaast komt het in eenige andere, min of meer gewijzigde, opvattingen voor, b.v. in die van weiland en broekland. Kil. geeft het woord op in de bet. gemeene weide (pascuum publicum). In dezen zin komt l a e r voor in de Cost. v. Deurne, art. 420 (aangeh. bij Van den Bergh t. a. p.); „soo wie van binnen dorps met opsetten wille (met opzet) henne beesten stouwen in eenighe laeren, daer sy niet kommen en moghen, sal den schutter moghen schutten”. – Bij Stallaert wordt l a e r, in eene oorkonde van 1248 vermeld in den zin van broekland: „paludem illam, que vulgariter lare nuncupatur”, en ook in de samenstellingen l a e r b r o e c (tautologisch samengesteld; waarsch. hetzelfde als ndl. Leerbroek) en L a e r v e l t (eveneens tautologie; zie boven). Zie verder voor allerlei meeningen over l a e r en voor allerlei, met l a e r samengestelde, plaatsnamen, Graff 2, 243 (o. a. Gozlar; Berglare); Schuermans 319 vlg. o p l a a r; De Jager, Archief 3, 56-60; Hoeufft Taalk. Bijdr. 70; en Vercoullie 151 op l a e r, waar uit het Vla. de bet. open plaats in een bosch wordt aangevoerd; zie ook Van Dale 774.
 LAER, znw. m. Van lat. larus. Meeuw. || Den laer ende den sparwer, D. B. Deut. 14, 15 (larum atque accipitrem; in onze vertaling de koekoek en de sperwer.
 (3).

2. Laan

Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal geeft :

laan (v.(m.); lanen) [~Eng. lane, wellicht ~Gr. elaunein (voortdrijven van mens en dier), de laan zou dan zijn de weg waarlangs het vee wordt gedreven, vgl. drift, dreef bij drijven], 1 (veroud.) zijpad: vele sloppen en lanen monden in onzen singel uit (Van der Leeuw); 2 weg, aan beide zijden met een of meer rijen bomen beplant; ook beschouwd als zeer geschikt om er te wandelen, syn. allee: de paden op, de lanen in, vooruit met flinke stap (wandelliedje); (uitdr.) hij gaat de laan uit, hij vertrekt, pakt zich weg, (thans in t bijzonder hij krijgt zijn ontslag, wordt uit zijn betrekking ontslagen; (uitdr.) iem. de laan uitsturen, wegjagen, uit zijn betrekking ontslaan; – (gew.) boulevard; 3 (gew.) lange smalle weide of grasvlakte; 4 op een kwelder aangelegd dijkje: sterker aanslibbing in de Dollard wordt door een stelsel van sloten en lanen verkregen. (4).

En het Woordenboek der Nederlandsche taal geeft :

 LAAN (I), znw. vr. mv. lanen. Mnl. lane; ofri. lana; ags. lane, meng. neng. lane. Van onbekende oorsprong.
 1) Een zijweg die van den hoofdweg ergens naar toe voert. In delen zin bepaaldelijk in N.-Holl., reeds in de ME., bekend. || Diuerticulum ... B y w e c h, s ij d w e c h, l a e n, JUNIUS, Nomencl. 273 b. L a e n. Fris. Holl. Sicamb. Diuerticulum, viculus, KIL. – (Wy bekennen) verkogt te hebbeD ... aen ... Pieter Jansz. moolenaar, een koornmolen, huys. erv en laen, Handv. v. Assend., Verv. 471 (a°. 1680).
 – Aanm. Behoort hierbij de zaansche uitdr. hij heeft nog wel een laantje voor: hij heeft nog wel geld achter de hand, hij heegt nog wel een „achterdeurtje”? Hieruit zou dan misschien t gebruik van laan voor bedrijfskapitaal voortgekomen kunnen Zijn; verg. BOEKENOOGEN 550.
 – Bij uitbreiding zijn soms stukken land die aan eene laan gelegen zijn of waarover eene laan loopt, ook zoo genoemd. || Twee laenen landts ... ghelegen binnen den ban van Westzanen, bij BOEKENOOGEN (a°. 1564). De groote en de kleine Laan (landerijen te Jisp), BOEKENOOGEN.
 2) Een pad of weg, door boomen of heesters aan weerskanten ingesloten of overschaduwd, of wel: twee evenwijdige rijen boomen (enz.) die een betrekkelijk smalle terreinstrook insluiten of overschaduwen; eene allee. || Den laen, Daer de groene linden staen, CATS 1, 503 a. Wij weten lijckewel dat wij dees groene laen, Dat wij de schaduw coel van dees dienstige blaen ... van s Coninx handt genieten, HOOFT, Ged. 2, 154. Mijn paard (bragt) mij in het bosch van Boulogne, daar reed ik eenige lanen op en neder, Wildsch. 6, 189. Zoo ik eens des Manpads laan Door vreemde meesters op zag gaan, V. LENNEP, Pot. 3, 219. De lanen missen t lommerdak, t Geboomte is kinderachtig, V. ZEGGELEN 3, 44 (Het Palais Royal). t Was aaklig ... voor een jong en minnend paar. ., immer, waar men school in t liefst en donkerst laantje, Een blik te duchten, DE GNESTET 2, 233. Lanen en dreven, MERCELIS, K. Harp 74.
 – || Een laan van zware eiken, een cirkel vormende om een uitgestrekt grasperk, K. Zev. I, 280. Een laan van Lentre-populiertjes, V. DEYSSEL, Verz. Opst. 2, 190.
 – In eigennamen van voormalige lanen die thans gewone straten zijn. || De Laan; de Laan van Meerdervoort (beiden in den Haag).
 – Eene laan met bochten; zie Dl. III, 15. – t is een lange laan die geen bochten heeft; zie t. a. p.
 – Hij gaat de laan uit en derg., in gemeenzame taal voor: hij wordt uit zijne betrekking ontslagen en derg. || n Werkster, die ken naaie, strijke, wassche, en werke op de koop toe. Nee, die zijn met n kaarsie te zoeke, anders, – k was al lang de laan uit geweest, E. V. STUWE, in N. Gids 25, I, 296.
 3) Een lange smalle weide of grasvlakte. In t Westvl. || Een laantje maaigras, DE BO.
 4) In N.-Holl. ook als naam voor een water (zie BOEKENOOGEN); in t Westvl. voor eene greppel of sloot dwars door de weiden, en voor eene watergracht in eene linnenbleekerij (zie DE BO; SCHUERM., Bijv.). || Alle de Watergangen inden Broeck, namentlijcken de wye Laen, de Die-sloot, enz., bij LAMS, Hantv. v. Kennemerl. 519 (a°. 1661).
 5) Een dijkje op een kwelder aangelegd. || De lanen zelve legt men jaarlijks wel 200 el buiten den aanwas in den slijkgrond verder dan de slijkgoten aan, waardoor het mogelijk is, dat door bezakking de grond zoo veel vastigheid verkrijgt, dat de laan later niet door de stroom al dadelijk eene al te N.O. rigting verkrijgt, STRATING en VENEMA, Dollard 219. De hoofdlaan, waaruit alle opgaande lanen, die noordwaarts loopen, ontspringen, 229. Meestal, zooals in den Dollard, wordt dit (t. w. sterker aanslibbing) door een stelsel slooten ... en kleine dijkjes (lanen), verkregen, BEEKMAN, Strijd o. h. Bestaan 81.
 Samenst. In de bet. 2). Lanenstemming, de eigenaardige stemming die men soms bij t wandelen in lanen krijgt (ROBBERS, A. de Boogh 20).
 – In de bet. 5). Laangoot (STRATINGH en VENEMA, Dollard 224).
 – Als tweede lid. in de bet. 2). Oprijlaan (zie ald.).
 – Verder: Hof-, parklaan; jachtlaan („Ry flucks door dachterpoort De jaghtlaen door”, VONDEL 8, 73); slingerlaan („Kluit is de Minotaurus, welke mij in het labyrinth onzer geschiedenis van den uitgang van elk slingerlaantje schijnt te staan”, BAKH. V. D. BRINK, Br. 321); enz.
 – Met boomnamen. Beuke-, cactus-, cypresse-, eike-, iepe-, kastanje-, lariks-, linde-, sparrelaan enz. Zie voor sommige van deze samenst. bij het eerste lid.
 – In eigennamen. Van Eeghen-, Hemony-, Klever-, Loo-, Middachter-, Plantage Middellaan enz.
 – In de bet. 5). Hoofdlaan (zie een voorbeeld bij 5).
 LAAN (II), znw., mv. lanen en laans, (t laatste opgegeven in BLY, Zeilvischsl. 93). Meestal in t mv. gebezigd voor het losse gedeelte van de bevloering van een botter, ter onderscheiding van den deken, het vaste gedeelte (zoo op Marken: Taalg. 4, 200), het &#!32;verdek van het achterruim” (BLY, t. a. p.), of de lichte planken die in het vooronder en achteronder van het schip tot vloerplanken dienen (JOOS; CORN.- VERVL. 1858) || Bij den burgemeester van Nieuw Helvoet is... aangebragt ... eene roeiboot.... De lanen liggen los, .Alg. Politiebl. 1855, blz. 747.
 Afl. Laning (zie ald.).
 LAAN (III), znw. onz.; geen mv. Uit hd. lahn. Zie voor de bet. de aanh. || De hoofdgrondstof voor gouden en zilveren galons ... is goud- en zilverspinsel, hetwelk verkregen wordt wanneer men eenen draad van zijde enz. schroef- of wel spiraalvormig met laan (Lahn), dat is: met goud- of zilver platsel, omwindt (omspint), KUYPER, Technol. 2, 543.
 Samenst. Laangoud (VERDAM 4, 42: laengout).
 (5).

3. IJpe : persoonsnaam of naam van een boom

Het eerste deel van IJpelaar kan worden afgeleid van ijp (=iep) (6), in de betekenis van taxus (niet olm). Iepelaar is overigens ook een vol synoniem van iepeboom, naar analogie van hazelaar, perelaar en rozelaar.

De namen IJpelaar en IJperlaan worden door Huizinga afgeleid uit de mansnaam Ype. Bij plaatsnamen (zoals Ypelaar) is afleiding uit een persoonsnaam evenwel een zwaktebod van naamkundigen, zie : Naamkunde.

Bezien we de twee mogelijkheden.

4. De persoonsnaam IJpe

Voornamen komen vaak voor in familienamen, namelijk als patroniem (vadersnaam) : Jansen, Pietersen, enzovoort, als zodanig meestal gemakkelijk te herkennen, die tot familienamen werd. In Friesland zouden de -ma en -ga namen mogelijk patroniemen zijn, dus IJpma kan betekenen : zoon van IJpe. Als onderdeel van een geografische naam die tot familienaam werd ligt het geheel anders.

Volgens Meijers en Luitingh (7) komt de mansnaam IJpe voor in drie vormen, maar geen daarvan met een lange ij : Iepe, Ipe en Ipo (van Ipeus); en Ippe en Ippo (van Ippius); de naam is Fries. A. Huizinga daarentegen kent alleen de naam Ipe, met als nevenvormen Ipke, Ipo en Ippe, naar de heilige Ibarus (8). Hij vermeldt niet dat de naam Fries is, maar wel dat bomen een rol hebben gespeeld bij de vorming van voornamen, zonder overigens de naam Ipe daarin te betrekken :

Iep (Taxus) (Iv, Iw). Van het hout van deze boom maakten de germanen hun bogen, vandaar dat deze boom in namen de betekenis heeft van boogschutter(es). (9).

Vast wel. Het woord iep in de betekenis van taxus en niet van olm kan niet als verklaring op Friese namen worden toegepast omdat iep in de betekenis van taxus Zuid-Nederlands is; en iep (olm) is in het Fries iperenbeam; er bestaat in het Fries geen vorm als olm.

In de Friesche naamlijst (Onomasticon Frisicum) van Johan Winkler uit 1898, de bron van bovenstaande namenkennis, vinden we dit rijtje :

M[ansnaam]. Ipe, Ype, Yppe, Ypo, Ipo, Yp. Quasi-verlatijnscht tot Ipeus en Epeus. Verg[elijk]. Iepe, Ippe.
V[rouwsnaam]. Ypje, Ypke, Yp.
G[eslachtsnaam]. Ypinga, Ypenga, Ipema, Ypema, Ypma, Ypsma, Ypssema, Ypes. In verlatijnschten vorm Ypeij. – Ypema, Ipema, Groningerland. Iping, Engeland.
P[laatsnaam]. I p e n b  r r e n of Y p e n b  r r e n, voormalig geh[ucht]. onder Parrega; met D e I p e n b  r r e m a r, Ypenbuurstermeer, drooggelegd meerke aldaar. I p e m a-s t a t e onder Westergeest. L y t s Y p m a-s t a t e te Holwerd. Y p s m a-s a t e te Augustinusga. I p e-B r o u w e r s-s t e i c h, steeg te Leeuwarden. – Ipegat, oude kolk onder Noordhorn, Gron[ingen]. Ypesloot, geh. bij Diemen in Amstelland, Noord-Holl[and]. Iping, in Sussex, Engeland.
  –
V[rouwsnaam]. Ipeltsje; in Ned[erlandse]. spell[ing]. Ypeltje.
  –
M[ansnaam]. Ypke, Ypko, Ypeke, Ypcke, Ypk. Verkl[eining]. van Ipe. Zie Ipe. Verg[elijk]. Iepke, Ipke.
V[rouwsnaam]. Ypkje, Ypkjen., Ypckien.
G[eslachtsnaam]. Ypckema.
  –
M[ansnaam]. Ipke, Ipka. Verkl[eining]. van Ippe. Zie Ippe. Verg[elijk]. Ypke.
G[slachtsnaam]. Ipkema, Ipekema. – Ipken, Noord-Fr[iesland].
P[laatsnaam]. Ipkenswerf, geh[ucht]. op de hallig Hooge Noord-Friesland.
  –
P[laatsnaam]. Y p k o l s g e a. Ypeolghae, Ypekeldekerke, (in de dagelijksche spreektaal veelal Y p k e l s g e a en zelfs I p e l s g e a genoemd. Ypekolsga, dorp in Wymbritseradeel.
  –
M[ansnaam]. Ippe, Ippo. Quasi-verlatijnscht tot Ippius. Verg[elijk[. Ipe, Eppe.
G[eslachtsnaam]. Ippinga, Ipma. In verlatijnschten vorm Ippius. – Ippana, Ippen, Oost-Friesland.
P[laatsnaam]. Ippenwarf, sate bij Simonswolde, Oost-Fr[iesland]. Ippendorf, dorp bij Boon in Rijn-Pruisen. Ippinghausen, dorp bij Wolfshagen in Keur-Hessen.
  –
G[eslachtsnaam]. Ypperda.
  –
M[ansnaam].Ipse. Verkl[einvorm]. van Ippe. Zie Ippe.
  –
M[ansnaam].Ipt. Verkl[einvorm]. van Ippe. Zie Ippe.
  –
M[ansnaam].Ypt. Verkl[einvorm]. van Ippe. Zie Ippe.
  –
M[ansnaam].Iptet.
 (10).

Ondanks de lengte van de lijst gaat het duidelijk om maar n naam in vele varianten, namelijk Ipe/Ype/Ippe/Yppe.

Van de geografische namen die vermeld worden wordt Ypecolsga voor het eerst vermeld in de tweede helft van de dertiende eeuw en de naam wordt afgeleid uit de persoonsnaam Ipe (11).

De etymologie van de Friese persoonsnaam Ipe blijft duister, verband met de naam van de boom lijkt uitgesloten doordat, zoals we nog zullen zien, iep in de betekenis van taxis uitsluitend Zuid-Nederlands is en iep in de betekenis van olm eerst veel later dan de persoonsnaam voorkomt; maar de naam is zeker Fries en zal in Holland, Brabant en Vlaanderen weinig zijn voorgekomen (12).

Naast de werkelijke patroniemen worden grote aantallen familienamen afgeleid uit voornamen via geografishe namen. De -ing en -ink-namen in Oost-Nederland en Duitsland zouden bijvoorbeeld merendeels teruggaan op mansnamen die via boerderijnamen tot familienamen werden. Zie bijvoorbeeld de verklaring voor de naam Impink, die van de mansnaam Immo wordt afgeleid, terwijl de wortel Yme (= honing) een veel waarschijnlijker verklaring geeft (13).

Het is weinig waarschijnlijk dat de Brabantse plaatsnaam IJpelaar afgeleid moet worden van de Friese persoonsnaam Ipe, en ook voor de geografische namen IJperlaan en IJpelaan vormt de boomnaam iep een aannemelijker verklaring.

Dat de voornamen-verklaring van geografische namen al in de achttiende begon bewijst het volgende :

Hoe teder was hy met zyn S i l v i a begaen
Als zy in eenzaemheyt de donkere ypelaen
Naar s planters naem gedoopt, voor dag voor dauw doorkruiste,
Daer de enge poldervliet langs groene randen ruischte.
 (14).

De volkstelling van Alkmaar uit 1822 vermeldt overigens een IJpe IJpelaan, 55 jaar, werkman, en Geert IJpelaan, 20 jaar, beide te Delfzijl geboren en in 1790 naar Alkmaar gekomen, inwonende bij Andries Knorrebeen (15). Ze zijn nergens in de genealogie te plaatsen. Waarschijnlijk heetten ze IJpelaar en veroorloofden de ouders van IJpe zich hier een taalgrapje met de voornaam van hun zoon. Als voornaam is IJpe verder nergens aangetroffen in de families IJpelaar, IJperlaan en IJpelaan.

5. De boomnaam iep/olm/taxus

De iep (familie Ulmaceae) bestaat in ongeveer vijftien geslachten en tussen de 100 en 150 soorten waarvan er in Nederland vier voorkomen, meest van al de Veldiep. Iepen verschenen in Europa na de laatste ijstijd, ongeveer 7.000 jaar geleden en kunnen tot 500 jaar oud worden. De takken werden geoogst als veevoer, het hout is vooral gebruikt voor meubels en werktuigen en van de bastvezels werd touw gemaakt. De iepeziekte, voor het eerst aangetroffen in 1918, heeft het bomenbestand aanzienlijk uitgedund.

In onze streken werd niet alleen van de Iepen geoogst, maar moesten de bomen gaandeweg meer het veld ruimen voor grazige weiden. Hun standplaats is bij uitstek geschikt als weidegrond en daardoor komen in Nederland sinds eeuwen maar heel geringe oppervlakten Iepenbos voor. Wel hebben Iepen lange tijd veel meer dan andere bomen het stadsbeeld in laag Nederland bepaald. Vanouds zijn ze hier de laanbomen bij uitstek. Ze zijn bijzonder geschikt voor aanplanting in het kustgebied en in grote steden wegens hun ongevoeligheid voor harde wind, zout (aangevoerd onder meer door de zeewind) en luchtverontreiniging. (16).

Het Etymologisch woordenboek van Van Dale geeft de volgende woorden :

iep [loofboom] eerst 16e eeuws en zonder verwante in andere talen; etymologie onbekend, misschien verband met ijf.
iebeboomijf
ijveboom [taxus] → ijf
ijfel [taxus] → ijf
ijf [taxus] middelnl. ijf [palmboom], oudsaksisch ich, oudhd. iwa, igo (hd. Eibe), fries f, oudeng. iw, oudnoors r; buiten het germ. lat. uva [druif] gr. oa, hoia [kwalsterbezieboom], oudiers eo, welsh yw [taxus], oudkerkslavisch iva [wilg]; de nl. vormen wel o.i.v. fr. if [taxus]. (17).

Het Middelnederlandsch woordenboek geeft :

IPE, znw. m. De mnl. vorm van ndl. ijp, iep, benaming van den boom, welke ook wel in de middeleeuwen zal bestaan hebben, al is er geen voorbeeld van opgetekend. Vandaar waarschijnlijk de naam der stad Yperen. Hd. dial. ffa, ifenbaum. Kil. „ij p e n b o o m j. e i p e n b o o m (l. i e p e n b o o m); i e p e n b o o m, Sicamb. Holl. j. o l m, ulmus; Ger. ijffenholtz.” (18).

Het Woordenboek der Nederlandsche taal geeft :

IEP (I) - ook geschreven YEP en YP, later IJP, doch altijd iep in de uitspraak –, znw. m. Een andere naam voor den Olm (bij HOUTTUYN, en daaruit bij CHOMEL, voor eene verscheidenheid van dien boom, den breedbladerigen Olm), die in het Mnl. nog niet is aangewezen, maar met welken dial.-duitsch ffa (FRANCK) en het eerste lid van hd. ifen-, iffen-, ijffenbaum en -holz te vergelijken zijn. Volgens een oud en algemeen gevoelen zal de Vlaamsche stad Ieperen (Yperen) aan dezen boom haar naam ontleenen, en naar die plaats heet de (genoemde verscheidenheid van den) iep dan weer in t Fransch (voorheen yperau, nu) yprau; verg. ook hd. iper(nbaum), spa. olmo dIpre. Zie CHOMEL 1355 a; D. Wt6. 4(2), 2153; LITTR (op orme en ypreau); HATZF.-DARMEST.; FRANCK; VERCOULLIE. Dat een vorm iep ook in gebruik is gekomen voor iebe, den iebenboom of ief, taxis (zie IJF), is de aanleiding geworden tot veelvuldige vergissingen, ook bij zaakkundigen als b.v. BERKHEY (zie diens N. H. 1, 320 vgl.): zie verder IEP, 2de art.
 ) De welbekende loofboom die in de wetenschap Ulmus wordt genoemd. Men maakt een enkele maal (zie bij de voorbeelden) eenig onderscheid tusschen olm en iep. De vroegste bewijzen van het voorkomen dezer laatste benaming vindt men in samenstellingen als iepe(n)boom, -hout enz.: zie beneden. Verg. ook OLM. || Mijn ... Laen, Daer Ypen zijn geplant, WESTERBAEN, Ock. 81. (De) Boomen ... (welke) de kanten onzer Graften en Buitensingels (enz.) ... bemantelen ... noemen wy gemeenlyk Ypen; doch die, daar men tot Laanen op de Buitenplaatsen (enz.) ... gebruik van maakt, zyn meest Olmen, aan de witheid van hunne Schors en de fraaiheid van het Loof kenbaar, HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 2, 201. Om goede zoorten van Ipen te verkrijgen, CHOMEL 1355 b. De ruwe Olm of Yp ... is voor pompen en watergoten ... zeer geschikt enz., PASTEUR-NOOT, Bouwk. Hand- Wdb. 2, 252. Ypen worden doorgaans van afleggers gekweekt, Meded. d. Geld. Maatsch. v. Landb. 1869, bl. 20. Den prachtigen iep of olm voor t Proveniershuis, V. VLOTEN in De Humanist I, 84. Dat men in Zeeland nog altijd olm noemt wat men in Holland gemeenlijk iep noemt, 1, 86. In ons vaderland vindt men den Yp ... algemeen langs grachten en kaden geplant, OUDEMANS, Leerb. 2, 609. In den iep; in doorenhagen, dennenhout, in olmen, in platanen ... een gepiep van vogels, GEZELLE 6, 65 (zie ook 6, 25 en de Woordenlijst achterin).
 – Amerikaansche iep. || De Amerikaansche Ypen (Ulmus fulva en americana) , OUDEMANS, Leerb. 2,609.
 – Harde iep, kurkiep, U. suberosa Ehrh. (v. HALL, Landh. Flora, 198). || Een laage Yp ..., Herselaar of Hersleer, ... Kurk-Yp, HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 2, 202. De kleine of Kork-Ipe, CHOMEL 1357 a.
 – Langstelige iep (V. KEIRSBILCK, Timm. 297), steeliep, trosiep (zie beneden).
 – Ruwe iep, U. scabra of montana (Ned. Plantenn. 59).
 Aanm. De vorm iper. voor t Hd. hierboven genoemd, schijnt in t Ndl. voor te komen in den geslachtsnaam Yperlaan. Verg. ook(?): „Ipenboom; Iperen; Olm-boom”, bij CHOMEL 1355 b.
 Afl. Iepelaar, iepeboom; Ypenaer, in een herderskout bij HOOFT, Ged. 1, 249, als een verzonnen persoonsnaam; verg. ald. Lindeman.
 – Iepen, bnw., van iepenhout („IJpen klossen”, V. DALE).
 Samenst. – Als eerste lid:
 – Iepeboom. || Olmen, yepenboom, JUNIUS, I Nomencl. 118 b. – Een ... Chingel, die ... met schoone hooge Ypenboomen beplantet ... is, ORLERS, Beschr. v. Leyd. 55. De breedbladige Ipen-boom, of eigentlijke Olm-boom, CHOMEL 1355 a. Ik zag ze vijftig winters kaal, Die eigen iepenboomen, BEETS 2, 149 (De Iepenlaan).
 – Iepegroen. || Eene bogt Van huizen (op eene Amsterdamsche gracht) ..., omkransd als zij schenen door wuivend iepengroen, POTGIETER 1, 54.
 – Iepemei, in t mv., voor: de loofrijke iepetakken in een iepenlaan, bij WESTERBAEN, Ock. 81.
 – Iepenboorder (STARING, Huisb. 375), de iepenspintkever (zie beneden).
 – Iependreef. || s Avonds, als uwe ijpe-dreeven Langer schaduw van zich geeven, KOOLAART-HOOFMAN 28.
 – Iepenhaag. || Een Ypen- of Olmenhaag , Keuren v. Haerl. 1, 206 a.
 – Iepenhout, ouder-nhd. iffen-, iffenholz, als gelijkbet. genoemd b.v. bij DODON. 1404 b en JUNIUS, Namencl. 118 b. (In D. Wtb. wordt ifenholz verkeerdelijk met „eibenbolz, taxus” weergegeven; het IId. woord komt namelijk, ook bij JUNIUS t.a.pl., voor als synon. o.a. van bd. rustbaum, d.i. de olm; zie D. Wtb. op rustbaum en rster).
 1. Iepeboom. || Op sommige plaetsen van Neder- )ant wordt den ghemeynen Olmboom Ipenboom ende Ipenhout geheeten, DODON. 1404 b.
 2. Hout van den iep. || Schyven ... van ypen hout met metaelen harten, bij V. MIERIS, Beschr. v. Leyd. 80 a. Het olmenbout wordt in sommige streken ook iepen- of ijpenhout genaamd, V. KEIRSBILCK, Timm. 297.
 – Iepenlaan. || Een ipe-laan, Of dreef van elzeslieten, OUDAAN, Pozij 2, 145. Heb jij die iepenlaan geplant? BEETS 2, 149.
 – Iepenmantel, manteling van iepeboomen. Voor een voorbeeld uit SPIEGHEL 132, zie Dl. IX, 226.
 – Iepenspintkever, zeker insect behoorende tot de houteters: Eccoptagaster Scolytus (SNELLEN V. VOLLENH., Gel. Dieren, 218), ook genoemd iepenboorder (zie boven).
 – Iepeveer, gewoonlijk in t mv. Zie de aanhaling uit CHOMEL en verg. over het „aankweeken” van „de jonge Ipen-boomen tot zogenoemde veeren” a. w. 1856 a. || Men gebruikt hier toe (t. w. tot scheerheggen) jonge Ipen-veeren, te weeten Ipen, die met zijd-takken opgekweekt zijn, CHOMEL 1357 a.
 – In topografische benamingen. Ipenburg, Ipenrode, IJpesloot.
 – Als tweede lid. Kurkiep (zie ald.). – Verder Klimiep, de kurkiep, omdat het blad meer tegen den tak aangedrukt staat dan bij den gewonen iep (V. HALL, Landh. Flora, 198); kruliep; steeliep, langstelige iep, trosiep, Ulmus effusa (Ned. Plantenn. 59); treuriep (V. HALL, t.a.pl.); trosiep, U. effusa (KUYPER, Technol. 1, 662).
IEP (II) - YP, IJP (zie over deze spelling en over de uitspraak het bij t vorig art. gezegde) –, znw. m. Eene thans alleen in Z.-Ndl. gebruikelijke benaming voor Taxus baccata L. Mogelijk eene verwisseling, ten gevolge van groote overeenkomst in klanken, van den in t vorig art. behandelden naam van den olm (iep, yp, ijp) met dien van den taxis (iebe; zie ald., en verg. IJF). Het uiterst gering verschil, vooral hij eene eenigszins vlugge uitspraak, tusschen de (meer dan de niet-samengestelde woorden iep en iebe gebruikelijke) benamingen iepeboom, olm en iebeboom, taxis, kan b. v. de aanleiding tot deze naamsverwisseling zijn geweest. Maar het dient vermeld, dat iep voor olm in Z.-Ndl. bij t volk niet in gebruik is, en dat, omgekeerd, iebe voor taxis in N.-Ndl. onbekend is. (Men lette evenwel op de gangbare etymologie van den plaatsnaam Ieperen, vermeld bij IEP, 1ste art.). Het eenvoudigst is dan ook iep, taxis, te houden, of voor een vorm met verscherpten slotmedeklinker naast ief (ijf), of anders voor den gewonen vorm die uit iebe na afval van de slotvocaal moet ontstaan.
 Het woord is buiten samenstelliog in vrij gebruik tot hiertoe alleen bij VONDEL (in diens vertalingen van de classieken) aangetroffen. In allerlei samenstellingen is het in Z.-Ndl. zeer gewoon. || Ypen zoecken koude en Noortsche buien, VONDEL 5, 93 (lat. taxi). Uw honighbye schuw den yp van Korsika, VONDEL 8, 180 (bet. Cyrneas taros), Taxus baccata, ... de if der Franschen en de Eibenboom der Duitschers, ... wel eens verkeerdelijk als Yp of Iep vertaald, V. HALL, Landh. Flora, 213.
 Zie nog VONDEL, 5, 68; 97; 121; 8, 215; 221; 255.
 Samenst. (als eerste lid):
 – Iepebezie. || Meidoornbezin, ijpebezin enz., DE COCK en TEIRLINCK, Kindersp. 6, 209.
 – Iepeblad. || Yp, en giftige ypeblan, VONDEL 11, 426 (lat. funesta ... taxo).
 – Iepeboom, taxis. II Een ... boschken van ijpeboomen ..., onder welker zwart en ondoordringbaar loof een zerksteen ... lag, CONSC. 2, 217 a.
 – Iepeloover, takken en meien van den taxis: „Spaansch groen” (zie Dl. V. 836). || Eene hooge triumfpoort van Spaansch groen of ijpenloover, CONSC, 4, 121 b.
 – Iepenhaag. Dl. V. 1335. || Achter den hoek van een der ijpenhaagjes, LOVELING, Sophie, 391. Een sterke geur van riekende kruiden, geplukte hulstbessen ... en scheersel van ijpenhagen, WATTEZ, J. Hart, 16 (in eene versierde straat).
 – Iepetak, || Zijnen gevel, dien bij ... met iepentakken en klimop wilde bekleeden, R. LOVELING, N. Nov. 131.
IEP (III) – IEPE, NIEPE –, znw. vr. Bijvormen van hiep(e): „hagedoornbeier, hondsrozenbeier”, bij GEZELLE in de Woordenlijst achter Dl. 6 (Rijmsnoer). Zie verder HIEP, 2de art., en voor de Germ. verwanten HUCHT, Iste art. || Hagedooren, ... iepen biedt ge, in volle maten, GEZELLE 6, 116. Blank van blomme en rood van iepe, Ald. Niepkens. op nen roozenboom, 341.
IEP (IV), bnw. Zie HIEP, 3de art., en verder nog BOEKENOOGEN op i e p, bnw.
IEPEBOOM (ook -BEZIE, -BLAD, -HAAG enz.). Zie de Samenst. bij IEP, 1ste of 2de art., of bij beide.
IEPEREN – IPER(EN), YPER(EN) –, plaatsnaam in West-Vlaanderen (zie onder IEP, Iste art.) voorkomende in de zegsw.
 – Er uitzien als (of gelijk) de dood van Ieperen, er uiterst mager en vervallen uitzien. Zoo bleek als de dood van Ieperen, uitermate bleek. Zie voor deze en overeenkomstige gelijkbet. zegswijzen, als mede voor pogingen tot verklaring er van: STOETT, Spreekw. n, 372.
 (19).

Francks etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal geeft :

Iep znw., sedert Kil., die iepenboom „Sicamb. Holl.” noemt. De ie is de dial. representant van germ. : de vorm ijp komt nag dial. (Beierland) en als spellingvariant voor. Kil. kent ook de vormen ijpen-, eipenboom. Fr. iprau, nhd. nnd. iper v., fri. iperenbeam, spa. olmo dIpre „iep” zijn van den stadsnaam Y p e r e n afgeleid; hiervan zoekt men den oorsprong weer in den boomnaam i e p. De oorsprong van i e p is onzeker. Als hd. dial. iffe – vooral als eerste compositielid – terecht met de bet. „iep” wordt opgegeven, zou die vorm er op wijzen, dat i e p een oud woord is. Het zuidndl. gebruik van iep = „taxus, ijf” doet t vermoeden opkomen of de boomnaam i e p wellicht een door vervorming ontstane bijvorm van t onder ij f besproken woord is. (20).

Dit leidt tot de conclusie dat de naam IJpelaar kan worden afgeleid uit de boomnaam iep in de betekenis van taxus (iep in de betekenis van olm bestond nog niet en was in Brabant ook later niet bekend), terwijl de namen IJperlaan en IJpelaan kunnen worden afgeleid uit de boomnaam iep in de betekenis van olm (in een gebied waar de betekenis van taxus onbekend was terwijl de boomnaam iep in de betekenis van olm al voorkwam), en waardoor de beide laatste namen etymologisch identiek zijn. Bovendien, als de naam ijf in het Brabants werd tot ijp dan maakt dat verwantschap tussen de namen ijvelaar en ijpelaar waarschijnlijk, zie ook : IJpelaar, onder d. De boomnaam olm komt overigens ook pas voor het eerst voor in 1599 (21).

6. De lange ij en de uitspraak van de naam

In het Woordenboek der Nederlandsche taal staat onder Iep :

ook geschreven Yep en Yp, later IJp, doch altijd Iep in de uitspraak.

Dit betekent dat de uitspraak van de naam geleidelijk is veranderd : wat aanvankelijk werd uitgesproken als Iepelaan wordt momenteel uitgesproken als Eipelaan. De letter j (eigenlijk geen j maar een verlengde i) werd gebruikt om van een i (zoals in pit) een ie te maken (zoals in Piet, geschreven als Pijt), een functie die later werd overgenomen door de letter e. De naam IJperlaan/Yperlaan wordt nog altijd als Ieperlaan uitgesproken (22).

De ij (ligatuur, samengestelde letter lange ij) met stippen, hoewel de hoofdletter zonder stippen wordt geschreven, en als twee letters (er bestaat geen ligatuur hoofdletter lange ij, enkel hoofdletter I, hoofdletter J), moet worden onderscheiden van de Y (Griekse Y, zonder stippen). Beiden werden oorspronkelijk uitgesproken als ie, zonder enig onderscheid, en ook door elkaar gespeld.

Toch was hun oorsprong verschillend. De letter y vormde de 25ste letter van het Romeinse alfabet, terwijl de ij een samengestelde klank bleef, die uitsluitend in het Nederlands voorkomt. De lange ij werd echter steeds meer als afzonderlijke, 25ste letter van het alfabet gebruikt, altemeer omdat de y in de Germaanse talen niet bestond en alleen voorkomt in leenwoorden. Pas in de zeventiende eeuw begint het verschil in uitspraak en ontstaat de ij naast de ei (korte ei); beide klanken werden niet hetzelfde uitgesproken, noch afgezien van plaatselijke varianten. De uitspraak is alleen te controleren aan de hand van rijmwoorden in gedichten.

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft voor de letter IJ :

   IJ (I), samengesteld letterteeken, bestaande uit twee naast elkander geschreven is, de tweede in gewijzigde vorm, t. w. door een neerhaal of staart verlengd. Eigenlijk een teeken tot voorstelling van een volkomen i-klank, doch - waar deze is overgegaan in een tweeklank - met de waarde van het samengestelde teeken ei, en voorts in sommige toonlooze lettergrepen de voorstelling van een onbepaalde klinker. Over de schrijfwijze als ij [als n letter, en zonder punten], die reeds in handschriften van Mnl. teksten wordt gevonden, zie bij Y, Geschiedenis en Gebruik.
   Aanm. In de ouderwetsche spelling van woorden als ooijevaar, zaaijen enz., waarin men den overgang heeft een een op i eindigden tweeklank op een volgenden klinker, betekent ij [n letter met punten] natuurlijk: i gevolgd door (den halfklinker) j.
   I) Gebruik. - 1) In overeenstemming met de oorspronkelijke beteekenis van het teeken, t. w. als de voorstelling van een volkomen i-klank
   a) in de verouderde spelling, met ij [n letter met punten] of ij [n letter zonder punten], van den uitgang -iek, b. v. in politijcq, publijcq, fabrijk, trafijk, muzijkaal (geel xii). (Wanneer nieuwere dichters schrijven kronijk, muzijk, melodij, pozij, blijkt gewoonlijk uit het rijm dat de diphthongische uitspraak der ij [n letter met punten] wordt bedoeld).
   b) veelal als ij geschreven, in de (historische) spelling van plaats- en familienamen, als b. v. IJperlaan, Ypesloot, Wijkerbrug (bij Voorburg), Zijpendaal, De Bye, Van Bylandt, Van Sypestein.
   c) in het bijw. bijzonder en in het znw. ijp (de naam van twee verschillende bomen)   Aanm. Wat de beteekenis van het teeken ij bij de verschillende oudere Hollandsche schrijvers betreft, kan men gerust aannemen dat daarmede - ook nadat de door ij voorgestelde i in de spreektaal vrij algemeen in een tweeklank was overgegaan -, dien tweeklank zal uitspreken. Slechts in het rijm kan men hier en daar een stellig bewijs voor de eene of voor de andere uitspraak vinden. Verg. over dit punt nader j. te winkel in Tijdschr. 20, in zonderheid blz. 90-108; ook w. de vreese, in Versl. en Med. d. K. Vl. Ac. 1898, blz. 167 vgl.
   2) Als voorstelling van een ei-klank, ontstaan uit eene heldere i welke van verschillende oorsprong wezen kan. Verg. rijk (got. reiks) vijf (got. fimf), vijand (got. fi-jants), hij, vnw. (os. he, hi, hie), bijl (ohd. bhal), rijgen (ohd. rhan), pijl (mnl. pile: lat. pilum), mijt (mnl. mite: lat. meta), andijvie (vroeger endivie, -ve: fra. endive), pijn (mnl. pine), magazijn (fra. magasin; ital. magazinno), partij (mnl. pertie: fra. partie), ndl. -ij(e) (ontleend aan fra. -ie, ital. -ia). b. v. in bakkerij, hoovaardij, makelij, proosdij, razernij (enz.).
   Dichters verkiezen vaak als slotklank de ij (ei) boven ie: vandaar vormen als harmonij, melodij, poezij. - Als een middel tot onderscheiding van beteekenissen dient de diphthongische eindklank in kopij, handschrift voor de drukker, naast kopie, afschrift.
   Aanm. 1. Dat ondanks den veranderden klank het oude teeken in gebruik is gebleven, kan niet bevreemden. Zoolang toch de diphthongische uitspraak der met ij geschreven is nog niet was die van de algemeen gesproken taal, kon natuurlijk eene aan die uitspraak nabijkomende schrijfwijze (b. v. met ei) geen algemeenen ingang vinden, maar toen de andere uitspraak eenmaal de gebruikelijke en als beschaafd geldende was geworden, waren teeken en uitspraak in de voorstelling alreeds zoodanig n, dat verandering van de schrijfwijze overbodig was.
   Aanm. 2. Reeds is er elders op gewezen (zie bij I, x, 3, a) dat de uitspraak van ene voormalige heldere i als ei in het beschaafde Nederlandsch ook nu nog niet volstrekt algemeen is. Hoe het in onzen tijd in de volkstaal gesteld is met de uitspraak der in de algemeene taal tot ei geworden is, t. w.

7. De stadsnaam Ieper

Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal geeft :

Ieper, (officile Belgische spelling voor) Ieperen.

En :

Ieperen, stad in West-Vlaanderen: (uitdr[ukking].) er uitzien als de dood van Ieperen, er ellendig uitzien: zo mager, zo bleek als de dood van Ieperen. (23).

Worden sommige vormen van de boomnaam iep (in de betekenis van olm, in tegenstelling tot taxus), afgeleid van de stadsnaam Ieper, de naam van de stad Ieper wordt omgekeerd juist afgeleid van de boomnaam iep in de betekenis van olm :

De stad Ieper, Ypris, in 961, Yprensis in 1066, Ipera in 1071, Ypre in 1123, is haar naam verschuldigd aan een waterloop, de Ieperlee, die eertijds Ipre genoemd werd, benaming die komt van de Germaanse vorm Ipara – rivier met de iepen. Het tijdstip van de stichting Ieper is niet met zekerheid bekend. Volgens Sanderus zou deze plaats reeds ten tijde van de heilige Victricius die in het land der Morini preekte, een stad, burcht of kasteel geweest zijn (484). In 880 zou de stad door de Noormannen verwoest geweest zijn. Zo men de annalen van Meyerus gelooft, zou Boudewijn II de Kale, omstreeks het jaar 902 op de oevers van de Ieperlee, een versterkt kasteel gebouwd hebben dat waarschijnlijk later door Boudewijn v van Rijsel, omstreeks 1053, versterkt werd. Dit oud castrum, (s Gravenwal) werd van 1168 af vervangen door het Zaelhof, een versterkt slot op een eilandje in de leperlee, dus niet binnen de oorspronkelijke stadswallen. Er bestaat een oorkonde van 31 juli 961 waarbij Arnulf van Vlaanderen Sint-Donatiaan van Brugge met verscheidene goederen begiftigt o.a. het Bodium de Ypris. Omstreeks 1070 nam de kasselrij van Ieper, met die van Gent en Brugge, de leiding van de beweging tegen gravin Richildis van Henegouwen. Drie jaar later stichtte Robrecht de Fries te Ieper de kerk van Sint-Pieter en Boudewijn VII Hapken kende aan de stad haar eerste voorrechten toe door de keure van 1116. Van 1170 af hebben de graven van Vlaanderen de burgers van Ieper bevoordeligd en bijgedragen tot de ontwikkeling der plaatselijke, later gemeentelijke, instellingen. (24).

De boomnaam iep in de betekenis van olm komt voor het eerst voor in de zestiende eeuw en dus kan de stadsnaam Ieper daaruit niet zijn afgeleid; omgekeerd kan de boomnaam iep wel uit de stadsnaam zijn afgeleid. Is de stadsnaam afgeleid uit de boomnaam iep, dan in de betekenis van taxus en niet van olm.

De Ieperlee is verdwenen in het huidige kanaal Ieper-Yzer, waarvan het noordelijkste deel nog altijd Ieperlee heet. De naam Yzer wordt afgeleid van de tautologie Isara, samengesteld uit Is en Ara, twee indo-gemaanse woorden die allebei water betekenen, en die afleiding zal dan ook wel verkeerd zijn.


Aantekeningen Aantekeningen

Vervolg Volgende


Noten

1. Van Dale. Groot woordenboek der Nederlandse taal. – 12de druk. – Utrecht, Antwerpen : Van Dale Lexicografie, 1992.

2. Woordenboek der Nederlandsche taal. Achtste deel. Eerste stuk. Kr-Lichamelijk / Bewerkt door J. Heinsius. – s Gravenhage en Leiden : Martinus Nijhoff, A.W. Sijthoff, 1916. – kolom 853.

3. Middelnederlandsch woordenboek. Derde deel. / van wijlen Dr. E. Verwijs en Dr. J. Verdam. – s-Gravenhage : Martinus Nijhoff, 1894. – kolom 42-43.

4. Van Dale. Groot woordenboek der Nederlandse taal.

5. Middelnederlandsch woordenboek. Achtste deel. Eerste stuk, t.a.p., kolom 851-853.

6. Nederlandsche geslachtsnamen / door Dr. A.E.H. Swaen. – Zutphen : W.J. Thieme & Cie., 1942.   159 p. – p. 69.

7. Zie : Onze voornamen. Traditie, betekenis, vorm, herkomst. Benevens een uitgebreid namenregister / J.A. Meijers en J.C. Luitingh. – vijfde, aangevulde druk. – Amsterdam : Moussault's Uitgeverij N.V., 1966.

8. De heilige Ibarus is een legendarische Iers-Schotse bisschop uit de vierde eeuw die is uitgevonden in de twaalfde eeuw en het valt moeilijk in te zien hoe die iets te maken kan hebben met een Friese voornaam.

9. Encyclopedie van voornamen. Een vraagbaak over de afkomst en betekenis van onze Nederlandse en Vlaamse voornamen. – Samengesteld door A. Huizinga.   Amsterdam : A.J.G. Strengholts Uitgeversmaatschappij N.V., 1957.

10. Friesch woordenboek (Lexicon Frisicum) bewerkt door Waling Dijkstra te Holwerd, en Dr. F. Buitenrust Hettema, Leeraar aan het Gymnasium te Zwolle, benevens Lijst van Friesche Eigennamen, bewerkt door Johan Winkler, te Haarlem. Uitgegeven ingevolge besluit der Staten van Friesland, onder toezicht van de door de Gedeputeerde Staten benoemde Commissie, de heeren: J. van Loon Jz., Lid van de Gedeputeerde Staten van Friesland, en Mr. Ph. van Blom, Raadsheer in den Hoogen Raad der Nederlanden. – Leeuwarden, Meijer & Schaafsma, 1898. – p. 186-187.

11. Nederlandse plaatsnamen, t.a.p., p. 267.

12. De bruikbaarheid van alle persoonsnamenlijsten wordt ernstig beperkt doordat er nooit een eerste vermelding wordt opgegeven en we dus niet weten hoe oud de namen zijn.

13. Volgens Johan Winkler is de -ing-uitgang het echte, het ware Oud-Germaansche patronymicon [...] kan dus van oorsprongs wegen geen eigenlijke mansvrnamen in t leven roepen; hij duidt veeleer een maagschapsnaam aan, en is dan ook, als inga, ink, of ing, veelvuldig bij de Friesche, de Sassische [saksische] en de Frankische volksstammen, die gezamenlijk het Nederlandsche volk uitmaken, als uitgang van maagschaps- of geslachtsnamen in gebruik. (Friesche naamlijst, t.a.p., p. ix).

14. Gedichten van Jakob Zeeus, met veele kopere kunstplaten versiert. – tweede druk. – Amsterdam : Antonie Schoonenburg, 1737. – p. 133. Zie ook : Overgebleve gedichten van Jakob Zeeus. – Rotterdam : Arnold Willis, 1726. – p. 273.

15. Regionaal Archief Alkmaar, Volkstelling 1822. Vergelijk : Historisch Kadaster Alkmaar :
Kad. B1010?
datering: 1822
bron: Bev.reg
Wk.D60-c Noordzee: Ype Ypelaan 55j. van Delfzijl (ingekomen 1790),
beroep: -
x Take Meijnders, 50j. en 1k zoon Geert, 20j. /
huish: 3
BLOK83-n

16. Nederlandse oecologische flora. Deel 1 / E.J. Weeda [et al.]. – [s.l.] : IVN, 1985. – p. 119. Voor meer over de plantkunde van de iep, zie : Bomengids.nl; VWO-Campus en Stadsboerderij De Wiershoeck.

17. Etymologisch woordenboek : De herkomst van onze woorden / door P.A.F. van Veen in samenwerking met drs. Nicoline van der Sijs. – Utrecht, Antwerpen : Van Dale Lexicografie, 1990. – 593 p. – p. 349-350.

18. Middelnederlandsch woordenboek, Derde deel, 1894, t.a.p., kolom 961.

19. Woordenboek der Nederlandsche taal. Zesde deel. Harst-Izegrim / Bewerkt door A. Beets en J.A.N. Knuttel. – s Gravenhage en Leiden : Martinus Nijhoff, A.W. Sijthoff, 1912. – kolom 1374-1376.

20. Francks etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal / Dr. N. van Wijk. – Tweede druk. – s-Gravenhage : Martinus Nijhoff, 1949. – (Onveranderde herdruk van 1912). – p. 271; Voor IJf, aldaar, p 272.

21. Middelnederlandsch woordenboek, t.a.p., Vijfde deel, 1903, kolom 85.

22. Henk IJperlaan schreef ons : Mijn vader en vooral mijn opa konden zich erg druk maken als de IJ van IJperlaan als ei uitgesproken werd en daarom stonden ze ook zo op de Y.
De gemeente stelde zich altijd op het standpunt dat er in het oud Nederlands geen Y voorkwam (alleen in het Fries) en dat er in geschreven teksten geen verschil te zien was tussen Y en IJ, dus het moest een IJ zijn. Maar ook wij zeggen meestal ieperlaan, hetgeen weer veel verwarring veroorzaakt met de plaatselijke Iepenlaan.
Dan wordt er dus direct gereageerd met nee niet uw adres, maar uw naam.
Gek genoeg gaat in de familie het verhaal dat lang geleden onze naam wel ontstaan moet zijn uit de naam van een (oprij-)laan met (ieperen veren) iepenbomen (dat huis - boerderij zou ergens in de buurt van Oegstgeest gestaan hebben. De familie zou daar ook een tijdje een molen in eigendom hebben gehad.) en dat uit duurdoenerij de i verlengt is met een j (ij) zoals bij een lange a een e werd toegevoegd (ae - zoals in schaep). Eenzelfde duurdoenerij is volgens ons het familiewapen. Mijn ouders kregen het gebrandschilderd op een ruitje op hun trouwerij van oom Adriaan uit Voorburg (de rijke tak van de familie) op het wapen dat door een omgekeerde v-vormige goudkleurige balk in drie vakken verdeeld is staan twee klavertjes en een ster in een blauw vlak, bovenop staat een vizier met aan weerskanten een iepenboom. Ook op de zegelring van mijn opa stond hetzelfde wapen en een oom (Henk) had zo'n ruitje voor het raam hangen.
(Email uit 2009).

23. Van Dale. Groot woordenboek der Nederlandse taal, t.a.p.

24. Winkler Prins Encyclopedie van Vlaanderen. Deel 3. – Brussel : Elsevier Sequoia, cop. 1973. – p. 383. We noteren slechts dat in 650 ook de rivier Ipada wordt vermeld in het land van de Saksen, volgens Albert Delahaye de Epte (De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 97-98 en deel II, t.a.p., p. 314).


Start : 31 december 1999 | Laatst bijgewerkt : 11 april 2013