VorigeDe vroege middeleeuwenVolgende

De oorkonden van Holland en Zeeland tot 1101

Inhoud van deze pagina

  1. Het oorkondenboek
  2. Afschriften en vervalsingen
  3. De oorkonden tot 993
  4. Overzicht van de teksten tot 993
    1. Negenentwintig teksten uit Gent en Nijvel
    2. Zeventien teksten uit Werden, Lorsch en Fulda
    3. Vier ‘koningsoorkonden’ uit Egmond
    4. Drie teksten uit Echternach
    5. Negen verspreide teksten
  5. De teksten tot 993
  6. Conclusie voor de periode tot 993
  7. De oorkonden van 993 tot 1101
  8. De teksten van 993 tot 1101
  9. Conclusie
    Noten

1. Het oorkondenboek

Oorkondenboeken zijn geleidelijk uit de algemene geschiedschrijving losgemaakt als afzonderlijke kritische bronnenuitgaven ten dienste van geschiedschrijvers. Een hoogtepunt werd gevormd door het werk van Frans van Mieris (uitgave 1753-1756) met als tegenuitgave, vanuit ander perspectief, die van Adriaan Kluit (1777-1782). Vervolgens wordt het werk in de negentiende eeuw voortgezet door L.Ph.C. van den Bergh en James Fremery, in de twintigste eeuw weer verbeterd door H.G.A. Obreen. Daarop volgde een nieuwe, zelfstandige uitgave door A.C.F. Koch, die echter al snel weer werd aangevuld, uitgedund en verbeterd door Jaap G. Kruisheer. Dat is een geschiedenis op zichzelf die al die een kritische beoordeling verdient omdat hij rijk is aan lering en vermaak.

Eigenlijk bestaat het grote probleem voor de gegeven periode er uit dat de term ‘oorkondenboek’ (1) wat hoog is gegrepen doordat er nauwelijks oorspronkelijke oorkonden in worden weergegeven; de teksten vertonen ook geen continuïteit en er zijn aanzienlijke tijdspannen zonder tekst.

Van de graven van Holland is ons geen enkele oorspronkelijke oorkonde overgeleverd noch enig zegel. In De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299 zijn er van de onderstaande oorkonden maar zeven opgenomen, de nummers 39, 43, 45, 46, 57, 62 en 88, die op de laatste na allemaal betrekking hebben op schenkingen aan de St.-Pietersabdij te Gent; de laatste, van 1083, is een vervalst afschrift uit het tweede kwart van de twaalfde eeuw of nog (veel) later waarin de abdij van Egmond wordt genoemd (2). Het zijn geen oorkonden uitgegeven door de graven zelf, maar oorkonden opgemaakt door anderen. Voor de vervalsing op 1083, zie : 1083, Een Egmondse vervalsing uit de dertiende eeuw.

De lijst van teksten die in het Oorkondenboek zijn overgeslagen is lang; veel zijn terug te vinden bij Albert Delahaye. Van de Fresia-teksten zijn er bijvoorbeeld tamelijk willekeurig veertien opgenomen terwijl de hele verdere rest klaarblijkelijk wordt beschouwd als niet bij Holland of Zeeland behorend. Ook zou het de moeite lonen te zien hoeveel en welke akten zijn verdwenen die wel in de eerdere bronnenuitgave van onder andere Obreen (3) waren opgenomen.

Bovendien ontbreken de vroege geschiedschrijvers en annalen die algemeen wel als historische bronnen worden aanvaard; op deze regel wordt dan weer een uitzondering gemaakt wanneer daarin oorkonden worden vermeld waarvan het volgens de samensteller geloofwaardig is dat die ooit bestaan zouden hebben (de ‘van-horen-zeggen’-documenten).

Een belangrijke kritiek op deze bronnenuitgave is dat er eerst een samenvatting in vertaling wordt gegeven waarin de determinatie van de geografische namen en interpretaties al als dwingend en zeker worden voorgesteld, en eerst daarna de eigenlijke ‘oorkonde’, die dan uitsluitend in het Middeleeuws Latijn wordt weergegeven waaronder de toegankelijkheid van de teksten natuurlijk nogal te lijden heeft. Hieronder zijn waar nodig de oorspronkelijk namen uit de akten weergegeven en zijn de interpretaties afzonderlijk vermeld.

Een fundamentele, en gelijk beslissende methodische fout van het Oorkondenboek bestaat er uit dat de teksten worden gegeven in de volgorde van de jaren waarop zij betrekking zouden hebben, in plaats van in de volgorde waarin zij zijn samengesteld. Een dertiende eeuws afschrift van een document uit de tiende eeuw hoort onder de dertiende eeuw te worden geplaatst en niet onder de tiende. In de juiste volgorde geplaatst valt het onmiddellijk op welke teksten geloofwaardig zijn en welke niet. Voor het overzicht houden we hier echter de volgorde aan waarin de teksten in het Oorkondenboek worden gegeven. Dat is een onvermijdelijke concessie zolang het kritisch onderzoek niet verder gevorderd is.

Het wordt voor Middeleeuwse teksten ook geoorloofd geacht om in bronnenuitgaven teksten niet te geven zoals ze in de originelen of de oudst bekende afschriften zijn te vinden, maar naar wat de bewerker denkt dat er had moeten staan of hoe hij zich voorstelt dat de oorkonde er uit had kunnen zien, met ‘varianten’ in voetnoten. We krijgen dus geen authentieke teksten voorgeschoteld maar ‘gecorrigeerde reconstructies’, in de geest van de middeleeuwse kopiïsten maar met moderne middelen (en anders dan in de Middeleeuwen wel voorzien van een groot bibliografisch apparaat).

2. Afschriften en vervalsingen

Bij het maken van afschriften werden in de Middeleeuwen echte of vermeende ‘fouten’, waaronder uitdrukkingen die niet meer werden begrepen, natuurlijk ‘verbeterd’. Bij het afschrijven was het ook gebruikelijk om de tekst aan de eigen tijd aan te passen door later verkregen goederen en rechten tussen te voegen, en om teksten vollediger te maken met invoegingen die de kopiïst nuttig of noodzakelijk leken, naar wat hij verder nog wist of dacht te weten.

Maar afschriften werden niet alleen gemaakt om oude documenten met bezittingen en rechten voor het nageslacht te bewaren; het gebeurde ook om oude documenten een heel ander gebruik te geven in overeenstemming met de politieke behoeften van dat moment – waarbij de kopiïsten er alle belang bij hadden de originelen aan het haardvuur prijs te geven. Dat is de werkelijke reden waarom we zoveel afschriften en zo weinig oorspronkelijke documenten aantreffen.

Voor vervalsingen werd doorgaans gebruik gemaakt van oudere akten die als voorbeeld dienden en waaruit grote delen werden overgenomen met geografische details en al, maar met andere datum en met invoeging van andere goederen en rechten. We zien in vervalsingen voortdurend plaatsnamen verschijnen lang voordat de betreffende plaats ook maar één enkele maal is genoemd in een authentieke akte.

Een niet geringe moeilijkheid is dat er namen uit oude documenten, afkomstig uit een andere streek, zijn gebruikt om ter plaatse nieuwe aanspraken te laten gelden. Omdat in de documenten ook oude namen zijn overgenomen die geen betrekking hebben op het nieuwe gebied kan soms moeilijk worden vastgesteld of een betreffende plaats geacht werd in Holland of Zeeland te hebben bestaan toen de vervalsing werd gemaakt; nog moeilijker is het zich een idee te vormen van de omgeving waarin het niet meer bestaande oorspronkelijke document, dat voor de vervalsing gebruikt werd, thuishoort.

In afwezigheid van authentieke stukken is er vooral discussie gevoerd over de mate waarin documenten zijn vervalst en in hoeverre er een origineel zou hebben kunnen bestaan, om er toch nog maar iets aan te kunnen ontlenen dat in enige mate betrouwbaar kan worden geacht. Hier betreden we de wondere wereld van het subtiele onderscheid tussen ‘schijnbaar origineel’, ‘onecht, maar niet vals’, ‘afschrift, niet meer voorhanden’, ‘fragment’, ‘notitie’, ‘samenvattend afschrift’, ‘geïnterpoleerd afschrift’, ‘regest’, ‘duplicaat’ ‘excerpt’, ‘deperditum’, en ‘reconstructie’. Om de grote lijnen duidelijker te krijgen zijn die subtiliteiten hier iets afgezwakt.

Het blijft een merkwaardige geschiedenis die zijn grondslag zoekt in vervalste documenten en in duidelijk onbetrouwbare, vaak veel latere afschriften, waarvoor er nauwelijks iets authentieks kan worden overlegd, en waarvoor er tot ver in de twaalfde eeuw al helemaal niets authentieks van eigen bodem kan worden getoond.

3. De oorkonden tot 993

Het Oorkondenboek van Holland en Zeeland uit 1970 bevat over de periode eind zevende eeuw tot 993, dat wil zeggen over een periode van drie eeuwen, in 117 bladzijden slechts 62 teksten. Daarvan worden hier weergegeven : nummering in het Oorkondenboek, datering van de oorkonde, aard en datering van het oudst bekende afschrift, plaats waarvan de akte afkomstig is, samenvatting van de inhoud, en commentaar.

Van de 62 teksten zou er slechts één uit de negende eeuw zijn; 7 uit de tiende eeuw, 17 uit de elfde eeuw; 21 uit de twaalfde eeuw; 16 uit de 13e eeuw of nog later. De afschriften kunnen in twee groepen worden verdeeld :

  • afschriften, soms niet meer dan losse notities, die terug kunnen gaan op authentieke documenten, maar die in het geheel geen betrekking hebben op Holland of Zeeland, of waarin plaatsen worden genoemd waarvan de namen alleen een beetje lijken op plaatsnamen in Holland en Zeeland; een groot deel bestaat dan ook vooral uit het afval van de documentaties waaruit ze werden opgediept en ze konden enkel op Nederland worden toegepast omdat ze elders nog niet waren opgeëist;
  • vervalsingen, die bijgevolg geen betrekking hebben op de achtste en negende eeuw, maar op de twaalfde en dertiende eeuw toen ze in elkaar werden gestoken; het is waarschijnlijk dat er nog meer vervalste akten tussen staan dan aangegeven.

Van de toch al niet meer dan 62 teksten zijn er bovendien maar liefst 25 (zie teksten 27, 30, 31, 33, 35-41, 43, 45, 46, 49-53, 56-60 en 62) die tamelijk weinig zeggend zijn en die alleen zijn opgenomen omdat er een graaf Theodericus, Waltkerus of Arnulfus in voorkomt, soms als schenker aan een klooster, meestal zelfs alleen maar als getuige, en zonder dat er ook maar iets in voorkomt dat met Holland of Zeeland in verband kan worden gebracht, zodat er voor de geografie van Holland en Zeeland, laat staan voor de staatshuishoudkunde of het openbaar bestuur, bitter weinig overblijft.

Waar nodig zijn de Noord-Franse determinaties van geografische namen door Albert Delahaye gevolgd; soms zijn die voor verbetering vatbaar maar dat heeft hier weinig belang zolang het duidelijk is in welke streek het geheel thuis hoort.

4. Overzicht van de teksten tot 993

a. Negenentwintig teksten uit Gent en Nijvel

26 teksten komen uit Gent en 3 komen er uit Nijvel, wat op het totale aantal van 62 een belangrijke aanwijzing vormt voor de richting waarin we het centrum van de grafelijke aktiviteit moeten zoeken.

De Sint-Pietersabdij in Gent is echter ook berucht vanwege haar stelselmatige vervalsingen, wat de samensteller van het Oorkondenboek niet geheel is ontgaan: «Inderdaad tonen sommige formuleringen – vooral ook de datering – sporen van de omstreeks het eerste derde van de elfde eeuw in de Gentse Sint-Pietersabdij in zwang zijnde vervalsingstechniek.» (p. 95, bij tekst 53). De voornaamste boosdoener was abt Wichard (1034/1035-1058).

b. Zeventien teksten uit Werden, Lorsch en Fulda

De abdijen van Werden (tekst 18), Lorsch (teksten 5 en 6) en vooral Fulda (teksten 7-17 en 23-25) in Duitsland brachten in de periode van 776 tot 833 vijftien teksten voort die op Holland en Zeeland worden betrokken, in de periode daarna nog maar twee. Dit betekent dat er een abrupte breuk in de continuïteit is ontstaan waarmee het hele verhaal van het Duitse kloosterbezit in Nederland toch wel heel onaannemelijk wordt. Het was door de afstand toch al absurd, nog afgezien van de vraag hoe dit bezit van losse stukjes land mogelijk was als er verder blijkbaar niets van betekenis was en er uit die periode geen andere teksten bestaan.

  • De abdij te Werden ten zuiden van Essen was een in 848 verplaatst klooster dat uit Werethina (een verdwenen plaats in de omgeving van Sangatte, dan wel het huidige Fréthun) ten zuidwesten van Calais afkomstig was en dat aldaar vóór 793 was gesticht door Ludger. Het Cartularium van Werden, uit de twaalfde of dertiende eeuw, omvat 59 oorkonden uit de periode 793 en 848, dan breekt het af. Daarin worden 206 plaatsnamen vermeld waarvan er 33 in Duitsland (vooral in het land van Munster) zijn aangewezen en 12 in Nederland zodat er 161 namen nergens konden worden geplaatst, een duidelijke aanwijzing dat de documentatie in een geheel andere dan de gedachte streek thuishoort (4).
  • De abdij te Lorsch bij Darmstadt zou in 772 zijn gesticht als voorpost van de Karolingische expansie naar het oosten en noorden en kreeg belangrijke bezittingen mee in het noorden van Frankrijk van waaruit die expansie begon. Oorspronkelijk werd de abdij Lauriacum genoemd. In de van oorsprong Noord-Franse documentatie worden 130 plaatsnamen genoemd in de Batua (omgeving Béthune en niet de Betuwe, het klooster had Genech als administratief centrum en de abdij van Ablain-Saint-Nazaire als belangrijkste bezitting), en waarvan er niet één in Holland of de rest van Nederland kan worden geplaatst, maar waaruit toch een paar losse fragmenten naar Holland zijn getrokken (5).
  • De abdij Fulda (ten noordoosten van Frankfort) zou in 744 door Bonifatius zijn gesticht. In werkelijk werd dit klooster pas later gesticht vanuit Mainvillers (Moguntiacum), vanwaar het, via Mainz, de Bonifatius-traditie meekreeg. Ook hier begonnen de monniken meegebrachte Noord-Franse documenten vrij te interpreteren in de richting van de situatie waarin ze waren terechtgekomen. Desondanks moet het Oorkondenboek de gevolgtrekking maken :
    «Geen enkele oorkonde, hetzij in origineel hetzij in afschrift, licht ons nog in omtrent de vorming van het uitgebreide goederenbezit van de abdij van Fulda in het gebied waar haar stichter [Bonifatius] in 754 de marteldood had gevonden [i.e. Frisia].»
    De documenten uit Fulda bestaan uit afschriften die de monnik Everhard tussen 1150 en 1158 maakte.
    «Everhard heeft deze arbeid niet op intelligente wijze uitgevoerd, en bovendien heeft hij vele namen verhoogduitst.» (onder nr. 7, p. 15).
    Van een aantal namen valt dan ook niet veel meer te maken omdat ze onherkenbaar verminkt zijn wat vooral betekent dat de monnik Everhard ze zelf ook niet meer kon plaatsen. Van de 84 Fresia-teksten uit Fulda heeft het Oorkondenboek er niet minder dan 70 overgeslagen zodat de rest duidelijk buiten verband wordt aangehaald, zie eveneens onder tekst 7 (6).
  • Van een vierde klooster, Corvey in Duitsland, wordt algemeen aangenomen dat het verplaatst is vanuit Corbie in Noord-Frankrijk en van de documentatie van dit klooster worden geen teksten voor Holland aangevoerd (7).

c. Vier ‘koningsoorkonden’ uit Egmond

Dit zijn de enige documenten van Hollandse en Zeeuwse bodem voor de hele periode (teksten 21, 28, 40 en 55). Aan het eind van de twaalfde of het begin van de dertiende eeuw zou in Egmond een afschrift van het Liber sancti Adalberti zijn gemaakt waarin vier overgeleverde zogenaamde ‘koningsoorkonden’ waren opgenomen; het oorspronkelijke werk zou ouder zijn.

Er hebben ongetwijfeld oudere documenten aan deze oorkonden ten grondslag gelegen. Dat neemt niet weg dat deze zodanig zijn ‘bewerkt’ dat de kopieën alleen als complete vervalsingen kunnen worden beschouwd waarin bovendien de oorspronkelijk samenhang in Frans-Vlaanderen nog zichtbaar is gebleven.

Het oudste afschrift van de ‘koningsoorkonden’ is als toevoegsel te vinden bij het Chronicon Egmundanum, dat op zijn vroegst uit de tweede helft van de dertiende eeuw, waarschijnlijker pas uit de veertiende eeuw stamt, en zich in Berlijn bevindt. Een tweede afschrift uit ca. 1360 bevindt zich te Leiden, eveneens als toevoegsel bij het Chronicon Egmundanum, een derde afschrift uit ca. 1420 is in Den Haag te vinden in een afschrift van het Cartularium van de Egmondse abdij (waarvan de oudste tekst in Londen ligt). De tekst werd voor het eerst gedrukt te Leiden in 1601 in de Bataviae Hollandiaeque annales van Janus Dausa. Een eerste Nederlandse vertaling werd na 1517 gemaakt door Cottonius Tiberius ofwel Jan van Naaldwijk.

Melis Stoke zette ze daarvoor al in dichtvorm over, waarbij hem natuurlijk de dichterlijke vrijheid was vergund maar niet de geschiedvervalsing; het is zijn versie die de Hollandse geschiedschrijving zou gaan bepalen.

d. Drie teksten uit Echternach

Twee van deze drie zijn hier afzonderlijk behandeld (teksten 3 en 4), niemand in Echternach heeft ze ooit op Holland betrokken; zie : De middeleeuwse Kinhem-teksten; de derde is een complete vervalsing (tekst 2).

e. Negen verspreide teksten

Blijven er slechts negen teksten over uit andere bronnen, uit Bonn, Maastricht, Renen, Noyon, Quedlinburg, Rome, Trier en Torn bij Roermond. Het zijn allemaal dubieuze en geïsoleerde teksten zonder enige samenhang of continuïteit.

5. De teksten tot 993

1. Eind zevende eeuw, notitie, tiende eeuw, Gent
Ratahus schenkt (aan de abdij Blandinium) in de pago Bracbatinse in de plaats Olfne goederen en vier horigen genaamd Haldulfo en zijn vrouw en zijn kinderen Heltrada en Madelrada, tevens in de pago Fresinse in de plaats die UUitle wordt genoemd goederen en vier horigen genaamd Altbora en zijn vrouw en zijn kind Clodauuiua.
Deze tekst wordt op Blandinium de Sint-Pietersabdij bij Gent betrokken die toen echter nog niet bestond. Olfne wordt opgevat als Olsene onder Melle bij Gent aan de Schelde. Het enige dat hier willekeurig voor Holland wordt opgeëist is het niet geplaatste Witle, liggende aan de monding van de Mosa. H.P.H. Jansen maakt er Domburg van, met vraagteken, en er is ook geprobeerd om er Wichmond in Gelderland van te maken. Het is Wissant ten zuiden van Calais. Mosa is een naam die voor vele rivieren is gebruikt (Maas, Moeze, Moezel, Canche, Moselle). Zie ook : Germania = Frans Vlaanderen bij Caesar, Strabo, Plinius, Ptolemeus, t.a.p., p. 33-34.

2. 726-727, vervalsing, dertiende eeuw, Echternach
Bisschop Clemens Willibrord schenkt aan het door hem beheerde klooster te Epternacum aan de rivier Sura in de pago Bedense goederen en horigen aan hem geschonken, waaronder de kerk in pago Marsum, ubi Mosa intrat in mare [aan de monding van de Mosa].
Falsum met talrijke geïnterpoleerde gegevens die in de achtste eeuw niet bestonden (zie ook : De ware kijk op..., I, p. 240 e.v. en II, p. 382 e.v.). Epternacum (Eperlecques) lag aan de Renus (Schelde) en niet aan de Sura, het lag in de Batua (Béthune) en niet in Bedense. Marsum wordt opgevat als een plaats in de omgeving van Vlaardingen, maar het is Marck bij Calais, waar ook de Mosamuthon wordt genoemd, vlak boven Witla (Wissant), Tecelia (Axles), Andoverpensis (Andres) en Dorestadum (Audruicq). De twee plaatsen Marssum in Friesland en Groningen komen ook niet in aanmerking omdat die in de achtste eeuw nog niet bestonden.

3. 719-739, notitie, twaalfde eeuw, Echternach
Hofmeier Karel (Martel) schenkt de villa Adrichaim aan Willibrord.
Afzonderlijk behandeld in : De Middeleeuwse Kinhem-teksten.

4. 719-739, vervalsing, dertiende eeuw, Echternach
Hofmeier Karel (Martel) schenkt de kerk van Felison met toebehoren aan de kloostergemeenschap van Epternacum.
Afzonderlijk behandeld in : De Middeleeuwse Kinhem-teksten.

5. 776, notitie, twaalfde eeuw, Lorsch
Godebertus schenkt aan het klooster Laurishamensi [de abdij van Lorsch] tussen Scald, Sunnonmeri en Gusaha een stuk grond met kerk en overig toebehoren, alsook zeventien zoutpannen.
De Scald wordt opgevat als de Schelde. Sunnonmeri en Gusaha worden zeer willekeurig opgevat als waternamen op Walcheren. Verderop in tekst 55 komen we Sunnimeri tegen dat daar als ‘Zonnemere’ wordt vertaald. Het wordt hier niet gezegd, maar de tekst wordt opgeëist voor de Zonnemaire op Schouwen-Duiveland, onder het water de Grevelingen, een naam die een verdubbeling is van Grevelingen in Noord-Frankrijk waar volgens Thiofried van Echternach Willibrordus landde (vergelijk : Van Berkel en Samplonius, t.a.p., p. 272). In een van de afschriften van deze tekst wordt in lacu villa Inaudico (of Audico) genoemd, wat in een andere staat aangegeven als Wu[...]dacres (Wudarres), in nog een ander als Wadraces, en waar [W..]ac[res?] van wordt gemaakt, met de suggestie dat het om Walcheren zou gaan, wat echter niet te rijmen valt met Schouwen-Duiveland.

6. 772 of 776, notitie, twaalfde eeuw, Lorsch
Gerrich en zijn vrouw Rutwar/Ratgart schenken aan de abdij Laur. [Lorsch] goederen en zes horigen in Fresia te Forismariche en in Engilbrechtes in Thesla, in Leunspih en in Helicriches in Thesla en in Elisholz tussen de Renus en de Masa en bij de Masamunda.
Fresia is Frans-Vlaanderen, Thesla wordt opgevat als Texel maar is Axles onder Coquelles bij Calais (de naam is ook in Engeland verdubbeld als Tixall ten oosten van Stafford), de Renus is de Schelde, de Masa de Moeze en Masamunda bevond zich aldaar bij Calais. Het klooster Werethina (Fréthun) van Bonifatius bevond zich daar vlakbij. Engilbrachtes kan St. Inglevert of Onglevert zijn; Leunspih is mogelijk Leulinghen of Leubringhen, zie ook tekst 14, 16 en 17, of waarschijnlijker Leomeriche (Beaurainville), 20 km zuidoost van Étaples, al in de achtste eeuw genoemd als Leodedringas.

7. Eind achtste eeuw?-817, uittreksel, twaalfde eeuw, Fulda
Gebo schenkt aan de abdij te Fulda een curtile met toebehoren in de pago Wirensi in Fresia.
De pago Wirense wordt opgevat als de gouw Wieringen maar is het gebied ingeklemd tussen de Slack en de Wimereux waar we Wierre-Effroy vinden ten noordwesten van Boulogne-sur-Mer, in 857 Wilere genaamd, in 1084 Wilra, in 1129 Wirla, in 1184 Wirra, 1190 Wirre en in de veertiende eeuw Wierre le Hainfroy; ten zuidoosten van Boulogne en ten westen van Desvres is bovendien Wierre-aux-Bois te vinden en iets ten noorden daarvan Wirwignes, zie ook tekst 9, 11 en 12. Het Oorkondenboek noteert onder deze tekst laconiek dat het van de 84 handelingen die Everhard onder het hoofd Descriptiones eorum qui de Fresia bona sua sancto Bonifacio tradiderunt klasseerde er maar liefst 70 heeft overgeslagen omdat ze «buiten dit oorkondeboek vallen.» (p. 16-17).

8. Eind achtste eeuw?-817, uittreksel, twaalfde eeuw, Fulda
Gerwic uit Fresia schenkt aan de abdij te Fulda een stuk land bij het het water Maresdeop.
Uit de context is opgemaakt dat het hier net als in de voorafgaande tekst ook zou gaan om een stuk land in de pago Wirense (“in dezelfde pago”, i.e. als in de voorafgaande akte). Maresdeop wordt als gevolg daarvan opgevat als het Marsdiep onder Texel.

9. 802-817, uittreksel, twaalfde eeuw, Fulda
Geiltrud/Gelsuint schenkt aan de abdij te Fulda haar bezit te Wiulfingafurt/Wictulfingefurt in de pago Wironie.
Wironie wordt opgevat als Wieringen, maar is Wierre-Effroy. De naam Wiulfingafurt is zodanig verduitst dat er moeilijk valt achter te komen welke plaats er bedoeld is, mogelijk is het Boisdinghem, op 7 km zuidoost van Tournehem, ooit Widingahem of Winningahem geheten (De ware kijk op..., deel 2, t.a.p., p. 521)

10. 802-817, uittreksel, twaalfde eeuw, Fulda
Hera/Esacha, dochter van Habo/Auon, schenkt aan de abdij te Fulda haar bezit op het eiland Ganc en te Fardincheim.
Ganc wordt vaak in de buurt van Texel gelocaliseerd, Fardincheim wordt opgevat als Firdgum (Friesland), dat echter nog niet bestond, waarschijnlijk is het Vaudringhem tussen St.-Omaars en Desvres. Voor het eiland Ganc, vergelijk tekst 15, 17 en 25.

11. 802-817, uittreksel, twaalfde eeuw, Fulda
Isanbald/Isanbalt en zijn vrouw Sigibiren/Sigibirn uit Fresia schenken aan de abdij te Fulda land te Brocenlar/Brochenlar in de pago genaamd Uvira/Wirah.
Wira wordt opgevat als Wieringen, maar is weer Wierre-Effroy.

12. 802-817, uittreksel, twaalfde eeuw, Fulda
Hunbertus/Hambert schenkt aan de abdij te Fulda zijn bezittingen in de omgeving van Fresia in de pagus Wiraha.
Wiraha wordt opgevat als Wieringen, maar is nog altijd Wierre-Effroy.

13. 802-817, uittreksel, twaalfde eeuw, Fulda
Tetta/Tetda schenkt aan de abdij te Fulda bezittingen te Gotolf(h)eim en Texalmore.
Daarop volgen vermeldingen van een aantal uittreksels die niet zijn opgenomen, en waarin binnen Fresia worden genoemd de plaatsen: Hettinghetmeuelden/Eitingemouelde, Sutdorf(t) in pago Mecinga, Austmore, Adingamora in pago Austmora, Ostanbretana. Geen van de genoemde plaatsen kan in Holland of Zeeland worden aangewezen hoewel natuurlijk de suggestie wordt gewekt dat Texalmore Texel zou zijn; het is Axles onder Coquelles bij Calais.

14. 822-825, uittreksel, twaalfde eeuw, Fulda
Aengilmari uit Fresia schenkt aan de abdij te Fulda zijn erfgoed te Leonspic.
Leonspic wordt gelijkgesteld aan Leunspih, Lienesbac, Leonesbah/Leonipich en Leunspih uit andere documenten en wordt vertaald als ‘Lienspijk’, zie ook tekst 6, 16 en 17.

15. 822-825, uittreksel, twaalfde eeuw, Fulda
Burgolf uit Fresia schenkt aan de abdij te Fulda goederen te Folcratebane/Folcrabano, Widimuntheim/Witemuntheim, Lienesbach, Ganc en Westerkinloson.
Witmuntheim is Wissant, hoewel geprobeerd is om er Wimmenum bij Egmond of iets onbekends op Texel van te maken (Historische geografie van Kennemerland, t.a.p., p. 149 en 169). Voor Ganc, vergelijk tekst 10, 17 en 25.

16. 822-825, uittreksel, twaalfde eeuw, Fulda
Burgolf schenkt aan de abdij te Fulda goederen, hem nagelaten door zijn vader Antulf en zijn moeder Wofolcrid, te Bogeheim, Leonesbac, Witmuntheim en Horgana.
Bogeheim is Boëseghem, Witmuntheim is Wissant. Voor Leonesbac, zie ook tekst 6, 14 en 17. Horgana is Haringzelle, gehucht onder Audinghen, 13 km ten noorden van Boulogne.

17. ca. 825-842, uittreksel, twaalfde eeuw, Fulda
Folclint schenkt aan de abdij te Fulda haar bezit te Wiron en te Leonesbac/Leonipich.
Wiron wordt opgevat als Wieringen maar is Wierre-Effroy. Daarop volgen vermeldingen van een aantal uittreksels van teksten die verder niet zijn opgenomen, en waarin binnen Fresia worden genoemd de plaatsen: Rochingere marcha (dat wordt opgevat als Tochingere marcha dat Dokkum zou zijn), Englide in Merinidorbe, in de plaats genaamd Abblechen, Wincredea, Mermendorf, Walahheim, Gandingen. Voor Leonesbac, zie ook tekst 6, 14 en 16, voor Gandingen, vergelijk tekst 10, 15 en 25.

18. 855, afschrift, eind negende-begin tiende eeuw, Werden
Folkerus schenkt aan de abdij te Werden goederen in de pagus Hamulande, in het graafschap Wigmanni, in Batuue, in het graafschap van Ansfridi.
In het afschrift is ingevoegd : «Item commentiariolum de hereditate Folkeri quam habet in Frisia. In pago Kinhem: in villa Obbinghem, sortes XXX triginta, in Kinlesun terra V quinque animalium, in Odigmore terra V Quinque animalium, in Nordmora Odlef dimidium mansun Tiaduuold I unum Geldis dimidium, Uulfnoth dimidium, Hardbraht dimidium, Euurhard dimidium, Aldolf dimidium. Item in pago Uuestrachi [...] Item in pago Humerki.» De tekst vervolgt : «Hec igitur traditio facta est coram pluribus et idoneis testibus in pago cui vocabulum est Flethetti, in villa que vocatur Hlara, sub die septima idus novembris, et in pago vocato Batue in villa que vocatur Hleliglo sub die IIII idus novembris, anno ab incarnatione Domini nostri Iesu Christi DCCC L V, indictione III, regnante domno nostro Hludouuico imperatore iuniore augusto anno XV.» Hamulande is Henegouwen en niet een streek bij de IJssel, de Batue is de omgeving van Béthune en niet de Betuwe; Fresia is Frans-Vlaanderen en niet Friesland; Kinhem is Gonnehem (Hinges) bij Béthune en niet Kennemerland; Obbingghem is Obblinghem eveneens bij Béthune; Westrachi is de streek ten zuidwesten van Rijsel (Frans Lille), elders ook Taxandria en Testerbant genoemd; Humerki is waarschijnlijk Valhuon, vroeger als Hugonis Marca bekend; Odigmore is is Audinghen, 8 kilometer noordwest van Maquise; Nordmora is Norrent-Fontes op 5 kilometer ten zuiden van Aire; Flethetti is Fléchin; Hlara is Leers bij Rijssel of Lière bij Béthune, Hleliglo is Helfaut en het kan natuurlijk niet Heiloo zijn dat immers niet eens in de Betuwe ligt (in Frieslands oudheid, t.a.p., p. 114, wordt er daarom een “onbekend” van gemaakt).

19. 864, Gent
Koning Karel (II, de Kale) bevestigt de kanunniken van het Sint-Baafsklooster (bij Gent) in hun bezittingen in de pagi van Gand, Bracbant, Minpisco, Camaracense, Suessonic, Medelentense, in de pagus Flandrense een «illum mariscus», en hetzelfde in Fresia. De akte is gegeven te Pettingehem [Petegem].
Van het illum mariscus wordt een mars (weide of grasland) gemaakt; Gand is Gent, Bracbant is Brabant, Camaracense is Kamerrijk, Suessonico is Kortrijk, Flandrense is Vlaanderen.

20. 877, afschrift, 1422, Nijvel
Keizer Karel (II, de Kale) zondert, op verzoek van keizerin Richildis, van het patrimonium van de abdij van Nivellae [Nijvel] ten behoeve van de zusters en kanunniken aldaar af land en horigen in Frisia en de visserij in de Meruada aan de Sala, verder rechten in de plaats Liniacum in Bracbantinse en in de plaats Bruils aan de overzijde van de Renum. Akte gegeven te Pontione.
Meruada moet in de omgeving van Nijvel worden gezocht, de Sala is de rivier Zenne (Frans Selle) aldaar, niet te verwarren met de zuidelijker gelegen Selle.

21. 889, afschrift, dertiende eeuw, Egmond
Koning Arnulf schenkt goederen aan zijn graaf Gerolf, gelegen tussen de Renus en Suuithardeshaga binnen zijn graafschap in de plaats Nordcha en in Osprehtashem, in de plaats genaamd Bedokenlo, in Alburch, Hornum, Huui, Teole, Aske, Akte gegeven te Franconofurth.
Eerste van de vier ‘koningsoorkonden’ (zie ook teksten 28, 40 en 55). Arnulf van Karinthië was van 887 tot 899 koning van Oost-Francië en had geen bezit in het betreffende gebied. De Renus wordt opgevat als de Rijn maar is de Schelde; Swithardeshage wordt opgevat als een bos aan de zuidgrens van Kennemerland in de buurt van Noordwijk, of ook de Hillegommerbeek, of iets in de omgeving van Schoorl, zie ook verderop; van Nordcha is Noordwijk gemaakt. Osprehtashem, elders Osbrachttashem genaamd, is Brexent-Enocq bij Étaples, wat dan aangeeft waar ook de andere plaatsen moeten worden gezocht. Alburch wordt opgevat als Aalburg (Noord-Brabant), Teole als Tiel, Aske als Asch (Gelderland), met vraagteken. Van Bedokenlo, afgekort tot Bodelo, is ook Bodengraven gemaakt. Vergelijk : De Annalen van Egmond, samengesteld te Gent.

22. 897, afschrift, 1422, Nijvel
Koning Zwentibold zondert, op verzoek van Gisla [de abdis van Nijvel], voor de kanunniken en zusters aldaar af onder meer enkele goederen van deze abdij in Fresia en de visserij in de Mereuuida, in Liniaca capella, in de plaats Bruoil bij de Renus.
Merewida wordt opgevat als Merwede maar moet bij Nijvel worden gezocht; de Renus is de Schelde.

23. Ca. tweede helft negende eeuw, afschrift, twaalfde eeuw, Fulda
Ratolt uit Fresia schenkt aan de abdij te Fulda zijn vaderlijk erfdeel in de pagus Tyesla, te Langemo[r]e, Witmundheim, Kynlo[s]en, Bretenheim en Thyeslemore.
Akte met verduitste namen; van Tyesla wordt Tessel gemaakt, maar het is Axles onder Coquelles bij Calais.

24. Ca. tweede helft negende eeuw, afschrift twaalfde eeuw, Fulda
Dezelfde Ratolt als boven schenkt aan de abdij te Fulda zijn vaderlijk erfdeel te Lantohi.

25. Ca. tweede helft negende eeuw, afschrift, twaalfde eeuw, Fulda
Brunihilt, bijgenaamd Tetda, uit het gebied Frosonen, schenkt aan de abdij te Fulda haar erfdeel met toebehoren in de gouw Tyesle, meer bepaald te Lanthoy, Langenmore of Ostmore, Bretenmore, Witmuntheim, Tyeslemore, Kintloson en Gankchala.
Tyesle wordt weer opgevat als Texel maar het is Axles onder Coquelles bij Calais. Witmuntheim is Wissant en geeft de streek aan waar de andere plaatsen moeten worden gezocht. Voor Gankchala, vergelijk tekst 10, 15 en 17.

26. 916, afschrift twaalfde eeuw, Herstal
Koning Karel (III, Karel de Eenvoudige van West-Francia), het vonnis volgend van een aantal met name genoemde bisschoppen en graven, waaronder de graven Theodericus en Walcherus, herstelt het klooster Prumia in het bezit van de abdij Susteren. Gegeven te Heristallium palatium.

27. 921, druk, 1623, Bonn
Koning Karel (III, Karel de Eenvoudige van West-Francia) sluit een verdrag met koning Hendrik (I) van Oost-Francia, dat aan de zijde van de eerste mede door een graaf Theodricus en een graaf Waltkerus bezworen wordt.
Andermaal valt de graaf onder West-Francia. In het regest van het Oorkondenboek wordt Waltkerus weggelaten. Genoemde getuigen : «Episcopi ex parte domni regis Karoli: Herimannus archiepiscopus Agrippinae, quae modo est Colonia vocitata, Rodgerus archiepiscopus Treuirorum, Stephanus praesul Cameracorum, Bouo espiscopus Catalaunensium, Baldricus Traiectensium spiscopus [=Baldrik van Utrecht, tot 975 bisschop], haec nomina comitum: Matfredus, Erkengerus, Hagano, Boso, Waltkerus, Isaac, Ragenberus, Theodricus, Adalardus, Adelelmus. Episcopi ex parte regis inclyti Heinrici: Herigerus archiepiscopus Moguntiacorum, Nithardus episcopus Mimmogerneferdae, Dodo episcopus Osnobroggae, Ricawo episcopus Vangionum, quae nunc dicitur Warmatia, Hunuardus apiscopus Paderbornensis, Notingus episcopus Constantiae Alemannicae, haec sunt nomina comitum: Eurardus, Chonradus, Herimannus Hato, Godefredus, Otto, Herimannus, Cobbo, Magenhardus, Fridericus, Foldac.» De aanwezigheid van de bisschop van Utrecht maakt het jaar 921 onmogelijk. Commentaar : «Dit verdrag is overgeleverd met het jaartal 926. Zie voor het juiste jaartal vooral G. Waitz, Jahrbücher des Deutschen Reichs unter König Heinrich I., Leipzig 1885(3) en Darmstadt 1963(4), p. 59-63.»

28. 922, afschrift, twaalfde-begin dertiende eeuw, Egmond
Koning Karel (III, Karel de Eenvoudige van West-Francia) schenkt, op voorspraak van graaf Hagano, aan ene Theoderico de kerk van Emunde met alle toebehoren van Suuithardeshaga tot Fortrapa en Kinnem. Gegeven te Pladella villa.
Tweede van de vier ‘koningsoorkonden’. Pladella villa wordt willekeurig als Bladel opgevat; zie : Van Dorestadum tot Waderlo / Albert Delahaye. - Zundert, 1979. - 112 p. - p. 106-107, waar Pladella villa wordt geïndentificeerd als Doudeauville. Emunde wordt als Egmond opgevat hoewel daar helemaal geen kerk was; Kinnem als Kennemerland maar ook als Kinnum op Terschelling; Fortrapa is opgevat als Vartrop op Wieringen, Vortrap op Zuid-Beveland en Voorhout in Noord-Holland (Historische geografie van Kennemerland, t.a.p., p. 56-57). De West-Frankische koning Karel kon niets schenken in Kennemerland omdat Kennemerland nooit deel uitmaakte van zijn rijk. In het Oorkondenboek lezen we: «Er moeten wel dringende redenen zijn om te veronderstellen, dat de monniken van Egmond aan de inhoud van de hun toevertrouwde grafelijke oorkonden wezenlijke wijzigingen hebben aangebracht. En die zie ik ook t.a.v. deze oorkonde beslist niet.» De samensteller had geen dringende reden voor een dergelijke veronderstelling, maar de monikken van Egmond hadden wel dringende redenen voor vervalsingen, namelijk het opvoeren van grafelijke rechten naar een punt zover mogelijk in het verleden en het steeds breder interpreteren van die rechten die bovendien voor een deel uit akten van elders waren geleend; dat alles in het conflict met de bisschop van Utrecht en meer dan waarschijnlijk in opdracht van de graaf van Holland. Zo de gegevens uit deze akte toch nog betekenis hebben dan is Kinnem hier Quingoie, een gehucht bij Audrehem ten zuidwesten van Duinkerke; Fortrapa (elders Farnthrapa) is een rivier, de Varenne, ook Arques geheten, bij St.-Omaars; Emunde, dat later uit andere bron aan deze tekst is toegevoegd, moet dan ook worden opgevat als de monding van de Aa (zie ook : De ware kijk op..., deel I, p. 434-435). Swithardeshaga zou Hardelot (ten zuiden van Boulogne) kunnen zijn dat een negende eeuws kasteel heeft en waar het bos een jachtterrein was van de graven van Boulogne. Dat hele gebied viel binnen het rijk van koning Karolus Simplex.

29. 928, afschrift, 1332, Maastricht
Hertog Giselbert, rector van de Traiectensis ecclesia, sluit in aanwezigheid van koning Henrici van Lotharii (Hendrik I van Lotharingen) een precarieovereenkomst met de aartsbisschop van Trier; onder de getuigen een graaf Thiedrici.
Traiectensis ecclesia wordt opgevat als de kerk van Maastricht.

30. 936-941 vervalsing, dertiende eeuw, Gent
Graaf Arnulf (I, van Vlaanderen) verrijkt de conventuele mensa van de Sint-Pietersabdij bij Gent; onder de getuigen een graaf Teoderici.

31. 941, afschrift, elfde eeuw, Gent
Transmarus, bisschop van Noyon, bevestigt de Sint-Pietersabdij bij Gent in haar kernbezit; onder de getuigen een zekere Theodericus.

32. 944, vervalsing, elfde eeuw, Renen
Koning Otto (I) schenkt, op verzoek van zijn broeder Brun en van Baldrico bisschop van Traiectensis [Utrecht], aan de geestelijken van de kerk van Utrecht, levend in het munster van Sint-Maarten en in dat van Onze-Lieve-Vrouw, de goederen in de pagus van de Lacke en de Isla, die Waldger en na hem zijn zoon Radbotus van de koning in leen hadden gehouden.
De Lacke wordt opgevat als de Lek en de Isla als de IJssel; het zijn de Laak (Frans: La Lacque) en de Lys, die ook elders tezamen worden genoemd.

33. 948, vervalsing, tweede helft tiende of elfde eeuw, Noyon
Transmarus, bisschop van Noyon, verhaalt het verloop van de hervorming van de Sint-Pietersadbij bij Gent, onder de getuigen een Theodericus.

34. 948, vervalsing, tweede helft 12e eeuw, Quedlinburg
Koning Otto bevestigt, naar het voorbeeld van zijn voorgangers, de Traiectensis ecclesie Baldrici [de kerk van Utrecht van Balderik] in het bezit van tienden en belastingen en van haar goederen tussen in Dorsteti ook UUik genaamd en de zee.
Dorsteti ook Wik genaamd wordt betrokken op Wijk bij Duurstede. De naam Duurstede bij Utrecht ontstond pas in de veertiende eeuw. Quedlinburg ligt ten zuidwesten van Maagdenburg in Duitsland. Het Oorkondenboek meldt dat de akte door de destinarus zelf is opgesteld.

35. 949, Gent
Graaf Arnulf (I) van Vlaanderen bevestigt de Sint-Pietersabdij bij Gent in de door hemzelf gerestitueerde of geschonken goederen, onder de getuigen een graaf Teode[ri]ci.

36. 962, vervalsing, dertiende eeuw, Gent
Graaf Wicmannus schenkt aan de abdij Blandinio [Sint-Pietersabdij bij Gent] het domein Destel; onder de getuigen een graaf Theodericus.

37. 951-963, afschrift, elfde eeuw, Gent
Graaf Arnulf (I) van Vlaanderen schenkt aan de Sint-Pietersabdij bij Gent een deel van het fiscale domein Weinebrugge; onder de getuigen een graaf Theodericus.

38. 955-964, vervalsing, ca. 1036, Gent
Rodgerus schenkt zijn bezit te Anzegem op bepaalde voorwaarden aan de Sint-Pietersabdij bij Gent, onder de getuigen een graaf Theodericus.
Een door abt Wichard zelf vervaardigde akte.

39. 967, vervalsing, elfde eeuw, Gent
Graaf Dirk schenkt conform de wens van wijlen graaf Arnulf (I) van Vlaanderen, Walem met afhankelijken, gelegen in de graafschappen Curtracinse en Tornacinse, aan de Sint-Pietersabdij bij Gent.
Walum wordt voor Holland of Zeeland opgeëist; deze plaats wordt echter genoemd met: Bucingehem, Merehaga, Loceka, Hoica, Moringehem en Ostrehem en Fliringehem. Curtracinse en Tornacinse verwijzen naar Kortrijk (Frans: Courtrai) en Doornik (Frans: Tournai). Eén mogelijkheid is dat de tekst verwijst naar een streek in Noord-Frankrijk. Moringehem is dan Moringhem ten westen van St.-Omaars, in 839 genoemd als Morninghem, in 844 als Morningehem, in 850 als Morningahem en in 1164 als Moringhem; Ostrehem is Ostrehen bij St.-Martin-Boulogne, genoemd in 1208; Flinringehem is Fersinghem bij Esquerdes ten zuidwesten van St.-Omaars, in 788 genoemd als «Fresingeham situm in pago Terwaninse super fluvium Agniona» (8), waarschijnlijker Floringhem bij Heuchin, genoemd 1145, andere mogelijkheden : Floringhetum bij Condette, genoemd 1190, en Ferlinghem bij Brêmes, genoemd 1066. Nog waarschijnlijker gaat het echter om de streek bij Oudenaarde. Bucingehem is dan Boesegem te Wannegem-Lede bij Kruishoutem, genoemd in 1291 (Renteboek Hospitaal Oudenaarde, 1291, in : M. Gysseling, Corpus Middelnederlandse Teksten), Moregem is een buurtschap bij Wortegem, Ostrehem is Oostergem te Aalter (zie ook  tekst nr. 45) of te Merendree; een minder in aanmerking komend Oosterhem ligt bij Herent; nog een ander vormt een heerlijkheid onder Aarsele (Tielt); Fliringehem is aldaar onbekend (zie ook tekst nr. 46); Walehem is Walem, Merehaga is Meerhaeghe en Hoica is Ooike, alle drie bij Wortegem, Loceka is de heerlijkheid Losere, nu Huise bij Kruishoutem. Geen van de genoemde plaatsen is in Holland aan te wijzen.

40. 969, afschrift, dertiende eeuw, Egmond
Koning Lotharius schenkt op voorspraak van zijn echtgenote Emma het forestum Wa[ttelo] aan een graaf Theoderico.
Derde van de zogenaamde 'koningsoorkonden'; het forestum is ook opgevat als hetzelfde als het woud Wasda, dat eerst werd opgevat als Zeeland, daarna als het Waasland bij Antwerpen; Willem Bilderdijk hield het op Wassenaar of Heusden. In het Oorkondenboek wordt het, waarschijnlijk juist, opgevat als Wattelot aan de Leie bij Aire, waar graaf Dirk ook andere bezittingen had, zie echter ook onder tekst 39. De tekst is corrupt overgeleverd met het jaar 868 in plaats van 969 en met Lodewijk in plaats van Lotharius.

41. 972, vervalsing, dertiende eeuw, Gent
Graaf Diederik verleent zijn medewerking aan de schenking door graaf Arnulf (II) van Vlaanderen aan de Sint-Pietersabdij bij Gent van het fiscale domein Harnes met afhankelijkheden.

42. 972, Rome
Keizer Otto (II) schenkt aan zijn gemalin Theophano als morgengave een aantal bezittingen in Italië en aan gene zijde van de Alpen, UUalacra, UUigle, de abdij van Nivelle, en verder te Bochbarda, Thiela, Heriuurde, Dullede en Nordhuse.
Nivelle is Nijvel, Walacra wordt opgevat als Walcheren maar was ofwel Warcove onder Audembert bij Marquise, ofwel het eiland Walacria bij Brugge; Walcheren in Zeeland verschijnt pas later in de geschiedenis. Thiele wordt in het Oorkondenboek niet opgevat als Tiel; het is Tilques bij St.-Omaars of Tielt ten westen van Gent.

43. 975, gedeeltelijk afschrift, elfde eeuw, Gent
Graaf Theodoricus en zijn vrouw Hildegard schenken hun bezit te Cleiham in de pago Flandrensi aan de Sint-Pietersabdij bij Gent.
Cleiham wordt opgevat als ‘Kleiem’.

44. 976, vervalsing, 13e eeuw, Gent
Keizer Otto (II) bevestigt de Sint-Baafsabdij bij Gent in het bezit van de haar destijds afhandig gemaakte en later door keizer Otto (I) gerestitueerde abdijgoederen in de pagus Scaldis, genaamd Creka en Papingelant, Froneses, en in de pagus Beuelanda Suthera Suthflita vanaf Curtugosum en Campan, en sancti Bauonis in Uualacra, en ook in Brumsale, en in Hostholt, bij de rivier Laraha, en verleent haar voor die goederen immuniteit. Akte gegeven te Bruosela.
Papingelant wordt opgevat als Schouwen, Beverlanda als Beveland, Walacra als Walcheren, Brumsala als Borsele, Bruosela als Bruchsal.

45. 965-979, afschrift, elfde eeuw, Gent
Graaf Theodericus en zijn vrouw Hildgard schenken aan de Sint-Pietersabdij bij Gent, onder voorbehoud van vruchtgebruik voor het leven, een deel van hun bezit in de villa Haleftra in de pagus Mempesco.
Haleftra wordt opgevat als Aalter bij Gent).

46. 976-980, aantekening, 11e eeuw, Gent
Graaf Theodericus schenkt Frilingim in de pago Flandrensi aan de Sint-Pietersabdij te Gent.
Frilingim in Vlaanderen is onbekend, zie ook tekst 39.

47. 980, verzinsel, 1442, Nijvel
Keizer Otto (II) verleent aan de abdij van Nijvel op voorspraak van keizerin Theophano onder meer de koningsban van S[...]sant en te Gersake. Akte gegeven te Nouiomagno.
Gersake wordt opgevat als Ierseke.

48. 980, afschrift, twaalfde eeuw, Gent
Graaf Arnulf schenkt aan zijn bruid Ludgard ten overstaan van Otto (II) een morgengave.

49. 979-980, gedeeltelijk afschrift, elfde eeuw, Gent
Gift aan de Sint-Pietersabdij met graaf Arnulf zoon van graaf Theodericus als getuige.

50. 979-981, afschrift, elfde eeuw, Gent
Graaf Theodericus en zijn zoon Arnulf zijn getuige bij een schenking aan de Sint-Pietersabdij bij Gent.

51. 981, afschrift, dertiende eeuw, Trier
Graaf Theodericus is getuige bij een schenking aan het Sint-Paulinusklooster te Trier.

52. 981-982, afschrift, elfde eeuw, Gent
Arnulf, zoon van graaf Theodericus verhandelt goederen in Zuidwest-Vlaanderen aan de Sint-Pietersabdij bij Gent.

53. 983, Gent
Graaf Teodericus is getuige bij een schenking aan de Sint-Pietersabdij bij Gent.

54. 985, Torn
Koning Otto (III) schenkt op voorspraak van keizerin Theophano en door tussenkomst van de aartsbisschop van Mogontine en de bisschoppen van Worms en Luik aan graaf Ansfrido het deel van de koninklijke inkomsten uit tol, munt en cijns te Medemelacha, dat deze tot nu toe van hem in leen hield, als ook de van de koning gehouden lenen in het graafschap Frisie en in inferior Maselant.
Ansfried was graaf van Hoey en stichter van het klooster Thorn bij Roermond; later bisschop van Utrecht en hij wordt in het bisdom Utrecht als heilige vereerd. Frisie wordt opgevat als West-Friesland, maar is Frans-Vlaanderen; Medemelacha wordt opgevat als Medemblik dat echter geen muntslag kende; het is Meldick bij St.-Omaars dat al wordt genoemd sinds 870; Inferior Maselant wordt opgevat als Neder-Maasland maar is Mazinghen ten zuiden van Aire-sur-la-Lys. Mogontine wordt opgevat als Mainz maar kan ook Mainvillers zijn. Zie ook tekst 61 voor een andere document uit Torn.

55. 985, afschrift dertiende eeuw, Egmond
Koning Otto (III) schenkt, op voorspraak van keizerin Theophano en door tussenkomst van Egbert aartsbisscop van Trier en hertog Hendrik van Beieren [?], ten behoeve van graaf Theodericus, de goederen en opbrengsten allodiaal, die deze van hem in leen hield tussen Liora en Hisla, in Sunnimeri, en «inter flumina Medemelacha et Chinnelosara gemerchi», met uitzondering van het huisgeld, en «in pago Texla nuncupato in beneficium tenuit cum omni utilitate ad hoc appendente, excepto quod vulgari lingua dicitur huslada, ad integrum sibi in proprium tradidimus in comitatibus ita nuncupatis Masaland, Kinheim, Texla». Akte gegeven te Nouiomaga (Noyon en niet Nijmegen).
Vierde en laatste van de zogenaamde ‘koningsoorkonden’. Liora en Hisla worden opgevat als Lier en IJssel; de Hisla wordt echter al in 814 genoemd en is dan de Lyzel of Lijsel die bij St.-Omaars in het Almere stroomde; de Liore zal dan de Lys zijn iets ten oosten daarvan; Sunnimeri (zie ook tekst 5) wordt hier vertaald als ‘Zonnemere’, bedoeld kennelijk andermaal Zonnemaire bij Brouwershave. Medemelacha wordt weer opgevat als Medemblik maar is Meldick bij St.-Omaars; Chinnelosara gemerchi (?) wordt opgevat als Kennemerland en Texla als de Tesselgouw maar het is Axles. De woorden Masaland, Kinheim en Texla aan het eind zijn door een latere kopiïst, waarschijnlijk overgenomen uit een ander document, ingevoegd. Het genoemde Huslada zal Uzelot bij Leulinghem zijn dat al in 792 wordt vermeld. Chinnelosara wordt niet behandeld bij Karsten, maar wel verwijst deze naar de volgens hem in Noord-Hollandse bestaande waternamen Kinloson en Kinlesum, waarvan hij de naam verklaart als «waterloop door de pijnbomen of het pijnboombos» (Noordhollandse plaatsnamen, t.a.p., p. 145).

56. 981-985, gedeeltelijk afschrift elfde eeuw, Gent
Graaf Theodericus is getuige bij de schenking door Rodgerus van zijn bezit te Anzegem aan de Sint-Pietersabdij bij Gent.

57. 982-986, gedeeltelijk afschrift elfde eeuw, Gent
Arnulfus, zoon van graaf Theodericus, schenkt aan de Sint-Pietersabdij bij Gent Vuauarant en VUeppis alodem Salommonis.
Wuarant wordt opgevat als Wavrans, dat is Wavrans-sur-l’Aa ten zuidwesten van St.-Omaars; Salommonis wordt opgevat als Salomé.

58. 981-985, vervalsing elfde eeuw, Gent
Graaf Theodericus en zijn zoon Arnulf zijn getuige bij de schenking aan de Sint-Pietersabdij bij Gent door graaf Arnulf van Valenciennes van een goed in Carembault.

59. 988, gedeeltelijk afschrift elfde eeuw, Gent
Graaf Theodericus en zijn zoon Arnulf zijn getuige bij de schenking door graaf Boudewijn (IV) van Vlaanderen en zijn moeder Suzanne van het domein Avelgem aan de Sint-Pietersabdij bij Gent.

60. 988, gedeeltelijk afschrift elfde eeuw, Gent
De graven Godefridus en Arnulfus grijpen in bij de bevestiging van het bezit van de Sint-Pietersabdij bij Gent.
Arnulfus is ofwel Arnulfus van Gent, ofwel Arnulfus van Valenciennes.

61. 992, vervalsing, zeventiende eeuw, Torn
Hilzondis, gravin van Strijen, sticht op aandrang van haar echtgenoot Ansfried een kerk in haar eigen goed Torn, waar zij en haar dochter Benedicta het kloosterleven zullen leiden, en schenkt aan de genoemde kerk geheel het eigen goed van Strijen, dat eertijds door koning Zwentibold was vergeven, bestaande uit de kerk van Strijen, Geertruidenberg, de villa Gilze met afhankelijken, de villa Baarle met het door Hilzondis gestichte Remigiusaltaar, het castellum Sprundelheim aan de Merwede, en een bos.
Het klooster van Torn (bij Roermond) is «zeer arm aan geschriften ouder dan de tweede helft van de 17e eeuw.» (p. 114). Zie ook tekst 54 voor een ander document uit Torn.

62. 993, notitie, elfde eeuw, Gent
Graaf Theodericus en zijn moeder Lutgard schenken voor het zieleheil van graaf Arnulfus hun bezit te Rucga in de pagus Gandensi seu Tornacensi.
Gandensi is van Gent, Tornacensi van Doornik; Rucga wordt opgevat als Rugge (bij Brielle op Voorne), maar dat kan moelijk tot het land van Gent en Doornik worden gerekend.

6. Conclusie voor de periode tot 993

Bij de latere teksten zijn er twee Gentse documenten (teksten 44 en 47) die wellicht, met heel erg veel goede wil, op Zeeland zouden kunnen worden betrokken. Dat zou nog logisch zijn omdat de historische beweging vanuit Gent naar het noorden ging. Maar het zijn allebei produkten van een latere periode zodat er wel heel weinig over blijft.

Al het gesprokkel in buitenlandse archieven heeft niet meer dan dat opgeleverd.

Er is geen enkele tekst die ondubbelzinnig op Holland kan worden toegepast, wat alleen maar kan betekenen dat Holland voor het eerste millennium gevoeglijk in zijn geheel kan worden afgeschreven en dat het geen enkele zin heeft om zich nog af te vragen of deze of gene afzonderlijke tekst eventueel toch nog iets zou bewijzen.

7. De oorkonden van 993 tot 1101

Voor de volgende periode, van 993 tot 1101, zijn er niet meer dan 30 oorkonden. De Hollandse graven geven zelf nog altijd geen oorkonden uit en beschikken daarvoor nog steeds niet over een zegel. Van de teksten komen er maar liefst 17 uit Utrecht en maar 13 uit andere bronnen: 5 uit Gent, 3 uit Aken, 2 uit Paderborn, 1 uit Werla en 1 uit Echternach. De Utrechtse oorkonden zijn haast allemaal vervalsingen van lang ná 1101 of melden niets voor Holland. De Gentse documenten bevatten enkele elementen voor Zeeland, maar in het geheel niets voor Holland. Dan hoeven we het over de rest eigenlijk al niet meer te hebben.

8. De teksten van 993 tot 1101

63. 997, verdwenen aantekening, 19e eeuw, Aken
Keizer Otto (III) schenkt aan de door hem te Aken gestichte Sint-Adelbertskerk de tienden van Goslar, Trutmannia en Walacria.
Goslar ligt ten zuidoosten van Brunswijk; Trutmannia wordt opgevat als Dortmund, Walacria als Walcheren, maar kan in dit verband moeilijk zijn bedoeld. Als de akte heeft bestaan is het een vervalsing, vergelijk : tekst 34, 66 en 69.
Als dit soort van aantekeningen in het Oorkondeboek worden gepresenteerd moeten de samenstellers toch wel wanhopig zijn geweest; er volgen er nog meer van dit kaliber.

64. 999, vervalsing, 12e eeuw, Utrecht
Keizer Otto (III) schenkt, op verzoek van Ansfridus, bisschop van Traiectensis, en van Franco, bisschop van Worms, aan de kerk van Traiectensis rechten te Bomele en, ten gunste van de bisschop, hetgeen Poppo, zoon van Wediger, in het graafschap van Hunrogi in de pagus Testerbantia, en in het graafschap en de plaats Arclo, in beheer had gehad.
Testerbantia lag ten westen van Doornik en Atrecht; Bomele wordt opgevat als Bommel (Zaltbommel) maar is Bommel (Sercus) bij St.-Omaars dat ook al in 850 wordt genoemd in verband met het bisdom Trajectum (Tournehem); Hunrogi wordt opgevat als Unroch, Arclo als Arkel, maar is is Arques bij St.-Omaars. Kennelijk heeft Utrecht hier (in 1156) een aantal namen aangeleverd gekregen uit Echternach. Poppo was bisschop van Utrecht van 976 tot 990; Ansfried van 995-1010. Deze schenking wordt drie jaar later dunnetjes overgedaan, zie tekst 66.

65. 995-1012, afschrift, 13e eeuw, Gent
Graaf Theodericus, zoon van Arnulfus, is getuige van de schenking door Graaf Arnulf van Valenciennes van de kerk van Mater met een dotatie aan de Sint-Pietersabdij bij Gent.

66. 1002, vervalsing, 12e eeuw, Utrecht
Koning Heinricus (Hendrik III) schenkt op verzoek van Ansfridus, bisschop van Traiectensis, en van Franco, bisschop van Worms, aan de kerk van Utrecht rechten te Bumela en, ten gunste van de bisschop, hetgeen Poppo, zoon van Weiger, in het graafschap van Unrochi in de pagus Testerbant en in villa Arclo in beheer had gehad.
Zie ook onder tekst 64. Bisschop Franco was in 999 overleden zodat hij in 1002 geen verzoek meer kon doen.

67. 1003, vervalsing, 13e eeuw, Gent
Koning Hendrik (II) bevestigt de Sint-Baafsabdij bij Gent in het bezit van en in de immuniteit in een aantal met name genoemde goederen binnen de rijksgrenzen, in de pagus Scaldis; genoemd worden Crika en Papingelant, Odrosfliet, Bevelanda, Walacra, Brumsela, Hostholt boven de rivier Lara, en verleent haar tolvrijstelling.
Vergelijk teksten 44 en 79. Papingelant wordt opgevat als Schouwen, Beuelanda als Bevelant, Walacra als Walcheren, Brumsela als Borsele. De akte is opgesteld in de Sint-Baafsabdij.

68. 1003, vervalsing, 13e eeuw, Aken
Koning Hendrik (II) schenkt aan het Sint-Adalbertsstift te Aken onder meer één tiende gedeelte van de koninklijke inkomsten uit Walacria, Goslar en Trutmannie.
Vergelijk teksten 34, 63 en 69.

69. 1005, vervalsing, 13e eeuw, Aken
Koning Hendrik (II) schenkt aan het Sint-Adalbertsstift te Aken onder meer één tiende gedeelte van de koninklijke inkomsten uit Walacria, Goslar en Trutmannie.
Genoemd worden Soron en Solmaniam in de pagus Lewa in het graafschap ..., Heroldeshusen gelegen in de pagus Natresgauwe in het graafschap Widelonis, Horchem in de pagus Colingauwe en het graafschap ... Kiuenhem en in de pagus Meinuelt en het graafschap Bethelini. Vergelijk teksten 34, 63 en 68. Walacria wordt weer opgevat als Walcheren, Goslar als Goslar, Trutmannie als Dortmund; de overige namen zijn onbekend en geen enkele kan op Walcheren worden geplaatst.

70. 1006, vervalsing, 16e eeuw, Utrecht
Ansfried, bisschop van Utrecht, doteert het door hem op de Hohorsta gestichte klooster (dit is de latere Sint-Paulusabdij te Hohorst bij Amersfoort) met goederen en kerken.
Genoemd worden Thrile in de pagus Testerbantensi, Fugthe, het bos bij Rumelo, Fugthhoute, tussen de plaatsen Hese en Soys, Bachevorth, en de kerken van Ermelo, Masemunster, Li(?)emunster, Leyre, Svindrecht, Hamerthe, Loysden; Garwardus doet een schenking aan Sint-Martinus. Vervalsing uit ca. 1270; er bestaan meerdere versies die telkens andere kerken noemen tot een totaal van negen. «Tenhaeff heeft aangetoond, dat deze uitwisseling verklaarbaar is door de belangen die de Sint-Paulusabdij omstreeks 1270 tegenover de graaf van Holland met name te Monster had op een tijdstip waarop zij haar belangen te Reden reeds had opgegeven.» Thriel wordt opgevat als Driel, Fugthe als Twente, Soys als Zoest; Masemunster wordt opgevat als Monster, Li(?)emunster als wellicht de Westmonsterkerk bij Middelburg, Leyre als waarschijnlijk Lienden, Svindrecht als Zwijndrecht. Tenhaeff «heeft bewezen dat deze oorkonde een spurium [bastaard] is, opgemaakt met als model de tekst van de oorkonde met de datum 1050 juni 26, die trouwens evenzeer onecht is, en die op haar beurt is afgeleid van de (echte) keizersoorkonde van 1028 febr. 3.» Testerbantensus is weer de omgeving van Rijssel, een onderdeel kennelijk overgenomen uit een ouder document. «Verder zinspeelt de passage quod dedit quidam Garwardus miles sancto Martino op een schenking van 828 febr. 7 door een zekere Gerowardus aan de kerk van Utrecht». Maar in 828 was er geen kerk in Utrecht.

71. 1013, vervalsing, Werla
Thiaedericus comes subscripsi is getuige als Koning Hendrik (II) een oorkonde uit het jaar 1007 vernieuwt waarbij een geschil tussen de aartsbisschop van Mainz en de bisschop van Hildesheim beslecht wordt.
Met deze tekst werd beoogt een bij de brand van de kerk van Hildesheim vernietigde oorkonde te vervangen waarbij de dagtekening niet is ingevuld. Dat graaf Dirk III hierbij betrokken zou zijn geweest is twijfelachtig.

72. 1018, niet bestaande tekst, 20e eeuw, Utrecht
Keizer Hendrik (II) bevestigt de geestelijken van de beide munsters te Utrecht in het bezit van de fiscale goederen in de gouw van Lek en IJssel.
Document dat volgens Bresslau bestaan zou moeten hebben, vergelijk nr. 80.

73. 1021, vervalsing, 1321, Utrecht
Adelbold, bisschop van Utrecht, geeft een opsomming van hetgeen zijn zeven hofambtenaren, onder wie de graaf van Holland als bisschoppelijke maarschalk, van hem blijkens oudere bisschoppelijke oorkonden in leen houden.
Genoemd worden goederen en rechten van Utrecht in : onder de Dux Brabantia (de hertog van Brabant) Tyele (Tiel), van Kempineam (Kempen) tot Turnoutervoerde (bij Turnhout); onder comes Gelri (de graaf van Gelderen), comitatum Zutphanie (het graafschap Zutphen), in Embrican (?); in pago Batua (hier de Betuwe), in Tyelrewert (Tielerwaard?) en Bomelrewert (Bommelerwaard); in comitate Hollandie (het graafschap Holland), Kenemare (Kennemerland), Waterlandi (Waterland), Westfrisie (West-Friesland, dus niet Westflinge genaamd); comes Cliuensis (graaf Clemens?), in pago Batua in superiori parte supra Renum (Betuwe aan de bovenloop van de Rijn), in Woudrichem (Woudrichem); in comes Bentheim (het graafschap Bentheim), in Borchgraviatum; in dominus de Kuke (de heerlijkheid van Cuijk); in dominus de Gore (de heerlijkheid Goeree?), castrum Gore (?), Ameyde (?). Samengesteld met onderdelen uit zeker vijf andere documenten; het bewijst enkel dat deze namen in 1321 bestonden of ontleend waren aan de mythen die zich in Utrecht begonnen te ontwikkelen. In 1321 worden Holland, Kennemerland, Waterland en West-Friesland nog afzonderlijk genoemd en worden de laatste drie dus nog niet tot Holland gerekend.

74. 1024, niet bestaande tekst, 20e eeuw, Paderborn
Thiederici Fresonie is getuige bij een gerechtelijke uitspraak in een geschil tussen de kerk van Paderborn en de abdis van het Sint-Cyriacusklooster te Geseke.
Document dat bestaan zou hebben, zie tekst nr. 75.

75. 1024, Paderborn
Tiedric comes Fresonie is getuige als bisschop Meinwerk van Paderborn een overeenkomst treft met een zekere Ida over goederen van de kerk van Paderborn.
Onder de getuigen nog drie andere Tiedrics, zie ook tekst 74.

76. 1028, vervalsing, 1530, Utrecht
Keizer Conradus (Koenraad II) bevestigt het klooster te Hohorst (later de Sint-Paulusabdij te Utrecht) in het bezit van de door de bisschoppen Ansfried en Adelbold geschonken goederen.
Genoemd worden: Thrile, Fugthe, Hermelo, Rheten, Sandwich, Hamirthe, Lusdin, Hese en Soys; Lienna, Windeshem, Hamerthe, Merweda, Swindrehtwert, Mandron, S(?)ys, Twenta, Ulft; goederen van comes Theodericus (graaf Dirk), de kerk Rotta, tienden van Daventra, Gezze, Oesterbeke, Eleste, Vellepe, Seistre, Amersforde. Swindrehtwert wordt opgevat als Zwijndrecht, en de kerk van Hilligersberg zou zijn opgesomd. «Voor de reconstructie van de kontekst is, behalve Bab, ook de tekst van het falsum op naam van bisschop Bernold met de datum 1050 juni 26 (hierna nr. 81) van belang, omdat deze van de onderstaande tekst is afgeleid (zie bovendien de kopnoot bij nr. 70).»

77. 1037, optekening, 11e eeuw, Gent
Theodericus inioris comitis is getuige als graaf Balduuini (Boudewijn V van Vlaanderen) de Sint-Pietersabdij bij Gent begunstigt.
Theodericus inioris comitis is wordt opgevat als Dirk III die graaf was tot 1039, waarschijnlijker is het Dirk IV.

78. 1037, optekening, 11e eeuw, Gent
Graaf Boudewijn (V) van Vlaanderen schenkt de vistiend van Burburg aan de Sint-Pietersabdij bij Gent; onder de getuigen graaf Diederik (III).

79. 1040, vervalsing, Gent
Koning Hendrik (III) bevestigt de Sint-Baafsabdij bij Gent in het bezit van en in de immuniteit binnen een aantal met name genoemde goederen binnen de rijksgrenzen, en verleent haar tolvrijheid.
De oorkonde is opgesteld door de destinaris. Genoemd wordt het Zeeuwse bezit van Gent: in de pagus Scaldis (het Schelde-gebied) bezit genaamd Crika (?) en Papingalant (Papendrecht?) en land boven Odrosfliet (?), te Bevelanda (Beveland) en in Walachria (Walcheren) en in Brumsela (Borsele), land boven Diepena (?), in Ostholt (?) boven de rivier Lara (?). Vergelijk tekst 67.

80. 1046, vervalsing, eind 12e eeuw, Utrecht
Koning Hendrik (III) bevestigt, op verzoek van Bernold bisschop van Utrecht en van Focco proost van de Utrechtse kerk, de geestelijken van Utrecht, wonende in de twee munsters aldaar, in het bezit van de fiscale goederen in de gouw van Lek en IJsel.
Zie ook tekst 32 en 72.

81. 1050, vervalsing, 14e eeuw, Utrecht
Bernold, bisschop van Utrecht, bevestigt de door hem te Utrecht gevestigde Stint-Paulusabdij in de haar door zijn voorganger Ansfried en Adelbold geschonken goederen, waaronder een waard te Zwijndrecht en de kerk te Hilligersberg, beide afkomstig van bisschop Adelbold, en voegt daar zelf een gift aan toe.

82/83. 1057, vervalsing, 12e eeuw, Utrecht
Dietwin, bisschop van Luik, en Willem (I), bisschop van Utrecht, vernieuwen de overeenkomst gesloten tussen hun voorgangers Balderik (II) en Adelbold (II), waarbij de kerken van Odilënberg en Linnen, toebehorende aan de bisschop van Utrecht, door de bisschop van Luik worden bevrijd van alle lasten, en waarbij de bisschop van Luik van zijn kant (te Leiderkerk) een kerk mag bouwen bevrijd van alle lasten ten gunste van de bisschop van Utrecht.
Het gaat om twee akten, de ene gegeven te Luik, de ander te Utrecht.

84. 1063, vervalsing, 12e eeuw, Echternach
Willem (I), bisschop van Utrecht, bevestigt Reinbert, abt van Echternach, in het bezit van de helft van de door Karel (Martel) en anderen aan Willibrord geschonken kerken van Vlaardingen, Oegstgeest, Velzen, Heilo en Putten, die door graaf Diederik (III) en zijn zonen Diederik (IV) en Floris (I) waren geüsurpeerd, en die krachtens een synodaal besluit samen met de bijbehorende en met name genoemde kapellen in de handen waren gekomen van de bisschop van Utrecht. Willem was bisschop van 1054 tot 1076. Dit document maakt deel uit van het spel in 1156 tussen Echternach, Utrecht en Holland, voor de volledige tekst, zie : Willibrord, bijlage 2.

85. 1064, vervalsing, 12e eeuw, Utrecht
Koning Hendrik IV geeft de grafelijkheid die graaf Diederik in Westflinge en bij de Rijn bezat inclusief de abdij van Egmond, aan de kerk van Utrecht.
Het detail over de abdij van Egmond is later ingevoegd. Westflinge wordt doorgaans opgevat als West-Friesland. Dit document maakt deel uit van het spel in 1156 tussen Echternach, Utrecht en Holland, zie ook onder : Willibrord.

86. 1064, vervalsing, 12e eeuw, Utrecht
Koning Hendrik (IV) stelt de kerk van Utrecht weer in het bezit van de haar door graaf Diederik (III) en zijn zonen ontnomen goederen en kerken, alsook van de koningsban in Holland, en bevestigt de beide (Utrechtse) munsters in de immuniteit van hun goederen tussen IJsel en Lek.
Genoemd worden : de plaats genaamd Crempene (Krimpen), de rivier Alblas (rivier bij Alblasserdam) tot Merewede (Merwede) en tot Menkenesdreht (?), Riede (?) bij Mereweda (Merwede) tot Sclidreth (Sliedrecht), idem bij Merewede (Merwede) in Thuredrit (Dordrecht), in Duble (Dubbeldam), in Duvelhara (?), in Wal (Waal?), in Merewede (Merwede) tot Thuredrith (Dordrecht), de nieuw gebouwde kapel van Thuredrith (Dordrecht) ten oosten van Godekineshofstat (?) naast Wirkenumunde (rivier bij Werkendam), goederen in Holtreca (?), Valkenburg (Valkenburg, Zuid-Holland), Balkenberg (?), Groterehevekestegron (?), tot Litte (Leiden?), in Hemstede (Heemstede?), de kerk in Flardinge (Vlaardingen) met kapellen te Kiricwerva (Oegstgeest?), Voreholte (Voorhout?) en Nortgo (?), Velesen (Velsen), Heligelo (Heiloo), Pethem (Petten), Aldenthrorpe (Oudorp bij Alkmaar), ad hoc comitates omnis in Holland, Sigeldrith (?), Rinesmuthon (Rijnmond), in het westelijk deel van de Reni (Rijn) tot Bodengraven (Bodengraven). Dit document maakt deel uit van het spel in 1156 tussen Echternach, Utrecht en Holland, zie ook onder : Willibrord.

87. 1070-1076, vervalsing, 12e eeuw, Utrecht
Hertog Godfried (III) van Neder-Lotharingen verklaart, dat Reinbert abt van Echternach, na aan de bisschop van Utrecht wegens verschuldigde rechten en gemaakte kosten de helft van de aan Sint Willibrord behorende kerken in Fresia te hebben overgelaten, aan hem na het vertrek van graaf Robrecht (de Fries), die ze wederrechtelijk in bezit had gehouden, de andere helft voor een jaarlijks bedrag van 60 pond heeft gelaten.
Dit vereist enig commentaar. In 1063 zou Dirk V met abt Steven uit Holland op de vlucht zijn geslagen, in 1070 zou Robrecht de Fries het hazenpad hebben gekozen. Robrecht de Fries was de tweede zoon van Boudewijn V van Rijssel, graaf van Vlaanderen, en de stiefvader van Dirk V door zijn huwelijk met Geertruid van Saksen, de weduwe van Floris I. In 1070 zou hij vanuit Holland (de naam bestond nog niet) naar Gent zijn gevlucht, een verhaal dat in 1935 in twijfel is getrokken door Ch. Verlinden, de biograaf van Robert le Frison. In 1070 namelijk overleed de broer van Robrecht, Boudewijn VI van Vlaanderen, die gehuwd was met Richildis van Henegouwen. Deze Richildis had bij dat huwelijk de kinderen uit haar eerste huwelijk met Herman van Bergen (Frans de Mons), graaf van Henegouwen, onterfd, waardoor Boudewijn VI van Vlaanderen tevens Boudewijn I van Henegouwen werd. Robrecht, de broer van Boudewijn VI, maakt na diens overlijden aanspraak op Vlaanderen tegenover Arnulf en Boudewijn, de zoons van Boudewijn VI en Richildis. Vandaar dat Robrecht in 1070 naar Gent gaat en dus geen bedreiging uit Utrecht nodig had. Bij de slag bij Kassel die daar in 1071 op volgt, in het oude Fresia (vandaar de bijnaam van Robrecht, sneuvelt Arnulf III de Ongelukkige en moet Richildus Vlaanderen afstaan aan Robrecht de Frisoon, die erkent wordt door Filips I van Frankrijk. Boudewijn, de andere zoon van Richildis, wordt in 1076 graaf van Henegouwen als Boudewijn II. In 1076 vervolgens zou Robrecht, met zijn stiefzoon Dirk, Holland (de naam bestond nog steeds niet) op de bisschop van Utrecht herovert hebben en de bisschop zelfs in gijzeling hebben genomen. Ook dit document maakt deel uit van het spel in 1156 tussen Echternach, Utrecht en Holland, zie ook onder : Willibrord. Godfried III met de Bult, uit het huis der Ardennen, was van 1069 hertog van Neder-Lotharingen, steunde de bisschop van Utrecht, en zou in 1076 bij Vlaardingen zijn vermoord.

88. 1083, vervalsing, 12e eeuw, Egmond
Graaf Diederik (V) bevestigt, op verzoek van abt Steven, de abdij van Egmond in haar door de voorouders van de oorkonder geschonken en met name genoemde bezittingen, in de rechten op het abdijgebied tussen Winnemersweet en Herem, in de tolvrijstelling binnen het graafschap en in de middelen om haar lieden voor het gerecht van de abt te brengen en de inkomsten uit haar bezit te verwerven; staat aan de abdij van Egmond twaalf hoeven bij de Maas af in ruil voor een rente van acht pond te Alkmaar, en verleent op verzoek van zijn echtgenote Odelhilde aan de abt de jurisdictie, ambacht geheten, te Alkmaar.
Afzonderlijk behandeld in: 1083, Een Egmondse vervalsing uit de twaalfde eeuw.

89. 1085, vervalsing, eind 13e eeuw, Utrecht
Koenraad, bisschop van Utrecht, ontvangt van het kapittel van Sint-Jan te Utrecht de tol te Smithusen in ruil voor de kerk van Franeker met drie kapellen en enig land hoofdzakelijk te Mijdrecht met tienden en andere rechten; onder de getuigen graaf Diederik V.
De Latijnse tekst luidt: «Cognoscant fidelis tam futuri quam presentes, quod Anselmus prepositus et reliqui fratres ęcclesię beati Iohannis Baptistę in Traiecto constitute michi Cůnrado eiusdem loci episcopo, theloneum in Smithusen, duos quoque mansos cum quinque mancipiis, silvam etiam, quam forest vulgo nuncupant, in loco UUanbeke nominato cum omnibus appenditiis dederunt.
Huius quoque rei testes subscripsimus: Lanzonem maiorem domus sancti Martini prepositum Traiecti, Adelhardum prepositum sancti Salvatoris ibidem, Růdolfum prepositum sancti Petri in Traiecto, Liebertum prepositum in Andensele, Ecgebertum decanum, Lambertum, Engelbertum prepositum, Wezelinum decanum, Theodericum comitem Hollandie.
Et ut inconvulsus contractus iste permaneat, sub anathemata firmavimus et sigilli nostri inpressione signavimus, et cartam hanc testem futuram sub predictus presentibus testibus dedimus, anno dominice incarnationis MLXXXV, indictione VIII, anno presulatus mei octavo, regnante Heinrico imperatore quarto.»

Wanbeke wordt blijkbaar als Franeker opgevat; Franeker, volgens Van Berkel en Samplonius (p. 65), wordt echter voor het eerst vermeld in kennelijk deze vervalste akte uit 1085 als Fronakre. Mijdrecht (idem, p. 152) wordt voor het eerst vermeld rond 1200 als Midreht.

90. 1094, Utrecht
Koenraad, bisschop van Utrecht, schenkt de kerk van Schoorl met vier afhankelijke kapellen, bevrijd van lasten, aan het kapittel van Sint-Jan te Utrecht.
In de Latijnse tekst staat : «ęcclesiam Scorla cum IIII appendiciis capellis concessi et in perpetuum possidendam tradidi ut fructus eius ad necessarium vestamentorum usum habeant. De quatuor capellis illis una, Berga scilicet, matri ęcclesię vicina est, tres alię, Sudrekercha, Bernardeskercha, Aldenkercha, ultra aquam Richera sitę sunt in villa Scorlewalth.» De bisschop was heel vrijgevig, want uit niets blijkt dat de kerk of de kapellen onder zijn gezag vielen en de graaf van Holland treedt niet op als getuige, wél de kloosteroversten (proosten) Godeboldus, Luitbertus, Engelbertus en Lambertus, de monniken Tietbertus, Poppo en Rodolfus, en de leken Wilelmus advocatus, graaf Gerardus van Mogontia (Mainz?), graaf Wichardus en onze broeder Alberto, et multi alii (blijkbaar te veel om op te noemen). Zie voor een vertaling, een afbeelding van de akte en commentaar : Allemanskerk geschiedenis, Historie kerk Oudkarspel. De meeste namen zijn in Holland nergens te plaatsen. Scorla kan dezelfde plaats zijn als Scoronlo, die al in 870 wordt genoemd (9).

91. 1076-1099, niet bestaand, Utrecht
Koenraad, bisschop van Utrecht, verleent aan de bewoners van Houweningen een oorkonde met betrekking tot hun kerk.
Dat een dergelijke akte ooit bestaan zou hebben is enkel afgeleid uit een andere oorkonde uit 1105, zie tekst 93.

92. 1101, Utrecht
Burchard, bisschop van Utrecht, schenkt de kerk van Thiedradeskerke aan het kapittel van Sint Jan te Utrecht.
Thiedradeskerke wordt opgevat een plaats in Zeeland aan de Waal tussen Heerjansdam en Rijsoord. Dit is de eerste tekst waarin een graaf van Holland (10) wordt genoemd, “Florentius comes de Hollant”, vandaar dat hij hier volledig wordt weergegeven :
«In nomine sancte et individue Trinitis et gloriose semperque viriginis Marie et beati Iohannis Babtistę et precursoris Domini et omnium sanctorum
Notum sit omnibus Christianis tam futuri temporis quam presentis, quod ego Burchardus, Traiectensis sedis epicopus, pro remedio animę męę sancto Iohanni et canonis eius dedi ęcclisiam Thiedradeskerken, sitam iuxta Duble, cum decima et omni utilitate quę ad eam pertinet. Concessi autem eam esse liberam a censu et a circatu. Tantum denarii, quos oblationes vocant, inde solvantur, et ad exsecutionem sinodalis iusticię, preposito suum servitium detur.
Et ut istud firmum permaneat, hanc kartam fieri precepi et inpressione sigilli mei stabiliri. Si quis hoc irritum facere voluerit, et a fratribus istis hanc ęcclesiam alienare voluerit, ira Dei maneat super eum et anathematizatus omnibus Christianis sit sicut ethnicus et publicanus.
Huius rei testes sunt: clerici: Rodulfus, prepositus, Herimannus prepositus, Ŏthelricus prepositis, Focco prepositis, Lambertus magister, Albertus, Liudhardus, Radolfus, Blidgerus; laici: Florentius comes de Hollant, Heinricus de Kuc, Herimannus de Merehem, Wichardus comes, Dodo de Furholt, Costetin filius Ionis, Arnoldus, et multi alii.
Actum est hoc anno dominicę incarnationis M CI, indictione VIIII, regnante IIIIto Heinrico imperatore, anno regni eius XLV, imperii XVII, episcopatus domni Burchardi anno II.»
.

9. Conclusie

De conclusie kan heel kort zijn : de volgende uitgave van het Oorkondenboek kan voor de periode tot 1101 zo'n 180 bladzijden worden ingekort. Beter : die bladzijden dienen er voor altijd in te blijven staan, met een kritische geschiedenis over wanneer en hoe ze valselijk voor Holland zijn opgeëist, wat het geheel natuurlijk aanzienlijk langer zal maken. Het wordt zo langzamerhand toch wel tijd dat ze eindelijk eens vormelijk worden terugbezorgd aan het historische grondgebied waarop ze oorspronkelijk betrekking hadden en vanwaar ze ook komen.


Met een bijdrage van Herman Meirhaeghe te Gent.


Noten

1. Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299 : Deel I : Eind van de 7e eeuw tot 1222 / door Dr. A.F.C. Koch. - ’s-Gravenhage : Nijhoff, 1970. - xxi, 633 p.

2. De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299 / door J[aap].G. Kruisheer. – ’s-Gravenhage, Haarlem : Historische Vereniging Zuid-Holland en de Stichting Contactcentrum voor regionale en plaatselijke geschiedbeoefening in Noord- en Zuid-Holland, 1971. – 526 p.. – (Hollandse Studiën ; 2-1). – deel 2, p. 243-244.

3. Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot het einde van het Hollandsche Huis [1299] / L.Ph.C. van den Bergh, James de Fremery. Tweede verbeterde en vermeerderde uitgave door H.G.A. Obreen. - ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1937. - (Eerste uitgave 1866-1873 en 1901).

4. Een diplomatisch onderzoek van de oudste particuliere oorkonden van Werden : met enige uitweidingen over het ontstaan van dit soort oorkonden in het algemeen / door Dirk Peter Blok. – Assen : Van Gorcum, Prakke & Prakke, 1960. – 234 p. – (Proefschrift Universiteit van Amsterdam; in hetzelfde jaar verscheen een handelsuitgave onder de titel: De oudste particuliere oorkonden van het klooster Werden). Zie ook : De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 426-442 en deel II, p. 49, en : Kloster Werden, Wikipedia (Duitstalig).
Werden bij Essen : niet te verwarren met Verden bij Bremen, waar de naam verdubbeld werd en alwaar het ‘Sachsen-Blutbad’ onder Karel de Grote geplaatst is; zie : Ontspoorde historie, t.a.p., tekst 198, p. 243.

5. Zie : Kloster Lorsch, Wikipedia (Duitstalig). De abdij werd voor 734 aangeduid als Lauriacum (MGH, SS, RM, 5, p. 668), wat verdacht veel lijkt op Lauri (Lumbres).

6. Zie ook : De Codex Eberhardi, een vervalste goederenlijst uit Fulda , en : Fulda, Wkipedia (Duitstalig).

7. Zie : Corvey, Wikipedia (Duitstalig). Het Duitse klooster is eerst veel later gesticht en werd dan ook Corbeia Nova genoemd terwijl het Franse klooster, dat gesticht zou zijn tussen 657 en 661, als Antiquorem Corbeiam werd aangeduid.

8. Een belangrijke bron, maar niet zonder grote problemen, om de juiste plaatsen te vinden : Woordenboek der toponymie van Westelijk Vlaanderen, Vlaamsch Artesië, het Land van den Hoek, de graafschappen Guînes en Boulogne, en een gedeelte van het graafschap Ponthieu / K[arel] De Flou, delen 13-18 bezorgd door J. de Smet, met indices door F. Rommel [Steenbrugge, 1953]. - Gent, Brugge : Koninklijke Vlaamsche academie voor taal- en letterkunde, 1914-1938, 1953.

9. Zie : De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 417 en deel II, t.a.p., p. 512.

10. De betrekking tussen het oorspronkelijke Noord-Franse gebied en het latere Holland heeft zijn terugslag in de streek van oorsprong : La Hollande, leengoed, gemeente Éperlecques; La Hollande, boerderij, gemeente Marck; La Hollande, gehucht, gemeente Merlimont; La Hollande, gehucht, gemeente Recques; La Hollande, oud leengoed, gemeente St.-Omaars; La Grande en la Petite Hollande, takken van de Crinchon bij Atrecht (Frans : Arras) (Département du Pas-de-Calais, t.a.p., p. 203).


Start : 25 januari 2004 | Laatst bijgewerkt : 2 april 2008

Holland Bilderdijk

Het oude Holland volgens Willem Bilderdijk
Bron : Geschiedenis des vaderlands / Mr. W. Bilderdijk, uitgegeven door prof. H.W. Tydeman. - Eerste deel. Van de wording des lands af, tot het begin der grafelijke regering. - Amsterdam : P. Meyer Warnars, 1832.
De kaart is vooral gebaseerd op de bespiegelingen van de Groningse burgemeester Menso Alting (1637-1713), die in 1701 te Amsterdam bij Wetstein zijn Description Agri Batavi & Frisii uitgaf.
Let vooral op de plaatsing van Kennemerland in het huidige West-Friesland en van West-Friesland ergens onder de huidige afsluitdijk.
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)