VorigePlaatsen in KennemerlandVolgende

Pancratius in Castricum

Inhoud van deze pagina

  1. Inleiding
  2. De Pancratiuskerk van Castricum
  3. Pancratiuskerken
  4. De verbreiding van de Pancratius-verering
  5. De verering van Pancratius in Holland
    Noten

1. Inleiding

Pancratius

«Moge, zoo smeeken we, Heer, de (bloedige) geloofsbelijdenis uwer HH. Martelaren Nereus, Achilleus, Domitilla en Pancratius U aangenaam wezen : laten zij onze offergaven aanbevelen, en ook voor ons immer uw mildheid afsmeeken.»
(Het Volksmisboek en Vesperale bevattende al de missen en gebeden van het Romeinsch missaal bewerkt door de Benedictijnen der Abdij Afflighem versierd naar oorspronkelijke teekeningen van Jos. Speybrouck. – Zesde uitgave. – Utrecht, Nijmegen : N.V. Dekker & Van de Vegt, en J.W. van Leeuwen, 1939. – 1632 p. + bijlagen. – p. 1149-1150)

Pancratius is één van de ijsheiligen (de anderen zijn Sint-Mamertus, Sint-Servatius en Sint-Bonifatius van Tarsus), zijn feest wordt op 12 mei gevierd. Volgens de legende was hij een jongen uit Phrygië (een landstreek in het huidige Turkije), die op veertienjarige leeftijd in Rome aan de Via Aurelia werd onthoofd omdat hij zich laatdunkend uitliet over het geloof van keizer Diocletianus (284-305). Nu was dat natuurlijk onbetamelijk voor zo’n snotneus, maar de keizer reageerde wel erg heftig (1).

Pancratius zou beschermen tegen huiduitslag en jicht, is in Frankrijk patroon van de kinderen, in Zuid-Frankrijk zou hij huisdieren en vee beschermen, op Corsica is hij patroonheilige van bandieten en rovers, in Duitsland van eerste communicantjes; patroon is hij ook van ridders en van trouw aan de eed : Gregorius van Tours verhaalt in de zesde eeuw dat wie een valse getuigenis aflegt in de buurt van de relieken van Pancratius gek wordt of dood zal neervallen. Dat daarvan in Castricum geen enkel geval gedocumenteerd is geeft te denken. Relikwieën van Pancratius bevinden zich namelijk niet alleen te Castellare-di-Casinca op Corsica, maar ook, naar het schijnt, te Castricum.

De vraag of Pancratius, die in de derde of vierde eeuw zou hebben geleefd, werkelijk heeft bestaan – er schijnt over hem alleen een latere kopie van een Passio uit de zesde of zevende eeuw te bestaan – is hier niet aan de orde. De vraag is hoe en wanneer deze heilige in Kennemerland verzeild raakte, waar in de zestiende eeuw zelfs een dorp naar hem is genoemd (2).

De naam Pancras treffen we regelmatig aan bij de oudste doopinschrijvingen van Castricummers uit 1630-1648, in de tijd van de contra-reformatie, waaruit niet kan worden afgeleid dat Pancratius ook vóór de reformatie al patroonheilige van Castricum was, want dat is – voor zover bekend – nergens gedocumenteerd.

2. De Pancratiuskerk van Castricum

Geschiedschrijvers hebben, afgezien van wat legendevorming rond “Kronenburg”, voor Castricum nooit een mythologische vroeg-middeleeuwse geschiedenis opgeëist. De plaats zou op zijn vroegst ontstaan zijn eind tiende of elfde eeuw, daarover bestaat weinig meningsverschil; maar waarschijnlijker was het knap wat later : tweede helft dertiende eeuw (3).

Toen de Castricumse kerk midden jaren 1950 werd verbouwd (het is problematisch om van een “restauratie” te spreken), concludeerde W.J. Reder – heel vrijgevig – dat het oudste, romaanse deel van de kerk uit de eerste helft van de elfde eeuw zou dateren (4).

Als kerken met een vergelijkbare bouwwijze geeft hij :

  • de Sint Anna-kapel te Oudergem (Frans Audergem, bij Brussel, elfde eeuw);
  • de Sainte Gertrude te Lillois (momenteel Lillois-Witterzee, gemeente Braine-l’Alleud / Braine-le-Château (Nederlands Eigenbrakel en Kasteelbrakel) bij Waterloo ten zuiden van Brussel, 1050);
  • Saint Jean Baptiste; te Neerlangel (1150, bedoeld de Johannes-de-Doperkerk te Neerangel in Noord-Brabant (5));
  • Saint Bertuin te D’Hottemont (1050, waarschijnlijk bedoeld Grand-Rosière-Hottomont, ten zuiden van Tienen (Frans Tirlemont);
  • en, merkwaardigerwijs, de St.-Clemenskirke i Visby op Gotland (1150, bedoeld moet zijn de St.-Klemenskerk op het eiland Gotland in Zweden, een kerk die in 1862 al een ruïne was).

Vier van de vijf genoemde kerken zijn te vinden in Les origines du style gothique en Brabant uit 1922 (6) waaraan W.J. Reder – tamelijk met de natte vinger – zijn gegevens zal hebben ontleend, de genoemde kerken lijken niet eens op de Castricumse kerk; zijn bron kan tevens verklaren waarom hij Franstalige namen geeft voor Brabantse kerken.

Het is onwaarschijnlijk dat de Castricumse kerk al vóór de tweede helft van de dertiende eeuw bestond, en zeker niet vóór 1136 (zie verderop).

3. Pancratiuskerken

Een klein lijstje met Pancratiuskerken in het Nederlandse taalgebied :

  • Castricum, St.-Pancras, Enkhuizen (Oud-Katholiek), Oosterblokker en Sloten bij Amsterdam (Noord-Holland);
  • Leiden en Sassenheim (Zuid-Holland);
  • Oldeboorn (bij Heerenveen, Friesland);
  • Poortvliet (Zeeland);
  • ’s-Heerenberg, Putten, Brummen, Haaksbergen, Diever, Oldehove en Tubbergen, Albergen, Emmen en Geesteren (Gelderland en Overijssel);
  • Godlinze (Groningen);
  • Hoogeloon (Brabant);
  • Munstergeleen, Heerlen en Mesch (Zuid-Limburg);
  • Ranst (Antwerpen);
  • Widooie (bij Tongeren);
  • Kraainem en Sterrebeek (bij Brussel);
  • Zelk (bij Herck-de-Stad).

Pancratiuskerken zijn er ook in Duitsland, onder andere te Burgdorf bij Hannover, Budenheim, Modau, Odenthal, Hamersleben ten westen van Maagdenburg, Ochsenwerden bij de Elbe, in Dingden, Kaisersesch en Hecklingen. In Oberpleis bij Bonn zouden monikken uit Siegburg al rond 1100 een dochterklooster hebben gesticht onder het patronaat van Pancratius.

In Frankrijk vinden we de plaatsen Villar-Saint-Pancrace in de Provence-Alpes-Côte d’Azur en Saint-Pancrace in Aquitanië.

Pancratiuskerken zijn er verder ook in Polen, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten.

4. De verbreiding van de Pancratius-verering

Keizer Arnulf van Karinthië schreef zijn verovering van Rome op 12 mei 896 toe aan de voorspraak van Pancratius, waarna de verering zich verspreidde. Tot dan was Pancratius vooral een plaatselijke heilige van de stad Rome (7).

In 985 zouden er relikwieën van Pancratius in de St.-Baafsabdij van Gent zijn geweest, dezelfde abdij vanwaar ook de relieken van Adelbert in Egmond kwamen, en de verering zou van daaruit noord- en oostwaarts verder zijn verspreid (8). Maar dat jaar is buitengewoon verdacht, omdat het elf jaar te vroeg (vóór 896) is.

«De eerste mededeling waaruit blijkt dat de verering van St.-Pancratius in de abdij van Egmond bekend was, dateert uit 1136.» (9).
«In de Dom [van Utrecht] bevonden zich in het H. Kruisaltaar reeds in 1173 relieken van Pancratius (Muller, Het oudste cartularium, p. 179).» (10).

Daarmee kunnen we uitsluiten dat de Castricumse kerk – wanneer deze altijd aan Pancratius was gewijd, wat niet vaststaat – van vóór 1136 is (11); het is daarentegen wel duidelijk dat de traditie vanuit Egmond naar Utrecht moet zijn gekomen (onder bisschop Godfried van Rhenen (1156-1178), zie : Willibrord voor de omstandigheden) en vandaar verder naar het oosten is verbreid.

5. De verering van Pancratius in Holland

In het Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden uit 1792 is over Pancratius te lezen :

«Dat hy in zeer grote waarde gehouden is, bewyzen genoegzaam alle de kerken in de Nederlanden, van ouds aan zynen naam gewyd; onder vele anderen vindt men de Hooglandsche of St. Pancras kerk te Leiden, de kerk van dit dorp [St. Pancras] en die van het dorp Sloten in Kennemerland, op welk laatste plaats weleer jaarlyksch, op den 12 may, het hoofd van dien heiligen door den pastoor aan het volk vertoond werd, met byvoeging: ’t en is geen ossenhoofd, myne Katholyken, ’t en is geen paardenhoofd, maar ’t is het hoofd van Sinte Pancras (12).

Noten

1. In het legendarische gesprek (doet het er veel toe of het historisch is ?) zou Pancratius hebben gezegd : «Ook al ben ik lichamelijk een kind, ik heb een oud en wijs hart, en door de kracht van mijn Heer Jezus Christus doet uw dreigen mij even weinig als de afbeelding die daar voor ons op de muur geschilderd is. Maar de goden die ik van u moest aanbidden, waren bedriegers en brachten hun eigen zusters te schande, ja ze ontzagen zelfs hun ouders niet. Als een van uw dienaars nu zo slecht zou zijn, dan zou u hem ter plekke laten doden. Schaamt u zich niet, dat u dergelijke figuren als uw goden vereert?» (Priesterbroederschap St.-Pius X).

2. St.-Pancras, gemeente Langedijk, wordt voor het eerst vermeld in 1506, zie : Nederlandse plaatsnamen, t.a.p., p. 213. Zie over Pancratius : Encyclopedie van Hollands heiligen van Mohamed El-Fers.

3. Er worden wel pogingen ondernomen om de mythologische heren van Castricum in verband te brengen met evenzo mythologische heren van Heiloo (die bovendien verwant zouden zijn), waarbij de Castricumse kerk dan weer ineens een “dochterkerk” van die van Heiloo zou zijn geweest, en vandaar natuurlijk ook de gelijkenissen in bouw; dat is de methode Cordfunke ten voeten uit; zie : De oudste kerken van Holland. Van kerstening tot 1300 / E. den Hartog. – Utrecht : Matrijs, 2002, en : Noord-Hollandse kerken en kapellen in de Middeleeuwen, ca. 720-1200 / A.M. Numan. – Zutphen : Walburg Pers, 2005. Er bestaan simpeler verklaringen die ook beter door de archeologie worden gedekt.

4. Catalogus tentoonstelling werkgroep “Oud Castricum” 9-18 aug. 1969; de tekst aldaar luidt : «De heer Reder vergeleek het in de romaanse bouwstijl opgetrokken gedeelte van het schip (21 m. lang en 9.25 m. breed) met soortgelijke kapellen te Audergem in Lachapelle Sainte Anne (11e eeuw), te Lillois in Saint[e] Gertrude (1050), te Neerangel in Saint Jean Baptiste (1150) en de St. Clemenskirke i Visby op Gotland (1150).»
Dat werd – behoorlijk klungelig – als volgt overgenomen : «Vergelijkbare bouwwijzen zijn aangetroffen te Audergen in Lachapelle Sainte Anne (11e eeuw), te Lillois in Sainte Gertrude (1050), te Neerangel in Saint Jean Baptiste (1150) en te D’Hottemont in Saint Bertuin (1050)» (De oudste kerken van Castricum / Frans Baars. – In : Op zoek naar Castricum’s verleden. – Castricum : Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 1992. – p. 56, zonder bronopgave).
Plaatsen en kerken zijn hier verwisseld.
De tekst van W.J. Reder verscheen volgens de eerste bron onder andere in het Tijdschrift Noord-Holland en werd herdrukt in : De St. Pancratiuskerk te Castricum; documentatie van de restauratie 1953-55 / W.J. Reder. – In : Oud-Castricum, 1e jaarboekje, 1978, p. 3-8.
Daar luidt het weinig helder : “Analoge gevallen vinden wij bijvoorbeeld te Audergen in Lachapelle Sainte Anne (11de eeuw), te Lillois in Saint Gertrude (1050), te Neerangel in Saint Jean Baptiste (1150) en te D’Hottemont in Saint-Bertuin (1050).”
Voor de geschiedenis van de kerk, zie ook : De parochiekerk Sint Pancratius tot aan de reformatie / Ir. J. Kol. – In : Oud-Castricum, 15e jaarboekje, 1992, p. 4-16, waarin het ontstaan van Castricum, in de geest van pastoor Bertus Voets, maar zonder verwijzing naar diens ‘ontdekking’, maar liefst naar de zesde-negende eeuw wordt opgerekt, en wel met een beroep op Maurits Gysseling en Dirk Pieter Blok, die het daarmee toch moeilijk eens kunnen zijn geweest.

5. Zie : Stucwerk historisch kerkje Sint-Jan.

6. Les Origines du Style Gothique en Brabant. Première Partie: L’Architecture Romane. Tome II: L’Architecture Romane dans l’ancien duché de Brabant / Constant [= Stan] Leurs. – Bruxelles, Paris : Vromant & Co., 1922. – 233 p. – p. 22-24 (Hottomont : «La paroisse d’Hottemont fut supprimée lors du concordat. L’église dédiée à Saint-Bertuin fut alors complètement abandonée et elle disparut dans le courant du siècle dernier.»); p. 64-70 (Oudergem : «La chapelle Sainte-Anne à Aydergem servit d’oratoire à l’agglomération de ce nom jusqu’en 1843, dat de la reconstruction de l’église paroissiale actuelle. Elle fut alors désaffectée et convertie en métairie. En 1901 elle fut aménagée en caveau funéraire pour la famille Madou ; enfin en 1914 elle devint la propriété de M. Dietrich qui chargea M. le chanoine Lemaire de lui rendre son aspect primitif. L’éminent archéologue y réussit pleinement et grâce à la restauration intelligente qu’il lui fut subir, l’oratoire d’Audergem constitue actuellement une des constructions romanes les plus remarquables de la région.»); p. 118 (Lillois, ná 1050 : «L’église Sainte-Gertrude à Lillois fut reconstruite en 1772. A cette occasion on leva le plan terrier et la façade occidentale de l’ancien temple. Ces dessins sont conservés au dépôt des Archives de l’État à Bruxelles. D’après ces documents, l’édifice primitif remontait selon toute apparence à l’époque romane. Il comprenait une salle rectangulaire formant nef et souvrant à un chœur bâti sur plan à peu près carré»), p. ? (Neerlangel, tweede/derde kwart twaalfde eeuw); op p. 227 is een indeling te vinden. Daar moet nog aan worden toegevoegd dat de Romaanse bouwstijl in Holland langer gehandhaafd bleef dan in Brabant.
Klopt de vergelijking door W.J. Reder (een behoorlijk grootsprakige kletsmeijer), dan zal de Castricumse kerk niet vóór die van Neerangel (de dichtst bijzijnde) zijn verrezen, dat wil zeggen niet vóór 1125. Voor de Saint-Bertuin te Hottomont, zie ook : Romanische Baukunst an Rhein und Maas. Katalog der vorromanischen und romanischen Denkmäler. Band 1: Katalog / Hans Erich Kubach und Albert Verbeek. – Berlin : Deutscher Verlag für Kunstwissenschaft, 1976. – 678 p. – p. 408; en : Romanische Baukunst an Rhein und Maas. Katalog der vorromanischen und romanischen Denkmäler. Band 4: Architecturgeschichte und Kunstlandschaft / Hans Erich Kubach und Albert Verbeek. – Berlin (Deutscher Verlag für Kunstwissenschaft), 1989. – 704 p. – p. 267 en 514.

7. Voor meer, zie : St. Pancras op het Hogeland: kerk en kapittel in Leiden tot aan de Reformatie  B.N. Leverland. – Hilversum : Verloren, 2000. – 316 p. – p. 44-52.

8. Zie de Annales S. Bavonis Gandensis, MGH SS 2, 1829, p. 188. Bij Doornik (Frans Tournai) is er al eerder een St.-Pancratius-eilandje met kasteel (Les portus de la vallée de l’Escaut à l’époque carolingienne. Analyse archéologique et historique des sites de Valenciennes, Tournai, Ename, Gand et Anvers du 9e au 11e siècles / Florian Mariage. – Mémoire présenté en vue de l’obtention du diplôme de licencié en archéologie et histoire de l’art. – Année académique 2002-2003, Université catholique de Louvain, Faculté de philosophie et lettres, Département d’archéologie et d’histoire de l’art, Promotor : Prof. Dr. R. Brulet, hoofdstuk 2.3.4., Développement ultérieur des destructions normandes à la reprise des 10e et 11e siècles).

9. Meertens-Instituut, zoeken op Pancratius, zonder bronopgave, wat behoorlijk hinderlijk is. Van een ‘verering’ is dan nog geen sprake.

10. Meertens-Instituut.

11. Meest waarschijnlijk gelijktijdig met de bouw van een “huis” door Simon van Haarlem (overleden 1280), die in 1326 een pastoorwoning was. De veronderstelling (hier gemaakt) dat de vijftiende eeuwse toren van de Castricumse kerk gebouwd is met stenen afkomstig van Kronenburg (gebouwd waarschijnlijk in 1440) verdient nader onderzoek. De veronderstelling dat de toren al gebouwd zou zijn onder Dirck Gerritsz Lisse, die in 1431 als pastoor zou zijn genoemd, is daarentegen ongefundeerd (De oudste kerken van Castricum, t.a.p., p. 57, zonder bronopgave of argumentatie).

12. Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden / Oorspronkelyk beschreven door Mattheus Brouërius van Nidek, R.G. en Isaac le Long. Verrykt met 301 koperen platen, door Abraham Rademaker. Thans ter verdere volmaking der vaderlandsche geschiedkunde vermeerderd; met vele koperen platen van voorname meesters vermenigvuldigd, en met aantekeningen uit latere en geloofwaardige geschiedschryvers verrykt door J.H. Reising. Eerste deel. – Te Amsterdam : by J.A. Crajenschot, MDCCXCII. – p. 192.


Start : 22 november 2003 | Laatst bijgewerkt : 3 februari 2015