VorigeDe vroege middeleeuwenVolgende

De goederenlijst van 870 uit het Cartularium van Radboud

Inhoud van deze pagina

  1. Inleiding
  2. De abdij Aefternacum en het bisdom Traiectum
  3. Het ontstaan van de goederenlijst en de laatste bewerking
  4. Egmond, Utrecht, en de handschriften
  5. Wie was Radboud ?
  6. De historische bluf van Nijmegen
  7. Het historisch moeras van Utrecht
  8. Kennemerland
  9. Het namenbestand volgens M. Gysseling, A.C.F. Koch en dr. D.P. Blok
  10. Conclusies
    Noten

1. Inleiding

De goederenlijst (of het goederenregister) van de St.-Maartenskerk van Traiectum zou oorspronkelijk rond het jaar 870 zijn samengesteld (1).

De tekst van de goederenlijst werd voor het laatst uitgegeven in 1950 in de Diplomata Belgica. De uitgevers, M. Gysseling en A.C.F. Koch huldigden toen het juiste beginsel dat voor een dergelijke uitgave met teksten van vóór 1100 alleen oorkonden konden worden opgenomen die zich in archieven van instellingen op Nederlandstalig gebied bevonden (2). Binnen die criteria bleken er voor het hele Nederlandse taalgebied – Nederland en delen van België, Duitsland en Frankrijk omvattend – 236 teksten over te blijven, waaronder zich 55 duidelijke, en door de uitgevers als zodanig aangemerkte vervalsingen bevinden (3).

M. Gysseling en A.C.F. Koch hielden de tekst ook, zoals het hoort, gescheiden van hun duiding van de erin voorkomende plaatsnamen, die alleen in het register te vinden is. Daar staat tegenover dat zij geen enkele verantwoording afleggen over die plaatsingen en geen enkele daarvan wordt beargumenteerd. Er worden ter bevestiging geen bewijsplaatsen uit andere bronnen gegeven en aan de archeologie wordt geheel en al voorbijgegaan.

In de Diplomate Belgica komt de oudste grote verzameling van 48 documenten – uit de negende eeuw – uit St.-Omaars, tegenover niet meer dan 26 negende-eeuwse documenten uit alle andere plaatsen tezamen. Voor het gehele werk tot 1100 is Gent vertegenwoordigd met 96 van de 236 documenten (40%), waarvan 50 documenten evenwel als latere vervalsing zijn aangemerkt, merendeels van de St.-Pietersabdij. St.-Omaars en Gent tezamen beslaan met 250 pagina’s ruim de helft van het boek. Traiectum (dat voor al de teksten als Utrecht wordt opgevat) is vertegenwoordigd met 44 bladzijden en 26 teksten, waaronder vijf niet als zodanig aangemerkte vervalsingen. Egmond is vertegenwoordigd met zegge en schrijven één vervalsing die in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag berust. Dat geeft onmiddellijk een beeld van waar het oudste centrum van de geschiedenis zich bevond en in welke richting uitbreiding plaatsvond.

Hier gaat het eerst en vooral om twee vragen :

  • Zijn de aan Utrecht toegeschreven teksten inderdaad in Utrecht samengesteld en zo niet, waar kwam deze goederenlijst dan vandaan en hoe kwam deze in Utrecht terecht ?
  • Daarmee onmiddellijk samenhangend, welke zijn de plaatsen die in het register worden vermeld ?

2. De abdij Aefternacum en het bisdom Traiectum

Volgens de traditionalistische opvatting bevond de abdij van Willibrord zich te Echternach en zijn bisdom te Utrecht, op een afstand van 330 kilometer. In de opvatting van Albert Delahaye bevonden de abdij (Aefternacum-Eperlecques) en de zetel van zijn bisdom (Traiectum-Tournehem-sur-la-Hem) zich op loopafstand van elkaar in Frans-Vlaanderen (4). Kort na Willibrord’s overlijden volgden de documenten van bisdom en klooster echter elk eigen historische wegen. Terwijl de documentatie van het klooster van Willibrord in afschrift in Echternach opdook, kwam de documentatie van het bezit van het bisdom Traiectum via Egmond in afschrift uiteindelijk in Utrecht terecht.

  • Het klooster, los van het bisdom, kwam in handen van lekenabten totdat het in 973 door Siegfried van Luxemburg werd verplaatst naar Luxemburg, alwaar de naam Aefternacum werd verduitst tot Echternach.
  • Bisschop Hunger van Traiectum (5) vluchtte in 857 voor de Normanni en keerde waarschijnlijk niet eerder dan 862 naar de streek terug om te zetelen in Dorestadum (Audruicq) en Daventria (Desvres), beide op geringe afstand van Tournehem-sur-la-Hem.

Op het Dorestadum-probleem wordt hier niet ingegaan (6). Dat Daventria hier niet Deventer is maar Desvres wordt ondersteund doordat Daventria wordt vermeld in een akte van de abdij Sithiu (de St.-Bertijnsabdij in St.-Omaars) uit het jaar 875 waarin keizer Karel de Kale na de dood van abt Hilduinus de abdij Sithiu in haar bezittingen bevestigt, en waarvan M. Gysseling en A.C.F. Koch een traditionalistische lezing geven. De tekst luidt :

«Ad kamaram fratrum in uestiario adicimus Hrokashem cum VUiskirka et cum appendiciis, et in Gefuualdasthorp ecclesiam et uineas et mansa XII cum hominibus, item in Casello ultra Regnum mansa similiter, in Frekena mansa X cum matre ecclesia et decimam illic ordinatam cum hominibus, in Dauentra portu mans VII; ad portam autem ante fores ecclesię uaccaritiam cum hortulo, et in Loconesse mans VII cum suis appendiciis et mancipiis» (7).

Voor Hrokashem geven M. Gysseling en A.C.F. Koch Roksem bij Ostende en voor VUiskirka Westkerken, eveneens bij Ostende. Voor Loconesse geven zij Longuenesse bij St.-Omaars. Dat is ongetwijfeld juist, maar dan is het niet meer dan logisch dat de andere plaatsen in diezelfde omgeving moeten worden gezocht. Voor Dauentra geven zij echter Deventer in plaats van Desvres (8), en voor de overige drie plaatsen wordt het nog mooier :

  • Voor Gefuualdasthorp (of Gelwaldasthorp) geven ze niet Grosville ten zuidwesten van Atrecht (Frans Arras) dat ook vermeld is als Gesoldustorp, en dat al vanaf het jaar 825 aan de Franse abdij van Corbie (niet te verwarren met de Duitse, vanuit Corbie gestichte abdij Corvey) behoorde (9), maar “Gelsdorf (Rheinprovinz)” in Duitsland, op honderden kilometers afstand.
  • Voor Casello geven ze niet Cassel, bekend sinds de Romeinen omdat de Menapiërs daar woonden, op 16 kilometer ten noordoosten van Sint-Omaars, maar “Nieder-Kassel (Rheinprovinz)”.
  • Voor Frekena verkiezen ze “Frechen (Rheinprovinz)” boven Ferques bij Desvres dat in 877 in een diploma van Karel de Kale wordt vermeld als... Frekena (10) !

Frechen en Niederkassel ontstonden echter pas eeuwen later, waarschijnlijk pas in de tweede helft van de vijftiende eeuw. Frechen heeft dan inderdaad banden met de St.-Bertijnsabdij te St.-Omaars, wat een Vlaamse migratie waarschijnlijk maakt en waarbij vanzelfsprekend namen van herkomst en plaatselijke heiligen werden meegebracht. Vandaar dat Frechen een St.-Audomaruskerk (Audomarus = Omaars) heeft. Gelsdorf is van nóg later datum.

Later, toen de documentatie van de St.-Bertijnsabdij uit St.-Omaars bekend raakte, ontstond bij Duitse historici prompt de mythe van het ‘vroeg-middeleeuwse’ Frechen en Niederkassel die evenwel door geen enkele plaatselijke documentatie uit de Rijnprovincie werd ondersteund. De verwarring werd nog versterkt doordat in 877, eveneens in een akte uit St.-Omaars, Cassello aan de overzijde van de Renus wordt vermeld, waarbij Renus werd opgevat als ‘Rijn’ hoewel het hier gaat om een oude Renus-monding tussen St.-Omaars en Cassel. De drie elementen – de naamsverdubbeling van Cassel/Niederkassel, de aanwezigheid van St.-Omaars te Frechen, en ten slotte de naam Renus – leken elkaar te versterken en de interpretatie onaantastbaar te maken. Zowel de chronologie als de geografie weerleggen dat en de genoemde plaatsen zijn voor hun negende- en tiende-eeuwse documenten aangewezen op St.-Omaars, waarna er zelfs eeuwen later nog geen enkele plaatselijke documentatie is. Een algemene regel is natuurlijk : hoe dichter bij de bron, hoe beter de duiding.

In welke streek bisschop Hunger van Traiectum zich bevond blijkt ook uit zijn aanwezigheid tijdens een Franse kerkvergadering in 859-860, waar de bisschoppen van Besançon, Lyon, Trier, Reims, Vienne, Sens, Keulen, Bourges, Doornik (Frans Tournai), Terwaan (Frans Thérouanne), Bordeaux, Narbonne en Rouaan bijeenkwamen (11).

Het juiste geografisch verband wordt eveneens duidelijk uit een document van 862, waaruit blijkt dat het bisdom Traiectum onder het aartsbisdom Reims valt, hetgeen niet op Utrecht betrekking kon hebben:

«Hincmar, aartsbisschop van Reims, schrijft aan Hunger, bisschop van Traiectum (Tournehem), over de kerkelijke ban die Boudewijn [I, de IJzeren, † 879] van Vlaanderen getroffen had wegens het schaken van Judith, de dochter van Karel de Kale. De aartsbisschop droeg zijn suffragaan op, want zo ligt de gezagsverhouding, ervoor zorg te dragen dat de Noorman Roerik geen steun zou verlenen aan de graaf van Vlaanderen. Een vrijwel gelijkluidende brief richtte de aartsbisschop van Reims aan de bisschop van Terwaan.» (12).

Het gebied kwam onder het gezag van Boudewijn I de IJzeren, de graaf van Vlaanderen († 879) die in de kerkelijke ban werd gedaan omdat hij in 862 met de dochter van Karel de Kale aan de haal was gedaan. Zijn zoon, Boudewijn II de Kale van Vlaanderen (879-918) speelt zijn eigen kaart uit tijdens de invallen van de Normanni in 879 en 883 en hij weet zijn gebied in zuidelijke richting uit te breiden tot aan de benedenloop van de Canche, daarbij kerkelijke rechten schendend.

Het is eveneens in deze historisch-geografische omgeving dat de eerste comites Fresonem (graven van Fresia, het gebied ten noorden van Artesië, Frans Artois), Gerulf en Gardulf, in 885 profiteerden van de moord op Godfried de Noorman zo ze er al niet zelf onmiddellijk bij betrokken waren. Die moord vond plaats in Herispich (Eragny, ten noorden van Conflans-Sainte-Honorine, of Quierzy ten oosten van Noyon, en niet Spijk bij Lobith) (13). De documentatie van het bisdom Traiectum zal dezelfde weg volgen als de graven van Fresia : vanuit Frans-Vlaanderen via Gent naar Holland.

Bisschop Hunger’s opvolger Odilbald/Adelbold (870-899) laat de bestaande documentatie over het werkelijk of vermeend bezit van het bisdom Traiectum van vóór de invallen van de Normanni bijeenbrengen in één, tamelijk verdacht, document, de goederenlijst waarom het hier te doen is.

Na het bisdom Traiectum van zijn inkomsten te hebben bevrijd schenkt Boudewijn II de Kale voormalige bezittingen van het bisdom aan de St.-Bertijnsabdij te St.-Omaars (14). Van deze schenkingen getuigen latere bevestigingen, zoals de volgende :

«Tekst 237
“Apud sanctum Willibrordum” : 1114
Paus Paschalis II bevestigt de schenking van de graaf van Vlaanderen aan de Bertijns-abdij te St.-Omaars, o.a. van landerijen “apud sanctum Willibrordum”, wat de plaats Gravelines aanduidt.
Bron : Haigneré, Les chartes de St.Bertin, nr 124.
Nota : Gravelines, dat vanouds de traditie voert de landingsplaats van Willibrord te zijn geweest, heeft men aanvankelijk naar de heilige genoemd. De naam Gravelines is pas na de algehele verlanding aangenomen. Nog belangrijker dan het volgen van de bezittingen van het bisdom Tournehem is de vaststelling dat in deze streek de kennis en de verering van Willibrord te signaleren zijn lang vóórdat in Nederland diens naam ook nog maar gevallen was.»
 (15).

Of deze uit 1125 :

«Tekst 238
Bourbourg “parochie van Willibrord” : 1125
Paus Honorius II bevestigt de Bertijns-abdij te St.-Omaars in haar bezittingen te Bourbourg “in parochia sancti Willibrordi apud Broburg supra mare”. Blijkens een akte van 1075 had de abdij de kerk ook in haar bezit.
Bron : Haigneré, Les chartes de St.Bertin, nrs 83 en 102.»
 (16).

Daarmee alleen al is het pleit ten gunste van Frans-Vlaanderen beslecht, wat in de onmiddellijke omgeving van Utrecht kan niets worden aangewezen dat met het bisdom van Willibrord in verband kan worden gebracht.

De lijst zou bezit van het bisdom Traiectum weergeven van vóór de overheersing door de Normanni in de periode 850-885, en zijn opgesteld om dat voormalig bezit te herstellen, dat wil zeggen in de periode 885-917 (17), na de moord op Godfried de Noorman. Bisschop Hunger zou in 857 het archief op zijn vlucht hebben meegenomen. In 885 vestigt diens opvolger, Odilbold of Egilbold of Adelbold zich te Daventria (Desvres). Onder bisschop Odilbold, vóór 896, wordt het geheel gecompileerd, en kort na het overlijden van Radboud, in 919 of korte tijd later, aangevuld.

3. Het ontstaan van de goederenlijst en de laatste bewerking

Er is strijd gevoerd over de vraag of de goederenlijst nu een inventeris van voormalig bezit was dan wel vooral een verlanglijstje van terug te verkrijgen – gewaand of gewenst – voormalig bezit. Het is verschil is subtiel : er kunnen later goederen zijn toegevoegd waarop het bisdom aanspraak wilde maken zonder dat het ooit bezit was geweest en er kunnen goederen zijn afgevoerd waarop aanspraak tóch kansloos was geworden. Onder bisschop Odilbold was het natuurlijk vooral een verlanglijstje omdat het om verloren bezit ging dat de bisschop probeerde terug te krijgen. Na 917, toen het bisdom verdween was het niet meer dan een lijst van voormalig, dood bezit, waaraan onwaarschijnlijk nog iets veranderd is.

Het jongste document uit het Cartularium is uit 919, een oorkonde van koning Hendrik I. Onder de latere documenten bevinden zich volgens Albert Delahaye valse of vervalste documenten : het gaat om een Utrechts document van bisschop Balderik gedateerd 943; vier oorkonden van Koning Otto I, waarvan drie gedagtekend te Quitelingeburg / Quidilingaburg / Quitilingeburg (Quedlinburg), 948, 950 en 953, en één te Nimagna, 949 (18).

Als de laatste redactie van rond 919 is en het oudste afschrift van rond 1070, dan moet er een ouder origineel hebben bestaan. Terwijl dr. D.P. Blok tot de veronderstelling kwam dat er twee opeenvolgende vroegere versies van het Cartularium moeten zijn geweest, schrijft P.A. Henderikx :

«Alles te zamen, ook al blijft er enige twijfel, acht ik net als Gysseling en Koch de kans verreweg het grootst dat C [het Egmondse afschrift] direct is afgeschreven naar het originele cartularium.» (19).

Waar bevond zich dit origineel ? De aanname dat het in Utrecht lag vloeit enkel voort uit de mythe. Het kan zich net zo goed te Gent hebben bevonden, of te St.-Omaars waar tijdens de Franse revolutie het archief van de St.-Bertijnsabdij grotendeels vernietigd werd, en ook St.-Riquier, waar een ander Egmonds documenten is vervaardigd, behoort tot de mogelijkheden.

Onenigheid is er onder de specialisten zowel over de tijd waarin een eerste versie van de goederenlijst zou zijn ontstaan als over de vraag wanneer de laatste wijzigingen daarin zijn gemaakt. P.A. Henderikx schrijft daarover :

«Qua redactie valt de lijst uiteen in twee gedeelten. Het eerste deel bevat voornamelijk korte notities, gekenmerkt door een vrij ordelijke geografische rangschikking van de opgesomde bezittingen. Van dit deel, dat eindigt met de vermelding van een aantal visrechten, is de oorspronkelijke versie mogelijk in één keer opgesteld. Nadien is het uitgebreid met notities in margine [in de kantlijn] of tussen de regels (a1). Het tweede deel van de lijst bestaat uit zeer uitvoerig geredigeerde notities zonder enig geografisch verband, te beginnen met bezit op Wieringen [bedoeld : Uuiron].
Voor de tijd van ontstaan van het eerste deel van de lijst zijn twee dateringselementen van belang. Ten eerste wordt in dit deel over Gerulf, die visrechten van de kerk van Utrecht [bedoeld : Traiectum] in de Oude-Rijnmond [bedoeld : in het verste deel van de rivier de Hrenus] in bezit heeft, gesproken als over een nog levend persoon. Dat met deze Gerulf de Westfriese [sic !] graaf van die naam wordt bedoeld, is zeer aannemelijk; als graaf ter plaatse kan hij zeker het regale visrecht in handen hebben gehad (a2). De notitie zal dan geschreven zijn in de tijd dat graaf Gerulf gezag uitoefent in het kustgebied, dat wil zeggen, op zijn vroegst enige tijd vóór 885, wanneer Gerulf voor het eerst als graaf in Fries gebied wordt genoemd, en vóór 916, wanneer hij reeds schijnt te zijn overleden (a3). Het tweede en belangrijkste dateringselement vindt men in het feit dat de vermelding van het recht van de kerk op de decima regalis van tollen en andere koninklijke inkomsten niet is geredigeerd naar de oudste oorkonden betreffende dit recht van Pippijn III (753) en Karel de Grote (769), en anderzijds ook niet naar die van Zwentibold (896) en Hendrik I (circa 927/30), maar uitsluitend en praktisch letterlijk naar de tekst van de dispositie [beschikking, besluit] in de bevestigingsoorkonde van Lodewijk de Vrome uit 815 (a4). De verklaring hiervoor moet wel zijn dat deze oorkonde en niet die van Zwentibold of Hendrik I ten tijde van de optekening van het genoemde recht in de lijst het laatst ontvangen privilege inzake dit recht is geweest. Gaat men ervan uit dat de notities betreffende de visrechten in de Oude-Rijnmond [bedoeld  in het verste deel van de rivier de Hrenus] en de decima regalis beide deel hebben uitgemaakt van de oudste versie van de lijst – redenen om ze als latere toevoegingen te beschouwen zijn er niet – dan maken deze gegevens het aannemelijk dat het eerste deel van de lijst, afgezien van de aanvullingen, is opgesteld tijdens het episcopaat van bisschop Odilbold (866-898), en wel op zijn vroegst enige tijd vóór 885 en in ieder geval vóór 896 (a5).
Daarentegen dateert het tweede deel van de lijst voor ten minste een deel van na de dood van Odilbold, dus van na 898. Dit blijkt uit de notitie betreffende het bezit op Texel [bedoeld : Tlex / Texla], met daarin onder andere de mededeling dat dit bezit tot het episcopaat van wijlen bisschop Odilbold onaangetast is gebleven. Het maakt het waarschijnlijk dat de notities van het tweede deel, evenals vermoedelijk de aanvullingen bij het eerste deel, vóór 948, voornamelijk tijdens het episcopaat van de bisschoppen Radbod (900-917) en Balderik (918-976) etappegewijs aan de oude kern zijn toegevoegd (a6).»
 (20).
a1) Herkenbaar als oorspronkelijk marginale aantekeningen zijn in Rudinhem IIII partes, tocius villę en in Merchishem similiter IIII partes locius villę. Deze bij elkaar behorende notities zijn op verschillende plaatsen in de tekst terecht gekomen; aldus Blok, ‘Goederenregister’, 102.
a2) Aan graaf Gerulf worden in 889 door koning Arnulf inderdaad goederen in het Oude-Rijnmondgebied [bedoeld  in het verste deel van de rivier de Hrenus] geschonken. Koch, Kruisheer, OHZ, dl. I, nr. 21.
a3) Graaf Gerulf wordt als graaf der Friezen voor het eerst genoemd in 885 wanneer de Noorman hertog Godfried hem als gezant naar de keizer zendt (Regino van Prüm, Chronica, 268; ‘Annales Vedastini’ [van de St.-Vaastabdij te Atrecht (Frans Arras], 308. Gerulf zal zijn gestorven vóór 916, wanneer de graven Dirk en Waldger, met wie wel haast zeker de zonen van Gerulf zijn bedoeld, in het gevolg van koning Karel de Eenvoudige worden vermeld (Koch, Kruisheer, OHZ, dl. 1, nr. 26), Hoek, ‘De heren van Voorne’, 123, 134, 136, die aanneemt dat de goederenlijst van circa 948 dateert, ziet de in de lijst genoemde Gerulf als een zoon van graaf Dirk I en kleinzoon van graaf Gerulf. Hetzelfde doet Van Winter, ‘Ansfried en Dirk’, 70-71, en ‘Dirk I bis’, 196-198. Gezien de door Van Winter genoemde aanwijzingen is het niet uitgesloten dat graaf Gerulf een kleinzoon Gerulf heeft gehad die eerder dan zijn vader is gestorven en nooit graaf is geweest. Het is dan echter zeer onaannemelijk dat deze Gerulf ooit door de koning met de visserij in de Rijnmond [bedoeld : in het verste deel van de rivier de Hrenus] zou zijn beleend.
a4) De formulering in de narratio [deel van de redevoering waarin de toedracht beschreven wordt] van de oorkonde van Lodewijk de Vrome – waarop de oorkonde van Zwentibold teruggaat – alsmede die in de oorkonden van Pippijn, Karel de Grote, Zwentihold en Hendrik I wijkt sterk af van die in de goederenlijst.
a5) Ik wijk hier af van Blok, ‘Goederen register’, 92-96, die een verband legt tussen het opstellen van de lijst en de terugkeer van bisschop Balderik naar Utrecht. Volgens hem is de lijst in verschillende etappes vervaardigd in de periode 918-948.
a6) Van Winter, ‘Utrecht’, 28, noot 7, en Buitelaar, De Stichtse ministerialiteit, 101, noot 26, bestrijden mijn mening, Henderikx, Beneden-delta, 115-121, dat met het opstellen van de lijst reeds in de jaren 885-896 zou zijn begonnen. Zij bouwen voort op Van Winter, ‘Dirk I bis’, 196-198, waar wordt aangenomen dat met Gerulf in de goederenlijst niet de Westfriese graaf Gerulf maar een zoon van graaf Dirk I is bedoeld (zie hiervoor noot c). Buitelaar, l.c., geeft de voorkeur aan de door Blok voorgestelde datering voor het opstellen van de lijst, namelijk tussen 918 en 948 (zie noot e). Hij acht de opvatting dat met het opstellen van de lijst tussen 885 en 896 zal zijn begonnen in strijd met mijn veronderstelling dat de lijst – hij citeert hier Henderikx, o.c., 121, noot 36 – ‘van meet af aan vooral tegen graaf Gerulf I en zijn zonen gericht is geweest’ (cursivering van Buitelaar). Ik zie het probleem hier niet. Men kan toch heel best met het opstellen van de lijst zijn begonnen met het doel goederen terug te krijgen die al tijdens en direct na de Noormannenperiode waren geüsurpeerd door met name graaf Gerulf? En wanneer dan de lijst gedurende ruim een halve eeuw geleidelijk aan wordt uitgebreid, kan deze activiteit toch zijn gericht tegen Gerulf in het begin en vervolgens tegen diens zonen? Buitelaar vraagt zich ook af hoe de bisschop van eventuele usurpatie op de hoogte kon zijn wanneer hij pas in 918 naar Utrecht [bedoeld Traiectum] kon terugkeren. Mij dunkt dat het verschil in afstand tussen Utrecht [bedoeld : Traiectum] en bijvoorbeeld Haarlem [???] en tussen Deventer [bedoeld : Daventria] en Haarlem [???] niet zo veel zal hebben uitgemaakt wanneer het gaat om informatievoorziening. Een ander punt dat Buitelaar aanvoert is het feit dat het immunitaire goed in Utrecht [bedoeld : Traiectum] zelf niet in de lijst wordt genoemd, waarover de Utrechtse kerk [bedoeld : de kerk van Traiectum] meer dan een halve eeuw lang niet de beschikking heeft gehad. Men realisere zich echter dat het in de vroege Middeleeuwen veelvuldig voorkomt dat in goederen lijsten van kloosters en kerken, het klooster of de kerk zelf met bijbehorend terrein niet wordt vermeld. Ook in de Utrechtse goederenlijst [bedoeld : de goederenlijst van Traiectum] is dat duidelijk het geval. Ook wanneer de bisschop tijdens het opstellen van het oudste deel van de lijst in de praktijk in Deventer [bedoeld : Daventria] zetelt blijft Utrecht [bedoeld : Traiectum] de officiële residentie waarvan het ontbreken in de lijst niet behoeft te verwonderen.

De eerste datum is vooral gebaseerd op de aanname dat de in de goederenlijst genoemde Gerulf dezelfde is als de ‘comitum Fresonum’ Gerulf (die veel later voor een Hollandse of West-Friese graaf is versleten). Dat is niet onmogelijk. Het is daarentegen waarschijnlijk dat er pas met het opstellen van de lijst zal zijn begonnen ná de moord op Godfried de Noorman in 885. Dan is het inderdaad ook waarschijnlijk dat het eerste deel van de lijst is opgesteld tijdens het episcopaat van bisschop Odilbold, waarop ook de tekstkritische gegevens wijzen. En de laatste bewerking zal inderdaad kort na 919 zijn gemaakt, waarbij we helemaal niet hoeven te veronderstellen dat dit onder bisschop Balderik te Utrecht plaatsvond omdat we kunnen uitsluiten dat die in 918 al bisschop was.

P.A. Henderikx komt tot de gevolgtrekking :

«In de jaren dertig en veertig van de tiende eeuw zijn een tijd lang geen oorkonden in het cartularium afgeschreven. Zo ontbreken vijf oorkonden van Otto I voor de kerk van Utrecht uit de periode 936-944; oorkonden die later wel zijn opgenomen in het Eerste Cartularium van het Liber Donationum (*).» (21).

P.A. Hendrikx wijkt af van de mening van dr. D.P. Blok en legt geen verband meer tussen het opstellen van de lijst en de ‘terugkeer’ van Balderik naar Utrecht. Er is derhalve sprake van een dubbele breuk in de ontwikkeling :

  • De laatste bisschop van Traiectum (Tournehem), Radboud, overleedt in 917 en het laatste document in het Cartularium is van 919; de overige oorkonden zijn invoegingen en vervalsingen die ná de affaire Echternach in het Utrechtse Liber Donationum zijn ingevoegd en ze ontbreken dan ook in het oudere Egmondse Cartularium; bovendien zijn ze niet in de goederenlijst verwerkt;
  • het kan worden uitgesloten dat Balderik, de eerste bisschop van Utrecht, een bewerker was omdat hij onmogelijk in 918 al bisschop kan zijn geweest, het jaar 936 komt als aanvang van zijn episcopaat veel eerder in aanmerking, vóór dat jaar wordt hij immers niet vermeld.

4. Egmond, Utrecht, en de handschriften

We kennen de goederenlijst uit twee nog bestaande handschriften :

  • Het eerste en oudste (gewoonlijk aangeduid als ‘C’) is het Egmondse, eigenlijke Cartularium van Radboud. Het is geschreven in één hand, waaraan door een tweede hand de aantekeningen van Radboud, twee grafschriften en een gebed tot Sint Maarten zijn toegevoegd. Het is een afschrift dat gedateerd wordt op het laatste kwart van de elfde eeuw, op een moment dat de Egmondse abdij nog niet bestond zodat we zouden moeten veronderstellen dat het te Gent werd samengesteld. Maar omdat er oorkonden in voorkomen die wel degelijk op Utrecht betrekking hebben is het hoogst onwaarschijnlijk samengesteld voorafgaand aan de affaire Echternach, dat wil zeggen ná 1156, waarschijnlijk zelfs aanzienlijker later (22). In 1548 bevond dit afschrift zich nog te Egmond. Wat er na de verwoesting van de Egmondse abdij mee is gebeurd is niet bekend. De Egmondse documentatie werd aangetroffen in de bibliotheek van Sir Robert Cotton (1571-1631) en komt voor op een inventaris uit 1696, maar zou zich al in 1621 in deze bibliotheek bevonden hebben. In 1731 werd het door brand beschadigd. In 1753 kwam het in de British Library waar het in 1827 door Georg Heinrich Pertz werd herondekt (23).
  • Het tweede (gewoonlijk aangeduid als ‘D’) maakt deel uit van het Utrechtse Liber Donationum. Het is ook in één hand geschreven en het wordt gedateerd eind twaalfde eeuw; in Utrecht werd het in de vijftiende eeuw ingebonden en het raakte bekend als onderdeel van het Liber Donationum (24) dat door veel schrijvers onterecht als het oorspronkelijke document is beschouwd. Het belangrijkste verschil met het Egmondse Cartularium van Egmond is dat er 25 documenten aan zijn toegevoegd, merendeels vervalsingen.

Hoewel het Egmondse afschrift van het Cartularium ouder is dan dat van Utrecht, wordt er verondersteld dat de laatste geen afschrift is van de eerste, maar dat zich te Utrecht een ouder exemplaar moet hebben bevonden waarvan de twee nog bestaande versies dan afschriften zouden zijn. Het is een gekunstelde en alle archiefregels overtredende veronderstelling. Het Utrechtse Cartularium zou geen afschift kunnen zijn van het Egmondse, maar een oudere, daarvan onafhankelijke bron gehad moeten hebben. Er is echter nooit een kritische uitgave van de twee bronnen tezamen gemaakt en de argumentatie laat zien dat die veronderstelling gebaseerd is op :

  • het ontbreken van één oorkonde in het Egmondse afschrift, uit ongeveer 896, waarin koning Zentibold op verzoek van bisschop Odilbold een horige van de kerk van ‘Elste’ vrijlaat, een oorkonde die in het Utrechtse Liber Donationum kan zijn toegevoegd, dan wel (waarschijnlijker) uit het Egmondse Cartularium van Radboud kan zijn verdwenen, en waaraan geen argumenten kunnen worden ontleend voor de vraag welke van de twee afschriften het dichtst bij het origineel stond.
  • De volgorde van de documenten is niet precies dezelfde, waaraan ook geen argumenten kunnen worden ontleend.
  • De opschriften boven de oorkonden zijn ingevoegd, dan wel uitgebreid in het Liber Donationum, wat er op wijst dat het Cartularium van Radboud dichter bij het oorspronkelijk staat, tenzij er wordt aangenomen dat ze in Egmond zijn weggelaten.
  • De transcriptie van persoonsnamen en toponiemen in het Cartularium van Raboud is archaïscher dan in het Liber Donationum, waarin ze gemoderniseerd zijn; in het Cartularium van Raboud staan bovendien veel fouten in Latijn, veel minder staan er in het Liber Donationum, wat er op wijst dat het Cartularium van Radboud dichter bij het origineel staat.
  • de veronderstelling dat één enkel fragment dat oorspronkelijk in de kantlijn zou hebben gestaan op verschillende plaatsen in de twee afschriften is ingevoegd (“piscatio in Getzeuuald”); waarvoor natuurlijk ook andere verklaringen denkbaar zijn zodat er ook geen argument aan kan worden ontleend.

Om de stelling van een oorspronkelijk Utrechts exemplaar te kunnen onderbouwen geeft P.A. Henderikx ook het volgende argument :

«Bij alle twijfel is één ding wel zo goed als zeker, namelijk dat D [het oudste Utrechtse exemplaar] noch direct noch indirect teruggaat op C [het oudere Egmondse exemplaar]. Zowel het feit dat de vrijlatingsoorkonde van Zwentibold van circa 896 (CR 24) in D wel en in C niet voorkomt, als de verschillende volgorde waarin de aantekeningen van Radbod met de grafschriften en het gebed (CR 26) en de oorkonde van Balderik uit 943 (CR 25) staan, maken dit practisch onmogelijk.» (25).

Dat valt niet in te zien. De oorkonden van koning Zwentibold kan ook uit het Egmondse Cartularium van Radboud verdwenen zijn (26), en de volgorde maakt helemaal niets onmogelijk.

Het verloren gaan van een ouder Utrechtse afschrift wordt als volgt verklaard :

«De archieven van de bisschop van Utrecht en het kapittel van de Utrechtse dom, die in de middeleeuwen één geheel vormen, bevatten thans geen stukken ouder dan de tweede helft van de 12e eeuw. Alle archivalia van voor die tijd zijn op de een of andere manier verloren gegaan. (* (27).
*) Mogelijk bij de brand van de Domkerk in 1148? Over deze brand: E.J. Haslinghuis, C.J.A.C. Peeters, De Dom van Utrecht (’s-Gravenhage 1965) p. 160.

Ook voor Echternach is een brand ingeroepen om de afwezigheid van vroegere documentatie te verantwoorden. Daar werd de vraag niet beantwoord hoe er kopieën konden worden gemaakt van verbrande stukken. Hier wordt de vraag niet gesteld waarom alleen de originelen verbrandden en de toevallig net daarvoor gemaakte afschriften niet. Maar het kan alleen daarom al niet omdat het Utrechtse afschrift niet van vóór 1148 is maar van op zijn vroegst 1170, geruime tijd na de veronderstelde brand.

We zouden al moeten gaan veronderstellen dat Utrecht eind elfde eeuw voor Egmond een afschrift maakte waarvan het origineel vervolgens in 1148 door brand verloren zou zijn gegaan, maar Utrecht maakte tegelijkertijd, voorafgaand aan de brand, een andere kopie voor eigen gebruik, een kopie waarvan rond 1170 (of zelfs aanzienlijk later) nog weer een kopie werd gemaakt, die vervolgens eveneens verloren ging, zodat we nóg een tussen-document moeten gaan veronderstellen tussen B en D, maar dat niet C kan zijn.

Er zijn eenvoudiger, en dus betere veronderstellingen mogelijk :

  • In 1156, toen Echternach van Utrecht met terugwerkende kracht het Traiectum van Willibrord maakte, bleken de Egmondse monniken te beschikken over het Cartularium van Radboud met de goederenlijst van dat bisdom. Toen Egmond rond 1170 een afschrift aan Utrecht overhandigde was het zelf ook met de namen uit de lijst aan het werk; een vijftiental daarvan komen ook voor in de Egmondse vervalsing op het jaar 1083, die eveneens ná 1156 zal zijn samengesteld, meest waarschijnlijk om Utrechtse aanspraken bij voorbaat te kunnen aftroeven (28). Het is onwaarschijnlijk dat Utrecht daartoe een afschrift voor Egmond maakte of liet maken.
  • Meest waarschijnlijk kreeg Utrecht een afschrift onder bisschop Boudewijn van Holland (1178-1196), zoon van graaf Dirk VI van Holland. Had Utrecht eerder over een afschrift beschikt, dan zou het met het Cartularium van Radboud in de hand eisen in Holland hebben gesteld voordat Echternach zich er mee bemoeide. Utrecht maakte immers al in 1038 aanspraak op heel het Hollandse grondgebied.
  • Omgekeerd, nadat de vrede tussen Utrecht en Holland was getekend met de aanstelling van een Utrechtse bisschop uit het Hollandse grafelijke huis bestond er weinig kans meer dat Utrecht het historische document nog tegen Holland kon keren en de abt van Egmond kon rustig een afschrift aan de bevriende bisschop van Utrecht overhandigen. Zo werd de mythe naar twee zijden beklonken.

Is het Utrechtse exemplaar daarentegen een afschrift van het Egmondse, dan is er ook geen antwoord meer nodig op de prangende vraag waarom Egmond zich interesseerde voor een Utrechts document en daarvan een afschrift maakte of ontving :

«Waarom de abdij van Egmond een afschrift van het Cartularium van Radbod heeft willen hebben blijft gissen.» (29).

De handschriften en de verschillen tussen de kopieën wijzen echter ook in een andere richting. Zou het Egmondse afschrift teruggaan op een Utrechts origineel of afschrift, dan blijft onverklaard dat het Egmondse Cartularium van Radboud geschreven is in dezelfde hand als de Wereldkroniek van Regino von Prüm die zeker geen Utrechtse oorsprong heeft (30).

De oorspronkelijke tekst zou een samenvatting van rond 919 zijn van oudere oorkonden teruggaand tot 870 of nog ouder. We hebben echter alleen de beschikking over een afschrift uit het laatste kwart van de elfde eeuw en een ander afschrift uit de tweede helft van de twaalfde eeuw. Voor alle duidelijkheid : we hebben dus geen tekst uit 870, maar een tekst uit, op zijn vroegst, 1075, waarschijnlijker 1100. Dit betekent dus ook dat we elfde-eeuwse, en geen negende-eeuwse plaatsnamen in de goederenlijst zouden kunnen verwachten. De namen zijn echter ontegenzeggelijk ouder. Er is rond 1075 en 1170 blijkbaar geen poging gedaan voor Utrechts of Hollands aangeziene namen een ‘moderner’ vorm te geven; een duidelijke aanwijzing dat de twaalfde eeuwse monikken met de namen al net zo weinig raad wisten als de twintigste eeuwse exegeten.

Zo verkreeg Utrecht, dat tot dan zelf in het geheel niets bezat betreffende Willibrord of over de schenkingen die tijdens zijn leven aan zijn bisdom waren gedaan, een afschrift van een elfde-eeuws afschrift van de documentatie van het dan al lang niet meer bestaande bisdom Traiectum.

5. Wie was Radboud ?

Gaan we op zoek naar Radboud dan merken we al snel dat we te maken hebben met een geval van wonderbare bisschopsvermenigvuldiging, want we vinden hem als bisschop van Trier (als opvolger van Egbert, de zoon van graaf Dirk II van Gent) én als bisschop van Traiectum. De twee hadden dezelfde naam, leefden in dezelfde periode en maakten dezelfde dingen mee.

Radboud (899-917) was de laatste, louter titulaire bisschop van Traiectum. Eerder was hij lekenabt van Aefternacum, aartsbisschop van Trier en tevens kanselier van koning Zwentibold (31). Hij verwierf een bisschopstitel zonder inkomsten. Onder hem werd de goederenlijst aangevuld waardoor het geheel bekend raakte als het Cartularium van Radboud. Kort na het overlijden van Radboud in 917 houdt het bisdom, dat toch al niet meer dan een louter formeel bestaan leidde, op te bestaan.

De perkamenten erfenis van het bisdom, waaraan geen inkomsten meer waren verbonden, belandde meest waarschijnlijk eerst in Trier, dat banden had met Echternach. Telkens zien we dezelfde twee lijnen : de ene van St.-Omaars via Gent naar Egmond, de andere van Traiectum (Tournehem) via Trier naar Egmond, met Echternach als het grote punt van verwarring dat uitmondt in Utrecht, waarbij er vervolgens eveneens wordt gesteund op via de graven van Gent in Egmond verwaaide documenten over datzelfde Traiectum die meest waarschijnlijk oorspronkelijk eveneens uit Trier kwamen.

De Vita Radbodi is alleen bekend uit een vijftiende-eeuws handschrift (32). Tijdens het leven van Radboud had niemand de indruk dat deze bisschop een erg vroom leven leidde. Maar dat komt, zo wordt in zijn vijftiende-eeuwse hagiografie uitgelegd, doordat hij dat zo goed verborgen wist te houden Zo maakte hij iedereen wijs dat hij wijn dronk, terwijl het in werkelijkheid water was. En, voorwaar, een wonder, toen iemand een slok uit zijn kelk nam om dat na te gaan bleek daar plotseling toch wijn in te zitten ! Vandaar dat Radboud door Anton van Hooff in De Gelderlander van 22 september 2004 een “stiekeme waterdrinker” is genoemd (33).

6. De historische bluf van Nijmegen

Aantekeningen
«KEIZER KAREL UNIVERSITEIT
De Alma Mater van Nijmegen is zelf ook niet een van de eerlijkste. De KU, Katholieke Universiteit is in 1923 gesticht onder detitel “Keizer Karel-Universiteit”. Dit predikaat heeft zij enkele jaren geleden laten vallen om het te vervangen door KU. Daarbij werd de motivering gegeven dat dit gebeurde om nadruk te leggen op het katholieke karakter van de universiteit, een enorme drogreden en een enorme wimpel voor de ogen van de leken, daar eenieder weet dat het sindsdien alleen maar bergaf is gegaan met dat katholieke karakter. De ware reden voor het veranderen van de naam is, dat bij velen in de eigen universitaire kring van Nijmegen de twijfel aan karolingisch Nijmegen al diep was doorgedrongen. Men wilde het risiko niet lopen die titel nog op de voorgevel te hebben wanneer het debakel zou losbarsten, dat men toch zag aankomen, en dat eenieder zich dan vrolijk zou maken. Daarom liet men de naamplaat bijtijds verdwijnen in de hoop dat zij vergeten zou worden, overeenkomstig het bekende recept van het Bronnenboek voor het uitwissen van sporen. In de eerste jaren van de kwestie werden mijn bedenkingen over Noviomagus opgevat als een aanval op de universiteit. Wie dit niet kan aannemen of wil ontkennen, moet er de artikelen van Post maar eens op naslaan, vooral zijn dagblad-artikelen waarin hij geheel Nijmegen te wapen riep. Het gebeurde overigens ten onrechte, daar een historicus zich niet druk behoeft te maken over 20e eeuwse naamgevingen, wat ik dan ook niet heb gedaan, net zo min als een haar op mijn hoofd eraan heeft gedacht om het straatnaam bord “Keizer Karel-Plein” uit de grond te trekken. Het dient juist in der eeuwigheid te blijven staan tot vermaak van de toeristen. Het getuigde van een onnozel historisch inzicht, dat die naamgevingen als argument en “bewijs” werden aangevoerd. Nu getuigt het van misleiding, dat de vlag aan de voorgevel werd binnengehaald en de goegemeente een andere dan de juiste verklaring kreeg voorgeschoteld.»
(De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 235).

De Katholieke Universiteit van Nijmegen heeft sinds 1 september 2004 de naam Radboud-Universiteit (zonder ‘Sint’, om het katholieke weg te moffelen) aangenomen. Daarbij wordt een beroep gedaan op een heel andere bisschop dan de fictieve van Nijmegen uit het Bronnenboek van die stad die evenwel te Noyon zetelde, namelijk de laatste bisschop van Tournehem in Frans-Vlaanderen, die, in zijn functie van beschermheilige van de specifiek katholieke wetenschapsbeoefening, het historische geknoei van de universiteit mag toedekken met zijn bisschoppelijke mantel. Aan de voorzitter van het College van Bestuur, Roelof de Wijkerslooth, werd discreet de volgende vraag gesteld :

«Hoogleraren gaven in een enquête de voorkeur aan Keizer Karel als naamgever boven Radboud. Waarom daar niet voor gekozen?»

Hij antwoordde, de eigenlijke kwestie omzeilend :

«Dat idee grijpt terug op de eerste rector van de universiteit, Jos. Schrijnen. Heel lang is die naam in beeld gebleven als alternatief, maar ik zie er niks in. Het probleem van de eenheid is er niet mee opgelost, want het UMC [het Universitair Medisch Centrum van de St.-Radboudstichting] heeft helemaal niks met Keizer Karel.» (34).

Weg Keizer Karel ! De universiteit van Nijmegen slaagt er nog altijd niet in om de vroeg-middeleeuwse geschiedenis van de stad uit handen te nemen van een stelletje theologen. Sinds 1982 zijn die niet in staat geweest om te antwoorden, maar ondertussen gaan binnenshuis de zwartmakerijen door. Zo verklaarde de Nijmeegse gemeentelijke CDA-fractie-voorzitter dr. Ad Lansink op zaterdag 27 november 2004 vanaf de preekgestoelte van de Stevenskerk te Nijmegen heel academisch :

«Ik zou bijna een lans gaan breken voor Albert Delahaye, de gefrustreerde oud-gemeentearchivaris, die zijn scheldpartijen baseerde op zijn passie voor de historische waarheid, die hij overigens nooit gevonden heeft. Schrijven en schelden: een actueel thema, voor betweters, maar ook voor biografen.» (35).

Wie al veertig jaar betweterig met de mond vol tanden staat en alleen maar kan schelden en pluimstrijken –  argumenten ho maar ! – heeft natuurlijk allang de hoop opgegeven nog te kunnen bijten. Vandaar dat het vraagstuk door de bijna lansbrekende Lansink liever wordt omgedraaid met een psychologiserende benadering. De Universiteit van Nijmegen heeft de naam die het volop verdient ondertussen geheel zélf uitgekozen; die van een afgedankte intrigant en nep-heilige uit Frans-Vlaanderen.

In een televisieprogramma van 3 juni 2005 (“Twee vandaag”) ter gelegenheid van het bezoek van koningin Beatrix aan de stad die beweert al tweeduizend jaar zonder onderbreking te bestaan kon stadsarcheoloog J. Thyssen van Nijmegen wél een erepijler van keizer Tiberius uit 16 na Chr. laten zien, maar niets uit de vroege middeleeuwen (36).

7. Het historisch moeras van Utrecht

De Utrechtse archeologie vertoont geen bewoning van betekenis tot aan de tiende eeuw. In het negende eeuwse Traiectum was er een St.-Maartenskerk. In Utrecht is er géén St.-Maartenskerk en er bestaan zelfs geen aanwijzingen dat Sint Maarten vóór de tweede helft van de vijftiende eeuw in die stad bekend was (37).

Het is rond 940 dat het bisdom Utrecht ontstaat, zonder enige continuïteit of band met het voormalige bisdom Traiectum. Balderik († 975) – zelf van Noord-Franse afkomst en gestudeerd hebbende te Tours – wordt er de eerste bisschop. Utrecht beschikt over geen enkele oudere documentatie en gaf tot drie eeuwen na haar stichting geen blijk van enig besef de voortzetting te zijn van een vroeger bestaand hebbend bisdom Traiectum.

8. Kennemerland

In de goederenlijst zou een aantal Kennemerse plaatsen zijn vermeld : Beverwijk (Bevorhem, met kerk), Haarlem (Haralem), Velsen (Felisun, Velesan), Bakkum (Batchem), Bergen (Bergum) en Hargen (Haragum) bij Schoorl. Het is de vraag of dat juist is.

M. Gysseling en A.C.F. Koch beweerden in 1950 niet meer dat Bevorhem uit 870 Beverwijk was maar dr. D.P. Blok zette het in 1957 weer op de lijst. In 1250 zou er in de buurt een plaats met de naam Aagtendorp hebben bestaan. In een document uit 1358, dat een kopie zou zijn van een document uit 1267, wordt ‘Wijc’ genoemd. Pas nóg later verschijnt de naam Beverwijk. Nergens in de omgeving zijn een Gisleshem, Hegginghem of Schupildhem te vinden die in verband met Bevorhem worden genoemd. Bevorhem had in 870 een kerk. De oudste delen van de Beverwijkse kerk zijn uit de vijftiende eeuw. Archeologisch is er niets gevonden dat ouder is dan op zijn vroegst de tiende, waarschijnlijker de twaalfde eeuw. Uit de achtste en negende eeuw is er in het geheel niets. De hele speculatie was in 1950 al afgeschreven, maar dat neemt niet weg dat er rustig op door wordt gefantaseerd. Tussen 870 en 1358 liggen bijna vijf eeuwen, en in 1358 bestond de naam Beverwijk nog altijd niet. Maar dat is nog niet genoeg voor sommige fantasten die het allemaal nóg ouder willen hebben :

«Ten noorden van Adrichem en Velsen treffen we omstreeks de achtste of negende eeuw een viertal nederzettingen aan. Het goederenregister van de Sint-Maartenskerk te Utrecht bevat namelijk een passage die in vertaling als volgt luidt: ‘In Beverhem heeft Gutha een nog niet ingewijde kerk in eigendom gegeven aan Sint-Maarten, en wel onder de voorwaarde dat, na wijding van de kerk, tienden voor de kerk worden opgebracht door de nederzettingen (villis) genaamd Beverhem, Gisleshem, Hegginghem en Schupildhem’.»

Adrichem komt in de goederenlijst niet eens voor. Velesan wél, maar dat is Velsen niet. Nergens staat dat Bevorhem en de andere plaatsen ten noorden van Adrichem of zelfs maar Velisan lagen. Dat is allemaal ontsproten aan de vooropgestelde mening van de schrijvers, die er dan nog een schepje bovenop doen :

«De schenking van Gutha moet ongeveer in de periode 750-850 geplaatst worden. De eerste missionarissen arriveerden rond 720 in Velsen, dus de eigenkerk van Gutha ten noorden van Velsen kan niet veel eerder dan rond 750 zijn gesticht. Anderzijds kan de schenking aan Sint-Maarten niet later dan rond 850 hebben plaatsgevonden, want daarna verloor de Utrechtse kerk alle controle in het kustgebied aan de Noormannen.» (38).

Het is jammer voor de schrijvers, maar van enige aanwezigheid van Noormannen in Kennemerland is nooit iets gebleken. De datum van de schenking, uit een lijst van rond 870, wordt ook meteen een beetje opgerekt in de richting van 720, dat is weer anderhalve eeuw meegenomen, zodat het gat inmiddels meer dan zes eeuwen beslaat. In de goederenlijst is ook geen band te vinden tussen Velesan en Bevorhem. De schrijvers vervolgen :

«Over de ligging van plaatsen in het goederenregister zijn vele controverses gerezen.»

In de Oorkonden van Holland en Zeeland wordt Egmond als eerste Kennemerse plaats genoemd : volgens een vervalsing op het jaar 1162 zou het bezit van de abdijkerk te Egmond zijn hersteld van de kerk van Vlaardingen, die haar door graaf Arnulf zou zijn geschonken maar door graaf Dirk V weer ontnomen (39). Heemskerk wordt voor het eerst vermeld in een verloren gegaan document uit 1203; graaf Dirk VII beleent dan heer Gerard van Haarlem en dien zoons en dochters met de tiend van Heemskerk. Daarna worden in 1224 Petten en Groet genoemd : Graaf Floris IV schenkt Nikolaas Persijn van Haarlem en Willem van Egmond het land Weich, buiten de dijk van Petten en Groet, met het recht het ter bedijking in vrije eigendom uit te geven en hij beleent hen met de rechtsmacht en de tiend aldaar (40). De eerstvolgende plaats die dan vermeld wordt is Haarlem. In 1245 verleent graaf Willem II, in een oorkonde waarvan de echtheid omstreden is, een keur aan de burgers van Haarlem (41). In 1248 verkoopt graaf Willem II samen met zijn broer Floris de hof te Heemskerk aan Simon van Haarlem en Wouter van Egmond, we beschikken daarvoor alleen over een later afschrift (42). Eveneens in 1248 zou graaf Willem II de abdij van Egmond 20 hoed gerst per jaar hebben toegekend uit de tienden van Tesse in ruil voor de helft van Alkmaar met tol en muddepenning; we beschikken echter alleen over een vervalsing uit 1317. In 1248 schenkt graaf Willem II aan de abdij van Egmond de kapel van Hillegom en bevestigt hij haar rechten en bezittingen. Eveneens in 1248 bevestigt Floris, zoon van de graaf van Holland de ruil van goederen en rechten aangegaan door zijn broer rooms-koning Willem en de abdij van Egmond (43), en in hetzelfde jaar schenkt graaf Willem II de novale tienden, rodeland geheten, van de kerken van Voorhout, Noordwijk en Sassenheim aan de abdij van Egmond en bevestigt Floris, broer van rooms-koning Willem de schenking van zijn broer aan de abdij van Egmond van de novale tienden, rodelant geheten, van de kerken van Voorhout, Noordwijk en Sassenheim (44).

Alles bij elkaar is er dus geen plaatselijke documentaire bevestiging voor een eerder bestaan van die plaatsen terwijl de archeologie de beweringen tegenspreekt.

9. Het namenbestand volgens M. Gysseling, A.C.F. Koch en dr. D.P. Blok

Kwamen M. Gysseling en A.C.F. Koch in 1950 tot een duiding van niet meer dan 61 van de 179 namen, dr. D.P. Blok lengde de lijst aan met nog twaalf namen die door M. Gysseling en A.C.F. Koch nu juist niet waren aanvaard, en dr. D.P. Blok legde al net zo min verantwoording af anders dan dat “veel van deze identificaties al gemeengoed zijn”; een dooddoener om te verbergen dat ze nooit serieus beargumenteerd zijn en hij geeft zelfs geen literatuurverwijzing.

M. Gysseling, A.C.F. Koch en dr. D.P. Blok zijn uitgegaan van het vooropgezette idee dat het om niet anders dan Hollandse plaatsen kon gaan. Ze werkten uitsluitend met naamkunde die bovendien onverantwoord bleef en lieten de archeologie buiten beschouwing en lieten een dubbelcontrole vanuit plaatselijke documenten achterwege.

Dat laat ook de waarde zien van het argument dat Albert Delahaye zijn plaatsingen documentair noch archeologisch heeft verantwoord. De archeologie hangt af van toevalsvondsten, waarvoor de archeologen voor een zeer groot deel zijn aangewezen op de welwillendheid van bouwondernemers en de oplettendheid van amateurs. Vandaar dat er in Nederland, ondanks veel en systematische onderzoek, weinig is gevonden, terwijl er in Noord-Frankrijk, waar veel is gevonden, weinig systematisch onderzoek is gedaan; door de ontstolen geschiedenis is er daar ook nooit naar gezocht. Het documentair onderzoek vindt vooral plaats in Noord-Frankrijk en veel materiaal is weinig toegankelijk, zeker voor Nederlandse historici die er niet eens mee bekend zijn.

M. Gysseling, A.C.F. Koch en dr. D.P. Blok beweren de streek te identificeren aan de hand van de plaatsnamen maar in werkelijkheid slaan ze meer dan de helft van de namen over. Evenzo wordt er beweerd dat het zwaartepunt van het tweede Noormannenrijk zich in het westen bevonden schijnt te hebben terwijl dat enkel uit de geplaatste namen is afgeleid terwijl niemand weet waar de andere plaatsen lagen. Ook van de “zekere geografische volgorde” waarin de namen in de goederenlijst schijnbaar te vinden zijn wordt de onjuistheid aangetoond door de meer dan negentig ontbrekende plaatsnamen. Zo zijn conclusies tot uitgangspunt verheven terwijl het meeste bewijsmateriaal in de kast blijft liggen omdat het met die conclusies in strijd is. Tenslotte is er van al dat Utrechtse bezit documentair verder in de geschiedenis niets gebleken, zoals dr. D.P. Blok zelf moest vaststellen :

«Bezien we b.v. de in de lijst genoemde kerken, dan blijken alleen Limmen, Lekkerkerk, Ouderkerk en Krimpen behouden of weer teruggewonnen te zijn. Rijswijk, Upkiricka bij Dorestad, Houten, Valkenburg, Beverwijk en Holtsele vinden we later niet meer in het bezit van de Utrechtse kerk terug. Ook van de meeste andere bezittingen vinden we later geen sporen meer in de Utrechtse bronnen.» (45).

Met ‘de meeste andere bezittingen’ bedoelt dr. D.P. Blok : ‘alle andere bezittingen’. Van de genoemde kerken is archeologisch noch documentair verder iets teruggevonden voor de achtste, negen, of zelfs maar de tiende eeuw.

Wat er zo voor de naamkunde overblijft is niet veel meer dan gegoochel met naamsvormen, de mogelijke ontwikkeling van uitspraak en schrijfwijzen en al dan niet mogelijke etymologieën. Wat er verder aan algemene opmerkingen over de historische context wordt gemaakt kan niet ten gunste van Utrecht worden aangewend omdat het veel beter past in Frans-Vlaanderen. Dan verwijzen dr. D.P. Blok, net als P.A. Henderikx trouwens, ook nog naar de ‘koningsoorkonde’ van 948, hoewel die een vervalsing is en geeft de. D.P. Blok toe zich “volop op het terrein van de hypothese” te begeven, terwijl P.A. Henderikx het hele namenbestand maar weglaat.

10. Conclusies

Wie begint na te denken over de ‘Nederlandse’ plaatsingen en er de literatuur op naslaat moet de absurditeit van het geheel wel in het oog gaan springen. We hoeven ons niet eens af te vragen of de weinige plaatsingen in Utrecht en Holland gedekt worden door de archeologie, want dat is niet het geval, om te beginnen niet voor de negende-eeuwse kerken van Bevorhem, Galana, Haltna, Limbon, Riswic, Thorhem, Tlex, Upchirika en Valcanaburg die geen van alle kunnen worden aangewezen, wat op zich al afdoend is.

Naast de namen uit de goederenlijst van het bisdom Traiectum kunnen de honderden namen uit de documentatie van het klooster Aefternacum in dezelfde Noord-Franse streek worden aangewezen, wat de juistheid van de plaatsing een onafhankelijke bevestiging geeft.

Albert Delahaye kwam tot deze gevolgtrekking :

«Enkele plaatsnamen zijn in de streek van Tournehem niet aan te wijzen, tenzij op een veronderstelling, die hier als zodanig gegeven en niet verdoezeld wordt. Op het totaal doen deze enkele gevallen geen afbreuk aan de rest, daar de overgrote meerderheid van de plaatsnamen een overtuigende determinatie krijgt, waarbij een groot aantal nu nog volledig gelijkluidende namen van doorslaggevende betekenis is.
Er mag evenwel bij voorbaat de mogelijkheid opengelaten worden, dat voortgezet onderzoek tot correcties zal leiden, wat slechts plezierig is wanneer een veronderstelling door een zekerheid of een betere waarschijnlijkheid vervangen kan worden.
De bewijskracht van deze lijst ligt vanzelfsprekend in de totaliteit van het complex. De gehele materie uit de oorkonden van Tournehem plus de geografische details uit de levens van de heiligen wordt in een wijde boog rondom Tournehem aangewezen.
Deze bewijsvoering kan alleen tenietgedaan worden door het aanwijzen van alle plaatsen in een kring rondom Utrecht met het zwaartepunt in Friesland, en aangezien dit na 6 eeuwen mythen niet is gebeurd en Utrecht er nog altijd eenzaam bij ligt met het manco van de andere honderden plaatsnamen uit de historische documentatie, behoeft niemand meer te hopen of te vrezen (al naar gelang zijn instelling tegenover de mythen) dat van de meer dan 500 ongeplaatste namen nog ooit iets – laat staan alles – in Holland overtuigend zal aangewezen worden. Het gehele complex ligt immers in Frans-Vlaanderen.»
 (46).

Een paar conclusies lijken in ieder geval gerechtvaardigd :

  • het gebied van de in Nederland aangewezen plaatsen was vooral één groot soppend onbewoonbaar veenmoeras, wat bevestigd wordt door de archeologie, die in Utrecht zelf bijvoorbeeld pas doorlopend in de tiende eeuw begint en in Holland nog later, en door de plaatselijke documentatie die voor Utrecht pas rond 940 begint en in Holland zelfs veel later, en wel zonder enig aanwijsbaar verband met de goederenlijst uit 870;
  • de archeologie heeft inmiddels formeel uitsluitsel gegeven over de vraag of die plaatsen in 870 bestonden : ondanks allerlei ‘sporen’ is er niets uit de grond gekomen dat die veronderstelling kan rechtvaardigen;
  • de namen van de plaatsen die in Nederland zijn aangewezen zijn echte of schijnbare verdubbelingen, soms is er niet meer dan een oppervlakkige overeenkomst in klank of schrijfwijze met de namen uit de goederenlijst;
  • als regel liggen er eeuwen tussen de periode waarin de goederenlijst werd samengesteld en de eerste vermelding van een Nederlandse plaatsnaam die daarmee in verband wordt gebracht.

Vervolg Volgende


Noten

1. De goederenlijst kan niet van de St.-Maartenskerk in Utrecht zijn geweest omdat zo’n kerk in Utrecht voor 870 nooit is aangewezen. Het gaat om een lijst, en niet om een register. Literatuur onder andere :

  • Het oudste cartularium van Utrecht / B.J.L. de Geer van Jutfaas. – in : Études archéologiques, linguistiques et historique, dédié à M. le Dr. C. Leemans. – Leiden, 1885. – p. 287 en verder;
  • Het oudste cartularium van het Sticht Utrecht / uitg. door S. Muller Fz. – ’s-Gravenhage : Nijhoff, 1892. – lxxxv, 276 p. – (Werken ; 3e serie, nr. 3);
  • Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301. Deel I [695-1197] / uitgegeven door Samuel Muller Fz. en A.C. Bouman. – Utrecht : Oosthoek, 1920. – xvi, 471, 144 p.;
  • Het cartularium van Radbod / P.A. Henderikx. – In : Datum et actum. Opstellen aangeboden aan Jaap Kruisheer ter gelegenheid van zijn vijfenzestigste verjaardag / onder red. van D.P. Blok [et al.]. – Amsterdam : Meertens Instituut, 1998. – vii, 455 p. – (Publicaties van het Meertens Instituut ; dl. 29). – p. 131-264; zelfde tekst : Het Cartularium van Radbod. – In : Land, water en bewoning. Waterstaats- en nederzettingsgeschiedenis in de Zeeuwse en Hollandse delta in de Middeleeuwen. Keuze uit de verspreide opstellen / Peter A. Henderikx. – Hilversum : Verloren, 2001. – 351 p. – (Amsterdamse historische reeks ; dl. 26. Grote serie). – p. 241-330
    De historische geografie wordt hierin zo goed als geheel veronachtzaamd.

Dat kan worden afgewogen tegen :

Voor een andere web-versie van de tekst (uit april 2005, zonder vertaling), zie : Nederlandse Middeleeuwse Bronnen.

2. Heel anders het Oorkondenboek van Holland en Zeeland, waarin veel ruimere criteria zijn gehanteerd omdat er anders, net als in de Diplomata Belgica, tot 1101 alleen die ene vervalste Egmondse oorkonde kon worden opgenomen die in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag berust; zie : De oorkonden van Holland en Zeeland tot 1101.

3. Men leze aandachtig de rancuneuze passages die betrekking hebben op prof. dr. Otto Oppermann uit Utrecht waarbij er geen gelegenheid wordt gemist om hem af te katten. In diens Die älteren Urkunden des Klosters Blandinium und die Anfänge der Stadt Gent uit 1928 had hij het namelijk gewaagd de vervalsingspraktijken van het Gentse St.-Pietersklooster aan de kaak te stellen, een enorme verdienste en wetenschappelijke vooruitgang die nooit ter discussie is gesteld. Toch is het hem nooit vergeven, net zo min als zijn latere analyses van de Egmondse documentatie, zie : De Annalen van Egmond, samengesteld te Gent. Dat er vervalsingen waren gemaakt kon niet meer worden ontkend, maar er kon wel worden geprobeerd om zoveel mogelijk op de argumenten af te dingen en Oppermann als geleerde verdacht te maken.

4. Zie : Willibrord.

5. Holle boomstammen, t.a.p., p. 259-260.

6. Voor Dorestadum, zie : Van Dorestadum tot Waderlo / Albert Delahaye. – Zundert, 1979; en : Holle boomstammen, t.a.p., p. 166-200. Dorestadum wordt traditionalistisch opgevat als Wijk bij Duurstede, een plaatsing waarvoor evenwel geen enkel bewijs is geleverd; zie : Spiegel Historiael, maandblad voor geschiedenis en archeologie, Special Dorestad – Haarlem  Fibula-Van Dishoeck, jaargang 13, 1978, nr. 4, april. Daar is te lezen, in een bijdrage van W.A. van Es :
«Ook wij zelf zijn er van overtuigd dat de sporen van de uitgestrekte vroeg-middeleeuwse nederzetting, waarop ons onderzoek zich nu al meer dan tien jaren richt, inderdaad van Dorestad afkomstig zijn. Sinds kort heeft echter Delahaye in enkele geschriften kritiek op deze opvatting geuit. Het kan geen kwaad er op te wijzen dat een strikt bewijs ten dezen door de opgravingen nooit geleverd is. Dit soort van kwesties, die de identificatie van historisch overgeleverde plaatsen betreffen, zijn met archeologische middelen alleen ook vaak moeilijk op te lossen. Het valt immers nauwelijks te verwachten dat wij nog eens een bord met het opschrift ‘hier lag Dorestad’ zullen opdelven. Maar, afgezien van de traditie waaraan in dit geval ook een niet-katholiek grote waarde mag hechten, is er zoveel circumstantial evidence dat er geen aanleiding bestaat om de heersende opvatting in twijfel te trekken. Waar zou een plaats waarvan in de contemporaine bronnen overgeleverd is dat hij aan Rijn en Lek gelegen was, anders dan bij Wijk te zoeken zijn? Bovendien is Delahaye’s uitgangspunt wel zeer ver gezocht. De Rijn waarvan de vroeg-middeleeuwse bronnen in verband met Dorestad spreken, zou niet de Rijn zijn, maar een klein riviertje, thans Rhin geheten, dat men in Noord-Frankrijk vinden kan. De op dit excentrieke uitgangspunt gebaseerde argumentatie leidt tot zo absurde en gewrongen gevolgtrekkingen, dat een gedetailleerde weerlegging nauwelijks de moeite waard lijkt.» (p. 198).
En die is er dan ook nooit gekomen. Over eerdere opgravingsresultaten wordt daaraan toegevoegd :
«Er bestonden toentertijd bepaalde theorieën over hoe een dergelijke vroege handelsnederzetting eruit behoorde te zien. Op grond daarvan had Holwerda van te voren eigenlijk al min of meer een idee van wat hij vinden moest en hij was gauw geneigd om in zijn opgravingsresultaten de bevestiging van die vooropgezette ideeën te vinden.»
Sommige dingen veranderen blijkbaar niet. Het vet is hier toegevoegd. Dat “een strikt bewijs nooit geleverd is” is bepaald geen overdrijving want er is bijvoorbeeld niets opgegraven dat op een kerk lijkt hoewel Dorestadum er volgens de bronnen meerdere moet hebben gehad.

7. Diplomata Belgica ante annum millesimum centesimum scripta. 1. Teksten / ed. M. Gysseling en A.C.F. Koch. – Brussel : Belgisch Interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek, 1950. – lxxxviii, 461 p. – nr. 195. – tekst 44, p. 76-78, hier uitgebreider aangehaald omdat deze oorkonde bij Albert Delahaye ontbreekt. Voor de juiste plaatsen, zie : De ware kijk op..., deel I, tekst 283, p. 172, en : tekst 379, p. 203. Andere in dezelfde tekst genoemde plaatsen, met tussen ronde haken de interpretatie van M. Gysseling en A.C.F. Koch en tussen vierkante haken aanvullingen daarop : VUidingaham (onbekend, bij St.-Omaars [Widehem]), VUolingaham (=Huolingaham, Eulinghehem onder Éperlecques), Ciampingaham (onbekend [Capinghem]), Iunchold (onbekend), Hilsferod (onbekend), Lardbruca (onbekend), Greuia (onbekend [Grevelingen, Frans Gravelines]), Hirnethold (onbekend), Dakingahem (onbekend [Duinkerke]), Gruononberg (Groeneberg onder St.-Winoksbergen), Vuesarinium (Wizernes bij St.-Omaars), Teruanna (Terwaan), Coiacus (Coyecques bij St.-Omaars), Hilkinium (Heuchin bij Atrecht), Aldomhem (Audrehem bij St.-Omaars), Gisna (Guînes bij Boulogne), Scala (Escalles bij Boulogne), Thornbodashem (Tubersent bij Montreuil), Pupurningahem (Poperinge bij Ieper), Marisco (onbekend [Le Marais]), Buosingahem (Boezegem bij Duinkerke [of Boëseghem]), Recca (Recques bij St.-Omaars), Furnis (Veurne, West-Vlaanderen), Merkisa (Marquise bij Boulogne), Loom (Loon bij Duinkerke), Sentinas (Synthe bij Duinkerke), Calmuntis (Caumont bij Montreuil), Kelmis (Quelmes bij St.-Omaars), Atquinium (Acquin bij St.-Omaars), Beingahem (Bayenghem-lez-Seninghem bij St.-Omaars), Rumingahem (Ruminghem bij St.-Omaars), Sinningahem (Seninghem bij St.-Omaars), Okkingahem (=Hokningahem, Hocquinghem bij Boulogne), Liegesborht (Lisbourg bij Atrecht), Vermandinse (Vermand bij St.-Quentin), Hebbencurt (Hesbécourt, Somme).
De plaats wordt eveneens vermeld in het twaalfde eeuwse cartularium van de St.-Bertijnsabdij te St.-Omaars dat zich in de bibliotheek van Boulogne bevindt, in een oorkonde van 20 juni 877, waarin Keizer Karel de Kale beschikkingen maakt omtrent goederen die aan de abdij toebehoren, waaronder In Daventre portu mansa VII (Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301, t.a.p., p. 91, nr. 81).

8. De voor Deventer opgeëiste documenten ontbreken natuurlijk in de handboeken van de Pas-de-Calais.
«L’ancienne Divernia était située sur la grande voie de Thérouanne à Boulogne, dite voie des Césars, à son point de jonction avec celle qui, du Septemvium, aboutissait à cette dernière ville. Elle a dû, à sa situation sur l’Enne (la Liane), le nom de Desurennes.
Ste.-Aure jetée par la tempête sur les côtes de la Morinie en 383, se retira dans une forêt près de Desvres; elle y subit le martyre pour garder son vœu de chasteté. L’exemple de ses vertus contribua à propager le christianisme dans ce canton. En 828, Desvres eut comme Boulogne une église souterraine, quoiqu’à cette époque les pirates du nord n’eussent pas encore commencé leurs incursions. Le comte Baudouin-Bras-de-Fer protégea la bourgade en 861, par une forteresse qu’il y fil construire.
En 1071, Desvres devint le chef-lieu d’un des bailliages du comté de Boulogne. Le comte Eustache et son épouse Marie d’Écosse, fondèrent en 1108, près de cette ville, une léproserie pour les pauvres qui étaient travaillés du mal des ardens,
plaga ardentium.».
Departement du Pas-de-Calais. Dictionnaire des communes [2 delen] / M. Harbaville. – [Reprint]. – Paris : Res Universis, 1992. – 386, 370, 12, 13 p. – (Oorspronkelijke uitgave 1842). – deel II, p. 42.
Dictionnaire topographique, t.a.p., p. 122 : Desvres, kantonhoofdplaats, arrondissement Boulogne-sur-Mer; Deverna, 1172; Diverna, 1173; Davre, 1201; Diurnia, 1215; Dyvernia, 1228; Divernia, 1240; Devra, 1248; Devernæ, dertiende eeuw; Devrene, 1393; Desverne, 1422; Desvrene, 1553; Desvrennes, zeventiende eeuw; Desurene, achttiende eeuw; «Desvres, ville de loi de la sénéchaussée de Boulogne, chef-lieu d’un bailliage et prévoté royale instituée au XIIe s. et supprimée en 1745, avait une coutume locale rédigée en 1550, suivant la coutume de Boulonnais. Son église paroissiale, d’abord diocèse de Thérouanne, doyenné de Frencq, puis de Boulogne, doyenné d’Alette, était consacrée au Saint Sauveur [=Sint Salvator] et à saint Nicolas; les chanoines gradués d’Ypres présentaient à la cure.»
Dr. D.P. Blok – M. Gysseling en A.C.F. Koch volgend – onder weglating van de andere namen en in ander verband geplaatst :
«Waar we schenkingsoorkonden of -aantekeningen over hebben, blijken het vrijwel steeds schenkingen van particulieren te zijn; alleen een schenking in Gent gaat van de koning uit, verder kan de schenking van Velzen/Adrichem aan Echternach op koninklijk bezit betrekking hebben en ook van het bezit van Sint Bertijns [bedoeld de St.-Bertijnsabdij te St.-Omaars] te Deventer is dat aannemelijk. De schenkingsoorkonde van koning Theoderik I voor Sint Vaast [bedoeld de St.-Vaastabdij in de omgeving te Atrecht] (± 680) van goederen in de Betuwe is een falsum.»
(De Franken, eerste druk, t.a.p., p. 55-58).

9. Departement du Pas-de-Calais. Dictionnaire des communes [2 delen] / M. Harbaville. – [Reprint]. – Paris : Res Universis, 1992. – 386, 370, 12, 13 p. – (Oorspronkelijke uitgave 1842). – deel 1, p. 180 : «Grosville. – Du Teuton gross, grand, et villa, métairie. Etait tenu de l’abbaye de Corbie dès l’an 825.» Grosville wordt als Gruosna ook vermeld in een schenking aan de kerk van Traiectum van 23 maart 838, Cartularium van Radboud, nr. 20, zie De oorkonden uit het Cartularium van Radboud. De Franse abdij Corbie is niet te verwarren met de Duitse abdij Corvey, die vanuit de eerste werd gesticht. Door de vele ‘Teutoonse’ naamrelicten in de omgeving worden ook de ‘Teutonen’ in hun juiste streek van oorsprong geplaatst.

10. Dictionnaire topographique, t.a.p., p. 147 : «Ferques, canton de Marquise. – Frekena, 877 (Histor. de Fr., t. VIII, p. 664 D; dipl. Caroli Calvi). – Frekenes, 1112 (privil. comit. Gisn. f° 1 v°). – Fercnes, 1124 (ch. de Saint-Bertin., n° 152)». Zie ook : Departement du Pas-de-Calais, deel 2, t.a.p., p. 65. Voor de traditionalistische geschiedenis van Frechen in het Rijnland, aangevuld met een paar latere vervalsingen uit Echternach, zie: Frechener Geschichtsverein. Voor Frekena (Ferques/Frechen), zie ook : De ware kijk op..., deel 1, t.a.p., p. 195, tekst 352.

11. Zie : Ontspoorde historie, t.a.p., tekst 204, p. 248, bronnen : Muller-Bouman, Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, nrs. 71 en 72. De aanwezigheid van Keulen wordt verklaard doordat het bisdom wereldlijk tot Frankrijk behorende gebieden onder zich had. Terzijde : de ‘Bisschop van Nijmegen’ moest bij deze gelegenheid verstek laten gaan omdat hij deelnam aan een carnavalsstoet in Tilburg, de stad die, ondanks de ontbrekende archeologie, beweert al sinds 709 te bestaan, waarvoor een half millennium van elders bijeen moest worden gestolen, zie : Stadsmuseum Tilburg, en : De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 391.

12. Ontspoorde historie, t.a.p., p. 249-250; bron : Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, t.a.p., nr. 73; Regestes des évêques de Thérouanne (500/1553) / Abbé O. Bled. – Saint Omer : Société des Antiquaires de la Morinie, 1902-1907, nr. 56. ‘Suffragaan’ is onderhorig in kerkelijke betekenis. Roricus (Roerik), de koning der barbaren, vinden we ook in de Egmondse Vita S. Adalberti, geschreven in St.-Riquier, en hij werd te Heiloo geplaatst, vandaar de mythe van de Noormannen in Heiloo; zie : De Runxputte te Heiloo.

13. Zie : Gerulf II, graaf van de Fresonen, en Waltger Freso.

14. Ontspoorde historie, t.a.p., p. 264-266.

15. Ontspoorde historie, t.a.p., p. 272; tekst 237; bron : Les chartes de Saint-Bertin d’après le grand Cartulaire de Dom Charles-Joseph Dewitte / D. Haigneré. – Saint-Omer, 1886-1899. – (4 tomes). – n° 124. Dit verklaart ook waarom Echternach in de streek geen kans maakte en haar aanspraken noordelijker begon te leggen, altemeer omdat de ‘Friese’ graven die vanuit dit gebied kwamen inmiddels noordelijker vertoefden.

16. Ontspoorde historie, t.a.p., p. 273; tekst 238; bron : Les chartes de Saint-Bertin d’après le grand Cartulaire de Dom Charles-Joseph Dewitte / D. Haigneré. – Saint-Omer, 1886-1899. – (4 tomes). – n° 83 en 102.

17. Datum et actum, t.a.p., p. 260-261.

18. Diplomata Belgica, nr. 190-194, p. 331-337. Datum et actum, t.a.p., p. 246. Vergelijk : Ontspoorde historie, t.a.p., teksten 246, 248, 252 en 253, p. 279-280 en 282-283. Een groot probleem hierbij is dat ze volgens de Diplomate Belgica al in het Egmondse Cartularium van Radboud staan, en daar dus al vóór de affaire Echternach zouden zijn tussengevoegd. Volgens Albert Delahaye ontbreken ze in oudste Utrechtse afschrift in het Liber Donationum; dit laatste klopt niet : daar staan ze wel in – maar het document uit 953, waarin bisschop Balderik van Utrecht wordt vermeld, ontbreekt wel in het tweede afschrift van het Liber Donationum, dat klaarblijkelijk direct naar een verloren gegaan ouder afschrift is gemaakt, en niet is afgeschreven uit het Egmondse Cartularium van Radboud, noch uit het eerste afschrift in het Liber Donationum.

19. Datum et actum, t.a.p., p. 239. Met kopie C wordt het exemplaar aangeduid dat ooit in Egmond lag; de hypothetische kopieën A en B zijn verloren gegaan; D is het Utrechtse afschrift.

20. Datum et actum, t.a.p., p.  247-249, Land, water en bewoning, t.a.p., p. 258-259.

21. Datum et actum, t.a.p., p.  257. «Zoals door Blok is aangetoond is de oorspronkelijke lijst los van het cartularium ontstaan en in of kort na 953 in het cartularium gekopieerd.» (t.a.p., p. 257). Dr. D.P. Blok beweerde het volgende : «Onder deze bijvoegingen, die in 953 of kort daarna moeten hebben plaats gevonden (het laatste stuk is van 21 april 953), bevindt zich de goederenlijst.» Te Utrecht zijn niet in of kort na 953, maar pas ná 1170 teksten tussengevoegd; het gaat om vier oorkonden van koning Otto I, de nrs. 15-18, van achtereenvolgens 948/949, 950, 948 en 953; en deze staan vóór de goederenlijst.

22. Een aanwijzing daarvoor kan zijn dat deze hand in de verdere Egmondse codex in het British Museum niet voorkomt en dat het schrift Von Wattenbach ‘ongewoon’ voorkwam, zie : Mr. S. Muller Fz. over het Cartularium van Radboud.

23. British Library, BL Cotton Mss. Tiberius, C.XI, deel uitmakend van de Egmondse documentatie (overigens net als de Annales Xantenses), hoewel in de Diplomate belgica, t.a.p., p. 302, noot 1, zonder bewijsvoering of argumentatie, wordt beweerd dat de tekst in Utrecht is geschreven. Zie ook : De historische bronnen van Egmond; vergelijk : Datum et actum, p. 232-233. Zie voor de geschiedenis ook : Het oudste cartularium, t.a.p., p. viii-xi. Zie ook : De oorkonden uit het Cartularium van Radboud. De datering van het afschrift is uitsluitend tot stand gekomen op grond van het handschrift; maar er zijn legio gevallen bekend waarin voor vervalste documenten oude handschriften werden nagebootst. Een onderzoek naar het perkament zou meer licht op de ontstaansdatum kunnen werpen.

24. Archief van de bisschoppen van Utrecht, inventarisnummer 43.

25. Datum et actum, t.a.p., p. 241.

26. Datum et actum, t.a.p., p. 244-245; Diplomata Belgica, t.a.p., nr. 187, p. 326-327; Ontspoorde historie, t.a.p., tekst 221, p. 260.

27. Datum et actum, t.a.p., p.  231.

28. Zie : 1083, Een Egmondse vervalsing uit de twaalfde eeuw.

29. Datum et actum, t.a.p., p. 240.

30. Datum et actum, t.a.p., p. 235-236.

31. Ontspoorde historie, t.a.p., p. 267.

32. Zie : Vita Radbodi / Het leven van Radboud; klik op Lijst, en dan op Vita Radbodi. Vita Radbodi. Het leven van Radboud / ingeleid, bezorgd en vertaald [uit het Latijn] door Peter Nissen en Vincent Hunink. – Nijmegen : Vantilt, 2004. – 63 p. Het blijft grappig met betrekking tot Noviomagus-Nijmegen dat deze stad een bisschop Radboud had, overleden in 1098. Zie ook : Sint Radboud, bisschop van Utrecht [Deventer] van 899/900 tot 917: Pastor, geleerde, historicus, dichter en componist / A.G. Weiler. – In : Trajecta (Leuven), jaargang 12, 2003, nr. 2, p. 97-115.

33. We lezen op de site van Vincent Hunink (inmiddels onbereikbaar) dat Peter Nissen, een van de samenstellers van het Radboud-boek, letterlijk door de knieën ging om de zieke paus een exemplaar van het fraudulente werk in de handen te kunnen duwen (foto, waarschijnlijk verplaatst naar : Vincent Hunink, ook hier te vinden : Backup). We moeten wel tot de conclusie komen dat de heer kerkhistoricus Peter Nissen, met medeweten van de heer classicus Vincent Hunink, de Heilige Vader een kerkrechtelijke loer heeft gedraaid, want Radboud is geheel buiten het medeweten van het Vaticaan heilig verklaard door een Utrechtse kanunnik die daartoe geen enkele bevoegdheid had. Wellicht is dat mede de verklaring voor het ontbreken van ‘Sint-’ (de paus maakt bovendien een afwerend gebaar, en het boekje wordt door iemand discreet terzijde genomen) voor de naam van de Radboud-Universiteit. [Uit het televisieprogramma Het vermoeden van 20 april 2014 blijkt dat kerkhistoricus Peter Nissen is overgegaan van de Rooms-katholieke naar de remonstrantse kerk.]

34. Zie : Radboud Universiteit Nijmegen.

35. Zie : Toespraak bij de aanbieding van het Numaga Jaarboek 2004.

36. De volgende uiting van lokaal chauvisnisme dient ook vereeuwigd te worden : raadsvergadering gemeente Nijmegen d.d. 13 en 14 november 2002, onderwerp Begroting; aan het woord is dhr W.M. van Eck (Groenlinks) : «Tenslotte, de resterende tijd wil ik volpraten met een hartstochtelijk pleidooi voor Nijmegen 2000. Wij hebben een debat georganiseerd, samen met het CDA, op 1 oktober over is het nu 1900 of 2000 jaar. Er waren meerdere deskundigen aanwezig en wij zijn het meest overtuigd door degenen die zeggen : er was aan het begin van de jaartelling een nederzetting die een stedelijke nederzetting was. De godenzuil is opgericht, weliswaar in het jaar 17, maar dat was om te markeren dat de slag in het Teutenburgerwoud was verloren door de – tegen de Duitsers zou ik bijna zeggen – Germaans stammen. Nijmegen was al een stad, er was al voor de jaartelling een militaire nederzetting en daarnaast een stedelijke neerzetting en toen werd dat een grenspost en als zodanig herbevestigd dat die stad daar bestond. De Bataafse opstand in 69, die tot enige brandstichting in onze stad heeft geleid, kon niet plaatsvinden als er geen stad was. Als we dan denken we bestaan pas sinds 105, wat overigens alleen gekoppeld is aan marktrechten, die ergens tussen 96 en 105 zijn verleend, dan doe je jezelf als stad tekort, want wij bestaan langer, vanaf het beging van de jaartelling. Weliswaar is 50 jaar geleden een ander feest gevierd, maar de heer Lamers heeft ook een prachtig boek waarin staat dat in 1930 het 700 jarig bestaan van de stad is gevierd omdat we in 1230 ook stadsrechten hebben gekregen van een Duitse Keizer, opnieuw. Dus er zijn meerdere jaartallen, maar het begin van de eerste eeuw waren we een stad en laten we daar trots op zijn.» (Gemeente Nijmegen).

37. Een heilige in beeld : Sint Maarten in Utrecht / Bram van den Hoven van Genderen. – In : Rondom Gregorius van Tours / onder redactie van Mayke de Jong, Els Rose en Henk Teunis. – Utrecht : Vakgroep geschiedenis der Universiteit, 2001. – 175 p. – (Utrechtse Historische Cahiers, jaargang 22, 2001, nr. 2-3). – p. 151-161. Zie over de Utrechtse mythologie ook : Traditionalisme of wetenschap : De Deurnse Doordraver.

38. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 75. Zie ook : De Da Kinnem-Code, boekbespreking.

39. De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299, t.a.p., p. 246; deze akte is gegarandeerd vals omdat Arnulf († 993) geen voet op Hollandse bodem heeft gezet; hij is ook vals omdat er twee versies van bestaan : in de tweede is de tiend van Harg toegevoegd. Het was een stelselmatige politiek van abdijen om te proberen ‘terug te krijgen’ wat helemaal nooit van ze was geweest terwijl het op het moment dat het in bezit zou zijn geweest ook nog niet eens bestond.

40. De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299, t.a.p., p. 260.

41. De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299, t.a.p., p. 272.

42. De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299, t.a.p., p. 279.

43. De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299, t.a.p., p. 280.

44. De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299, t.a.p., p. 281.

45. Zie : Dr. D.P. Blok over de goederenlijst.

46. De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 485.



Start : 24 mei 2005 | Laatst bijgewerkt : 19 april 2008

Cartularium

Bladzijde van de goederenlijst van de St.-Martinuskerk van Tournehem-sur-la-Hem uit het Egmondse Cartularium van Radboud
(Bron : De ware kijk op..., Deel 2, t.a.p., p. 482).
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)
Voor andere afbeeldingen, zie : Het Utrechts Archief voor afbeeldingen uit het Utrechtse Liber Donationum.