VorigePlaatsen in KennemerlandVolgende

Castricum

Inhoud van deze pagina

  1. Inleiding
  2. De archeologie van Castricum
  3. Bronnen en naamsverklaringen
    1. Castricum = Beverwijk ?
    2. Moderner veronderstellingen en de schriftelijke bronnen
    3. Nog meer oude en nieuwe veronderstellingen
  4. Egmondse vermeldingen tot 1280
  5. Vroege vermeldingen van Castricum 1280-1441
  6. Pastoors in Castricum
  7. “Kronenburg”
  8. Andere mogelijkheden
  9. Castricum in 1494
  10. Castricum in 1514
  11. Castricum in 1519
  12. Pastoor Voets maakt er in 1976 een potje van ...
    Noten

1. Inleiding

Er zijn wel wat – tamelijk nieuwe – pogingen gedaan om Castricum van een vroeg-middeleeuws of nog ouder verleden te voorzien. Maar er bestaat redelijke overeenstemming dat het zover niet terug gaat. Er is alleen geprobeerd – vooral door de Castricumse dorpsonderwijzer Matthijs Kramer – met “kasteel Kronenburg” een wel érg oude geschiedenis op te eisen, waarvan de oudheid zelfs tot in de Romeinse tijd is opgerekt. Dat is een heel aantrekkelijke geschiedenis, die bij nader onderzoek niet erg stand blijkt te houden.

Deze plaatselijke (niet erg ferm uitgesproken) mythe gaat –  alles opgeteld in de meest uitgebreide versie, want erg duidelijk is het niet – ongeveer als volgt :

  • ooit was er een Romeinse vesting, die ook de plaatsnaam Castricum verklaart, liefst in verband gebracht met de Canninefaat Brinio, die deze vesting al dan niet zou hebben platgebrand;
  • in de elfde/twaalfde eeuw waren er in Castricum “heren” (zoals Bruno/Bruin), leden van een erg oud maar uitgestorven adellijk geslacht; die daar een (eventueel houten) “kasteel” hadden;
  • daarna kwam er een “kasteel” van Simon van Haerlem dat deel uitmaakte van een verdedigingslinie tegen de “west-Friezen” (in samenhang met andere Kennemerse kastelen), maar dat ook weer verwoest zou zijn;
  • vervolgens kwam er nog weer een “kasteel” dat tijdens de Hoekse en Kabeljouwse twisten (ergens rond 1400) alweer verwoest zou zijn;
  • tenslotte kwam er, in de vijftiende eeuw, op dezelfde plaats een nieuw “kasteel”, nu “Kronenburg” genaamd, dat in 1573 op zijn beurt alweer zou zijn verwoest.

We zullen zien wat daar van overblijft; wat voorlopige conclusies :

  • er zijn nauwelijks redelijke schriftelijke of archeologische aanwijzingen dat Castricum vóór de tweede helft van de dertiende eeuw bestond; er is een redelijk betrouwbare Utrechtse vermelding voor 1280 (zie verderop); enige vastigheid in de papieren komt pas in 1316; tien jaar later wordt de vroegst bekende pastoor vermeld : Dierich Gherets zone van Nortich (opgevat als Noordwijk), die te Castrichem een “huis” bewoonde dat Simon van Haarlem (overleden 1280) aldaar had laten bouwen; deze pastoorswoning met wat tuin was vast geen “kasteel” en stond onwaarschijnlijk op flinke loopafstand van de kerk;
  • de oudste plaatselijke documenten van Castricum zijn uit 1440, wat ongetwijfeld te maken heeft met de komst naar Castricum van Willem van Cronenburg aan het eind van de Hoekse- en Kabeljouwse twisten; en die er ook een “huis” zou hebben laten bouwen (1); waarvan veel later – terugredenerend – is aangenomen dat dit op dezelfde plek moet hebben gestaan als de eerdere pastoorswoning van Simon van Haerlem.
  • er valt geen band te ontdekken tussen Castricum en “verdedigingswerken” uit de dertiende eeuw;
  • dat er aldaar ook nog een eerder (eventueel houten) huis zou hebben gestaan is enkel afgeleid uit een trio apocrieve “heren” van Castricum (Meinard van Casterkem, Thiedricus van Castrickem en Bruno van Kasterkem), waarvan we er twee te danken hebben aan een vijftiende eeuwse Egmondse monnik; en áls ze al bestaan zouden hebben, dan zegt nog niets dat ze ook in Castricum woonden of daar een “huis” hadden;
  • om vandaar – heel veel eeuwen terug – een band te leggen met de Romeinse periode, daarvoor is wel erg veel fantasie nodig.

Waar de schriftelijke bronnen verstek laten gaan, kunnen alleen opgravingen uitkomst bieden.

2. De archeologie van Castricum

Over de archeologie vinden we :

«Na het vertrek van de Romeinen is het alsof ons land weer in de prehistorie is teruggevallen. Geschreven bronnen uit die tijd zwijgen volledig over Nederland. Ook archeologisch is er over de duistere 5e eeuw maar weinig bekend. Aangenomen wordt dat vanaf het eind van de 3e eeuw de bevolkingsdichtheid fors is afgenomen en dat vooral in het lage westen een ware ontvolking heeft plaatsgehad. Als gevolg van de toenemende invloed van de zee werd de kuststreek steeds natter en kon men er geen bestaan meer vinden.» (2).

Er zijn te Castricum alleen geïsoleerde bodemvondsten gedaan uit de tweede/derde en de achtste/negende eeuw waaruit in ieder geval niet kan worden afgeleid dat Castricum toen al onder die naam bekend stond. Enige aantoonbare vaste bewoning begint pas in de dertiende eeuw. De oudste in Castricum gevonden munt is uit 1027-1054 en is dus na die jaren in de grond gekomen.

3. Bronnen en naamsverklaringen

a. Castricum = Beverwijk ?

Hersengymnastiek uit de zeventiende eeuw over Castricum is nog terug te vinden in een voor het overige serieus artikel uit 1982. Terwijl enerzijds redelijk juist wordt vastgesteld :

«Pas omstreeks 950 na Christus begonnen de moerasgebieden tussen de standwallen droog te vallen».

lezen we meteen daarna :

«Over de oorsprong van de naam bestaan verschillende theorieën. Castricum zou b.v. afgeleid kunnen zijn van de Griekse namen die Bever Wijk betekenen.» (3).

Waar komt dat fantasietje vandaan ? Nou, uit de Zaanlandse Arcadia van 1658 (zie afbeelding rechts) :

«Dat ick, seyde hij, wijders de oorsaeck des naems van Castrichum na[ar] de maniere van de gemene man wilde uytleggen, ick soud durven seggen, dattet van den Griekschen Castor is afkomstig, dat is van Castorshum, als sijnde een huys daer wel eer den Griekschen Castor is geëert, en als een god gedient geworden, gelijck dit land in haer ongelovige eeuw veel sodanige Afgoden heeft geëert en gedient, en daer van veel plaetsen de namen getrocken hebben, als Medenblick van Medea-blick, diens beelt men seyt dat vanden toren tot in Vrieslant eertijts blonck, waer door een seggen gekomen is, als de sonne daer op begon te schijnen, Siet Medea blickt. Stavoren van Stavo den Afgodt. ’t Lant van Arckel, door Hercles, den onverwinnelijcken helt, en Baccum, gelijck volgen sal, van Bacchus. Wijders Duytslant, van Teucer de broeder van Ajax Salaminus, die daer hoogelijck geviert is geworden. ’t Verloop der eeuwen heeft voortgebracht, dat dit Dorp by de gemene man Castercum werd genaemt.»

Castricum ontbreekt in het Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden (Brouërius van Nidek, 1792); maar het dunne verhaaltje wordt 138 jaar later overgenomen in de Stad- en dorpbeschrijver (Van Ollefen, 1796) :

«Naamsoorsprong
Wordt zeer bijzonderlijk gesproken : sommigen begeeren den naam Castricum afgeleid te hebben van twee Grieksche woorden, die Bever en wijk betekenen; “Dit ’s”, zegt zeker schrijver, “ten minsten ver gezocht; zo, niet wèl gevonden”, bij de oude Chronijkschrijvers wordt het Castrichem genoemd – eene voldoende aanwijzing van den oorsprong des naams hebben wij niet kunnen ontdekken – Soetenboom redeneert er in zijn Saanlands Arcadia, dus over : “Dat ik, wijders, de oorzaak des naams van Castricum naar den maniere van den gemeenen man wilde uitleggen, ik zoude durven zeggen, dat hij van den Griekschen Castor afkomstig is, dat is van Castors-hum, als zijnde een huis waarin weleer de Grieksche Castor voornoemd, is geëerd en als een God gediend geworden, gelijk dit Land in zijn ongeloovige eeuw veele zodanige Afgoden heeft geëerd en gediend, en daarvan veele plaatsen de naamen getrokken hebben, als Medenblik, van Medea blik, diens beeld men zegt dat van den toren tot in Friesland eertijds blonk, waardoor een zeggen is gekomen, als de zon daarop begon te schijnen : Ziet medea bliktStavoren van Stavo den afgod – Het land van Arkel, van Herkules den onoverwinnelijken held, en Baccum van Bacchus – Het verloop der eeuwen heeft voortgebracht, dat dit dorp bij den gemeenen man Castercum werd geheten.”»
 (4).

Zaanlants Arkardia uit 1658 wordt – bij gebrek aan beter ? – in 1951, 293 jaar later, nog maar weer eens opgevoerd :

«dat is van Castorshum, als sijnde een huys daer weleer den Griekschen Castor is geëert, en als een god gedient geworden, gelijck dit land in haer ongelovige eeuw veel sodanige Afgoden heeft geëert en gedient, en daer van veel plaetsen de naemen getrocken hebben» (5).

Het gaat vooral om een combinatie van goedgelovigheid, fantasterij en modeverschijnselen.

Anderen wilden later van de griekse “castor” af om er een latijnse “castor” voor in de plaats te stellen. Wat klopt is dat “castor” in het Latijn een leenwoord is uit het Grieks (6).

b. Moderner veronderstellingen en de schriftelijke bronnen

Noordhollandse plaatsnamen (Karsten, 1951) :

«CASTRICUM.
Oude vormen : Castrichem (vóór 993); Kasterchem (1083); Castringhem (tussen 1083 en 1120); Casterkem (1231). Okb. I, no. 68, 89, 105, 325.
Het eerste deel van deze plaatsnaam is het Latijnse castra (kamp, veld), het tweede hem, dat buurtschap betekent. Het woord, dat ook elders in Nederland voorkomt – men denke aan Kesteren (N[omina].G[eographica].N[eerlandica]., III, 156) – treft men ook in Engelse plaatsnamen aan als eerste lid in verschillende vormen, zoals chester, cester, caster enz. Ook ham als tweede lid is in Engelse plaatsnamen zeer gewoon. (*).
Tot de gemeente behoort het dorp Bakkum, oudtijds Bachem (vóór 989. Okb. I, no. 66), dat samengesteld is uit de Friese mansnaam Bakke + hem. (**
 (7).
*) Zie E[nglish].P[lace names].S[ociety]., I, 2, 15 en 31.
**) Zie N[omina].G[eographica].N[eerlandica]., I, 176.

Dr. G. Karsten kon natuurlijk moeilijk aankomen met de persoonsnaam Karsten, dus dat deed dr. J. de Vries voor hem :

Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (De Vries, 1962) :

«Castricum, N[ederland]-N[oord]H[olland], in de 10de eeuw Castrichem, in 1083 Kasterchem en Castringhem gespeld. Dat wijst op de namen op ingheem verbonden met P[ersoons]N[aam]. Mag men denken aan Ka(r)sten (Christianus)? Dan zou de plaats dus vrij laat ontstaan zijn.» (8).

Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200 (Künzel et al., 1988/1989) :

«Kastrikum
(Noordholland)
w[aa]rsch[ijnlijk]. eind 11e e[euw]. naar een bron uit eind 10e e[euw]. cop[ie]. ca. 1420 : in Castrichem duas mansas excepta quarta parte unius manse (AantEvang FontEgm, p. 63) || w[aa]rsch[ijnlijjk]. eind 11e e[euw]. naar een bron uit eind 10e-11e e[euw]. cop[ie]. ca. 1420 : in villa nominata Castrichem ... unam mansam – in Castrichem ... tres partes unius manse ... et quartam partem eiusdem manse (ibid., p. 64) || 1105-1120 cop[ie]. ca. 1420 : Meinard de Casterkem terram ibidem 10 den. persolventem – Thiedricus de Castrickem (LibStAdalb VI 1 ibid., p. 78) || 1105-1120 cop[ie]. ca. 1420 : in Casterkem terram 10 unc. (ibid., p. 79) || 1125-1130 cop[ie]. ca. 1420 : in Kasterkem mansus II et quartam partem mansi (LibStAdalb c. II (Gravenreg) ibid., p. 69-70) || w[aa]rsch[ijnlijk]. ca. 1140-1143 cop[ie]. 15e e[euw]. (ad eind 11e - begin 12e e[euw].) : in villa scilicet Kasterkem (VitaAdalb II Mir c. 8 FontEgm, p. 26) || w[aa]rsch[ijnlijk]. ca. 1140-1143 cop[ie]. 15e e[euw]. (ad 1105-1120) : turba virorum de Kasterkem (VitaAdalb II Mir c. 10 ibid., p. 28) || w[aa]rsch[ijnlijk]. ca. 1140-1143 cop[ie]. 15e e[euw]. (ad begin 12e e[euw].) : omnium de Kasterkem (VitaAdalb II Mir c. 12 ibid., p. 30) || <1083> falsum 1125 - ca. 1150 : in Kasterchem duos mansus et quartam partem unius (Koch, OBHZ I 88) || ca. 1180 aut[ograaf]. (ad 1168) : milites corruerunt ... Bruno de Kasterkem (AnnEgm FontEgm, p. 179) || 12e e[euw]. cop[ie]. ca. 1420 : in Castringhem 9 uncias acta den. minus (LibStAdalb c. III 1 ibid., p. 74)
voor de datering van de Aantekeningen uit het Evangelieboek zie : Meilink (1939), p. 22-25; voor de datering van het LibStAdalb zie : Meilink (1939), p. 70-73; voor de datering van het Gravenregister zie : Koch, OBHZ I 88, kopnoot; voor de datering van de VitaAdalb II zie : Meilink (1939), p. 6-12; voor de datering van de AnnEgm zie : Meilink (1939), p. 108-128
o[ud]n[eder]l[ands]. hem “woonplaats” met ? + suffix -ing
 (9).

Vóór 1200 zijn er dus uitsluitend bronnen uit de Benediktijnse Egmondse abdij, en is er geen enkele bevestiging uit een andere bron. Op twee na gaat het om vijftiende eeuwse documenten, die afschriften zouden zijn van tiende-dertiende eeuwse teksten die we niet hebben en dus voorlopig terzijde kunnen leggen. De twee uitzonderingen worden verderop behandeld.

Wie Meinard van Casterkem, Thiedricus van Castrickem en Bruno van Kasterkem zijn weet niemand; ze worden in geen enkele andere bron vermeld; deze apocrieve heren van Castricum zijn dus geheel voor rekening van Egmondse monniken (10). Bruno, toevallig ook nog de oudste, sprak blijkbaar erg aan, omdat hij ergens in verband kon worden gebracht met de Caninnefaat Brinio, de andere twee vinden we nauwelijks meer in latere geschriften omdat er niets mee aan te vangen viel (11), en een verblijfplaats of wapen van deze apocrieve “heren van Castricum” is nergens gedocumenteerd. In 1277 wordt, eveneens in een Egmondse bron, ook nog een Wouter van Kastrikum (zie verderop) vermeld, tezamen met de historisch beter gedocumenteerde Simon ridder geheten van Haarlem, die “Heer” was, en Wouter dus niet. Kortom, de toevoeging “van Castricum” betekent niet dat iemand ook “Heer” was.

De (mogelijke) betekenis van alle Noordhollandse plaatsnamen van Aagtdorp tot Zwanenburg (Pannekeet, 1988) :

«CASTRICUM
Oude vormen : Castrichem (10e eeuw); Kasterchem (1083); Castringhem (± 1100); Casterkem (1231). De opvatting dat de naam een samenst[elling]. zou zijn van de geslachtsnaam Karsting (= Karsten – verwant met Christianus – en de zijnen), en hem = heem, woonstee, stuit enerzijds op het bezwaar dat alle oude vormen op een 1e element Cast, Kast i.p.v. op Karst(en) wijzen, anderzijds op het bezwaar dat de christelijke naam Karst(en) in onze gewesten reeds in de 10e eeuw opduikt.
Blok merkt op, dat indien ‘Kastrikum’ met een p[ersoons]n[aam]. is samengesteld, deze een door de Franken ontleende gallo-romaanse naam is. Zie > Med[= Bijdragen en mededelingen der naamkundecommissie van de Koninklijke Mederlandse Academie van Wetenschappen te Amsterdam]. 17, blz. 29. In Lex[icon van nederlandse toponiemen tot 1200], blz. 202 geeft Blok de betekenis van Kastrikum aan als : oudned[erlands]. hem ‘woonplaats’ met ? + achtervoegsel -ing. Karstens opvattings, dat Castricum ‘woonplaats bij een castra = kamp- of legerplaats’ betekent, acht ik niet onmogelijk, hoewel er (tot nu toe) ter plaatse geen sporen van een Romeinse castra = legerplaats, zijn gevonden.»
 (12).

De oudere geschiedenis en allerlei legenden komen uit de Egmondse abdij die er belang bij had “oude rechten” op te eisen, vooral via het tweede heiligenleven van Adelbert (13).

Nederlandse plaatsnamen (Van Berkel en Samplonius, 1995) :

«Castricum [gem[eente]. : Castricum, NH] eind 11e E[euw] cop[ie]. 15e E[euw] Castrichem; 12e E[euw] cop[ie]. 15e E[euw] Castringhem; 1317 Castrikem; w[aar]s[chijnlijk]. gevormd met -ingheem bij een 1e deel dat terug lijkt te gaan op lat. castra ‘legerplaats’. De combinatie is niet onproblematisch.» (14).

Eh, “niet onproblematisch” ? De oplossing van dit raadseltje volgt.

Wikipedia, 4 november 2013, een enigszins verward verhaal :

«Over de oorsprong van de plaatsnaam doen verschillende versies de ronde. Zo zou het mogelijk worden geacht dat de naam "Castricum" afkomstig is van het Latijnse Castor, hetgeen 'bever' betekent, maar de meesten achten de kans klein dat deze betekenis overleefd zou hebben. Dit mede omdat in de 17e eeuw deze betekenis al de ronde doet maar dan verwijzend naar het feit dat de betekenis niet Latijns maar Grieks is, de Griekse benamingen voor 'bever' en 'wijk'. Zaanlants Arkardia uit 1658 spreekt over als de plaats als zijnde een huis ter verering van een Griekse Castor.
Een andere bekende bewering is dat de naam 'Castricum' afkomstig is van de Latijnse woorden 'castri locus', wat 'legerplaats' zou betekenen, en dan met name als zijnde een Romeins legerplaats. Maar de locatie van Castricum was in de Romeinse tijd ver buiten de grenzen van het rijk en er is nooit een permanent Romeins legerkamp (Latijn castra) geweest. Toch is de kans er dat de Latijnse afleiding toch kan kloppen maar dan wel van veel later in de tijd. Naast een legerplaats zou het ook kunnen duiden op een algemene 'kamp'. Omdat de vaste bewoning van de plaats pas in de 13e eeuw is vastgesteld door de archeologische bevindingen en de eerste vermelding van de plaats stamt uit de 10e eeuw wordt niet onmogelijk wordt geacht dat er voordat er van vaste bewoning sprake was dat het gebied waarin de plaats is gelegen als een kampplek, eventueel zelfs voor een leger werd gebruikt.
Verder zou de benaming wel eens afgeleid zijn van de persoonsnaam 'Karst(en)'. De benaming zou een logisch gevolg kunnen zijn van het opkomen van de Hollanders, vooral als zijnde Christelijke Friezen en Franken, in dit gebied, het gebied van Egmond, ligt ook niet al te ver van deze plaats af. Karst of Karsten is een veel gebruikte Christelijke naam die door Franken destijds afgeleid is van een Gallo-Romaanse naam. Karst(en) is dan ook al terug te vinden in de 10e eeuw als een gebruikte persoonsnaam in de betreffende regio, zoals onder meer terug te vinden is in Plaatsnamen in Noord-Holland en het werk van Dick Blok.
 (15).

Vervolgens wordt in Wikipedia toch weer een doorlopende bewoning sinds de Romeinen gesuggereerd :

«Castricum wordt in de 10e eeuw pas voor het eerst genoemd maar uit archeologische opgravingen blijkt dat het gebied in de Romeinse tijd en vanaf de vroege middeleeuwen (continue) bewoond was.»

De afleiding van de naam Castricum door Blok en De Vries uit de persoonsnaam Karsting wordt door Pannekeet terecht verworpen (16). De afleiding door dr. G. Karsten, die al ouder is, uit Castrum of Castra (Latijns voor legerplaats, maar algemener ook versterkte nederzetting), ligt veel meer voor de hand, maar in Castricum is weinig Romeins in de grond gevonden, laat staan een hele legerplaats. Bovendien kan het uitgesloten worden geacht dat een oorspronkelijk Romeinse naam in Kennemerland is blijven voortbestaan (17).

c. Nog meer oude en nieuwe veronderstellingen

In 1992 kwam het tot de volgende veronderstellingen :

«De eerste verklaring van deze naam is, dat hij komt uit het kustgermaans van na de volksverhuizingen, en samengesteld is uit een persoonsnaam en de uitgang -inghem, duidend op een nederzetting aan water, hetgeen in die tijd ook het geval was. Een andere gaat er van uit, dat de omgeving van Velsen, waarin een koningsgoed lag – en schenking van Karel Martel aan Willibrord –, reeds vroeg een frankische invloed onderging. De namen Scupildhem (Schepelenberg) en Castringhem zouden dan kunnen zijn afgeleid van een gallo-romeinse naam.» (18)

Of ook niet dus. En daarna lezen we :

«In het kader van het thema ‘millennium’ past het ook om in dit jaarboekje enige aandacht te schenken aan de naam van ons dorp, omdat ongeveer duizend jaar geleden, en wel omstreeks het jaar 990, de naam Castricum voor het eerst in de geschreven bronnen voorkomt. In de boeken van de Abdij van Egmond wordt rond genoemd jaar melding gemaakt van een schenking van de zoon van Dirk II, graaf Arnulf, aan de abdij van één en driekwart hoeve gelegen in ‘Castrichem’ : “in Castrichem duas mansas excepta quarta parte unius manse.”» (19).

Als het bovenstaande zou kloppen is het jammer dat Castricum in 1990 de gelegenheid heeft gemist om het duizendjarig bestaan te vieren, dus de overtuiging kan niet al te ferm zijn geweest. Maar het klopt niet : het genoemde document, waarvoor geen bron wordt opgegeven, is niet van 990, maar het gaat om een vijftiende eeuws (1420 of later) geïnterpoleerd en vervalst afschrift van een document dat op zijn vroegst eind dertiende eeuw zou zijn samengesteld en waarvan het oorspronkelijk – zo dat al bestaan heeft – vervolgens in rook is opgegaan (20). Het artikel vervolgt :

«Zo zou de naam Castricum zijn afgeleid van het Latijnse woord ‘Castra’ dat legerplaats betekent. Met de uitgang ‘icum’ weet men vervolgens niet goed raad, omdat hieraan geen Latijnse betekenis kan worden toegekend en niet past bij Castra.»

Dat klopt, wanneer de naam Latijn is zou het Castra-icium of korter Castricium moeten zijn. Vandaar dat prof. dr. D.P. Blok het voor een gallo-romaanse naam hield; maar van enige aanwezigheid van Kelten (Galliërs) te Castricum is niets bekend. Na bespreking van de Griekse variant volgt :

«Kramer schrijft dat de naam Castricum door vele historici als een verbastering wordt gezien van Castra in Kinheim met de betekenis van ‘Kasteel in Kennemerland’ en daarmee ook de onderbouwing vormt van zijn vermoeden dat er in Castricum een Romeins kasteel heeft gestaan. Tot op heden zijn hiervoor echter geen bewijzen gevonden.» (21)

Matthijs Kramer (22) moet de dweperij van Hofdijk in gedachten hebben gehad; deze schreef in 1874 :

«Achter gintsch hoog-opgaand hout, noordelyker, denk ik my de bouwvallen van het oude castra, [noot : Thands de hofstede K r o n e n b u r g, in de middeleeuwen weder een burcht, onder C a s t r i c u m.] door de Romeinen weleer in Kinhem opgehaald, maar wellicht reeds in Brunoos [bedoeld Brinio] dagen door diens Kaninefaten weder neêrgeworpen, en thands een begroeide puinhoop: waar de nachtuil nestelt onder de hooge kanteelen, en de marder zijn hairigen kop door de lage welfselgaten steekt, en zijn roof van klein wild in veiligheid brengende.» (23).

De proefopgravingen bij Kronenburg, en alle andere beschikbare archeologische gegevens, hebben inmiddels duidelijk gemaakt dat er zich daar géén Romeins castra bevindt en dat er eeuwenlang in het geheel geen bevolking is geweest zodat een Romeinse naam niet kan zijn overgeleverd. Het artikel uit het jaar 2000 vervolgt met een nieuwe veronderstelling :

«Wil Steeman – secretaris van de Werkgroep Oud-Castricum – heeft eens geopperd dat de naam Castricum afgeleid zou kunnen zijn van het woord Gaast-ric-heem: de woonplaats die rijk (ric) is aan geestgronden (gaasten). Een gaast (of geest: denk aan Uitgeest) was een hoger gelegen stuk grond, dat geschikt was voor landbouw en bewoning. Naar de mening van het Meertens Instituut is het niet zo waarschijnlijk dat de naam ‘gaast’ ooit is veranderd in ‘cast’. Het Meertens Instituut houdt zich onder andere bezig met de naamkunde en dan vooral toegespitst op de studie van persoonsnamen en plaatsnamen.»

De verklaring is heel vindingrijk, wat vergezocht, maar houdt vooral geen stand (24). Als het Meertens-instituut deze verwerpt heeft het zelf niets beters te bieden dan maar weer eens een persoonsnaam :

«Volgens het Meertens Instituut zijn in de periode tussen ruwweg 500 en 900 van onze jaartelling de heemnamen in gebruik gekomen. Het woord ‘heem’ betekent ‘nederzetting’ en kennen we (veelal verbasterd tot ‘um’ of ‘em’) in zeer veel plaatsnamen: Bakkum, Rinnegom, (onder Egmond), Hallum (de voorloper van Egmond), Adrichem (de voorloper van Beverwijk) en Arem (nu onder zand bedolven bij Noord-Bakkum), maar ook van bijvoorbeeld Haarlem en Hilversum.
Huidige wetenschappers neigen nog het meest naar een oorsprong van ‘Castrik-heem’. Iemand met de naam Kastrik of Castrik zou zich hier gevestigd hebben. Naamdeskundigen zeggen dat het een Frankische, in elk geval niet een typisch Friese naam is.
Misschien was de man ‘Castrik’ hier belangrijk en/of zijn naam opvallend voor de lokale bevolking, want zijn woonplek, ‘Castrik-heem’, werd de naam van het dorp, dat ontstond toen zich uiteindelijk een dorp vormde rond de kerk, in het huidige centrum van Castricum.
Castricum werd de verzamelnaam van vijf buurtschappen: de Kerkbuurt, de Oosterbuurt, Heemstede (richting Heemskerk), het Noordeinde en Kleibroek.»
 (25).

Een persoonsnaam Castrik is nergens gevonden; Kastrik is weliswaar een Servische plaatsnaam, maar geen Friese of Frankische persoonsnaam en ontbreekt dan ook in de namenlijst van dr. J. de Vries en in het voornamenboek van dr. J. van der Schaar, zodat we mogen aannemen – tot het tegendeel blijkt – dat het Meertensinstituut – via een anonymus – er zèlf een naam heeft bijverzonnen (25a).

Conclusie : er bestaat geen enkele redelijke naamsverklaring voor “Castricum”.

In 1440 begint schoorvoetend de Castricumse plaatselijke, wereldlijke zowel als kerkelijke, administratie. Hier gaan we nu op zoek naar oudere allochtone bronnen.

4. Egmondse vermeldingen tot 1280

Het Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200 (zie boven) geeft, tamelijk uitputtend, álle bronnen tot 1200. Voor Castricum zijn er uitsluitend Egmondse bronnen.

In het Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299 zijn er voor Castricum heel weinig bronnen, eveneens uitsluitend Egmondse.

De vijftiende eeuwse Egmondse bronnen, met beweringen over heel vroeger, kunnen we hier voorlopig buiten beschouwing laten.

De anderen worden hier weergegeven; ze zijn hier genummerd met Romeinse cijfers I-VI. Een eerste probleem met al die bronnen is dat er geen andere zijn; een tweede dat de Egmondse abdij achteraf met documenten knoeide.

I. 1083 [1215]

«[...] Arnulfus comes cum condigna uxore sua Liutgarda optulit ad predictum locum : in Thosa manssus duos, in Kasterchem duos mansus et quartam partem unius, in Velson tres mansus et unum agrum [...]» (26).

Koch, die doorlopend de oudst mogelijke datum opgeeft, dateert deze vervalsing op 1125-1150, Otto Oppermann hield het daarentegen op 1215 (27).

II. 1168 [Dertiende eeuw]

In de Annalen van Egmond staat een verhalend bericht op 1168, dat volgens Otto Oppermann uit het begin van de dertiende eeuw is, maar volgens de alles zo oud mogelijk makende J.P. Gumbert uit 1170, dus onmiddelijk ná de gebeurtenis (28) :

In vertaling :

«In Het jaar 1168 kwam Floris, de tiende graaf van Holland, in de winter met een zeer grote troep ridders en voetvolk naar de plaats Schoorl, die grenst aan de Friezen, en hij overlegde en beraadslaagde, hoe hij deze Friezen, die zich tegen hem verzetten, met een veldslag kon aanvallen. Gedurende de tijd die dit overleg duurde hebben zekere uitgelezen ridders, of standvastige, vermetele particulieren, die de aandrift van hun inborst niet konden beteugelen, ongewapend te paard – de graaf had het afgeraden – een vlugge uitval gedaan en de Friese plaats Schagen in brand gestoken. De Friezen echter lagen in hinderlaag, en namen het verlies van hun huizen licht op, zolang zij tenminste hun vijanden konden insluiten en hun terugkeer konden verhinderen. En toen de vijanden, gericht op brandstichting en roof, vergaten wat achter hen lag en vooruit snelden alsof zij met een achtervolging bezig waren, op de dicht op elkaar gepakte vijanden; ongedeerd kwamen zij terug bij de graaf. Alle anderen met uitzondering van weinigen die gevangen genomen werden zijn gedood, en er is een enorm bloedbad aangericht onder de uitgelezen mannen. Van hen sneuvelden de edele en goede ridders Simon van Antwerpen, een jongeman van onvergelijkbare schoonheid, Willem van Voorhout, Walraven van Haarlem, Gerard de Schenker, Floris Rust, Allard van Egmond, Bruno van Castricum, jonker Gerard van Monster, Everard van Noordwijk. De lichamen van de geneuvelden, doorboord door allerlei wonden, zijn naar Egmond gebracht om begraven te worden, en boden monniken en leken, en vooral de graaf, een jammerlijk schouwspel; en er was niet een vol jaar voorbijgegaan van het schouwspel van het lam tot het schouwspel van de doden. Dit bloedbad vond plaats op 22 januari, de dag van sint Vincentius, een maandag.» (29)

Het is een mooi verhaal, dat kan worden weergegeven of samengevat, met veel “zou kunnen” ertussen, want verder is er niets om het te bevestigen of weerleggen, en het jaar van schrijven is omstreden.

III. 1231

Regest :

«Arnoud, abt van Egmond, ontslaat op wens van graaf Floris IV en op raad van convent, voogd en mannen van de abdij, de dienstlieden van de abdij en kun nakomelingen wonende tussen de beek in Galenuort [Galenvort] en de parochie Kastrikum tegen betaling van een som geld van de keurmede, met het voorbehoud dat zij de gebruikelijke diensten ten behoeve van de abdij blijven verrichten en met de bepaling dat wanneer iemand van hen trouwt met een keurmedige ministeriaal van de abdij, de zonen de staat van de moeder zullen bezitten.» (30)

Een proeve van vertaling van het geheel :

«1231, januari 14, Haarlem
In de name des Here. Ik, Arnordus [= Arnoldus], bij de gratie Gods abt van Egmond, doe alle aanwezigen en toekomstige lezers van dit geschrift kondt, dat, gezien de dringende behoefte van mijn kerk, naar de wil van graaf Florens, graaf van Holland, et de raad van het hele convent van Wilhem van Egmond, onze voogd, en van mannen van de kerk, in tegenprestatie van een zekere somme gelds, wij de dienstlieden [horigen] van onze kerk ontslaan, vanaf de beek die te Galenvort stroomt tot aan de parochie van Kastrikum, en hun zonen en dochters, evenals hun opvolgers, vrij en ongrijpbaar van het recht dat in de volksmond keurmede wordt genoemd waaraan ze te onzer gunste en die van onze kerk [abdij] tot op heden onderworpen waren. Evenwel, opdat ze niet losgemaakt van onze kerk lijken, ons recht en het hunne in alle opzichten gevrijwaard zijnde, behouden we ons voor, voor ons en onze opvolgers, de diensten die ze als gewoonteplicht aan onze kerk [abdij] hadden. Vooral als iemand van hen in het huwelijk treedt met een horige van onze kerk die er aan gehouden is het genoemde recht te kwiteren te weten de keurmede, decreteren we dat hun zonen beschouwd zullen worden als behouden te worden in de toestand van de moeder. Daarom, willende voorzien in het nut van zowel de kerk [abdij] als van de vermeld dienstlieden [horigen], uit angst dat in de loop der tijd fouten ten opzichte van hen optreden of ten opzichte van hun nageslacht, laten we in een ander geschrift de lijst opstellen, waarvan de kerk zich het bezit voorbehoud, met de namen van de personen. Opdat verder deze bepalingen vaststaand en onaangetast blijven, hebben wij het waardig bevonden dit document te voorzien van mijn zegel en dat van Florent, graaf van Holland en dat van het convent en dat van Wilhelm van Egmond, onze voogd, en van de ondertekening van de getuigen. Mocht iemand de onaangename durf hebben in te gaan tegen ons redelijke verweerschrift, dan dient hij in de ban te worden gedaan. Getuigen : Machtildis, gravinne van Holland, Willhelmus broeder van de graaf, Theodericus decaan van K[ene]marie, Heinricus van Emcekerke, Mauricius van Limben, Gerrardus van Egmunt, Lybbertus van Heilgelo, Bartholomeus van Bergen, priesters, Willelmus van Theilingen, Theodericus diens broeder, Isbrandus van Harlem, Nicholaus Persin, Walterus van Harlem, Theodericus van Wasnar, Iacobus van Heilgelo, Gelekinus van Riswic, Bartholomeus van Ha[irle]m, Bartoldus van Ackerslote, Isbrandus van Rinningem, Dodo van Heilgelo, Gerbrandus van Alkmar en diens broeder Theodericus, Adalbertus van Hagen, Theodericus van Lan, Gerar[dus en] Werenboldus van Rinningem, mannen van de kerk, Theodericus van Velsen, Me[nso] en Johannes, lijfeigenen van de abt en alle anderen. Gedaan te Harlem, het jaar 1230 van de geboorte van de Heer, de 19e dag van de kalende van februari.»
 (31)

Van Galenvort is beweerd dat het bij Rinnegom zou liggen, maar de naam is in geen enkel ander document aangetroffen (32). Het gedreig met de banvloek doet af aan de geloofwaardigheid van dit document; het kan ook later zijn opgesteld om een dan lopend conflict te regelen op een moment dat de getuigen – zo die al bestaan hadden – het niet meer konden tegenspreken.

Dan zijn er twee documenten die deel uitmaken van de “affaire Echternach” (33) ;

IV. 1257

«[...] quator libras et quindecim solidos de villicatione quondam Scoteri, militis, apud Heyligheloe, totam terram nostram apud Vytgheest et in Banesse, totam terram nostram apud Casterkem que utique ad abbacium pertinebat, et apud Bachem unam fiertel cum octo pascius [...]» (34)

V. 1264

«Hinc est quod universorum noticie cupimus declarari, tenore presencium publice et simpliciter protestantes, quod occasione legitime necessitatis, eo quod aggerem nostrum apud Hargen per vehemenciam tempestuosi maris funditus dirutum inevitabiliter nos reparare oportuit magno sumptu, vendidimus nobili viro domino Arnoldo de Heemskerc, militi, totam terram nostram apud Bachem infra limites decimarum dicte ville sitam, excepta ilia quam Arnoldus de Hecmunda ab ecclesia nostra in feodo habere dinoscitur, exceptisque duodecim pascuis que Feodum Augustini appellantur, exceptis quoque octo pascuis quas Nicolaus dictus Nanno, quondam scultetus ibidem, nobis testimonialiter legavit, exceptis etiam pascuis que ad terram nostram sitam apud Casterkem pertinere dinoscuntur, vendidimus nobili viro domino Arnoldo de Heemskerc, militi, pro centum Septuaginta quinque libris Hollandensium denariorum legalium, proprietario iure in perpetuum possidendam.» (35)

VI. 1277

Het volgende document maakt de eerdere vermeldingen over vroege “Heren van Castricum” niet geloofwaardiger :

«1277 sept. 14 1799
Simon ridder geheten van Haarlem staat samen met Wouter van Kastrikum en anderen aan Jan van Rolland toe om de Aremmermade, die Jans zoon in leen had gehouden van Wouter Dirk Warboutszoon, ridder, die dat land op zijn beurt van het klooster Egmond in leen houdt, te verkopen.
Nos Simon miles dictus de Harlem universis presentia visuris et audituris notum facimus et testamur istarum testimonio litterarum quod nobis, Walthero de Kasterkem aliisque amicis nostris carum est quod Iohannes de Rolland vendat terram que dicitur Arimmermade teutonice, que terra continet viginti unum et dimidium zwadt, quam etiam terram filius dicti Iohannis a Walthero filio Theodorici filii Warboldi militis in feodum possidebat et quam terram dictus Waltherus filius Theodorici iam predicti feodaliter tenet a monasterio Egmondensi.
Datum anno Domini M° CC° LXXVII°, in Exaltatione sancte crucis.»
 (36)

De genoemde Simon van Haarlem (zie verderop) was “Heer van Castricum”, vermeld in 1326 en overleden in 1280, en dus kan Wouter niet óók “Heer van Castricum” zijn geweest; dat is ook nooit beweerd, maar het laat zien dat de toevoeging “van Castricum” niet noodzakelijk naar een “Heer” verwijst.

5. Vroege vermeldingen van Castricum 1280-1441

In 1280 wordt Kastrichem vermeld in een Utrechts Register kerkelijke tienden t.b.v. het heilige land 1275-1280 (37); het is de eerste niet-Egmondse bron voor het bestaan van Castricum.


Castrium wordt vermeld in de latere Registers van de Hollandse Grafelijkheid 1299-1345 :

[1] De Haag, 21 januari 1316 (regest)
Graaf Willem III gelast dat zijn knaap Jan van Bergen belooft dat deze na de dood van Willem van Haarlem, wanneer hij in het bezit zal komen van de ambachten Castricum en Limmen, het ambacht Sloten zal afstaan aan zijn oom Hendrik van Diepenheim, en dat hij voorts aan dezelfde de grafelijke leengoederen in Nieuwkoop en aan de Mije zal afstaan na de dood van vrouw Geertruid, echtgenote van Willem van Haarlem; Jan van Bergen bezegelt de oorkonde mee (38).

Let wel, er is sprake van een ambacht Castricum, maar niet van een huis; voluit :

«Wi Willaem grave van Heynnegouwen, van Holland etc. maken cond etc. dat Jan van Berghen, onse trouwe knape, bi onsen wille gheloeft hevet ende loft Henrike van Diepenhem, sinen oem, te ghevene dat ambocht te Sloten van ons te houden also alze hijt hevet ende hijt van ons te leene hout, in manieren dat nae Willaemsd doit van Hairleme voirs., alze Jan van Berghen in besitte es van den ambochte van Kasterkem ende van Limmen, so sal Heynric voirnoent dat ambocht te Sloten besitten alze voirscreven es. Vort wanneer dat die lijftuchte quite es van veren Gheertruud, Willaems wijf van Hairlem, dat van ons roert, ende Jan van Berghen dair af in besitte af es, zo sal hi Heynrike van Diepenehem voirs. gheven allen dat goet dat hi heeft in Niewen coep ende over die Mie med alle datter toe behoert, alsoe alze hijt van ons hout.
Ende ic Jan van Berghen verlie alle dese voirseyde voirwairde, ende bidde minen lieven here voirnoemt dat hize bezegheld med sinen zeghele; welc dat hi ghedaen heeft, ende ic med hem, omme die meere vastenesse. In orkonde desen brieve bezegheld med onsen zeghele. Ghegheven in die Haghe des woensdaghes na sinte Ponciaens dach int jaer ons Heren M CCC ende viftiene.

[2] Haarlem, 23 december 1326 (regest)
Graaf Willem III vergunt heer Dirk Gerardsz. van Noordwijk [in de akte staat Nortich], parochiepriester van Castricum, het huis met hofstede te Castricum te bewonen dat Simon van Haarlem bouwde en dat in het bezit was van Jan van Bergen (39).

Hier is voor het eerst sprake van een huis met hofstede te Castricum. De akte luidt voluit :

«Wi Willaem grave etc. maken cond allen luden dat wi heren Dierich Gherets zone van Nortich, prochipape van Castrichem, hebben ghegheven ende gheven in te woenen tot sinen live thuys tote Castrichem metter hofstede dairt op staet, dat Symon van Harlem maken dede ende Jans van Berghen was, alse verre alst ons toe behoird, sonder archlist.
In orconde etc. Ghegheven tot Harleme des dinxedaghes vor Kersavond int jaer ons Heren M CCC XXVI.»

Erg aanzienlijk kan dat huis niet geweest zijn, het is, gezien de afstand tot de kerk, moeilijk voorstelbaar op de plaats van het latere Kronenburg, en in de volgende vier bronnen wordt de pastoorswoning dan ook niet meer vermeld; er is dan alleen nog sprake van een ambacht :

[3] Valenciennes [jawel !], 8 september 1327 (regest)
Graaf Willem III beleent Jan van Polanen, knaap, met zijn kasteel in Heemskerk met bijbehorend land, molen en erf, alsmede met het ambacht Heemskerk en Castricum, alles tegen een betaling van 100 pond Tournois en met de bepaling dat het kasteel voor de graaf een open huis zal blijven (40).

Voluit :

«Wi Willaem grave van Heynnegouwen etc. maken cond allen luden dat wi Janne van Polanen, onsen trouwen knape, vercoft hebben ende verlient onse huys tote Eemskerke metten lande, molen ende erve datter toe hoirt, also alst ons ane quam van Janne van Berghen, him ende sinen nacomelinghen van ons ende van onsen nacomelinghe te houden te liene in manieren dat binnen achterzusterkint niet versterven en sel. Voirt hebben wi Janne voirs. vercoft ende verlient onse ambocht van Eemskerke ende van Castrichem med sulken rechte ende vervalle alser toe behoren, also als si ons ane quamen van Janne van Berghen voirscreven, in liene tehoude in diere manieren dat also langhe als sine kindere leveden, wairt sone wairt dochter van wittachtigher boirt ghecomen, niet te versterven mar na sinen kindren ten rechten liene voirt tehouden. Wilc huys, land, molen, erve ende ambocht voirscreven wi Janne voirs. vercoft ende verlient hebben ende verlien te houden in liene in sulker manieren alse voirscreven es al omme hondert pond groter coninx Tornois, dair hi ons bi Jan van Leyden, onsen capellaen diere of rekenen zel, den eersten penning met den lesten of vergouden hevet. Ende dit huys, land, molen, erve ende amboch voirscreven gheloven wi voir ons ende voir onse nacomelinghe Janne voirscreven en sinen nacomelinghen te waren ende dair in te houden in allen manieren als voirscreven es. Ende dit voirseyde huys van Eemskerke zal altoes wesen ons ende onser nacomelingher open huys, ende ledich so wanneer wijs begheren onse lude dair op ende of te doen als wi willen, ende ons dair mede te helpene om onse land te verwaerne zo wanner dats te doene es.
In oirkonde desen brieve etc. Ghegheven te Valenchijn [Frans Valenciennes] op onser Vrouwen dach in septembre int jaer ons Heren M CCC zeven ende twintich.
[Dienstaantekening :] Per comitem personaliter, Mathiam, Willelmum dominum de Potes, magistrum Iohannem de Florence et alios.»

Er is sprake van een “huys” te Heemskerk, waar in het regest een kasteel van wordt gemaakt, maar voor Castricum wordt de pastoorswoning niet vermeld. Deze belening wordt in de volgende akte herhaald :

[4] Dordrecht, 17 december 1328 (regest)
Graaf Willem III beleent heer Jan van Polanen, ridder, met zijn kasteel in Heemskerk met bijbehorend land, molen en erf, alsmede met het ambacht Heemskerk en Castricum, alles tegen een betaling van 100 pond Tournois en met de bepaling dat het kasteel voor de graaf een open huis zal blijven; de oorkonde wordt medebezegeld door enkele met name genoemde personen (41).

«Wi Willaem grave van Heynnegouwen, van Holland, van Zeeland ende here van Vriesland, maken cond allen luden dat wi heren Janne van Pollanen, onsen trouwen ridder, vercoft hebben ende verliend onse huys tote Eemskerke metten lande, molen ende erve datter toe hort, alsoe alst ons ane quam van Janne van Berghen, hem ende sinen nacomelinghen van ons ende van onsen nacomelinghen te houden te liene in manieren dat binnen achtersusterkind niet versterven en sel. Vort hebben wi heren Janne voirs. vercoft ende verliend onse ambocht van Eemskerke ende van Castrichem mid sulken rechte ende vervalle alser toe behoeren, alsoe als si ons ane quamen van Janne van Berghen voirs., in liene te houdene in dier manieren dat alsoe langhe als sine kinderen leveden, waert sone waert dochter van wittigher boirte ghecomen, niet te versterven mar nae sinen kinderen ten rechten liene voirt te houdene. Wilc huys, land, molen, erve ende ambocht voirseyt wi heren Jan voirs. vercoft ende verlient hebben ende verlien te houden in liene in sulker manieren alse voirseyt es al omme hondert pond groeter koninx Tornois, dair hi ons bi Janne van Leyden, onsen cappellaen dier of gherekend hevet, den eersten penning med den lesten of verghouden hevet. Ende dit huys, land, molen, erve ende ambocht voirscreven gheloeven wi voir ons ende voir onse nacomelinghe heren Janne voirseyt en sinen nacomelinghen te waren ende dair in te houden in allen manieren alse voirscreven es. Ende dit voirseyde huys van Eemskerke zal altoes wesen ons ende onser nacomelingher open huys, ende ledich zoe wanneer wies begheren onse lude dair op ende of te doen als wi willen, ende ons dair mede te helpene omme onse land te verwaerne zoe wanner dats te doene es.
In orkonde desen brieve bezegheld med onsen zeghele. Ende omme dier meere zekerhede ende kennessen hebben wi onsen lieven ende ghetrouwen heren Jacob den biscop van Zuden, heren Aernde van Bollande, heren Janne van den Sile, ridderen, ende Mathijs Renghers sone desen brief med ons doen bezeghelen med horen zeghelen.
Ghegheven tote Dordrecht des saterdaghes na sinte Lucyen dach int jaer ons Heren M CCC acht ende twintich.
[Dienstaantekening:] Per dominum Willelmum de Duvenvoirde.»

[5] Haarlem, 28 oktober 1330 (regest)
Graaf Willem III vergunt de gemene buren van Castricum en Heemskerk dat al het schotbaar land in de ambachten aldaar schot zal betalen aan de buren (42).

«Wi Willaem etc. maken etc. dat wi ghemeene buren van Castrichem, van Heemskerke, hebben gheoirloft ende ghegheven dat al dat land legghende in den ambochten voirscr. dat nu scot ghevet jof scotbair wesen zal, scot gheve den ghemeenen buren voirscreven, toit onsen weder segghen.
In orkond etc. Ghegheven te Hairlem op sinte Symon ende Juden dach int jaer van XXX.»

[6] Den Haag, 13 oktober 1333 (regest)
Graaf Willem III schenkt zijn kamerling Koenraad Jacobsz. de hem aangekomen goederen van Laurens van Bakkum in de ambachten van Bakkum en Castricum (43).

«Wi Willem grave etc. maken cond etc. dat wi Conrard Jacobs sone onsen camerlenc ghegheven hebben ende gheven med desen brieve, om menighen trouwen dienst dien hi ons ghedaen heeft ende noch doen zal, in eenen vryen eyghen alle dat goed dat ons ane quam van Lourens van Bachem ende ende in den ambochte van Bachem ende van Castrichem gheleghen es.
In orkonde etc. Ghegheven in den Haghe des woensdaghes na sente Victors dach int jair van XXXIII.»

Documenten uit de oudere Regesta Hannonensia, eveneens 1299-1345, zes dezelfde als de Registers van de Hollandse Grafelijkheid 1299-1345, maar ook zes andere, er worden alleen regesten gegeven :

[1] «[1307-1308] 1 Januari. – Willem van Egmond geeft land te Castercom aan het door hem gestichte huis van S. Lazarus te Haarlem. Jaarsdag.
Cart[ularium]. Orde S. Jan n° 88. Gedrukt : Bijdragen Bisdom Haarlem III 140.»
 (44)
[2] «[1315-1316] 16 Januari – Overeenkomst tusschen Jan van Bergen en Hendrik van Diepenheim wegen bezittingen te Sloten, Castricum en Limmen, bekrachtigd door graaf Willem. Vrijdag na S. Ponciaan.
[Rijksarchief] Reg. E.L. 89. f. 21 vrs.»
 (45)
[3] «[1321, 21 October] N° 4. – Graaf Willem bevestigt den lijftocht, door Clais Willemsz. van Uijtgeest aan zijne vrouw gemaakt, van de minderhelft zijner goederen in Castricummerbroek en van de halve zate in Crommenie. Woensdag na S. Lucas.
[Rijksarchief] Reg[ister]. E.L. 39. f. 7 vrs.»
 (46)
[4] «[1322] 27 October N° 1. – Verlij met rente uit de goederen te Castricum door Dirk, abt van Egmond. Woensdag voor Allerheiligen.
Or[igineel]. R[ijks].A[rchief]. E.»
 (47)
[5] «[1326] 23 December. – Graaf Willem geeft den parochiepaap van Castricum het huis met hofstede aldaar te bewonen, dat Symon van Zaanden [= van Haarlem] deed maken en Jan van Bergen behoorde, voor zoover hem dat toebehoort. Dingsdag voor Kersavond.
[Rijksarchief] Reg[ister]. E.L. 39. f. 18.»
 (48)
[6] «1327] 8 September – Graaf Willem verkoopt aan Jan van Polanen het huis van Eemskerk als ’ Graven open huis met het ambacht van Eemskerk en Castricum met alle rechten en vervallen. Op onser Vrouwendaghe in September. Ook Zaterdag na S. Lucas (22 October) 1328.
[Rijksarchief] Reg[ister]. E.L. 89. f. 18.»
 (49)
[7] «[1328] 17 December. – Verkoop van ’s graven huis te Eemskerk en van de ambachten van Eemskerk en Castrichem, gekomen van Jan van Berghen, aan Jan van Polanen. Zaterdag na S. Luciendag.
[Rijksarchief] Reg[ister]. E.L. 39 f. 18 vrs.»
 (50)
[8] «[1329-1330] N° 4. – Heer Jan Persijn vergunt Dirk Gerritsz. van Castricum, dat zijn leengoed op zijne dochters zal komen. Woensdag na S. Gregorius.
[Rijksarchief] Reg[ister]. E.L. XVIII. f. 85.»
 (51)
[9] «[1330] 28 October N° 1. – Graaf Willem vergunt den gemeenen buren van Castricum en Heemskerk dat al het schotbaar land aldaar schotbaar blijven zal. Op S.  Sijmon ende Judendagh.
[Rijksarchief] Reg[ister]. E.L. 89. f. 23 vrs.»
 (52)
[10] «[1333] 13 October. – Graaf Willem vergeeft het goed, hem in de ambachten van Bachem en Castricum van Laurens van Bachem aangekomen. Woensdach na S. Victorsdach.
[Rijksarchief] Reg[ister]. E.L. 89. f. 24 vrs.»
 (53)
[11] «[1337] 28 Juni. – Verkoop aan het klooster van Egmond van land te Casterkom. S. Pauwelsavond apost.
Or. R[ijks].A[rchief]. R[Rijnsburg. adbij, oorkonden].»
 (54)
[12] «[1338-1339] 21 Januari. – Opdracht van land te Castricum aan het klooster van Egmond. Donderdag na S. Pontiaensdaghe.
Or. R[ijks].A[rchief]. E[gmond, abdij, oorkonden].»
 (55)

Corpus Van Reenen-Mulder (CRM14), een verzameling veertiende eeuwse bronnen, in gebrekkige transcriptie (56) :

Castricum of omgeving, 1337
Allen den~ghenen die desen brief sullen sien of horen lesen make ic kont / en_ kenlic . martijn scoute te casterkem. dat voer mi quam her Godeuard van beke capellaen he_n jans van polanen en_ belyede / dat her Jacob van vtrecht monic tot egmonde tieghens hem ghecocht hadde . dat erue en_ dat lant / dat her godeuart vors_ cochte / tieghens Jan sassen / en_ clays ludden / welc erue / en_ lant int ambocht van casterkem gheleghen is . en_ hier of belied her godeuaerd / voerghenoemt / dat hem her Jacob vorseit betaelt heeft den lesten penni_c metten eirsten / en_ heeft den eyghendoem . van desen erue / en_ lande voer mj en_ voer die bure va_ cast_kem op~ghegheuen / tot sgoidshuus behoef van Egmonde . Orconde desen brieue bezeghelt met mine_ zeghele ghegheuen Jnt iaer ons he_n . dusent drie + hond_t seuen en_ dertich . op sente pouwels auonde apostels.
 (57)
Castricum of omgeving, 1378
Wy pieter cureyt
[= pastoor] van castrickem en_ symon pieters zoen scout ter seluer stede doen cond ende kenlijc allen luden dat baertout claes z_ voir ons quam en_ beliede ? . van + den co_uent van egmond den lesten pennijnc mitten eersten betaelt van dat drie~deel van twien sticken lants int vroen~lant daer baertoud viniens zoen dat vierdedeel of heeft an die westzide streckende an h_n pieters land voirs_ welc lant der kerc van cast_cum toe~behoert ende an die oestzide an dircs ludden lant Jn kennesse der waerheyt heb wi desen brief bezeghelt mit onsen zeghelen Int iaer ons he_n dusent drie + hondert en_ acht + en + tseuentich des dijnxdaghes na sinte m_tijns dach Translatio. (58)
Castricum of omgeving, 1396
Ic ghisebrecht van boschusen Scout in Castrichem doe cond allen luden dat uoir mi quam baue willem soyers zoens wijf van castrichem . met haren monbaer en_ met haerre kinder monbaer . En_ gheliden voir mi als voir hare_ daghelixen rechter / dat willem voirs_ haer man was vercoft heeft den co_uente van egmu_de een ghers in littike~made te backem . En_ belent heeft dat co_uent voirs_ met haren lande an beyden ziden streckende van Aremermade an de gheest . En_ van + den voirs_ gheerse bekent baue voirs_ haer ende haren ? wel en_ wittelike bitaelt den leste_ penning met den eersten / En_ om dit voirs_ lant . te waren den co_uente ten ewighen daghen als men een vrilant sculdich is te waren in + den ban daert in gheleghen is . So heeft die voirs_ baue met haren en_ haerre ? ? den co_uente voirs_ in de hant gheset ten onderpande den twn daer baue voirs_ met haren kinderen nv vp woent den co_uente haer scade daer an te verhalen waer dat si scade daer + bi leden En_ dien scade zoud + men waerderen bi + den vier naesten lenden / die den voirs_ tuun belent hebben . En_ want baue voirs_ met hare_ monbaer en_ haerre kinder monbaer voirs_ mi ghebeden hebben / dat ic desen brief ouer hem seghelen wil so heb ic ghisebrecht voirs_ desen brief beseghelt met minen zeghel ghegheuen jn + den Jaer ons heeren . dusent drie hondert ses en_ neghentich des sondaghes na sente pieters _ sente pouwels dach /
 (59)

Die laatste bron is ook elders weergegeven :

«638. Ghisebrecht van Boschusen, schout in Castrichem, oorkondt, dat de weduwe van Bave Willem Soyerszoonsz. met de voogd van haar en haar kind vóór hem verklaarden, dat haar man verkocht had aan het convent van Egmond een gras land, gelegen in Littekemade te Backem, en dat zij voor de levering van het land de hof, waarop zij woont, ten onderpand stelt.
a. Oorspr. (Inv. no. 852). Met het zegel van de oorkonder.
b. Afschrift (Inv. no. 846, blz. 72).
Datering: 1396 juli 2 (des Sondaghes na S. Pieters ende S. Pouwelsdach)
 (60)

Een schenking uit 1973 van Centraal Bureau voor de Genealogie aan het Noord-Hollands Archief geeft twee charters (61) waarin wél een “huis” wordt vermeld :

«5 mei 1440, inv. nr. 329 (regest)
Akte houdende opdracht door Heinric die Oude, Heer van Cranenboirch en Loenen, ten behoeve van zijn zoon Willem van Cronenboirch, aan zijn zwager Jan van der Leck van zijn land en huis in Castricum, dat hij in leen heeft van laatstgenoemde, 1 charter, drie uithangende zegels
«1441, inv. nr. 330 (regest)
Akte houdende opdracht en verkoop door Willem van Cronenborch heer Heinrixz. aan Jan van der Leck, zijn neef, van het van laatstgenoemde in leen ontvangen huis te Castricum, 'Cronenborch' geheten, met al de leengoederen daartoe behorende en de 'eygelyke' goederen, die Willem Derixzoon niet gekocht had, 1441, St. Matthijsdag ap. (21 sept of 24 febr.), 1 charter, drie uithangende zegels

De volledige teksten van de laatste twee documenten zijn niet digitaal beschikbaar.


En dan is er nog een vroege bron uit 1431 :

«Heer Dirck Lisse werdt gheconsenteert een Cappelrye tot Castricum te erigeren.
Jacoba van Beyeren, by der gratie Godts, Hertoginne van Cloucester, Gravinne van Hennegouwen, van Hollant, van Zeelandt, doen kondt allen luyden :
Dat wy gheoorloft ende gheconsenteert hebben, oorloven ende consenteren mit desen Brieve, Heeren Dirck Lisse Priester, van sijnen eygen erve ende goede, tot vijfthien goede goude-swaer Engelsche noblen toe, jaerlijckscher renten, oft daer en beneden, te fundeeren, te erigeeren ende te doteeren, tot eenre Cappelrye behoef, in der Prochy-kercke, binnen onsen Dorpe Castricum, op onser liever Vrouwen Qutaer [= altaar] aldaer, in der eeren Godts Almachtigh, sijnre gebenedijder Moeder, der glorioser Maget Maria, ende alle Godts Heylighen. Welcke Cappelrye voorschreven, Heer Dirck voornoemt, ende sijnen nakomelinghen, tot eeuwighen daghen gheven sullen, nae sulcker manieren ende ordonnantie, als die fundatio ende Brieve die Heer Dirck daer voorgaende af ghemaeckt heeft, oft noch maken sal, inhouden ende begrijpen, sonder ons oft onse nakomelinghen, hun des in eeniger wijse te bewinden.
In oorconde desen Brieve doen bezegelen, met onsen zegele. Ghegheven in den Haghe, opten ses-en-twintighsten dagh van Meye, in ’t Jaer ons Heeren duysent vier hondert een-en-dertigh [1431].
 (62)

In het archief van de St. Pancratiusparochie is het oudste document het volgende, de transcriptie is waarschijnlijk van Jaap Zonjee :

10 oktober 1440 (regest)

Jan van der Lecke geeft de St.-Pancratiuskerk te Castricum te bedienen aan Reijner Pieterszoen, mits hij binnen het jaar priester wordt.

Voluit :

«In deser manieren ende voirwaerden soe heb ic, Jan van der Lecke, puerliijc om goods willen gegheven en de gheve in der
eeren goods ende zijnre lieve moeder Marien ende in waerdicheden des heiligen Sants Sinte Pancracius patrone tot
Castrijchem Reijner Pieterszoen die kerke tot Castrijchem die te besitten, te bedienen ende te bewaren sijn leven
lanck gedurende soe als dat behoort tot zaligheit zijnre zielen. Dat is te weten, dat hij priester worden sel guedes
tijts binnen sjaers nae datum des briefs ende waer dat zake dat hij des niet en dede ende gheen priester en worde binnen
sjaers als voorscr[even]. is, soe en sel dit ghifte van der kerke voorn[oemd]. op Reijner voorseit van geenre waerde wesen mair weder
comen ende wesen an mij off aen mijnen erven. In allen schine op sij rechtervoert verschenen wair. Soe dat ic of mijnen
erven die ghifte een ander dan gheven sel moghen, sonder toeseggen van Reijner voorseit des idc wil. Voert als hij
priester gewoeden is, soe sel hij dan rechtenoirt dese kerk tot Castrijchem zelve besitten ende bedienen sijn leven lanck
gedurende soe een guedt priester schuldich is te daen; sonder ijemant ander die te verpachten off dair op te setten in
enighen schine ende hier op soe sel hij milevenen ende gheven een notariusbrieff dese voir woirden te houden ende te voldaen.
In alle schine ende vastichede also voirgescreven staet. Ende ic Reijner Pieterszoen want ic dese ghifte van der kerk voirgenoemt
puerlijc om goods willen ontffangen hebbe van Jan van der Lecke voirsproken op dese voirwairden voirseit soe gelanc ic
hem off sinen erven die te houden ende te voldaen in allen schine ende vastichede also voirschr[even]. is als een guedt man bij sijne
trouwen eeren ende zekerhede ende voort bij mijnse priesterscap als ik priester geworden ben. Ende wairt, dat ik des niet
ende dede en volhilde, also voirgeseit is, soe kenne ic dat deze ghifte op mi van geenre waerde wesen en sel mair
Jan van der Lecke des bij wil en sinen erven een ander die te gheven ende daer in te setten, sonder te seggen van mi also
versproken is. Ende mi mit ghenen rechten dairop te verweeren in enigen schine ende alle dinck sonder arglist. Ende
want ic Reijner Pieterszoen, voirscr[even]. mij in dese voirwairden verbonden bebben tijeghen Jan van der Lecke voirnoemt uut mijns
zelves vrijen moetwille. Ende ic zelve gheen zegel en hebbe, soe hebbe ic gebeden heren Gherijt van Scoten, commel-
duijer [= commandeur] van Sinte Jans clooster tot Hairlem, heren Sijmon cureijt tot Heemskerc ende meester Jan Claeszoen als een notarius,
dat sij dezen brieff ende voirwairden voirspraken soo eeren getuige over mi gezegelen willen. Ende wij broeder Gherijt
van Scoten, commelduijer voirn[oem]t. heren Sijmon cureijt voirseijt ende meester Jan Claeszoen notarius voirscr[even]. om beede will
Reijner Pieterszoens voirn[oem]t. bebben desen brief over hem bezegelt mit onsen zegelen hier aen gehangen int jair ons
heren dusent vierhondert ende veertich op Sent Victoers dach.

Op de achterzijde:
op St. Victors dacht anno 1440 10 octob.
Gifte van de kercke tot Castricum
door hr. Jan van der Leck op Reijnier Pieterssoon.
Priesteren.

Gifte van de kercke tot Castrichem bij heer Jan van der Leck 1440.»
 (63).

Memorialen van het Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland, van den secretaris Jan Rosa.

«420. 1441 (1440) januari 15 (fol. 127)
Interlocutoire uitspraak, waarbij wordt beslist op kosten van partijen een onderzoek naar een recht van ettinge
 (64) in te stellen.
Roerende Gijsbrecht van Vyanen ende die van Heemskerck ende van Castrichem.
Up sulke ansprake ende antwoirde als voir den rade van Hollant upgedaen is tusschen Gijsbrecht van Vyanen ende den buyren van Heemskerck en Castrichem roerende van der etthinge van den duyn, is overdragen bij den heere van Bingincourt ende den anderen van den rade, dat men dairup een ondersoeck doen sal ten coste van den partijen tusschen dit ende Midvasten naistcomende [26 maart].
Gedaen upten XVsten dacht in januario anno XL secundum cursum curie Hollandiae bij den heere van Bingincourt. Dairbij waeren die heere van Wassenair, die heere van IJselstein, heer Aernt van Gendt, heer Geryt van Zijl, Willem van Naildwijc, Goidsalc Oom, Jan van der Mije en meer anderen.
 (65).

Egmonds intermezzo, 1375 

«184. Dirich, abt van Egmonde, oorkondt in leen te hebben gegeven aan Gherberie, vrouw van Heyn Busen, alle goederen, die heer Simon van Harlem, Willem van Harlem en Jan van Berghen achtereenvolgens in leen hadden, gelegen in Castrikem, Heemskerc en waar ook, met de bepaling dat Ghertruud vrouw van Claes Gruter een rente van 40 schellingen jaarlijks van de abdij "in rechten leen" zal hebben.
a. Opgenomen in de brief d.d. 1375 maart 17 (Reg.no. 469).
b. Afschrift (Inv.no. 1, fol, 43).

185. Dirch, abt van Egmond, verklaart een rente van 40 schellingen Holl. jaarlijks, gaande uit het land in Casterkem ten behoeve van Ghiertrude Claes Gruters' vrouw gevestigd te hebben, welke rente op haar oudste zoon of dochter vererven zal. Oorspr. (Inv.no. 383). Met het zegel van de abt.»
 (66)

5. Pastoors in Castricum

Dirk van Deelen gaf in 1973 een lijst van Castricumse pastoors, maar zonder bronnen. Van de volgende lijst, die wél bronnen geeft, zal hij gebruik hebben gemaakt :

«Castricum
1326. Dirck Gerritsz. van Noordwijk prochijpape [= parochiepriester]. Begr. E.K. [?] fol. 18.
1346. Godefridus presbyter in Castricum legateert aan Egmond. Necr[ologium]. Egm[ondensis]. R.-A. [= Rijksarchief]
1378. Pieter cureyt [= pastoor]. Cartul[arium]. Egm[ondensis].
1431. Dirck Gerritsz. Lise priester in St. Pancras sticht alhier eene vicarie. Regr. Jois [?] fol. 115. ve R.-A. [= Rijksarchief]
1494. Hr. Willem Jansz. pastoer, oudt 40 j[aar]. Inf. A. [= Door Inf. A. wordt het handschrift aangeduid dat ten stadarchieve van Rotterdam gerust. Zie over die bron het Voorbericht van Inf. B. vooral op blz. XVI.]
1514. Er was een pastoor doch niet vernoemd. Hij heeft 258 com. [?] Inf. B. [= Door deze verkorting wordt bedoeld : Informacie op den staet ende faculteijt ende gelegentheyt van de steden ende dorpen van Hollant ende Vrieslant..... gedaen in den jaere MDXIV. Uitgegeven door Prof. R. Fruin, A° 1866] bl. 31.»
 (67)

De bron voor 1346 zijnde :

Godefridus, presbyter in Castrichem, anno Domini m° ccc° xlvi, qui legat Contuenti x ß annuatim, et in die obitus sui x ß.» (68)

7. “Kronenburg”

Tot 1726 was er weinig aandacht voor Kronenburg; vervolgens komt het onderwerp plotseling erg in de belangstelling van Den weledelen grootachtbaren en gestrengen Heere, den Heere en Mr. Lieve Geelvinck, Heere van Castrikum, Kronenburg enz., Burgemeester en Raet der stad Amsterdam, mitsgaders bewinthebber der Oost-Indische Maetschappye ter Kamere aldaer, enz. enz., die zich met de door zijn grootvader gekochte welsprekende titel graag beroept op oude geschiedenissen.

Volgens niet-eigentijdse documenten zou in de tweede helft van de dertiende eeuw de vroegst bekende ambachtsheer van Castricum en Heemskerk Simon van Haerlem (overleden 1280) zijn geweest die in dezelfde periode tevens de bouwheer was van een gewoon “huis” (van een kasteel of militaire functie is nergens sprake).

Uit niets blijkt dat het op dezelfde plek stond als het veel latere Kronenburg dat in 1440 wordt vermeld) (69).

Het Castricumse huis zou zijn gebouwd in 1250-1280; meest waarschijnlijk is dan het dorp Castricum niet of weinig ouder.

Er is verondersteld dat dit huis (de pastoorswoning) tijdens de Hoekse- en Kabeljouwse twisten (1350-1428) zou zijn verwoest, maar er zijn geen documenten om dat te bevestigen. Daarna zou het herbouwd zijn, alweer enkel met woonfunctie; en de naam Cronenburg is in 1441 overgenomen van het kasteel met dezelfde naam te Loenen. Het was toen in leen van Willem van Cronenburg, wellicht bastaard-nazaat van Willem IV, graaf van Holland, en die ook het kasteel Cronenburg bij Loenen aan de Vecht in leen had.

Een opgegraven steen is immers door de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek gedateerd tussen 1400 en 1450 (70).

Kortom, er is nergens sprake van een kasteel met militaire functie, maar alleen van een stenen (woon-)huis met hofstede (tuin).

Samuel Ampzing (zie afbeelding rechts) meldt in 1628 :

«Oorlogs-geschiedenissen ten platten Lande om de Stad van Haerlem, in Kermerland ende Waterland.
Ondertusschen dat de Belegeringe der Stad Haerlem duerde, als mede haere veroveringen van den Spaenschen, sijn enige dingen alhier ten platten land in Kermerland, ende daer ontrent, voorgevallen, die ik niet ondienstig en achte by dese gelegenheyd in dit mijn werk mede te gedenken, ende te vervangen.
Ende eerstelijk heeft de Spaensche Ruyterije den 16. Januarius 1573. het Dorp van Uytgeeste wel ten halven afgebrand, ende ontrent zestig ofte zeventig huysluyden vermoord, ende doodgeslagen. Ook hebben sy de dorpen van Kastrekom, Limmen, ende Backum geplonderd, ende den armen huysluyden groot schade ende overlast gedaen.»

Niets over een verwoesting van Kronenburg in 1573, maar in 1628 is het huis wel geschonden :

«En lust dij hooger aen te sien de oude gronden
Dan ’t Huys te Kastrichom, so jammerlijk geschonden /
Na Kronenburg genaemd / so segt in dijn gemoed /
Niet itzer dat de tijd niet met der tijd verdoet»

In 1726 verzamelt Andries Schoemaker fantasietekeningen van de twee kastelen die achtereenvolgens te Castricum zouden hebben gestaan.

In 1728 meet Johannes Rollerius de fundamenten op. Rond 1730 is er plotseling meer bekend, en wordt voor het eerst uitgesproken dat Kronenburg in 1573 zou zijn verwoest. Dat verschijnt in het Zegenpralent Kennemerland, opgedragen aan Den weledelen grootachtbaren en gestrengen Heere, den Heere en Mr. Lieve Geelvinck, Heere van Castrikum, Kronenburg enz., Burgemeester en Raet der stad Amsterdam, mitsgaders bewinthebber der Oost-Indische Maetschappye ter Kamere aldaer, enz. enz..

«Een nette verbeelding van het overgebleven Muurwerk nevens de grontslagh der buiten-Muren en torens van het aloude en zeer edele huis te Kastrikum of Kronenburg, door mynen lantmeetkundigen vrint Johannes Rollerius uit last van den tegenwoordigen heere Bezitter in den voorledenen jare doen opgraven en gemeten, betekenende ronde kring by de syfferletter I geplaetst, den grontslagh van een ronde en zeer diepe put, welke met zant en puin gevult was, en is de geheele gront van deze heuvelachtige hoogte hier en daer met eenige heesters en kleine boomtjes begroeid, konnende geen ander merkteken van de graft, welke om het huis in vorige tyden gelopen heeft, ergens anders aen bespeurt worden als aen een lage delling ter zyde van het overgebleven muurwerk, met rietzoden en spieren, op de wyze van een moeras, beslagen, en by nat weder met water belopen. De driehoekige brokken van het overgebleven muurwerk aen het hangen van den heuvel zyn, ten aenzien van de twee grootste stukken, een gedeelte van een naer de buitenzyde halfronden en naer binnen toe ouderwetzen platten toren, en het derde en kleinste stuk een gedeelte van een vlakke buitenmuur van het Kastricummer huis, welkers oude gelegenheit en staet wy kortelyk, ten deele uit de oude brieven, door den Grootachtbaren heer bezitter ons gunstelyk medegedeelt, ten deele uit ’s lands jaerboeken en eige aentekeningen opgeven.
Het huis te Kastrichem of Castricum, als sommigen schryven, is door de oude Edelen van deezen name (doch ten welken jare heb ik nergens gevonden) gesticht, staende Meinard van Kastrikum reets voor den jare 1124 genoemt als de tienden zyner landen aen de Monniken van Egmont betalende : by verloop van tyt en ’t verdorren dier edele stamme is dit edele huis met de aenhorige leengoederen gekomen aen den tweeden stamme van Kronenburg, voortgesproten in Willem, Bastaertzone van graef Willem van Hollant, die in ’t jaer 1345 in den stryt voor Staveren in Vrieslant sneuvelde : deszelfs tweede zoon, Hendrik van Kronenburg, bezat dit huis te leen van Jan van der Lek, zynen zwager, dien hy in zekeren francynenbrief, gedagtekent des dingsdaghs namiddagh in den jaren 1440. (berustende onder den tegenwoordigen heere van Kastrikum en Kronenburg, en gesterkt met drie uithangende segeltjes in groenen wassche, geheel gaef en ongeschonden)
 (71) verzoekt ende bidt, dat aen zynen zone Willem van Kronenburg alzulke landen en huize, gelegen in Kastrikum, zoo groot en zoo klein, als hy die te leen hield van gemelden Jan van der Lek, te willen beleenen tot zulke rechten, als de brieven en hantvesten dat uitwezen. Gezegde Willem van Kronenburg, die beleeninge vervolgens verkregen hebbende, schynt dit huis te Kastrikum hernoemt te hebben naer zynen stamnaem Kronenburg; immers het komt ons eerst met die benaminge voor een jaer later in een diergelyken brief (ons edelmoedigh door den Edelen heere van Kastrikum medegedeelt) met twee uithangende segelen van groenen, en een van heer Willem van Kronenburg van geelen wassche, by welken brief gemelde heer Willem, heer Hendriks zoon van Kronenburg, verklaert verkocht en opgedragen te hebben aen Jan vander Lek, zynen neef, al zulke goederen, als hy van hem tot een leen ontfangen had, te weten de huisinge (staet er letterlyk) tot Castrichem, geheiten Cronenborch, mit alsulke leenguede dair toe horende. Waer op de heer Ampzing in zyne beschyvinge der stadt Haerlem bladzyde 83 gezien heeft, schryvende 
En lust dy hooger aen te sien de oude gronden
Van ’t huys te Kastrichem, so jammerlyk geschonden,
Na
Kronenburg genaemt, so segt in dyn gemoed,
Niets iszer dat de tyd niet met der tyd verdoet.
Door langkheit van tyt, binnelandsche beroerten en moetwilligheit der Spanjaerden in den jare 1573, gesleten en verwoest, is het zelve in zodanigen staet blyven leggen en is met de Ambachtsheerlikheit van Kastrikum vervolgens uit den Edelen geslachte van Heemskerk in dat van Assendelft, Renesse en Geelvink overgegaen.
 (72)

Hier vinden we voor de verandering eens Meinard als heer van Castricum, maar niet Bruno en ook niet Thiedricus.

In 1947 schreef de Beverwijkse burgervader H.J.J. Scholtens :

Het slot Kronenburg () lag omstreeks een kilometer oostelijk van en iets zuidelijker dan de Castricummer kerkbuurt, op de rand van de geestgrond. De afstand van dit kasteel tot het huis te Heemskerk was twee en een kwart kilometer en even groot als die van laatstgenoemde burcht naar de sloten van Haerlem en Assumburg. Het was waarschijnlijk gesticht in de tweede helft van de 13de eeuw, toen Rooms-Koning Willem II in dit gedeelte van Kennemerland een linie van versterkte kastelen wilde zien verrijzen. Hij is daarin krachtig bijgestaan door Simon van Haerlem, die Kronenhurg heeft doen bouwen.
Wel vindt men reeds vroeger melding gemaakt van Heer Bruin of Bruno van Castricum, die in 1118 ten tijde van Floris II met vele Hollandse edelen bij Schoorl door de West-Friezen was verslagen. Deze Bruno zou behoord hebben tot het oud-adellijk geslacht van die naam, dat reeds heel vroeg het slot Kronenburg zou hebben gesticht en bewoond. Wij bevinden ons hier echter in een periode der geschiedenis, omtrent welke betrouwbare bronnen bijna niet zijn bewaard. Zij bieden weinig of geen zekerheid, zodat men niet verder komt dan tot veronderstellingen, welke bezwaarlijk gestaafd kunnen worden door deugdelijke bewijzen.
Toen Willem van Haerlem's kleinzoon Jan van Bergen in 1321 zonder mannelijke nakomelingen was overleden, zijn al zijn leengoederen aan de grafelijkheid vervallen. Vijf jaren later, 23 December 1326, beschikte de graaf als volgt over het huis te Castricum. Hij gaf het “met de hofstede daer het op staet, dat Symon van Haerlem maken dede en Jans van Bergen was”, voor de duur van het leven ter bewoning aan de toenmalige pastoor van Castricum, “Heere Dieric Gherets sone van Nortich”. Nadat graaf Willem in 1327 de ambachtsheerlijkheden van Heemskerk en van Castricum aan de Polanen’s had verkocht, hebben deze ook weldra het slot Kronenburg verkregen. Catharina van der Lecke, de dochter van een hunner, werd in de echt verbonden met Hendrik van Kronenburg. In 1440 verwierf Willem van Kronenburg het goed in leen van Jan van der Lecke. In de desbetreffende acte verklaart Willem aan de genoemde Heer Van der Lecke verkocht en opgedragen te hebben de goederen, die hij van hem in leen ontvangen had, te weten “de huisinge tot Castrichem, geheiten Cronenborch mit alsulke leenguede dair toe horende”.
In de Spaanse oorlog is de oude burcht te niet gegaan. De bouwvallen waren op het einde van de 18de eeuw nog voor een klein deel aanwezig : een ronde puinheuvel en een laag muurwerk wan een oude toren. Hoe deze ruïne er tegen het midden van de 17 de eeuw uitzag, laat een tekening van Roghman zien. (afb. 26).»
 (73)
†) HVR, I, 238 [= Van Heusden en Van Rijn, Oudheden en Gestigten, moet zijn p.  383-384, zie rechts], ZK, I, 3-5 [= Zegepralent Kennemerland, zie boven], Tegenw. Staat, VIII, 238 [zie rechts]; BGVO, 4e reeks, I, 181 e.v. [bedoeld J. Craandijk, Proeve eener geschiedenis van het geslacht van Haarlem, p. 42-100]; BGBH, III, 140 [Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap, Deel 3, 1880, referentie klopt niet].

We zien dat H.J.J. Scholtens de Egmondse bronnen weliswaar weergeeft, maar er ook duidelijk afstand van neemt. Hij maakt geen melding van nieuwbouw in 1440. Zijn belangrijkste bron is het Zegepralent Kennemerland.

In 1973 schreef Dirk van Deelen :

‘Kronenburg’

In de late Middeleeuwen hadden diverse gebeurtenissen plaats op de vesting of burcht, die eeuwen lang ‘Kronenburg’ werd genoemd.
De naam van de oude vesting is evenals de naam van ons dorp, aan veel veranderingen onderhevig geweest. Soms heette deze ‘Cronenborgh’ dan weer ‘Cronenburg’, al of niet met een H er achter. Gemakshalve zullen we maar van ‘Kronenburg’ spreken.
Een oud rijmpje, voorkomende in een gesprek dat plaats vond tussen ene Weetlust en ene Waarmond, geeft ons enige bijzonderheden over het vroegere kasteel
 (a).
Als de twee reizigers, in het begin van de 18e eeuw, ook Castricum een bezoek brengen en ze dan, gezeten op een boerenwagen op de stille landweg tussen Castricum en Bakkum zijn gekomen, dan is het Weetlust die plotseling vraagt :
“Maar welk een dorp komt zich voor ’t oog ontdekken,
Ter rechterzij, langs deze hooischuur heen?”
Waarop Waarmond het antwoord geeft. Hij zegt :
“Dat is Backum, en daar wij zijn doorgereên
Is Castricum, alwaar men U kan toonen
Een kleenen romp die niemand kan bewoonen;
Dus heeft de tijd ook dit Kasteel geknot;
Wat is het nu? Een deerlijk overschot,
Hetgeen de krijg waarschijnlijk dus verplette”.
Het eens zo bekende en geliefde Slot was dus toen al een puinhoop, waar niemand meer in kon wonen.
Kronenburg was heel oud; soms heette het een Huis, dan weer een Kasteel. Het zou omstreeks het jaar 1200 in de Oosterbuurt gebouwd zijn. Wanneer we via de Breedeweg door de Oosterbuurt ons dorp uitgaan in de richting van Uitgeest, komen we op een nu tamelijk goed geasfalteerde weg, met nogal wat bochten er in. Net buiten het dorp gaat de rechterhelft in de richting van de vuilverbranding. Het is daar vrij hoog en het is ongeveer op deze plaats waar het domein van het vroegere ‘Kronenburg’ begint. Als we het kleine landweggetje linksaf in gaan, komen we bij de boerderij die heden ten dage nog ‘Kronenburg’ genoemd wordt. Vlak naast de boerderij moet het Slot gestaan hebben.
Van het kasteel is niets meer over, we weten niet eens precies hoe het ten onder is gegaan
 (b). Volgens sommigen zou het in 1573 door de Spaanse soldaten zijn verwoest. Dit kan heel goed waar zijn, omdat wel bekend is dat de soldaten toen ook het dorp Uitgeest hebben geplunderd. Ook Bakkum en Limmen hebben toen veel te lijden gehad van de benden plunderende soldaten.
In dat zeer woelige jaar is ‘Kronenburg’ ten onder gegaan. Waarschijnlijk was het kasteel nog wel te herstellen geweest, maar dat is niet gebeurd en zo was er na tal van jaren niets dan een puinhoop meer over.
In 1733 werd het nog als een aparte bezitting genoemd : De Heer Geelvinck o.a. was de heer van Castricum en Kronenburg.
Van het voormalige adellijke huis ‘Kronenburg in Kennemerland’, zoals het in van der Aa’s Aardrijkskundig woordenboek wordt genoemd
 (c), was in 1841 al niets meer te zien, alleen de vijvers en grachten om de landerijen, liggende, zoals het toen nog genoemd werd, in het voormalige Koekschuur. Lange tijd stonden er nog brokstukken van muren, met raamgaten er in. De puinheuvel was wel zes meter hoog, alles met onkruid overwoekerd. Vóór 1841 was alles opgeruimd.
Alle geschiedschrijvers, die Castricum even aantippen, beginnen direkt met een paar regels over het oude kasteel. In 1728 schreef men
 (d) :

“Het aloude en zeer edele huis te Kastrikum of Kronenburg als sommigen schrijven, is door de oude edelen van deze naame gesticht, staande Meinard van Castricum reets voor den jare 1124 genoemt als de tienden zijner landen aan de monniken van Egmont betalende. Bij verloop van tijd en ’t verdorren dier edele stamme is dit edele huis met de aanhorige leengoederen gekomen aen de tweeden stamme van Kronenburg voortgesproten in Willem, Bastaertszone van Graaf Willem van Hollandt die in ’t jaar 1345 in den strijt voor Staverden in Frieslant sneuvelde. Dezelve tweede zoon Hendrik van Kronenburg, bezat dit huis terleen van Jan van der Lek, zijnen zwager, dien hij in zekere francijnen brief gedaghteekent des Dingsdagh namiddagh in den jaere 1440 (berustende onder den tegenwoordigen Heere van Kastrikum en Kronenburg, en gesterkt met drie uithangende zegeltjes in groenen wassche, geheel gaaf en ongeschonden) verzoekt ende bidt, dat aen zijnen zone Willem van Kronenburg alzulke landen en huize, gelegen te Kastrikum, zoo groot en zoo klein als hij die ter leen hiel van gemelden Jan van der Lek, te willen beleenen tot zulke rechten, als de brieven en handvesten dat uitwezen”.

Uit het verloop van dit schrijven blijkt duidelijk dat “heer van Cronenborgh, verklaart verkocht te hebben aan Jan van der Lek, zijnen neef, alzulke goederen, als hij van hem ter leen ontvangen had, te weten de huizinge tot Castricum, geheiten Cronenborch, mit al zulke leengoede daer toe horende”.
Ook Ampsing, wanneer hij de ‘Stadt Haerlem’ beschrijft en dan afdwaalt naar Castricum, begint al rijmende zijn lof over ‘Kronenburg’ te verkondigen
 (e) :
“En lust dij hooger aen te sien de oude gronden,
van ’t Huys te Kastrichem, so jammerlijk geschonden,
Nu Kronenburg genaemt, so segt in dijn gemoed,
Niets iszer dat de tijt niet met der tijt verdoet”.
 (f)
“Door langkheit van tiit en binnenlandsche beroerten en moetwilligheit der Spanjaarden in den jare 1573 gesleten en verwoest, is het zelve in zodanigen staet blijven leggen en is met de Ambachtsheerlijkheit van Kastrikurn vervolgens uit den Edelen geslachte van Heemskerk in dat van Assendelft, Renesse en Geelvinck overgegaan”.

Sommige Heren van Castricum hebben dus op ‘Kronenburg’ gewoond
 (g) en alhoewel het Huis buiten de dorpskern lag, was het toch ten nauwste daarmee verbonden. De Heer, die door aankoop vele belastingen en rechten had verworven, had ook bepaald dat de Pachtgerst, zo ze in natura werd gegeven, op ‘Kronenburg’ gebracht moest worden. Over deze belasting lezen we het volgende (h) :

“De ingezetenen van Kastrikum moeten elck naer hunne gegoetheit ’s jaarlijk aen den Heer opbrengen in ’t geheel ses en negentigh sakken kaam, welk koorn op Kronenburg moet worden gebracht, of anders in gereede gelden worden betaelt tegen dien prijs van ieder sak so als dezelve omtrent Paeschen is geldende, welke prijs door oude en nieuwe Schepenen t’elken jaere op Paeschmaendagh wordt vastgesteld, wordende hetzelve door Schepenen van die geenen, die in gelt en niet met koorn, betalen, vergadert, hetwelk Pachtgarstgaren genoemt wordt”.

Tot slot nog een beschouwing over ‘Kronenburg’ uit onze tijd
 (i).
“Tot in de late middeleeuwen genoot Castricum mede bekendheid door de aanwezigheid van het slot ‘Kronenburg’. Over de stichting van het Kasteel zijn twee lezingen bekend. Volgens de ene zou het geslacht Bruin
 (j) het slot gesticht hebben om in te wonen. Dit zou dan al voor het jaar 1118 zijn geweest. De andere lezing is, dat het slot gebouwd is door de eerste ons bekende Ambachtsheer van Castricum, Simon van Haerlem. Dit zou geweest zijn in de tweede helft van de 13e eeuw, toen de Roomse Koning Willem II in Kennemerland een linie van versterkte Kastelen wilde zien verrijzen. De Koning werd hierin krachtig bijgestaan door Simon van Haerlem, die ook ‘Kronenburg’ had doen bouwen.”

In 1664 verkocht Anna de Renesse de bezittingen van ‘Kronenburg’ aan de heer Geelvinck voor rond 25000 gulden
 (k). Wanneer op 15 Jan. 1691 een provisionele scheiding van goederen wordt opgemaakt betreffende de nagelaten bezittingen van de Heer Corn. Geelvinck, waarbij zijn weduwe Vrouwe Margaretha Bicker van Swieten en Mr. Joan Geelvinck betrokken zijn, schrijft de notaris Pieter Schriek over ‘Kronenburg’ het volgende (l) :

“De vervallen huisingen en Hofstad genaemt ‘Kronenburgh’ met de landen daerbij behoorende. Oock alle beesten als paerden, koeyen, vaersen, pineken enz., oock alle het bouwgereedschap, huisraed, inboedel enz. alles wat op de voors. Hofstad gevonden soude mogen worden”. In de akte wordt verder nog melding gemaakt van ene Cornelis Meindersz. die op ‘Kronenburgh’ had “gezeet” en achterstallige landhuur had achter gelaten, waardoor hij zijn nog achtergebleven inboedel had verbeurd.

Op de plaats waar eens het kasteel stond is nu de hoeve ‘Kronenburg’, een gewone Noord-Hollandse boerderij, gelegen in de ruimte, temidden van de nooit rustende westenwinden. Alleen de gewelven onder de woonvertrekken, op de kelders gelegen, doen ons denken aan bouwsels van vroeger tijden. Zij zouden nog stille getuigen kunnen zijn, van veel oudere bouwsels. Ze doen denken aan lang vervlogen grootheid. De bogen zijn sierlijk en er zijn steunberen in aangebracht. Aan de ene kant is het gewelf vervangen door een houten betimmering.
‘Kronenburg’ is niet meer. Met recht is het nu vergane grootheid. Eens was daar een eldorado, een lusthof met zijn diep uitgegraven vijvers, temidden van de diep het land in liggende lage landduinen, ingestoven en doorlopende tot halverwege Akersloot. Thans graast het zwartbonte vee van de familie Molenaar op de plaats waar eens de ridderstoeten uitreden en veel bekijks hadden bij de eenvoudige ingezetenen van het landelijke dorpje. Alleen de naam van de tegenwoordige boerderij, en een eerste steen die in het jaar 1814 gelegd werd door de elf jarige Hendrik Hovy Lodsz., herinnert nog aan dit eens zo machtige Huis.

EEN ONDERAARDSE GANG

Wat die vrij grote kelders in de boerderij ‘Kronenburg’ betreft, is wel eens verondersteld dat ze middels een onderaardse gang, in verbinding zijn geweest met het iets oostelijker gelegen “Kasteel”. In geval van nood was er een gang waardoor er gelegenheid was, om van het kasteel naar de boerderijkelders te ontsnappen.
Daar er tussen de plaats waar waarschijnlijk vroeger het kasteel gestaan heeft en de tegenwoordige boerderij, een brede sloot is, zal de gang onder de sloot gezocht moeten worden.
 (74)
Aantekeningen bij Van Deelen :

a. Claas Bruins, Noordhollandse Arkadia, 1732, zie rechts.

b. Blijkbaar twijfelt Dirk van Deelen ook.

c. Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden / Bijeengebracht door A.J. van der Aa, onder medewerking van eenige Vaderlandsche Geleerden. – Gorichem : Jacobus Noorduyn, 1846-.

d. Mattheus Brouërius van Nidek R.G., Het zegenpralent Kennemerlant, ca. 1730, zie boven.

e. Samuel Ampzing en Petri Scriverii, Beschryvinge ende lof der stad Haerlem in Holland, 1628, zie boven en rechts.

f. Idem.

g. Dit is onwaarschijnlijk het geval.

h. Bron ?

i. Bron ?

j. “Heer Bruin” wordt hier een “geslacht Bruin”; de vergisssing komt waarschijnlijk uit H.J.J. Scholtens, die schreef : “Deze Bruno zou behoord hebben tot het oud-adellijk geslacht van die naam”, dat wil zeggen een geslacht van Castricum en niet van Bruno.

k. Bron ?

l. Bron ?

8. Andere mogelijkheden

De rest is raadwerk, en kan alleen worden bevestigd of weerlegd door verder onderzoek.

Als Castricum inderdaad een gallo-romeinse naam is, dan moet die van elders zijn ingevoerd. Mogelijk is het dat er een Romeinse legerplaats was bij Questrecques in de Pas-de-Calais, en dat de oude naam Castreca van die plaats eeuwen later als Castreca-hem in Kennemerland is verdubbeld.

Maar er is nog een andere mogelijkheid. Bij het verdrag van Verdun in 842 wordt Castricium of Castritium als streek genoemd, dat wil zeggen het land van Castrice, wat merkwaardigerwijze nooit voor Castricum is opgeëist; wat maar goed is ook want het duidt op het land van Mézières.

Van het Verdrag van Verdun weten we weinig meer dan wat daarover in de Annales Bertiniani uit St.-Omaars werd beweerd : Karel (de Kale) begaf zich voor een bijeenkomst met zijn broeders naar Verdun. Hier verkreeg Lodewijk (de Duitser) alles aan de overzijde van de Rijn, waaronder de steden en gouwen van Speier, Worms en Mainz, Lotharius kreeg het land tussen de Rijn en de Schelde tot aan hun monding en ook het land rond Kamerijk (Frans Cambrai), de Henegouwen, en het gebied van Lomensië (tussen de Maas en de Sambre) en Castrice (ten zuiden daarvan), en de graafschappen links van de Maas en verder tot de uitstroom van de Saône in de Rhone, en langs de Rhone tot aan de zee de graafschappen aan beide zijden. Afgezien van deze grenzen behield hij alleen Atrecht (Frans Arras). De rest tot aan Spanje viel Karel toe. En nadat zij wederzijds eden hadden gezworen gingen zij weer uit elkaar.

Castricium
De naam Castrice wordt al heel vroeg vermeld, zo vinden we bijvoorbeeld bij Cicero :
«Erat ei Castriciano nomine irata, de quo toto respondit Hortensius; invita solverat Castricio pecuniam iam diu debitam.»;
bij Suetonius :
«Unum omnino e reorum numero ac ne eum quidem nisi precibus eripuit, exorato coram iudicibus accusatore, Castricium, per quem de coniuratione Murenae cognoverat.»;
en in boek XI van de Avli Gelli Noctes Atticae :
«Apud Titum Castricium, disciplinae rhetoricae doctorem, gravi atque firmo iudicio virum, legebatur oratio C. Gracchi in P. Popilium.».
Castrice is ook te vinden in de epigrammen van Martialis (Liber VII).
In de Annales Bertiniani wordt Castritium vermeld op het jaar 843.

Dat Castrice is het huidige Montcy St Pierre in de gemeente Charleville-Mézière in de Ardennen op de Maasover aan de Frans-Belgische grens. Het begon als gallo-romaanse villa die in de vijfde eeuw werd vernietigd maar het vormde in de achtste eeuw een graafschap.

Als persoonsnaam vinden we Castricum ook terug in een epigram uit 1595 van Thomae Campiani (Thomas Campion, Engels arts, dichter en musicus, 1567-1620) :
Ad Castricum
Acceptum pro me perhibes te, Castrice, ludis
admissum; pro te captus at eiicior:
esse mei similem non est tibi causa dolendi,
sed me tam similem poenitet esse tui.
Proeve van vertaling :
Op Castricius
Castricius, je verspreidt het gerucht dat je mocht deelnemen aan de spelen
in mijn plaats; en dat ik in jouw plaats werd opgepakt en er uit gegooid;
je mag niet klagen dat je op mij lijkt,
maar mij spijt het dat ik op jou lijk.

9. Castricum in 1494

Volgens klacht van pastoor, schout, een schepen en twee bejaarde inwoners was de bevolking van Castricum tussen 1477 en 1494 teruggelopen van 60 tot 50 huishoudens; het waren vooral degenen met de meeste middelen die vertrokken waren naar de stad of elders. Ter vergelijking : in Limmen wordt er iets minder geklaagd; het aantal huishoudens was er van 100  teruggelopen naar 95.

«CASTRICUM.
Upten voorsz. dach zoe hebben wij Commissarissen voor ons geroupen ende gedachvaert Heere Willem Jansz, pastoor, oudt 40 jaer, Jan Claesz, schoudt, oudt 30 jaer, Pieter Willemsz, schepen, oudt 35 jaer, Gherrit Claesz, oudt 70 jaer, ende Dirrick Dircxsz, oudt 76 jaer, buyrluyden aldaer; geinterrogeert up den inhouden van de voorsz. Instructie,
Eerst angaende die haertsteden zeggen, by heuren eede, hemluyden hoochelycken ghestaeft, dat by tijden den Hertoge Karel [Karel de Stoute (1433–1477)] offlijvich gheworden was, zij binnen haren dorpe hadden omtrent 60 haertsteden die bewoont waren, ende en hebben alsnu niet mer dan 50 haertsteden die bewoont zijn, onder dewelcke datter zijn 4 of 5 haertsteden daer die luyden off om broot gaen.
Item angaende die neringhe zegghen, dat zij hem generen met lantelinghe ende een weynich koeyen te houden, zonder hooger of beter neringhe te hebben; ende dat dezelve neringhe nutertijt snooder ende minder es dan zij was ten tijden van den overlijden van Hertoge Karel; zeggen oock, dat zij nutertijt armer zijn dan zij waren ten tijden van den overlijden Hertoge Karel. Alle twelck toegecommen es overmidts dat heure koeyen by de natte jaren gestorven zijn, ooc metten grooten dieren tijt, schattinghe overmidts der oirlogen die geweest zijn, ende omme dat die rijcxten van heuren dorpe, om te schouwen die voorsz. schattinghe, van daen metter woonen ghetogen zijn in den steden ende andere plecken.
Item angaende den staet van heuren faculteyt int generael zeggen, dat zij upten dach van huyden in den voorsz. dorpen 10½ schotponden, elck schotpondt tot vierhondert R. gl. gherekendt, ende, als zij van heuren ouders verstaen hebben, plagen te hebben by tijden Hertoge Karel 32 schotponden, maer tot wat prijse als dat voorsz. schotpondt gherekent was en weten zij niet tzeggen. Voort, dat zedert de doot van Hertoge Karel, omme die lasten van der oorlogen, dieren tijt ende andere voornomt te vervallen, vercocht zijn geweest up heuren voorsz. dorpe 82 R. gl., daerof die 77 zijr erfflosrenten ende die ander 5 lijfrenten.»
 (75).

10. Castricum in 1514

Volgens klacht van schout, een schepen en twee inwoners zijn er 58 gezinnen (haardsteden), waarvan er achttien armlastig waren (76), kortom, er viel nog steeds niet veel te halen. Let wel : kort erna (1519) zou de Castricumse kerktoren met de kerk zijn verbonden.

«CASTRICOM.
Jan Claeszoon schout, oudt 50 jaeren, Pieter Willemszoon, oudt 55 jaer, scepen, Claes Mey, oudt 33 jaer, ende Aelbert Janszoon, oudt 40 jaer, buyrluyden van Castricom, gevraecht up tinhouden van der voors. iustructie, seggen by eede tgueudt dat hier naer volcht. Ende eerst,
Up Ie ar.le seggen datter zijn 58 haertsteden, daerof datter zijn 18 daer arme luyden inne wonen ende niet geven en mogen, zoe datter maer 40 en zijn, die mit hemluydeu gelden ende contribueren, ende zijn de naeste 10 jaeren gebleven in eeuen state.
Up IIe ar.le certifficeert de pastoer onder zijn hanteycken, overmits dat hy niet commen en mochte mits zijn ziecte, datter zijn 250 commuuicanten.
Up IIIe’ ar.le seggen dat zy geenrehande exchijsen en geven, maer zijn belast mit renten, te wetene 24 Rh. gl. tsjaers lijfrenten staende up drie lijven, vercoft int oorloge van Utrecht; noch 24 Rh. gl. tsjaers losrenten ter losse den penninck 17 oft 18, vercoft in den jare 1507, ende zijn de penninghen daervan gecommen geemployeert tot mijns genadichs heeren beden ende andere lasten van den dorpe. Zijn noch jaerlicx mijnen genadigen heeren schuldich van schot 12 Rh. gl. ende 6 hoet gaersten.
Up IVe ar.le seggen dat zy mijns genadichs heeren beden ende andere ongelden gaderen upte schotponden, doende elck schotpondt 400 Rh. gl., ende hebben in als 10½ schotponden, ende zijn gewoenlic te verponden alle scrickeljaers, ende als zy lest verponden, hadden zy 10 of 9½ schotponden.
Up Ve ar.le seggen dat zy hem generen mit bouwerye, spitten eude delven. Ende den ban van Castricom es groot 1017 mergen, daerof datter wel 17 verstoeven es van den duynen; daervan in den dorpe eyghen thuys behoert 122 mergen, ende int surplus hebben die cloosters 203 mergen; ende tandere behoert toe diversche waerlicke persoonen; daervan gebruyct wort binnen den voors[egde]. dorpe, boven haer vrij eygen laut, 700 mergen, ende all tandere wert gebruyct by andere waerlicke persoenen, zonder datter yet van der geestelickheyt inne gebruyct wert. Ende een mergen lants aldaer, deen deur tandere, es geestimeert up 50 Rh. gl. ende 2½ Rh. gl. te huyere.
Up VIe ar.le seggen dattet voors[egde]. lant onderhouden moet aen Sinte Aechtendijck 175 roeden, noch aen den zantdijck, van sluysgelt, watergangen mittet honsbosch, twelck jaerlicx upte mergen bedraecht, deur gemeene jaeren, 6 st.
Ende daerenboven zoe werden zy zeer bestoven van den duynen, ende hebben wel 630 roeden, elcke roede 18 voeten lanck, duynen die zy beplanten moeten mit helm; ende indien zy die besteden zouden te poten, tzoude hem alls jaers wel costen 60 Rh. gl.»
 (77).

11. Castricum in 1519

In 1519 wordt pastoor Willem Dircksz in de toren van de kerk begraven en in hetzelfde jaar worden kerk en toren aan elkaar verbonden, getuige een jaartal dat in de noord-westelijke steunbeer werd gebeiteld.

Eerder is ook 1219 gelezen, wat zou wijzen op het bouwjaar van de kerk. Maar dat houdt geen stand omdat de verbinding niet vóór de vijftiende eeuw kan zijn gemaakt; eerder bestond de toren namelijk niet (78).

Daarover lezen we :

«Over geschreven bronnen betreffende het bouwjaar van het oudste gedeelte van de kerk kunnen wij helaas (nog?) niet beschikken. Verschillende schrijvers veronderstellen dat het bouwjaar van de kerk 1219 is, welk jaartal in een steen in een buitenmuur zou zijn vermeld. Claes Bruin zegt in het boek Noordhollandse Arkadia (1732): “Van buiten op een steen staat het jaartal 1219, waarschijnlijk dat van de bouwtijd”. In 1796 stelt L. van Ollefen in De Nederlandse Stad- en Dorpsbeschrijver : “Voor dezelven staat het jaartal 1219, waarschijnlijk dat van den bouwtijd”. En tenslotte in het Aardrijkskundig Woordenboek van A.J. van der Aa (1841): “uit het jaartal 1219 hetwelk ervoor staat, meent men op te maken,dat dit de tijd der bebouwing aanduidt”.
Het is zeer verleidelijk om het jaar 1219 ook maar aan te nemen als het bouwjaar van de kerk, vooral omdat zij dan dit jaar 750 jaar oud is !
Het zou evenwel een te wankele basis zijn voor een dergelijk belangrijk gegeven. Helaas kunnen we de betreffende steen ondanks vele naspeuringen niet eens meer vinden. Men heeft wel verondersteld dat het jaartal 1219 in de meest noord-westelijk steunbeer is uitgehouwen, doch voorzover thans nog is na te gaan, is daarin 1520 vermeld, hetgeen kan slaan op een uitbreiding welke hierna aan de orde komt.
Samenvattend zullen wij het dus wat de geschreven bronnen betreft eens moeten zijn met Abraham Rademaker zijn boek Nederlandsche Outheden en Gezigten, (1725): “De kerk van Kastrikum, waer van de outheid onbekent is.......”»
 (79)

Het jaartal werd in 1941 gelezen als 1519 en de inscriptie werd in 1947 gefotograveerd, zie afbeeldingen rechts.

12. Pastoor Voets maakt er in 1976 een potje van ...

Voorafgaand aan een tentoonstelling in de Castricumse Sint-Pancratiuskerk in 1976 waar het Rijke Roomse Leven (vooral twintigste eeuwse vaandels en kazuifels, maar ook een montrans uit 1656) breed werd uitgemeten liet de Castricumse pastoor Bertus Voets in “De Kennemer” – een gratis huis-aan-huis blad dat altijd “verwoed” op zoek was naar locaal nieuws om de ruimte tussen de reclames op te vullen, zie afbeelding rechts – een artikel verschijnen met veel oudere Castricumse aanspraken : in het jaar 775 (toen die jaartelling nog niet eens in gebruik was) zou er in het Echternach van Willibrord (op honderden kilometer afstand) al sprake zijn geweest van Pancratiusrelieken te Castricum. Wat de pastoor bewoog is moeilijk achterhaalbaar, net zo min als waar hij het vandaan haalde, maar zijn beweringen zijn opmerkelijk (80).

«Kerk bestond al in achtste eeuw

Belangrijke historische ontdekking in Castricum


CASTRICUM – Pastoor L. Voets, naast zieleherder van de Katholieke Pancratius-parochie ook een verwoed navorser van de historie, heeft een belangrijke geschiedkundige vondst voor de gemeente Castricum gedaan. Hij heeft het bestaan ontdekt van een document, dat het bewijs levert, dat er reeds in het jaar 775 op de plaats van de tegenwoordige Nederlands Hervormde Kerk, welke vroeger de Pancratiuskerk heette, een houten kerkgebouw moet hebben gestaan.»

Aldus de sensationele inleiding. Dan vervolgt het artikel :

«Tot op heden werd aangenomen, dat deze houten kerk er pas in de tiende eeuw gekomen is. Het document, dat het bewijs levert, dat al drie eeuwen eerder met de bouw van deze kerk begonnen werd, dan algemeen werd aangenomen, bevindt zich in een klooster te Echternach. Hoewel pastoor Voets van het bestaan van dit document alles afweet, heeft hij het nog niet zelf onder ogen gehad, laat staan gefotografeerd. Hij is na een ongeval nog steeds zo slecht er been, dat hem het reizen nog te zwaar valt, ook al zou hij bij wijze van spreken vandaag zijn koffers al willen pakken.
Het document waar het om gaat is een “cartularium”, en soort kerkelijke feestdagen-kalender, waarin de volgende aantekening staat : “12 Dec. 775 Castricummi translatio santi Pankratii”, wat betekent, dat op 12 december van het jaar 775 een overblijfsel van de Heilige Pancratius werd overgebracht naar Castricum. Dit moet inhouden, dat dit relikwie in en kerkje terecht kwam, dat gebouwd werd op de terp, waar thans de kerk van de Nederlands Hervormde gemeente staat.
Behalve dat uit dit document het veel vroegere ontstaan van de Pancratiuskerk in Castricum blijkt komt in dit stuk ook de naam Castricum voor. De tot nu toe oudst bekende vermelding van deze plaatsnaam, kwam voor in een schenkingsakte van twee boerenhoeven aan de abdij van Egmond. Deze akte stamt uit het jaar 933.

Kerkgeschiedenis

Pastoor Voets is al sinds hij op het Groot Semenarie met kerkgeschiedenis te maken kreeg, in de ban geraakt van alles wat zich in vroeger tijden afspeelde.
Het is dan ook zijn grote hobby in allerlei archieven te duiken en oudere kerkboeken na te snuffelen. Hij heeft in de loop der jaren zijn sporen in de geschiedenis verdiend, en heeft zich een grote vriendenkring opgebouwd, die zich ook met de historie bezighoudt, al dan niet professioneel. Via één van die relaties is hij op het spoor gekomen van het bewuste document, dat in Castricum veel stof zal doen opwaaien.
Het is daar terechtgekomen toen aartsbisschop [Willibrord] zijn nalatenschap aan het door hem gestichte klooster in Echternach vermaakte.
Deze uit Angelsaksen afkomstige Benediktijner monnik was naar Holland gekomen om, naast het leren van landbouwmethodes, het christelijke geloof te verbreiden. Door hem werden verschillende kerken gesticht. Twee maal is Willibrordus naar Rome gereisd en bracht daarvandaan een aantal relikwieën van Pancratius, een heilig verklaard Romeins soldaat mee terug. De door Willibrordus gestichte kerken ontvingen een dergelijke relikwie. Nog steeds herinneren een aantal kerken, die de naam van deze heilige dragen, aan die tijd. Ook Castricum, dat toen uit zo’n twintig huizen moeten hebben bestaan, ontving een relikwie. De kerken door Willibrordus gesticht, plus een aantal subkerken, behoorden tot de erfenis die deze monnik behoorden aan het klooster in Echternach naliet. De bijbehorende documenten zijn daar toen terechtgekomen. Tegen het eind van de tiende eeuw onder het bewind van Dirk II heeft het klooster van Egmond de erfenis van Willibrord overgenomen. Zo kreeg Egmond toen de beschikking over alle kerken hier in de omtrek, met revenuen daarvan, waaronder de kerk van Castricum ook behoorde. Alleen de Heemskerkers waren met deze regeling niet gelukkig, zij sloten zich aan bij de ridders van St. Jan in Haarlem. De naam Jansheeren stamt nog uit die tijd.

Ontdekking

Bij de overdracht van de erfenis aan het Egmondse klooster zijn er echter documenten in het klooster van Echternach achtergebleven. En daar bevind zich nu volgens pastoor Voets, ook de kerkelijke kalender, waarop de uitreiking van het relikwie van Pancratius aan de gemeente Castricum staat aangetekend.
Door deze ontdekking zouden wel eens verschillende meningen van deskundige herzien moeten worden.
Dat indertijd het kerkgebouw op een terp gebouwd werd valt nog duidelijk te zien op een pentekening uit de zeventiende eeuw die nog steeds in de pastorie hangt.
Natuurlijk is er in de loop der eeuwen veel veranderd aan dit voor Noord-Holland toch unieke bouwwerk. Bij de laatste restauratie in de jaren 1953 tot 1955 zijn echter opgravingen gedaan, waaruit men de vorm van de oorspronkelijke houten kerk heeft kunnen nagaan.»

In de jaarboekjes Oud-Castricum, die twee jaar later begonnen te verschijnen, is wel gespeculeerd over een oudere oorsprong van Castricum, maar de beweringen van de pastoor zijn daarin nooit overgenomen, zelfs niet door ir. J. Kol.

Zolang er niets in het Echternachse wordt gevonden dat er op lijkt kan moeilijk een andere conclusie worden getrokken dan dat de Castricumse pastoor – lid van verdienste van het Historisch Genootschap Oud West-Friesland – het hele verhaal kreeg aangeleverd van een grappende anonieme kennis, die derhalve de schuld krijgt, hoewel de pastoor het toch maar “zijn belangrijke geschiedkundige vondst” noemt, wat doet vermoeden dat de pastoor het juist níet van een kennis had. Van een latere reis van de pastoor naar Echternach is niets bekend; hij overleed 26 jaar later en heeft dus alle tijd daarvoor gehad; van 1976 tot 1988 was hij bovendien archivaris van het bisschoppelijk archief te Haarlem waardoor hij zelfs zonder reis gemakkelijk een afbeelding van het document uit Echternach had kunnen opvragen. Maar er is niets bekend van ongepubliceerde Echternachse manuscripten zodat de tekst ook gewoon in grotere bibliotheken vindbaar zou moeten zijn. In 1976 is de pastoor niet ter verantwoording geroepen en nu kunnen we het hem niet meer vragen.

Er is geen Echternachs cartularium bekend, wél een liber aureus (81) waarin het gegeven ontbreekt; nu is het ook mogelijk dat de anonieme kennis van de pastoor of de pastoor zelf het niet-Echternachse Cartularium van Radboud (82) in gedachten had, maar ook daarin staat niets dat er zelfs maar op lijkt. In beiden ontbreken Pancratius en Castricum geheel. De pastoor had ook kunnen weten dat een cartularium helemaal geen feestdagen-kalender is maar een middeleeuws register waarin akten en oorkonden – al dan niet vervalst – werden afgeschrevenen, en naar een Echternachse feestdagenkalender (waarschijnlijk bedoeld : heiligenkalender) kunnen we heel lang zonder enig gevolg zoeken.

Het Egmondse klooster heeft geen niet-bestaande Kennemerse erfenis van Willibrord overgenomen en daarover kan dan ook geen documentatie bestaan; Pancratius werd in de Nederlanden pas bekend ná het jaar 896; van een veronderstelde oudere houten Castricumse kerk is bij de verbouwing van 1953-1955 zelfs geen paalgat teruggevonden, de grond van de kerk ligt weinig hoger dan de omgeving maar dat het om een kunstmatig opgeworpen terp zou gaan is niet ter sprake geweest; uit 933 is er bovendien geen enkel document bekend dat op Castricum betrekking heeft, maar wellicht is het de journalist die dat allemaal verkeerd uit de mond van de pastoor heeft opgetekend; maar goed, er is ook niets bekend over twee reizen van Willibrord naar Rome, noch over nieuwe landbouwtechnieken die deze verspreid zou hebben, wat toch moeilijk door de journalist kan zijn bedacht; de Latijnse spelling en vervoegingen zijn niet oorspronkelijk achtste eeuws en in ‘Castricummi’ staat net een ‘m’ teveel om behoorlijk Echternachs Latijn te zijn.

Pastoor Voets was geen historicus (die de bron zou hebben gegeven en gecontroleerd alvorens het in de openbaarheid te brengen) maar een enigszins verstrooide verhaaltjes-verteller die zich weinig aan de bronnen liet gelegen en bovendien een ruime verbeelding had.


Noten

1. Volgens de veronderstelling van Hans van Weenen die hier gevolgd wordt; een steen is gedateerd op de eerste helft van de vijftiende eeuw. Meest waarschijnlijk is het huis niet afgebouwd en ook nooit bewoond geweest, zie : Castricumse heerlijke rechten.

2. De onderkant van Castricum / Ernst Mooij. – In : Op zoek naar Castricum’s verleden. – Castricum : Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 1992. – p. 23.

3. ‘Castor’ is Grieks voor bever; het laatste deel lijkt niet eens op Grieks. Zie : De gemeente Castricum en haar raadhuizen / N.A. Kaan. – In : Oud-Castricum, 5e jaarboekje, 1982.

4. Stad- en dorpbeschrijver van Kennemerland / L. van Ollefen. – heruitgave. – Zaltbommel : Europese Bibliotheek, 1976. – 366 p. – (Zaltbommelse herdrukken). – Oorspronkelijke uitgave 1796. Bij benadering geciteerd in : Historie van Castricum en Bakkum / D. van Deelen. – Schoorl : Uitgeverij Pirola, 1973. – 202 p. – p. 11.

5. De Zaanlants Arkadia / H. Zoeteboom. - Amsterdam, 1658. Aangehaald naar : Noordhollandse plaatsnamen (Karsten), t.a.p., p. 9.

6. Woordenboek Latijn/Nederlands / prof. dr. Harm Pinkster. – Tweede herziene druk. – Amsterdam  Amsterdam University Press, 2003. – p. 141.

7. Noordhollandse plaatsnamen (Karsten), t.a.p., p. 45-46.

8. Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (De Vries), t.a.p., p. 41.

8. Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200 (Künzel et al.), t.a.p., p. 202.

10. Een vraag is waaraan die monniken de namen Meinhard, Thiedricus en Bruno ontleend hebben; ze hebben die vast niet verzonnen; het gaat om oud-Saksische mansnamen, zie  Grammatik altsächsischer Eigennamen: in westfälischen Urkunden des neunten bis elften Jahrhunderts / Hermann Althof. – Ferdinand Schöningh, 1879. – 92 p.

11. In 2001 vermeldt Antheun Janse alleen Bruno; deze zou volgens de Egmondse bron zijn gesneuveld in een gevecht met West-Friezen, zie : Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late Middeleeuwen / Antheun Janse. – Hilversum : Verloren, 2001. – 514 p. – (Adelsgeschiedenis ; 1). – p. 31. Bruno is de enige van de drie met een kleine kans op historiciteit; tenminste, als de tekst waarin hij voorkomt (‘Hand F’) inderdaad een autograaf is uit ongeveer 1180 of zelfs nog wat eerder (volgens J.P. Gumbert, die de neiging heeft de jaartallen tot op het volslagen ongeloofwaardige naar het verleden op te rekken); maar Otto Opperman dateert de tekst op rond 1215, 42 jaar ná de feiten. Meinard van Casterkem en Thiedricus van Castrickem komen voor in het Liber S. Adelberti, dat zou zijn samengesteld in 1206-1226, maar waarvan we alleen een vijftiende eeuwse kopie of bewerking hebben (Fontes Egmundenses, t.a.p., p. 78).

12. De (mogelijke) betekenis van alle Noordhollandse plaatsnamen van Aagtdorp tot Zwanenburg (Pannekeet), t.a.p., p. 53.

13. Zie : Adelbert van Egmond.

14. Nederlandse plaatsnamen (Van Berkel en Samplonius), t.a.p., p. 10.

15. Wikipedia, lemma Castricum.

16. Een dergelijke naam ontbreekt in de databank van voornamen van het Meertens-Instituut; zie : Nederlandse Voornamen Databank.

17. Veel leuker is de volksetymologie : «In het duin woonden de Canninefaten, waarvan de zeden en gewoonten nog niet erg verfijnd waren, en die zo heetten omdat het konijnenvangers waren. Ze hadden O-benen, en als een konijn tussen hun benen door sprong sloegen ze snel hun knieën tegen elkaar. Op zekere dag riep een Canninefaat, toen hij een konijn zag, naar zijn vrouw Ka : ‘Ka, strik hem’, en ze sloeg haar knieën tegen elkaar. Even verder riep hij : ‘Bak hem !’». Dit werd in 1967 onderwezen aan de St.-Augustinus lagere school te Castricum. Een mooie variant die ook ouder kan zijn, werd ingestuurd door Peter van Kessel op Je bent Castricummer als..., 30 oktober 2014, « Ongeveer in het jaar 640, leefde in deze omgeving Kas en Marietje, alles uit de natuur wat eetbaar was, aten zij. Op een dag liepen zij in het bos en zagen een konijn, Marietje riep : Kas strik um ! Hij ving het konijn, gooide die naar Marietje met de woorden : Bakkem. Zo is de naam van deze dorpen ontstaan... » (Vader Piet... als er een sterke verhalen kon vertellen was hij dat).

18. De parochiekerk Sint Pancratius tot aan de reformatie / ir. J. Kol. –  : Oud-Castricum, 15de Jaarboekje, 1992. – p. 4-16. – p. 4. De rest van het artikel is interessant.

19. De herkomst van de naam Castricum / Simon Zuurbier – In : Oud-Castricum. 23ste Jaarboekje, 2000. – p. 15.
Bronnen : «Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl 1973. Hof, J., De abdij van Egmond van de aanvang tot 1573, Hollandse Studiën 5, ’s-Gravenhage-Haarlem 1973. Koning, Jan de, De naam Castricum en zijn vroegste geschiedenis, werkstuk studie Middeleeuwse archeologie, 1988. Kramer, M., Heeft te Castricum een Romeinsch Kasteel gestaan?, Noord-Hollandsch Dagblad, 10 juni 1926. Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200, Amsterdam 1988. Ollefen, L. van, De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, dl IV, Kennemerland, Amsterdam 1796. Steeman, W., Oorsprong van gemeentenaam Castricum nooit achterhaald, Dagblad Kennemerland, dec. 1988.»
Arnulf en zijn vader Dirk waren burggraven van Gent, zie : Burggraven van Gent, 962-1039.

20. Zie : Uit het Egmonds Evangelieboek (vijftiende eeuws afschrift).

21. Het is onduidelijk welke “vele historici” Matthijs Kramer op het oog had; er is er niet één bekend; voor Chinheim, zie : De vroeg-middeleeuwse Kinhem-teksten.

22. Zie : Heeft te Castricum een Romeinsch Kasteel gestaan? / M[atthijs]. Kramer, in : Noord-Hollandsch Dagblad, 10 juni 1926, en : ‘De naam is ook al zoo echt Romeinsch’. Meester Kramer en de mythe van het Romeinse Castricum / Martijn Eickhoff. – In :Holland, Historisch Tijdschrift, 2003. – p. 201-211. Het artikel van Martijn Eickhoff laat een slechte smaak na : de vooral vragenstellende en weinig bewerende afgeschoten dorpsonderwijzer blijft namelijk heel verdedigbaar; de mythen komen ook niet bij de goedwillende amateurs vandaan, maar van amateuristische beroeps, en vals academische titels voerende amateurs (die geen geschiedkundige of archeoloog zijn, maar bijvoorbeeld chemicus zoals prof. dr. ir. E.H.P. Cordfunke); ‘geschiedkundige’ en ‘archeoloog’ zijn ook geen wettig beschermde beroepen.

23. Ons voorgeslacht, in zijn dagelyksch leven geschilderd / W.J. Hofdijk. – Leiden : Van den Heuvel & Van Santen, 1874. – 316 p. – p. 49. Aan W.J. Hofdijk wordt tegenwoordig bij voorkeur voorbijgegaan. Die Bruno blijft rondspoken, omdat er volgende de Egmondse abdij vele eeuwen later een legendarische Bruno de Kasterkem zou zijn geweest, over de Canninefaat Brinio, die bij Joost van den Vondel Duinheer Bruin werd, zie : De mythologische Canninefaten, en : De klassieke Canninefaten.

24. Wél een beetje in de geest van de “proto-germaanse kabalistiek” van dr. Maurits Gysseling (1919-1997).

25. De herkomst van de naam Castricum, t.a.p., p. 15. De naam Castrik of Castric komt ook niet voor in de databank van voornamen van het Meertens-Intituut; zie : Nederlandse Voornamen Databank. Over de vroeg-middeleeuwse heemnamen-mythe zie : Naamkunde.

25a. De Gallo-Romeinse naam Castrix/Castrorix bestaat wel (met dank aan Eric van der Linden te Castricum), maar die wordt niet gegeven door de anonieme medewerker van het Meertens-Instituut, terwijl het op schrift stellen van deze verklaring door het Instituut zèlf onvindbaar blijft [Toevoeging van 31 januari 2017].

26. Bron : Oorkondenboek, I, nr. 88, p. 181.

27. Zie : 1088, een Egmondse vervalsing uit de dertiende eeuw.

28. Zie : De annalen van Egmond, samengesteld in Gent.

29. Annalen van Egmond, 2007, p. 253-255, de Latijnse tekst is daar ook te vinden in nieuwe editie sinds Oppermann.

30. Oorkondenboek, II, nr. 496, p. 97.

31. Met dank aan Jacques Fermaut te Bierne voor hulp bij de vertaling. Bron : Afbeeldinge ende Levens beschrijvinge van de Heeren en Graven Egmondt / Samengesteld door Wim Schmelzer, in samenwerking met de Historische Bibliotheek van Jan Lute te Egmond. – 2002. In dit werk worden latere verzinsels als primaire bronnen verwerkt. Over de Galenvoort wordt beweert : «Het [Rinnegom] vormde een aparte banne, want er werd gesproken van de banne van Rinnegom. De grens met Egmond werd gevormd door de Galenvoort en is te zoeken bij de boerderij Waterrijk.» (Adelbertusakker, een bron wordt niet gegeven).

32. Bron : Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 32. Johannes Müller, Amsterdam, 1911, p. 385-387.

33. Zie : Willibrord.

34. Oorkondenboek, III, oorkonde nr. 1158, p. 155, zie eveneens oorkonde nr. 1166, p. 165.

35. Oorkondenboek, III, oorkonde nr. 1369, p. 394.

36. Oorkondenboek III, oorkonde nr. 1799, p. 933.

37. Met dank aan Hans van der Himst te Castricum. Nationaal Archief, Archief Graven van Holland, inventarisnummer 403. Register EL. 34 van de opbrengst van de tiende van de kerkelijke goederen voor de kruistocht, ingezameld door Reinerus de Orio in het bisdom Utrecht, 1274-1280; met brief van J(acob), deken van St. Jan, inzake de schuldbekentenis door Govert, rector van de kerk van Montfoort, van acht pond hollands min twee s. voor de kerken van Loenen en Montfoort, geborgd door Engelbert van der Aa, Pieter Aleidenz., Nikolaas Colin en Nikolaas Iwijn, gelijktijdig afschrift, 7 juni 1283. 1274-1280 1 deel en 1 stuk. Het gaat om een bijlage bij een oorkonde van 7 juni 1283. Gedrukte uitgaven :
Bronnen voor de geschiedenis der kerkelijke rechtspraak in het bisdom Utrecht in de Middeleeuwen. Eerste deel. / J.G.C. -Joosting en S.  Muller Hzn. (uitg). – ’s-Gravenhage : Nijhoff, 1906. –, p. 5-39;
De Fremery, Oorkondenboek van Holland en Zeeland, oorkonde nr. 209, p. 147-155;
Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301. Deel IV. Eerste stuk 1267-1283 / Uitgegeven door dr. F. Ketner. – ’s-Gravenhage : Staatsdrukkerij- en uitgeverijbedrijf, 1954. – Oorkonde 2166, p. 379; het register met de naam Kastrichem wordt niet vermeld;
Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299. IV. 1278 tot 1291 / Dr. J.G. Kruisheer. – Assen : Van Gorcum, 1997. – oorkonde 2115 (1283), p. 343, het register met de naam Kastrichem wordt wél vermeld, maar is niet opgenomen;
De volledige tekst is hier te vinden : Kronijk van het Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht. Dertiende jaargang, 1857, derde serie, derde deel. – Utrecht : Kemink en zoon, 1857. – p. 174.

38. Registers van de Hollandse Grafelijkheid1299-1345.

39. Registers van de Hollandse Grafelijkheid1299-1345. De familie Van Polanen komt volgens Rinus Boïdin oorspronkelijk uit de omgeving van Poperinge : «De eigenaren en edelen waren allemaal van een lage Vlaamse adel, uuit de buurt van Gent. De Polanens waren bijvoorbeeld een rijke fammilie, uit de buurt van Poperinge. Hier lag een kasteel ‘ter Poele’. Dat kasteel werd in het Latijn ‘De Pola’ genoemd en werd bewoond door de Polanens. » (De Mythe / M.P. (Rinus) Boidin. – [Breda] : Van Ierland Uitgeverij, 2009. – p. 128).

40. Registers van de Hollandse Grafelijkheid1299-1345.

41. Registers van de Hollandse Grafelijkheid1299-1345. 110 pond Tournois: het gaat om een Franse middeleeuwse munt, zie : Wikipedia, lemma Livre tournois.

42. Registers van de Hollandse Grafelijkheid1299-1345.

43. Registers van de Hollandse Grafelijkheid1299-1345.

44. Regesta Hannonensia. Lijst van oorkonden betreffende Holland en Zeeland uit het tijdvak der van regering van het Henegouwsche Huis, 1299-1345, die in het Charterboek van Van Mieris ontbreken. Uitgegeven van wege de Koninklijke Academie van Wetenschappen / door Dr. P.L. Muller, hoogleraar te Groningen. – ’ Gravenhage : Martinus Nijhoff, 1881, p. 24, 62, 99, 111, 155, 165, 174, 185, 191, 219, 245, 258; door een bindfout volgen de bladzijden in verkeerde volgorde, p. 24.

45. Regesta Hannonensia, ibidem, p. 62.

46. Regesta Hannonensia, ibidem, p. 99.

47. Regesta Hannonensia, ibidem, p. 111.

48. Regesta Hannonensia, ibidem, p. 155.

49. Regesta Hannonensia, ibidem, p. 165.

50. Regesta Hannonensia, ibidem, p. 174.

51. Regesta Hannonensia, ibidem, p. 185.

52. Regesta Hannonensia, ibidem, p. 191.

53. Regesta Hannonensia, ibidem, p. 219.

54. Regesta Hannonensia, ibidem, p. 245.

55. Regesta Hannonensia, ibidem, p. 258.

56. Meertens Instituut.

57. Meertens Instituut, Corpus Van Reenen-Mulder (CRM14): Oorkonde E562r33701.

58. Meertens Instituut, Corpus Van Reenen-Mulder (CRM14): Oorkonde E562r37801.

59. Meertens Instituut, Corpus Van Reenen-Mulder (CRM14): Oorkonde E562r39601.

60. Bron : Noord-Hollands Archief.

61. Bron : 176 Losse Aanwinsten (verkregen tot 1984) van het Noord-Hollands Archief te Haarlem. Deze twee documenten komen uit de papieren van Mr. Lieve Geelvinck; zie Zegepralent Kennemerlant.

62. Ontleend aan : Wintersteijn. De site schijnt verplaatst te zijn naar wintersteijn.

63. Regionaal Archief Alkmaar, Archief St.-Pancratiusparochie te Castricum, inventarisnummer 95a (oud 25a).

64. Etting : recht om dieren op het gras van iemand anders te laten grazen.

65. Bron : Memorialen van het Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland, van den secretaris Jan Rosa, 1982, p. 569.

66. Bron : 356 Abdij van Egmond.

67. Bron : R.K. pastoors en andere parochiepriester, op bijgevoegd tijdstip aanwezig in het tegenwoordig bisdom van Haarlem / A.V.L. S.J. – In : Haarlemsche bijdragen, bouwstoffen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem, Tweede deel. – Haarlem : A.B. van den Heuvel, 1874. – p. 188.

68. Bron : Necrologium Egmundanum, in : Huiszittende Leeven, bevattende eenige mengelstoffen over afzonderlijke en, voorheen, weinig of niet bewerkte onderwerpen, betrekkelijk tot de letter-, historie- en oudheid-kunde van Nederland / door Mr.  Henrik van Wyn. – IIe Deel, Ie stuk. – Te Amsterdam : Johannes Allart, MDCCCXII. – p. 93.

69. Eerder wordt een IJsbrand van Haarlem genoemd, die in 1173 Floris (III) van Holland zou hebben begeleid op een pelgrimstocht naar Jeruzalem. Zie : Proeve eener geschiedenis van het geslacht van Haarlem / J. Craandijk. – in : Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO), 4de reeks, 1ste deel, 1900. – p.42-100; hierin is nergens sprake van een “huis” of iets dergelijks te Castricum.

70. Zie : Kasteel Kronenburg / J.C. [Hans] van Weenen. – In : Oud-Castricum, 2de Jaarboekje, 1979. – p. 3-15, en : Kronenburg ontdekt / Hans van Weenen. – In : Op zoek naar Castricum’s verleden. – Casticum, 1992. – p. 91-98. Het moet om een baksteen zijn gegaan, die enigszins dateerbaar zou zijn op afmetingen, maar steenmaten hebben de eeuwen getrotseerd..

71. Momenteel in het Noord-Hollands Archief, zie alhier onder  Vroege vermeldingen van Castricum 1299-1345.

72. Het zegenpralent Kennemerlant / Mattheus Brouërius van Nidek R.G. – Te Amsterdam : By Andries en Hendrik de Leth, [ca. 1730]. – blad 3-5.

73. Uit het verleden van Midden-Kennemerland / door Mr H.J.J. Scholtens. – Den Haag : W.P. van Stockum & Zn, 1947. –314 p. – p. 86-87.

74. Historie van Castricum en Bakkum / D[irk] van Deelen. – Schoorl : Uitgeverij Pirola, 1972. – 202 p. – p. 141-146.

75. Bron : Enqueste ende informatie upt stuck van der reductie ende reformatie van den schiltaelen voertijds getaxeert ende gestelt geweest over de landen van Holland en Vriesland. Gedaen in den jaere MCCCCXCIIII.

76. Ter vergelijking  in 1820-1823 telde Castricum 724 inwoners (Nieuwe alphabetische naamlijst van al de steden, dorpen en der meeste gehuchten of buurtschappen met het Groot-Hertogdom Luxemburg uitmakende het Koninkrijk der Nederlanden / J.W.v.I.v.B. [= Jan Willem van Imbyze van Batenburg]. – Te Maastricht : bij J. Straatmans, 1825. – p. 26).

77. Bron : Informacie up den staet feculteyt ende gelegentheyt van de steden ende dorpen van Hollant ende Vrieslant om daerna tereguleren de nyeuwe schiltaele, gedaen in den jaere MCXIV

78. De architecten Van Arkel en Weissman, die eind negentiende eeuw alle Noord-Hollandse kerken bezochten, dateren het oudste deel van de kerk op de dertiende eeuw en lezen op de steunbeer 1519 (Noord-Hollandsche oudheden beschreven en afgebeeld. 7 stukken, Tweede stuk, Kennemerland / G. van Arkel en A.W. Weissman. – Amsterdam, 1891-1905. p. 17). Volgens ir. J. Kol lazen ze op de steunbeer echter 1219, zodat deze bron nog een keer te controleren is. Hoe dan ook : de foto uit 1947 is duidelijk genoeg.

79. Catalogus tentoonstelling werkgroep “Oud-Castricum”, 9-18 augustus 1969, “Historische momenten in Castricums monument”. – 21 p. – p. 5.

80. Een fotokopie van het krantenartikel werd in mei 2015 (bijna veertig jaar na verschijnen) ontvangen van een attente Castricummer.

81. Geschichte der Grundherrschaft Echternach im Frühmittelalter. Untersuchungen über die Person der Gründers, über die Kloster- und Wirtschaftsgeschichte auf Grund des liber aureus Epternacensis (698-1222). 1 2. Quellenband / von Dr. Camillus Wampach, geistlicher der Diözese Luxemburg. – Luxemburg : Druck und Verlag der Luxemburger Kunstdruckerei A.G., vorm. Dr. M. Huss, 1930. De elfde eeuwse Codex aureus Epternacensis, wordt heel verwarrend soms cartularium genoemd terwijl het een in gouden inkt geschreven evangelieboek is, en daar komen Castricum en Pancratius natuurlijk ook niet in voor.

82. Zie : De goederenlijst van 870 uit het Cartularium van Radboud. Als een dergelijk document bestond zou het mét bron in Künzel, Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200 (1989) zijn vermeld.


Start : 22 november 2003 | Laatst bijgewerkt : 11 juni 2015

Oorkonde

1326 : De eerste vermelding van een “huis” te Castricum; het gaat om een pastoorswoning; voor de tekst, zie onder Vroege vermeldingen van Castricum en Kronenburg 1280-1441
Bron : Registers van de Hollandse grafelijkheid 1299-1345
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Oorkonde

1440 : Het oudste document uit het parochiearchief; voor de tekst, zie onder Vroege vermeldingen van Castricum en Kronenburg 1280-1441
Bron : Regionaal Archief Alkmaar
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Drie oude kaartenboeken die op ontdekking wachten

Oorkonde

Ca. 1593: Oudste bekende afbeelding van Kronenburg, er is nog een hele toren te zien
Uit : Oud-Castricum, 34ste Jaarboekje, 2011, p. 16
Kaart gemaakt door Pieter Bruin
Bron : Archief Burgerweeshuis, Stadsarchief Amsterdam
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Kaart

1593, Korendijck, Addix Weer en Berchem bij Castricum
Tegelijk met metingen voor het Amsterdamse burgerweeshuis zijn er te Castricum metingen gedaan voor een Haarlem’s weeshuis.
«De huizen liggen aan den ‘korendijck’ tusschen ‘Addix Weer’ en ‘Berchhem’ bij Castricum. Zie voor den Korendijk dr. A.A. Beekman, Geschiedkundige Atlas van Nederland, Hollands Noorderkwartier, blz. 44.»
Uit : Uilkema, een historisch boerderij-onderzoek, onderzoek in Nederland 1914-1934, deel 1. / E.L. van Olst. – Arnhem : Stichting Historisch Boerderijonderzoek, 1991. – p. 304, DBNL.
Bron : Caertbouck toecomende den Heyligengeest huijse binnen Haerlem is ‘gemackt in den Jaere ons Heerden 1583’, no. 147 archief van het Hervormde Weeshuis te Haarlem [Er was geen hervormd weeshuis in Haarlem]. De kaart is vervaardigd in 1593 door den landmeter Pieter Bruinsz., kaart 157a.
Bij navraag in 2014 bij het Noord-Hollands Archief bleek de bronverwijzing niet te kloppen, en de tekening is ook niet aangetroffen in de beeldbanken van Noord-Holland, en een Pieter Bruinsz. ontbreekt in de lijst van vervaardigers [Mogelijk bedoeld : inventarisnummer 1846, 18G].
(met dank aan Hans van der Himst te Castricum)
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Kaart

Deel van kaart 33 Leprooshuis, ‘Castercom’ 1598
Uit : Uilkema, een historisch boerderij-onderzoek, onderzoek in Nederland 1914-1934, deel 1 / E.L. van Olst. –Arnhem –Stichting Historisch Boerderij-onderzoek, 1991. – p. 305, DBNL
Bron :Caertbouck toebehorende het Leprooshuijs [Inventarisnummer 131?] buijten Haerlem ende is vernieut ende verbonden den 22en martij 1631’. Het boek is ouder dan dit jaar – zie onder Weeshuis te Haarlem. De gecopiëerde gedeelten zijn evenals teek. 33-37 meer of minder vergroot weergegeven.


Visscher

1610, Castricum, door Claes Jansz. Visscher (1586-1652), fantasietekening : de kerktoren lijkt er niet op de rest al helemaal niet
Bron : Universiteitsbibliotheek Leiden
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Ampzing

Ampzing

1628 : Een laat bericht over plunderingen in Castricum in 1573; Kronenburg was in 1628 “geschonden”, maar er staat niet wanneer of door wie, en er wordt geen verband gelegd met de plunderingen van 1573
Bron : Beschryvinge ende lof der stad Haerlem in Holland / Samuel Ampzing en Petri Scriverii. – Te Haerlem : By Adriaen Rooman, Ordinaris Stads-Boekdrucker, 1628. – p. 83 en 267
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Kapers

1641, «Drie Nederlandse oorlogsschepen zijn erin geslaagd een Duinkerker kaper tussen Wijk aan Zee en Egmond op het strand te jagen.
De bemanning zoekt in de duinen een goed heenkomen.
Tekening door Daniel van Breen, omstreeks 1599-1665»
.
Uit : Het hart van Kennemerland, IJmuiden 1968, p. 148.
Bron : Gemeentearchief Amsterdam, archief Heshuyse, nr. 523.
«Hoewel de kapers vanaf 1641 tot "vrijbuit" werden verklaard (wat inhield dat eenieder ze zonder eigen kaperbrief mocht aanvallen) en er zelfs opbrengpremies werden geboden tot 30.000 guldens voor de grootste oorlogsbodems, werd het alleen maar erger. Behalve een dertigtal koningsschepen hadden particuliere reders zo'n zeventig kapers die Duinkerke als uitvalsbasis gebruikten. Nederlandse schepen konden alleen nog in konvooi enigszins veilig door Het Kanaal varen en de kapers begonnen zelfs de omweg om Schotland onveilig te maken.» ( Wikipedia)
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Onbekend

1644, Castricum, tekenaar onbekend, fantasietekening, de kerktoren lijkt er niet op en veel later waren er alleen houten huizen; bron van latere afbeeldingen die dus ook fantasie zijn
Bron : Universiteitsbibliotheek Leiden
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Kronenburg

1646-1647 : de tweede oudst bekende afbeelding van huis, door Roelant Roghman (1627-1692), zonder veel twijfel authentiek en ter plaatse gemaakt, met resten van een toren, de naam Cronenburg ontbreekt
Bron : Kastelen in Nederland
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Alkmaar

Alkmaar

Alkmaar

1658 : Hetzelfde bericht over plunderingen in Castricum in 1573; er wordt uitgegaan van twee verschillende verwoeste “huizen”, waarbij het eerste dat van het mythologische trio Meinard, Thiedricus en Bruno van Kasterkem zou zijn, en het tweede een rond 1440 gebouwde versterking.
Bron : Kronyck van Alckmaer Met zyn dorpen / C. van der Woude. – fotografische herdruk naar de 2e druk. – Ter Burg, [1973]. – p. 129, 208, 211. – (Oorspronkelijk uitgave 1658); Editie 1743.
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Arcadia

Arcadia

Arcadia

Arcadia

1658 : Met de apocrieve ‘heer Bruin’, de Siegfried/Tetrode-legende en de eerste poging tot verklaring van de naam “Castricum”; ‘Kronenburg’ blijft onvermeld
Bron : De Zaanlantse Arkadia [Omslagtitel : V Boeken vande Saanlandsche Arcadia] / door H. Zoeteboom [op omslag Soeteboom]. – t’Amsterdam : By Gerrit van Goedesberg, Boekverkooper op ’t Water, 1658. – 678 p. +  Bladtwyzer. – p. 92-95
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Croonenburgh

1687 : Croonenburgh getekend door Johannes Leuperius [= Leupenius] in 1687, waarschijnlijk naar een 16e eeuwse kaart.
Bron : Verborgen kastelen in zicht, archeologisch onderzoek en inrichting van kasteelterreinen. – Amsterdam, RAAP, 2005 (Gemeentearchief Amsterdam, Kaartboek van het Burgerweeshuis, C, blad 41)
(Met dank aan Frank Bakkum te Alkmaar)
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Kronenburg

Ca. 1709 : Ruine Kroonenburg bij Kastrikum 1540, volgens beschrijving fantasietekening; Jacobus Stellingwerf (1667-1727) of zijn weduwe Antonina Houbraken (1686-1736) [werkzaam tot 1730], ca. 1727-1730. Over Stellingwerf : L. Kasteleyn in : Delineavit et Sculpsit 6 (dec. 1991), p. 13-19. “Ruijne van Kroonenburg. by Kastrikum 1540”
Blijkbaar ging de tekenaar er vanuit dat Kronenburg al vóór 1573 was verwoest
Bron : Beeldbank Noord-Hollands Archief
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Kronenburg

Stellingwerf

Ca. 1709 : Kroonenburg by Castrikum; Castricum. "Croonenburg". (ruïne). Tekst onder de tekening: "Kroonenburg bij Kastrikum". Gesigneerd rechtsonder: "stellingwerf ad vivum delineavit." Daaronder het jaartel 1609 of 1709. De 6 en 7 door elkaar heengeschreven (gedateerd 1709, veranderd in 1609)
Bron : Beeldbank Noord-Holland(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Kronenburg

1718? : met veel detail en een stolpboerderij; diverse gezichten op de ruïne van Cronenburg bij Castricum, nr. 234 aan de noordwestzijde, nr. 235 aan de noordoostzijde en nr. 236 aan de zuid-westzijde te zien; de tegenwoordige hofstede Cronenburg staat op het terrein van de voorburcht, toegeschreven aan Hendrik Pola (1675-1748); over toeschrijving aan Pola : Een getekend reisverslag uit 1718 door Hendrik Pola / B.C. Sliggers. Liber amicorum A.G. van der Steur / redactie F.W. Kuyper ; B.C. Sliggers. – Haarlem, 1988. – p. 141-163, spec. p. 153. Tegen deze toeschrijving zie : L. K. [?]
Bron : Beeldbank Noord-Hollands Archief
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Van Heusden

Van Heusden

1721 : Kronenburg wordt niet vermeld
Bron : Oudheden en Gestigten van Kennemerland, Amstelland, Noordholland en Westvriesland – Eerste deel / H.V.R. [Hugo Franciscus van Heusden (1654-1719) en H. van Rijn] – Te Leiden : By Christiaan Vermey, 1721. – p. 383-384
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Onbekend

1725, Kerk te Castricum, tekening door Abraham Rademaker (1666/7-1735)
Bron : Universiteitsbibliotheek Leiden
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Onbekend

Ca. 1725, De Kerk tot Kastricum, gravure door Abraham Rademaker (1666/7-1735), gravure naar eigen tekening van 1725
Bron : Universiteitsbibliotheek Leiden
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Onbekend

Ca. 1725, Kastricum, gravure door Abraham Rademaker (1666/7-1735), naar fantasietekening van onbekende tekenaar, 1644 (zie boven)
Bron : Universiteitsbibliotheek Leiden
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Onbekend

Ca. 1725, Kastricum 1622 (fantasiejaar), zelfde gravure door Abraham Rademaker (1666/7-1735), naar onbekende tekenaar, 1644
Bron : Universiteitsbibliotheek Leiden
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Kronenburg

1727 : Castricum. Croonenburg (ruïne), met gezicht op het dorp, opschrift verso: “Overblijfsel van 't huys Kroonenburg bij Castricum 1727 A de Haan”, door Abraham de Haen (de jonge, 1707-1748), ongetwijfeld ter plaatse gemaakt
Bron : Beeldbank Noord-Holland
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Kronenburg

1728 : “Overblijfsel en grondslag van t huijs Kronenburg bij Kastrikum. J. Rollerus, fecit [= vervaardigd] 1728”, gemaakt in opdracht van mr. Lieve Geelvinck
Bron : Geheugen van Nederland
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Kronenburg

Kronenburg

Kronenburg

Kronenburg

Ca. 1730 : Vier bijeenhorende tekeningen van Abraham Rademaker (1666/7-1735), gemaakt in opdracht van Christoffel Beudeker (1675-1756), kopieën naar verluid naar onbekend origineel, de de tweede en derde waarschijnlijk naar de fantasietekeningen van Antonia Houbraken (niemand kon nog weten hoe het er had uitgezien) in de verzameling van Andries Schoemaker (zie verderop), de eerste is ook fantasie, de vierde niet naar Cornelis Pronk, zie boven), maar waarschijnlijk ter plekke gemaakt; de vierde is gedateerd 1730
Bron : RKD-Explore-1, RKD-Explore-2, RKD-Explore-3, en RKD-Explore-4, Noord-Hollands Archief, Haarlem, inv./cat.nr. 53-004552 K, 53-004543 k, 53-004546 k. en 53-004552 K
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Kronenburg

Ca. 1730 (1728-1732) : Cornelis Pronk, Ruïne van Kronenburg
Bron : RKD Explore
Ook deze afbeelding is door Abraham Rademaker nagetekend
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Kronenburg

1729 : Ruine van Huijs te Kroonenburg; tekening toegeschreven aan Hendrik de Leth (1703-1766), als voorstudie voor de gravure in het Zegepralent Kennemerland
Bron : Mijn beeldbank, Noord-Hollands Archief (Haarlem), aanvraagnummer NL-HlmNHA_53004545 K.
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Kronenburg

1730 : Het Huijs te Kastrikum, prent door Hendrik de Leth (1703-1766), gravure in het Zegepralent Kennemerland
Bron : Herdruk1973
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Onbekend

1730, De Kerk te Kastrikum van achteren en op haer Rechter zyde,in Noort kennemerland, door Hendrik de Leth, naar Abraham Rademaker, maar met andere omgeving van de kerk
Bron : Universiteitsbibliotheek Leiden
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Andries Schoemaker maakte, verzamelde en kopieerde oude afbeeldingen (ca. 1726-1732)

Castricum

Blad 11, Kastrecom, met De kerk te kastricum A[nn]o 1660, en Kastrecom, a[nn]o 1660, mogelijk originele tekeningen maar met fantasiedatums

Kronenburg

Ongenummerd blad, twee keer Kronenburg tot Kastrikum, tweede tekening is ingeplakt en ongesigneerd; het zijn fantasietekeningen naar Abraham Rademaker

Castricum

Blad 17, Kastricum A[nn]o 1622, naar onbekende tekenaar, 1644

Kronenburg

Blad 18; Kroonenburg bij Kastricum, Kroonenburg, in welstant heeft gelegen bij Kastricum gesigneerd J.S. [= Antonia Houbraken], en ingeplakt, en Kronenburg gelegen By Castricum; eveneens fantsietekeningen

Kronenburg

Blad 19, 1726-1730 : Kroonenburg, in kader gesigneerd A.S [= Andries Schoemaker], Ruinen van Kronenburg bij Kastricum, A[nn]o 1726, Als Ik Inden Jaare 1726 tot Castricum was: zoo ik mij hengen[?] bij de plaats daar wel eer het huijs kronenburg gestaan hadde vond Ik van hetselve op een heuvel: noch dese hoeken vande oud muur, die Ik dus hebbe getekent: Detselve huijs werd In Zijn welstant hier voor verstoort; de tweede tekening is ingeplakt, grondslag: en t overgeblevene van t huijs Castricum & Kronenb; waarschijnlijk naar het Zegepralent Kennemerland, ca. 1730; over Andries Schoemaker, zie : Jacobus Stellingwerf en Antonia Houbraken / Bert Kolkman
Bron : Geheugen van Nederland
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Bruins

Bruins

Bruins

1732 : Abraham Zeeman (1695/6-1754), de graveur, is niet langs Kronenburg geweest, en hij heeft de nog bestaande schetsen van zijn vriend Andries Schoemaker ook niet gebruikt; een “kasteel” wordt wél vermeld, “waarschijnlijk door de krijg verplet” (dus dat was niet zeker), maar zonder de naam
Bron : Noordhollandse Arkadia, verrykt met aantekeningen van der Heere Gerrit Schoemaker en verçiert met printverbeeldingen / Cl[aas]. Bruins. – T’Amsterdam : By Evert Visscher, Boekverkoper in de Dirk van Hasseltsteeg, 1732 [Opgedragen aan Andries Schoemaker en Gerrit Schoemaker]. – 502 p. + Bladwijzer. – p. 410-411
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Punt

1737 : Fragment van de kaart van de Heerlijheid Castricum, door Johannes Covens en Cornelis Mortier aangeboden aan Mr. Lieve Geelvinck, heer van Castricum, burgemeester van Amsterdam, bewindhebber der Oost-Indische Maatschappij, getekend door Johannes Rollerus, gegraveerd door Jan Punt
Bron : Herdruk
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Pronk

1740 : Kronenburg, Gegevens cataloguskaartje: Castricum. "Croonenburg" (ruïne), met gezicht op het dorp. Tekst aan de bovenkant links van de tekening: "Overblijfsels van t Huis Kronenburg bij Kastricum 1740", door C.Pronk. Gesigneerd en gedateerd verso linksonder: "C:P: ad viv 1740".
Bron :
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Pronk

1740, Castricum. "Croonenburg" (ruïne), met gezicht op het dorp, tekst onder de tekening: "Ruine van Croonenburg by Castricum", door sommigen toegeschreven aan C.Pronk; de tekst linksboven in potlood op de tekening: "Kroonenburg" zou van Pronk kunnen zijn
Bron :
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Kronenburg

1740 : Overblyfsels van ’t Huis Kronenburg by Kastrikum, door Hendrik Spilman (1721-1784), geen oorspronkelijk werk; de kerk naar Abraham Zeeman (1695/6-1754), Kronenburg naar Cornelis Pronk (1691-1759), zie boven
Bron : Geheugen van Nederland
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Kronenburg

1744, Castricum. Croonenburg (ruïne), met gezicht op het dorp, “Overblijfzel van het Kroonenburg, ziende naar Kastrikum. 1744”. Tekening Abraham de Haen (de jonge, 1707-1748), 1744, gesigneerd linksonder: A.de haen ad viv.del.
Bron : Geheugen van Nederland
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Tegenwoordige Staat

1750 : Kronenburg verwoest; maar wanneer of door wie wordt niet vermeld
Bron : Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden, Agtste deel. – Te Amsterdam : By Isaak Tirion, 1750. – p. 238
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Geelvinck

Mr. Lieve Geelvinck, aristocraat maar niet van adel, wél burgemeester van Amsterdam en bewindhebber van de Oost-Indische Maatschappij, gaf zichzelf graag een adellijk aanzien
Bron : Pictura-hosting
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Tavenier

1784, ’T Dorp Kastrikum, door Hendrik Tavenier (1734-1807)
Bron : Noord-Hollands Archief
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Tavenier

1784, Gezicht in Castricum, met de kerk, gezien vanuit het westen, door Hendrik Tavenier (1734-1807), naar de gravure van Hendrik Spilman 1740, of Abraham Zeeman, 1732
Bron : Noord-Hollands Archief
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Crescent, 1797

Aquarel door J.A. Crescent, 1797 of 1807
Naar : Op zoek naar Castricums verleden. – Castricum : Boekhandel Laan, 1992. – Boekomslag
Waarschijnlijk ontleend aan : Het veranderend gezicht van Noord Holland. Beelden van dorpen en steden water en land uit de provinciale atlas / F.J. Kranenburg et al. – Amsterdam : Meijers Pers B.V., 1976. – 158 p.
Bron : Beeldbank Noord-Hollands Archief


Langendijk, 1799

«Tafereel uit de beslissende slag bij Castricum op 6 oktober 1799. Een Russische aanval doet de Franse troepen terugdeinzen. Brandende huizen en vluchtende burgers voltooien het beeld. Aquarel door Dirk Langendijk (1748-1805).»
De aquarel is niet ter plaatse gemaakt; de kerktoren lijkt er niet op
Uit : Hart van Kennemerland. – IJmuiden : Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken N.V., 1968. – p. 46
Bron : Museum Boymans van Beuningen, Rotterdam


Onbekend

1810, Kastrikum, uitgegeven door Hendrik Moolenijzer, naar J.A. Crescent, 1807
Bron : Universiteitsbibliotheek Leiden
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Onbekend

Inscriptie in de noord-westelijke steunbeer van het gedeelte dat de kerk aan de toren verbindt : ANNO XVcXIX en niet 1219
Bron : Het geheugen van Nederland, foto uit 1947
(Met dank aan Hans van der Himst te Castricum)
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Onbekend

Onbekend

Grafsteen van Willem Dirksz., 1519
Bron : Genealogische en heraldische gedenkwaardigheden in en uit de kerken der provincie Noord-Holland / beschreven door P.C. Bloys van Treslong Prins en J. Belonje. - Utrecht : Oosthoek, 1928-1931. 5 dl.
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Onbekend

Het Vaderland, staat- en letterkundig nieuwsblad, 11 maart 1941
Bron : Delpher
(Met dank aan Hendrikus de Graaf te Castricum)
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)


Artikel Pastoor Voets

Artikel pastoor Voets uit 1976
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)