VorigeDe vroege middeleeuwenVolgende

De Da Kinnem-Code, boekbespreking

Inhoud van deze pagina

  1. Inleiding
  2. Al terug redenerend…
  3. Het duin in
  4. “Sporen van bewoning”
  5. Holland en Kennemerland
  6. Velsen en Adrichem
  7. Beverwijk en Heemskerk
  8. De Lex Frisionum
  9. Conclusie
    Noten

1. Inleiding

Bert Koene, Jan Morren en Fred Schweitzer, Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen. Het land, de bewoners en hun heren tussen 700 en 1300, Verloren, Hilversum 2003, 192 p., illustraties, €20,–

In een bespreking van het nieuwe boek over de Vroege Middeleeuwen van Midden-Kennemerland dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de periode vóór 1250 en de periode erna. Voor wat betreft de laatste periode is het boek interessant. Alles daarvoor is echter van mythologie doortrokken (1).

Midden-Kennemerland kent mythen die teruggaan tot in de Oudheid. De Canninefaten zouden er gewoond hebben, namelijk in de duinen, een verhaal dat geleidelijk uit de literatuur verdwijnt maar waarnaar de schrijvers – zij het alleen zijdelings – nog altijd verwijzen (2). Over de benedictijnse prediking uit de achtste en negende eeuw is er meer te vinden, maar niets nieuws. Daarna zouden de Noormannen in de omgeving hebben huisgehouden; ook daarover weten de schrijvers weinig mede te delen omdat gegevens voor Midden-Kennemerland geheel ontbreken (3).

De nadruk ligt vooral op de mythe van Velsen-Adrichem die verder wordt uitgebouwd en de schrijvers hebben zelf een nieuwe mythe geschapen van een vroeg-middeleeuws Beverwijk-Heemskerk, die als mythologisch ei overigens al heel lang lag te wachten om esoterisch te worden uitgebroed.

2. Al terug redenerend…

“We hebben getracht het gebrek aan eigentijdse geschreven bronnen enigszins te compenseren door gedetailleerd onderzoek van materiaal uit latere eeuwen. Het is soms mogelijk om daaruit omstandigheden te reconstrueren in de periode die ons hier interesseert.” (4). Kortom, als er geen geschreven bronnen zijn, dan kunnen we, uitgaande van latere gegevens, onze verbeeldingskracht de vrije loop laten over wat er geweest zou kunnen zijn. De archeologie is daarbij behulpzaam: “Het beschikbare materiaal neemt tegen het einde van de dertiende eeuw beduidend toe” (5), wat een andere manier van zeggen is dat er uit de periode tussen de vierde en de dertiende eeuw nauwelijks iets van enige betekenis is gevonden en we ons niet geremd hoeven te voelen om van alles en nog wat te gaan veronderstellen over wat er allemaal niet is gevonden. Dat is geheel in de geest van de Da Vinci-Code, waarin het ook meer gaat over raadselachtig ontbrekende dan over bestaande gegevens : “De behandelde periode zit vol raadsels. Wij denken enkele daarvan te hebben opgelost. Voor andere presenteren we mogelijke antwoorden. Natuurlijk blijven er ook vragen onbeantwoord, en sommige vragen zijn zelfs niet gesteld.” (6).

Dit is minder geschiedschrijving dan ontspanningslectuur die de verbeelding moet prikkelen. En de schrijvers geven dat ruiterlijk toe : “In plaats van naar volledigheid te streven – wat een hopeloze onderneming zou zijn – hebben we er de voorkeur aan gegeven een aantal onderwerpen diepgaand te onderzoeken. Bij de keuze van die onderwerpen hebben we ons vooral door onze eigen interessen laten leiden. Kortom, dit is niet de maar een geschiedenis van Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen.” (7). Zo kan iedereen een eigen aangename geschiedenis samenstellen ten koste van een meer algemene, en controleerbare, geschiedschrijving. Vooral wat ontbreekt vinden de schrijvers boeiend : “Op dat oude land van zandgronden speelde zich in de tijd van de Franken – en ook nog tijdens de eerste eeuwen van het graafschap Holland – vrijwel de gehele geschiedenis van Kennemerland af. Een poging tot reconstructie van de omstandigheden en gebeurtenissen in die tijd is dus bij voorbaat gedoemd tot onvolledigheid.” (8).

Een dergelijke werkwijze maakt het ook mogelijk om over te slaan wat niet in de verbeelding past, zoals de achtergrond van de enkele vroeg-middeleeuwse tekstfragmenten die onterecht voor Kennemerland worden opgevoerd.

Onder Midden-Kennemerland verstaan de schrijvers hetzelfde als de Beverwijkse burgemeester mr. H.J.J. Scholtens in 1947 : Velsen, Beverwijk en Heemskerk. Vergelijken we Uit het verleden van Midden-Kennemerland uit 1947 met Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen uit 2003, dan valt het toch wel op dat de Beverwijkse burgervader er blijk van gaf nog een zekere kritische afstand te bewaren die in het nieuwe boek ten ene male ontbreekt. Zeker, ook Scholtens geloofde in vele van de mythen, maar hij zocht nog naar enige bevestiging voor hij ze aanvaardde. Bij Bert Koene, Jan Morren en Fred Schweitzer wordt de mythen nergens kritisch onderzocht maar juist kritiekloos als uitgangspunt genomen. Ze eindigen hun boek zelfs precies dáár waar de werkelijke, door documenten en archeologie bevestigde, geschiedenis van Kennemerland begint (9).

3. Het duin in

“De vorming van de Jonge Duinen behoort tot de ingrijpendste gebeurtenissen die ooit in onze kuststreken hebben plaats gevonden. Merkwaardigerwijs vindt men er in middeleeuwse bronnen weinig expliciete vermeldingen van.” (10). Met de middeleeuwse bronnen waarin “weinig expliciete vermeldingen” te vinden zijn over duinvorming wordt uitsluitend de Vita Adalberti prima bedoeld, die echter geen betrekking kan hebben op Kennemerland omdat het klooster van Egmond, waar dit heiligenleven zich ooit bevond, pas in 1130 is gesticht en ook uit deze Vita Adalberti prima weten de schrijvers zelfs geen impliciete verwijzingen naar duinvorming aan te halen (11). Als een dergelijk ingrijpende landschapsverandering nergens is opgetekend stelt zich natuurlijk de vraag of er wel iemand was.

Van de duinen zijn grote delen zoals het Heemskerkerduin afgegraven, tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn er bunkers gebouwd, na de oorlog zijn die weer vernietigd, de PWN heeft er waterbekkens gegraven. Op andere plaatsen, zoals op het Hoogoventerrein (momenteel Corus) zijn wat ploegsporen en potscherven gevonden, waarschijnlijk uit de tiende eeuw of nog later. Als er desondanks nóg niets is gevonden dat met enige zekerheid in de achtste of negende eeuw kan worden geplaatst dan worden de vraagtekens bij de traditionalistische geschiedschrijving toch wel erg groot. Op de schrale duingrond was het zeker moeilijk overleven.

Het is de schrijvers opgevallen dat we middeleeuwse plaatsnamen hebben die nergens kunnen worden geplaatst, zoveel zelfs dat die plaatsen onmogelijk allemaal in Kennemerland kunnen hebben gelegen. De logische conclusie moet luiden dat die plaatsen elders moeten worden gezocht waarbij de Gentse afkomst van de betreffende documenten een indicatie geeft voor de richting waarin moet worden gezocht.

De schrijvers stellen ons daarentegen voor om de ontbrekende plaatsen onder de jonge duinen te gaan zoeken : “Erger nog, onze onwetendheid over wat er onder de Jonge Duinen begraven ligt, kan gemakkelijk tot foutieve conclusies leiden. Bijvoorbeeld, uit de achtste en negende eeuw kennen we in Midden-Kennemerland namen van nederzettingen die men in de latere Middeleeuwen niet meer vermeld vindt. Het is dan verleidelijk om pogingen tot identificatie met een nog bestaand dorp of gehucht te ondernemen, in de veronderstelling dat er alleen een naamsverandering heeft plaatsgevonden. Soms zal dat correct zijn, maar we moeten er op bedacht zijn dat er ook nederzettingen onder de duinen verdwenen kunnen zijn.” (12). In Velsen, Beverwijk en Heemskerk zijn de duinen zo ongeveer in hun geheel vergraven voor de aanleg van het kanaal en de sluizen, voor nieuwbouw in IJmuiden, voor de Hoogovens, voor de tuinbouw, zonder dat het archeologisch ook maar iets van betekenis heeft opgeleverd.

Ten oosten van de duinen, in de vruchtbaarder veengebieden, werd er volgens de schrijvers vanaf de tiende eeuw ontgonnen, wat als inschatting rijkelijk vroeg kan worden genoemd, maar waarmee de schrijvers wél bevestigen dat er eerder niets was. Blijven voor bewoning de strandwallen over tussen de duinen en de veengebieden. Dat die in de achtste en negende eeuw enige beperkte en tijdelijke bewoning kenden is niet geheel onmogelijk hoewel de wateroverlast daar aanzienlijk moet zijn geweest. Wat archeologisch wél vaststaat is dat er nergens in Midden-Kennemerland ook maar iets is gebleken van een doorlopende bewoning vanaf de vroege middeleeuwen.

4. “Sporen van bewoning”

Over de archeologie zeggen de schrijvers eerlijk : “Een gedetailleerde bespreking van de bodemvondsten zou buiten ons kader en buiten onze competentie vallen.” (13). En : “Archeologische gegevens over kastelen, kerken en andere specifieke objecten – doorgaans daterend uit de dertiende eeuw of later – komen in latere hoofdstukken ter sprake.” (14).

Toch zijn er waarschijnlijk nauwelijks gebieden op aarde te vinden die archeologisch grondiger zijn doorzocht dan Midden-Kennemerland. Desondanks gaan de schrijvers de volgende conclusie niet uit de weg : “De vroegste gebeurtenissen in Midden-Kennemerland waarover schriftelijke berichten bestaan, speelden zich af in de achtste eeuw. Uit het voorafgaande moge duidelijk zijn dat het bodemonderzoek heeft aangetoond dat de streek toen al een beduidend aantal bewoningsconcentraties telde. Het bodemarchief is, anders dan het archief der geschreven bronnen, nog grotendeels onontgonnen.” (15). Er zijn helemaal geen duidelijke nederzettingen gevonden, we lezen alleen telkens over “sporen van bewoning”, “sporen van akkerbouw”, “sporen van veehouderij” en zelfs “sporen van slootjes” en verder van losse aardewerkscherven, niet eens hele potten. In plaats van “sporen” lezen we ook vaak : “getuigenissen” of “aanwijzingen”. Er zijn “aanwijzingen” gevonden van bewoning in de Romeinse periode tot aan de derde eeuw, daartussen is er vervolgens eeuwenlang haast niets, en pas in de dertiende eeuw, in dezelfde periode dat de historische bronnen beginnen te vloeien, komen er weer wat duidelijker dingen uit de grond. Toch beweren de schrijvers “dat bewoningssporen uit de vroege Middeleeuwen in vrijwel alle delen van Midden-Kennemerland zijn aangetroffen” (16). Het gaat zonder uitzondering om geïsoleerde losse prullaria zonder continuïteit of samenhang; het gaat om hooguit tijdelijke bewoning die al snel weer werd verlaten. Het geheel geeft de indruk van een gebied waar zo nu en dan wel eens iemand rondtrok (de bisschop van Utrecht gebruikte het in de tiende eeuw als jachtgebied), en waar soms enige tijd door kleine groepen werd vertoefd. De schrijvers vertellen ons bijvoorbeeld: vanaf 600 vóór Christus tot 400 na Christus “werd op grote schaal in de lager gelegen gebieden gewoond. In de vroege middeleeuwen was dat veel minder het geval, want in de vijfde en zesde eeuw vernatte het veen.” (17). Toen bleven bijgevolg vooral de standwallen over, waar hooguit een erg armoedig bestaan mogelijk was voor een uiterst geringe bevolking en er is dan ook weinig gevonden. Wordt er iets uit de derde eeuw gevonden en ook iets uit de achtste eeuw, dan wordt er onmiddellijk uitgegaan van continuïteit in de bewoning terwijl het gat in de archeologie juist op het tegenovergestelde wijst. En alles wordt gepresenteerd met een cryptisch open einde: “De vondst kan dus geïnterpreteerd worden als een aanwijzing dat die nederzetting al rond het jaar 1000 bestond.” (18). En : “De slootjes van omstreeks de tiende en elfde eeuw hangen wellicht samen met de ontginning van het veen ten oosten van de Hoflandergeest. In die tijd was na de natte vroege Middeleeuwen weer een periode van relatieve droogte aangebroken.” (19). Nog een voorbeeld: “In Velsen-Noord is onder het Hoogoventerrein een uitgestrekt areaal van middeleeuwse akkers aangetoond. De akkers strekten zich over vele honderden meters uit. Ook werden sporen van veehouderij aangetroffen. Op grond van aardewerkvondsten kan het complex globaal worden gedateerd op 1000-1200. Daaronder werd een dieper gelegen cultuurlaag uit de eerste en tweede eeuw aangetroffen, waarin sporen van een boerderij uit de eerste eeuw werden blootgelegd” (20). Daartussen zat dus niets. Meest spectaculair zijn eigenlijk twee waterputten die gedateerd worden op ergens tussen de negende en elfde eeuw (21). Wordt er in het geheel niets gevonden, dan weten de schrijvers er tóch nog iets van te maken : “Of de Spanjaardsberg [in Santpoort] in de vroege Middeleeuwen bewoond was, is dus een open vraag.” (22). En : “Merovingisch aardewerk is uit de omgeving van de Spanjaardsberg niet met zekerheid bekend en uit de Karolingische periode kent men alleen een scherfje dat op 100 m van de berg werd gevonden.” (23). Het is juist in de periode waarin er met zoveel verve zou zijn gepredikt dat Kennemerland archeologisch het leegst is.

5. Holland en Kennemerland

Het boek begint met de graven van Holland die zich al in de negende eeuw in Kennemerland zouden hebben bevonden. We vinden deze graven echter pas in 1038 voor het eerst in het Merwedegebied, van waaruit ze hun territorium naar het noorden uitbreiden (24). In 1101 wordt de naam Holland voor het eerst vermeld en daarna begint ook Kennemerland geleidelijk in de documentatie te verschijnen (25). Wat er voor de vroegere periode wél bestaat zijn de twaalfde eeuwse vervalsingen uit Echternach; de twaalfde eeuwse vervalste oorkonden uit Egmond, zoals de bezittingenlijst ‘uit 1083’ (26), met de hele reeks van plaatsnamen die nergens in de omgeving zijn terug te vinden en er zijn de vier vervalste ‘koningsoorkonden’ die achtereenvolgens uit 889, 922, 969 en 985 zouden stammen, maar die op zijn vroegst eind twaalfde eeuw in elkaar zijn geflanst (27); tenslotte is er de goederenlijst van het bisdom Traiectum van rond 870 die oorspronkelijk uit zuidelijker streken komt. Utrecht verwierf pas in de twaalfde eeuw vanuit Egmond een afschrift van deze goederenlijst die uit Gent kwam. In deze lijst staan toevallig een paar namen die een beetje op Kennemerse plaatsnamen lijken hoewel zo’n 120 namen er uit niet met enige redelijkheid in Holland of omgeving geplaatst kunnen worden (28). Deze documenten worden kritiekloos op Kennemerland van toepassing verklaard; ze vormen de kapstokken waaraan de ondertussen wat kleffe vroeg-middeleeuwse voorgeschiedenis wordt opgehangen.

6. Velsen en Adrichem

In de oorkonden van de graven van Holland wordt Velsen voor het eerst vermeld in 1253. De heilige Engelmundus is een vroom pastoorsverzinsel uit de vijftiende eeuw en ook de schrijvers van Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen melden : “De historiciteit van Engelmundus moet echter ten zeerste worden betwijfeld” (29). Nu is de hele vroeg-middeleeuwse geschiedenis van Velsen gebaseerd op de mythe van deze heilige, dus als Engelmundus kan worden afgeschreven dan dient alles wat daaruit is afgeleid ook te worden doorgestreept. Maar mythes zijn sterker dan dat. De schrijvers laten de bron vallen maar handhaven wat er aan is vastgeknoopt en versterken dat zelfs. Daarvoor baseren ze zich op de aloude vervalsingen uit Echternach en wat losse fragmenten uit heiligenlevens die echter vóór de negentiende eeuw door niemand op Velsen zijn begrepen en ook door Echternach zelf nooit met Velsen in verband zijn gebracht.

De naam Velsen werd ooit heel fantasierijk verklaard uit “felle soen”, een moeizame verzoening tussen graaf Dirk I en Karel de Kale, koning van Frankrijk, een verklaring die klaar lag toen documenten uit de achtste eeuw over “Felison” en “Velisana” bekend raakten en daarmee, via de toen nog voor historisch gehouden heilige Engelmundus, rond 1870 voor het eerst in verband werden gebracht. Die vereenzelviging leek bekrachtigd te worden doordat ook een “Adrichaim” vermeld stond dat in verband werd gebracht met het slot Adrichem te Beverwijk dat echter voor het eerst wordt vermeld in de veertiende eeuw. Dan kwam er ook nog een Kinheim-Kinnehim in voor, een naam die een beetje leek op Kennemerland, en zo was er een traditionalistische zekerheid geboren (30).

Het ingewikkelde verhaal van de Felison-Velisana-Adrichaim-documenten is elders al gegeven en zal hier verder niet worden herhaald (31). Dat er nog een andere kandidaat-Felison bestaat, namelijk Feuchy, in 673 al vermeld als Felci, en een andere kandidaat-Adrichaim, namelijk Audrehem in Frans-Vlaanderen, is de schrijvers ofwel niet bekend of ze gaan er aan voorbij.

Toen de vlieger van slot Adrichem niet bleek op te gaan voor Adrichaim werd het document nog maar eens gelezen om de gevolgtrekking te maken dat er in de buurt een dorp ‘Adrichaim’ moet zijn geweest, dat echter in geen enkel plaatselijk document vermeld wordt. De schrijvers denken de ligging van dát Adrichaim te kunnen reconstrueren aan de hand van de Adrichem-tienden. Ze schrijven: “Uit de pachtregisters van de Adrichemmertiende is duidelijk geworden welk grondgebied onder Adrichem viel. Deze documenten gaan weliswaar niet verder terug dan de zestiende eeuw, toen er al geen dorp Adrichem meer bestond, maar de naam Adrichemmer­tiende laat er geen twijfel over bestaan dat de betreffende pachtblokken in het gebied van het voormalige Adrichem lagen.”

Er wordt zomaar aangenomen dat die zestiende eeuwse tienden teruggaan tot in de achtste eeuw, maar liefst acht eeuwen eerder. Nadat het gebied waarin de zestiende eeuwse tienden werden geheven nauwkeurig is omlijnd wordt er gezocht naar een zich daarin bevindende woonkern waarop vervolgens de naam Adrichem wordt geplakt : “De volgende stap bestaat uit een poging tot lokalisatie van de woonkern van Adrichem.” De niet meer verbazingwekkende conclusie luidt dat deze kern, die niet valt aan te wijzen, verdwenen is onder de duinen : “We zijn tot de conclusie gekomen dat de nederzetting Adrichem ongeveer vier eeuwen heeft bestaan. Het begin lag in de achtste eeuw, als de villa Adrichem. In de twaalfde eeuw werd het dorp grotendeels onder het zand begraven.” (32).

Uitgaande van een negentiende eeuwse mythe, gebaseerd op een dertiende eeuwse vervalsing, wordt er zo terug geredeneerd tot in de achtste eeuw, over een periode van meer dan duizend jaar, wat zelfs in de Egyptologie een ongebruikelijke procedure is, en vandaar wordt de geschiedenis nog wat verder naar het verleden doorgetrokken. Zo worden de luchtbruggen tussen de eeuwen geschapen. De bewijslast wordt eenvoudig omgekeerd : wat anderen nu juist zo graag eerst bewezen zouden willen zien staat bij de schrijvers voorop. Als we die ene Echternachse vervalsing niet meerekenen bestaat er geen enkel document waarin een dorp Adrichaim in verband met Velsen wordt genoemd. Archeologisch is het betreffende gebied grondig onderzocht en er is niets gevonden van vóór de veertiende eeuw, wat merkwaardig nauwkeurig overeenkomt met de documenten waarover we wél beschikken.

Het slot Adrichem, dat niet eens in Velsen lag, maar in Wijk aan Duin, werd eerst bewoond door Dirk van Valkenburg, een bastaard van de Brederode’s; diens zoon Willem van Valkenburg doet het in 1365 over aan zijn familielid Floris van Adrichem waarna het slot eveneens de naam Adrichem krijgt (33). Pas daarna is er ook sprake van Adrichem-tienden zodat het duidelijk is dat tienden juist niet naar een dorp zijn genoemd. Deze Floris was de kleinzoon van Floris de Scoten van Adrichem (†1327), de eerste naamdrager en eveneens een bastaard van de Brederode’s, namelijk van Willem van Brederode. Omdat de naam plaatselijk niet kan worden verklaard is er een andere veronderstelling mogelijk, namelijk dat de veertiende eeuwse familie Van Adrichem haar naam ontleende aan het Frans-Vlaamse Audrehem.

7. Beverwijk en Heemskerk

De eerste vermelding van de naam Beverwijk is uit 1276 toen Floris V toestond dat er iedere dinsdag markt zou worden gehouden in Beverwijk binnen het ambacht van Gerard van Velsen. Bijgevolg kan het uitgesloten worden geacht dat het Bevorhem dat in 870 wordt vermeld dezelfde plaats is. Tussen de twee is er vier eeuwen geen enkele vermelding en ook archeologisch is er niets gevonden uit de negende eeuw en bestaat er een archeologische leegte tot in de dertiende eeuw (34).

De nieuwe mythe van Beverwijk is gebaseerd op één enkele zin uit het goederenregister uit 870 : “In Bevorhem heeft Gutha de nog niet ingewijde kerk rechtens en in eigendom overgedragen aan Sint Martinus, de tienden voor de inwijding van de genoemde kerk zullen worden geheven in de dorpen genaamd : Beverhem, Gisleshem, Hegginghem, Schupildhem.” (35).

M. Gysseling en A.C.F. Koch, die de tekst in 1950 uitgaven, gaven een “onbekend” voor deze vier plaatsnamen (36). Van de naamkundigen stelde alleen dr. D.P. Blok in 1957 Bevorhem nog gelijk aan Beverwijk en hij meende in de naam Schupildhem de Schepelenberg bij Heemskerk te herkennen; met Gisleshem en Hegginghem daarentegen wist hij niets aan te vangen (37). In het Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200 uit 1989 wordt voor de vier namen niets opgegeven (38). De schrijvers van het nieuwe boek bouwen dus voort op een wilde speculatie die dr. D.P. Blok later zélf heeft laten vallen. De naam Bevorhem wordt genoemd in samenhang met Gisleshem, Hegginghem en Schupildhem. Dat die namen nergens in de omgeving van Beverwijk zijn aan te wijzen maakt wel heel duidelijk dat Bevorhem niet Beverwijk kan zijn. Niet zo voor de schrijvers. Bij hen staat voorop dat Bevorhem Beverwijk is, en dus moeten Gisleshem, Hegginghem en Schulpildhem bij Beverwijk gelegen hebben. De schrijvers stellen ons het volgende voor : de naam Bevorhem werd eerst vervangen door Sint-Aagtenkerk, en deze naam werd, hoe toevallig, eeuwen later weer door Beverwijk vervangen. Bevorhem is evenwel heel wat waarschijnlijker Beuvrequen in Frans-Vlaanderen, dat in 1040 werd vermeld als Bovorkem.

Dat de Schepelenberg en omgeving zonder resultaat archeologisch zijn onderzocht, waarvan in het boek een verslag is te vinden, hindert blijkbaar niet, er wordt gewoon verondersteld dat Schupildhem iets noordelijker lag, in de buurt van De Vlotter (39). Wat betreft Hegginghem : de schrijvers doen hun best om er gelijk maar Heemskerk van te maken, want beide namen beginnen tenslotte met een ‘He’, hoewel ze zelf opmerken dat het naamkundig geen stand houdt (40). Waar Gisleshem lag weten de schrijvers niet, de naam komt in geen enkel ander document voor en er is in Kennemerland niets dat er ook maar een beetje op lijkt, wat niet wegneemt dat ze het toch maar op een kaart tekenen ergens in de buurt van het huidige centrum van de gemeente Heemskerk.

8. De Lex Frisionum

De Lex Frisionum staat in het boek om vijftien bladzijden lang gaten op te vullen. Er wordt niet alleen flink terug geredeneerd vanuit latere perioden, er worden ook gegevens van elders aangesleept volgens dezelfde methode die dr. D.P. Blok met zoveel succes hanteerde in De Franken. De belangrijkste bronnen voor dit hoofdstuk bestaan uit De Goede’s Nederlandse Rechtsgeschiedenis uit 1949 en Henstra’s Evolution of the money standard in medieval Frisia uit 2000, dat ook op het web te vinden is (41). De schrijvers proberen een verband te leggen naar enerzijds de Romeinse periode, anderzijds naar de keuren van Haarlem (1245) en Beverwijk (1298). Zo worden er in twee richtingen enorme sprongen in de tijd gemaakt waarbij er een heel millennium wordt overspannen, maar zonder dat het gelukt is uit deze wet ook maar iets direct met Kennemerland in verband te brengen. Dat mislukken laat zich gemakkelijk verklaren (42).

De vier geografische aanduidingen die in de Lex voorkomen, Laubach, Wiser, Fli/Flehum en Sincfal worden traditionalistisch opgevat als de Lauwerszee, de Duitse Wezer, de Zuiderzee en het Zwin bij Brugge of bij Cadzand. De ‘Friezenwet’ zou dus geldig zijn geweest in Oost-Friesland in Duitsland, in Groningen, Holland en Zeeland en het noorden van Vlaanderen. De plaats Laubach wordt echter ook vermeldt in de Vita Erminones waarin we lezen over de aanzienlijkste der Fresonen, Radbod, die het Frankenrijk binnenviel; Laubach is hier ontegenzeggelijk het klooster in de plaats die momenteel Lobbes heet, gelegen aan de Sambre in Henegouwen en waar de Vita Erminones ook werd geschreven. De Lauwerszee, die pas in de veertiende eeuw in documenten verschijnt, kan in verband met de Lex dan ook worden afgeschreven. De Wiser is de Wimereux in Frans-Vlaanderen en niet de Duitse Wezer waarvan pas honderden jaren later voor het eerst sprake is. Het Fli/Flehum is hetzelfde als het Flevum, dat is het gebied dat momenteel de Plaine Flamande wordt genoemd, van Flelandria, dan wel hetzelfde als Flethite/Fletione, dat wil zeggen de omgeving van Fléchin ten zuidoosten van Terwaan (Frans Thérouane) en zeker niet de waddengeul tussen Vlieland en Terschelling die op zijn vroegst pas in de dertiende eeuw wordt vermeld. Het Sincfal wordt pas voor het eerst vermeld in de twaalfde of dertiende eeuw, en zeker niet vóór 1134, wat te denken geeft over de bewerking van de Lex Frisionum uit 1557 zoals die tot ons is gekomen. Dit betekent hoe dan ook dat Kennemerland geheel en al buiten Fresia lag.

De keuren van Haarlem en Beverwijk blijven dus het begin van de werkelijke rechtsgeschiedenis.

9. Conclusie

Het boek vormt een niet geringe bijdrage aan het steeds verder opblazen van een fantastisch verleden, een proces dat nog lang niet ten einde is en louter een kwestie is van stug en koppig blijven doorredeneren op de speculaties van anderen. Maar ook voor de werkelijke vroege geschiedenis van Kennemerland, de tweede helft van de dertiende eeuw, is het boek een rijkelijk geïllustreerde bron, meest van al doordat het een wel zeer uitgebreide en uitstekende bibliografie bevat, wat erg behulpzaam is bij het terugvinden van de bronnen van de mythen, maar wat ook de vraag doet rijzen of de schrijvers al die literatuur daadwerkelijk hebben gelezen en verwerkt.


[Bovenstaande tekst verscheen oorspronkelijk in  SEMafoor, jaargang 6, nr. 3, augustus 2005, p. 15-20; de noten zijn hier toegevoegd en stilistitische verbeteringen zijn gemaakt.]


Noten

1. In deze korte bespreking is niet geprobeerd het gehele boek recht te doen. Het bovenstaande werd geschreven voor een tijdschrijft dat gewijd is aan het eerste millennium. Er wordt dan ook slechts ingegaan op de vroeg-middeleewse mythen, met name de hoofstukken 1-6, p. 1-81.

2. Voor de Canninefaten, zie : De Canninefaten / Cananefaten en Kennemerland. «De Lex Frisionum gold dus ook in streken die volgens Romeinse schrijvers bewoond werden door Kaninefaten (de kuststreek tussen Oude Rijn en Maas) en Frisiavonen (het mondingsgebied van Maas en Schelde).» Geen Canninefaten in Kennemerland dus. Maar in een voetnoot wordt daar toch weer aan toegevoegd : «De woordstam Kanin- is ongetwijfeld dezelfde als Kin- in de gouwnaam Kinheim, waaraan Kennemerland zijn naam ontleend.» (Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 40). Zie ook : De vroeg-middeleeuwse Kinhem-teksten.

3. Het blijft bij een verwijzing naar de Vita Sancti Adalberti prima die echter afkomstig is uit Noord-Frankrijk (p. 32) en niet uit Egmond. Verder : «Over hun daden in Kennemerland weten we niets, maar wel is bekend dat Kennemerland enige tijd onder de heerschappij van Noormannen viel.» (p. 49).

4. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 5.

5. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 5.

6. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 5.

7. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 5-6.

8. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 25.

9. Deze zin behoeft bij nader inzien enige correctie: het boek bevat nog elf hoofdstukken die buiten het verband van deze bespreking vallen, en die zeker interessant, hier onbesproken gebleven materiaal bevatten.

10. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 25.

11. Ze schrijven : «Een tiende-eeuws geschrift uit de abdij van Egmond, de Vita Sancti Adalberti prima, bevat één van die weinige passages. Er wordt vermeld dat zich grote zandhopen vormden die zo hoog als bergen leken te worden. Zo’n zandberg bedreigde de kapel bij Egmond waar de heilige Adalbert, schutspatroon van de abdij, begraven lag.» (Ibidem, p. 26). Een bronopgave ontbreekt, die is wél te vinden in : De Runxputte te Heiloo.

12. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 25.

13. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 34.

14. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 34.

15. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 38.

16. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 34.

17. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 35.

18. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 35.

19. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 35. Verder vinden we “getuigenissen van vroegmiddeleeuwse bewoning”, zoals 17 gouden munten van omstreeks 570, maar geen bewoning en over de munten wordt verder niets gezegd. Toch komen de schrijvers tot de gewaagde conclusie: “De muntschat moet dus begraven zijn door een ‘vrije Fries’ met (handels)contacten buiten de eigen streek.” (Ibidem, t.a.p., p. 36). Die munten kunnen daar natuurlijk op allerlei manieren zijn terecht gekomen, zelfs vele honderden jaren later, en het blijft onduidelijk waaruit de handel zou hebben bestaan, want die veronderstelt toch enige productie van verhandelbare koopwaar waarvan echter zelfs geen spoor is aangetroffen.

20. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 36.

21. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 37.

22. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 36.

23. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 36.

24. Zie : Het Hollandse Huis, 1101-1299.

25. Zie : De oorkonden van Holland en Zeeland tot 1101, tekst 92.

26. Zie : 1083, Een Egmondse vervalsing uit de twaalfde eeuw; in de gedrukte versie van dit artikel stond bij vergissing 1063.

27. Zie : De oorkonden van Holland en Zeeland tot 1101, teksten 21, 28, 40 en 55.

28. Zie : De goederenlijst van 870; het namenbestand.

29. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 56, noot 6. Zie ook : Engelmundus van Velsen.

30. Zie : Velsen.

31. Zie : ‘Felison’ en ‘Velisana’.

32. Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 74. Als suggestie voor een volgende fantast wordt daaraan toegevoegd : “Adrichem is voorzover we weten nooit een kerkdorp geweest.” Wacht maar, die kerk komt er vroeger of later ook wel. Een paar paalgaten, zoals in Heiloo, is genoeg om tot het bestaan van zo’n kerk te besluiten.

33. Zie ook : Genealogie Brederode.

34. Zie : Beverwijk.

35. Zie : De goederenlijst van 870 : tekst en vertaling.

36. Zie : De goederenlijst volgens M. Gysseling en A.C.F. Koch.

37. Zie : Dr. D.P. Blok over de goederenlijst. In zijn polemiek met dr. J.K. de Cock verwijst hij – heel interessant – voor Schupildhem naar de St.-Vaast-abdij te Atrecht (Frans Arras).

38. Zie : De goederenlijst van 870; het namenbestand.

39. De Schepelenberg verdient zo langzamerhand een afzonderlijke pagina. W.J. Hofdijk noemt hem rond 1860 afwijkend de Stoppelberg : «Wederom ongeveer een uur verder treft ge aan uwe andere zijde een in deze streken niet minder merkwaardige plek. Eigendlyk is het o o k een verblijf – maar het allerlaatste, waarin geen bewoner ooit vrijwillig binnentreedt: ’t is een ronde, door menschenhanden opgeworpen hoogte, een grafheuvel. [in noot : De stoppelberg, of het zoogenaamde Huldtooneel, te N o o r d d o r p] Het stof dat daar rust, in eene urne saamgebracht, sluimert er reeds zoo lang, dat er alle herinnering van verloren is gegaan; toch houdt het volk de plaats in hooge eere, en men verhaalt elkander, dat daar de Germaan Bruno op het schild verheven, en tot Hertog van zijnen stam, den stam der Kaninefaten benoemd werd.» (Ons voorgeslacht, deel 2, tweede druk 1874, t.a.p., p. 49). Het is onwaarschijnlijk dat Heemskerkse tuinders elkaar zulks wijsmaakten en heel wat waarschijnlijker dat ze dit kregen aangepraat door welgestelde stadsmensen die zich vervolgens weer beriepen op een ‘orale traditie’ van de door hen bewonderde, maar niet nagevolgde ‘natuurmensen’, een gebruikelijke werkwijze.

40. «Voor Hegginghem kan men denken aan de zuidoostelijke punt van de Heemskerkergeest, waar nu de kerkbuurt van Heemskerk ligt. De naam Heemskerk (geschreven in vele varianten, zoals Heimettenkiricka of Emecekerke) duikt voor het eerst op in de elfde eeuw. Een naamsverandering van Hegginghem in Heemskerk hoeft geen breuk in de bewoningsgeschiedenis te betekenen. Het zou geheel analoog zijn aan de vervanging van Beverhem door Sint-Aagtenkerk, namelijk vervanging van een oudere -hem naam door een nieuwe -kerk naam.» (Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 77). Verderop in het boek wordt Hegginghem zomaar gelijkgesteld aan de Hagelingerbuurt (Ibidem, p. 99).

41. Zie : The evolution of the money standard in medieval Frisia : a treatise on the history of the systems of money of account in the former Frisia (c.600-c.1500) / Dirk Jan Henstra.

42. Zie : De geografie van de ‘Fresonenwet’.



Start : 29 november 2005 | Laatst bijgewerkt : 1 maart 2007