VorigeDe vroege middeleeuwenVolgende

Hoe kwamen de Angelsaksische predikers in Kennemerland ?
(Lezing, Egmond, 30 maart 2019)

Inhoud van deze pagina

  1. Voorwoord
  2. Lezing
    1. Inleiding
    2. Het oorspronkelijke gebied
    3. Gent en Echternach; Utrecht en Egmond
    4. Kennemerland : drie heilige huisjes
  3. Noten

1. Voorwoord

Op uitnodiging van de Vereniging van Oudgermanisten werd 30 maart 2019 te Egmond een lezing gehouden met bovenstaande titel. Een uitwerking van de hele lezing (er was weinig tijd beschikbaar voor een zo weids onderwerp) volgt hier.

Daaraan toegevoegd zijn enkele overwegingen die daar geen plaats konden hebben. De kans over dit onderwerp een lezing te houden in een zo zinnebeeldige plaats als Egmond overwon.

2. Lezing

«Het is hoog tijd om met zwabber, en waar nodig met stevige mattenklopper, grote schoonmaak te houden in de tochtige en stoffige Kennemerse historische rommelzolder vol van fundamentalistisch-religieus spinrag en ‘altgermanische’ kakkerlakken.» (1)

a. Inleiding

In Kennemerland leerden we op de lagere school vreemde verhalen waarbij we ons zo weinig konden voorstellen : waar we opgroeiden waren er Canninefaten geweest, toen Angelsaksische predikers die het aan de stok kregen met Noormannen, en daarna Hollandse graven. Het vertoonde niet erg veel samenhang; in het landschap was er niets van terug te vinden en feesten om de heugelijke historische gebeurtenissen te herdenken waren er ook al niet.

In 1987 stuitte ik op het werk van Albert Delahaye (“De bisschop van Nijmegen” en “Holle boomstammen”, erg nieuw was dat toen al niet meer), vervolgens ook van de Alkmaarse archivaris Anton Fasel (over Willibrord van Heiloo en Adelbertus van Egmond; hem komt alle eer toe schoonmaak in de vroege Kennemerse geschiedenis te hebben gehouden), en van H.A. van Vessum (over Engelmundus van Velsen) en tenslotte ook van de Utrechtse prof. dr. Otto Oppermann voor zijn kritische benadering van de Egmondse bronnen : dit was al te gek, dat kon toch niet? Als ze ongelijk hadden zou het toch niet moeilijk zijn om dat aan te tonen: officiële handboeken en geschiedenissen…, ik ging ijverig aan het werk. Maar de traditionalisten lieten me behoorlijk in de steek : ze schreven van elkaar over in plaats van dingen aan te tonen; de oorspronkelijke bronnen waren voor gewone stervelingen weinig toegankelijk en veelal ook nog in Latijn, wat erg in het voordeel van de traditionalisten werkt zolang ze hun bronnen voor zichzelf blijven houden. Daar komt bij dat een eens verworven beeld van het verleden niet zomaar uit het hoofd verdwijnt. En Albert Delahaye legde weliswaar uit waar het vandaan kwam, namelijk uit Frans-Vlaanderen, maar veel minder hoe die geschiedenissen in Kennemerland terecht waren gekomen. Daarnaar ging ik zelf op zoek; ik wilde wel eens weten hoe dat nu eigenlijk zat.

Met het doornemen van de Oorkonden van Holland en Zeeland vielen de schellen pas goed van m’n ogen : er waren helemaal geen oorspronkelijke bronnen die het traditionele beeld bevestigden, alles kwam van ver weg en verder waren er alleen de twaalfde eeuwse en latere vervalsingen uit de Egmondse abdij.

Het was nodig door te bijten en zich veel kennis en vaardigheden eigen te maken, kennis en vaardigheden bovendien die aan universiteiten en hogescholen ten lande niet eens meer worden onderwezen.

Hier wordt niet het hele onderzoek weergegeven, maar wel de resultaten samengevat omdat het nu eenmaal erg lastig is zich een beeld van het geheel te vormen door de ingebakken opvattingen en door de ingewikkeldheid van de stof (alles zit aan alles vast); het onderzoek begint dan ook tamelijk onvermijdelijk vanuit achterhaalde uitgangspunten; de oude beelden moeten eerst afbrokkelen, en die zijn heel breed: hier geldt het beginsel van de methodische twijfel : blijkt een gegeven niet te kloppen, dan staat alles wat daar aan vastzit ook open voor herbezinning.

Het kost een paar jaar om zelfs maar te beginnen te denken er iets van te begrijpen, maar als eenmaal een overzicht over het geheel ontstaat wordt alles ook weer heel eenvoudig en kan het eigenlijke werk beginnen. En met de juiste uitgangspunten in het hoofd wordt het sneller duidelijk.

b. Het oorspronkelijke gebied : Frans Vlaanderen

Op de kaart rechts zien we bewoonbaar Nederland, zonder dijken, in het eerste Millennium, tijdens de transgressies, en met het werkelijke gebied van de Angelsaksische prediking: Frans Vlaanderen, recht tegenover Kent waar de afstand tussen Engeland en het continent het kleinst is.

Die prediking in Noord-Frankrijk vond plaats aan de kanaalkust, door Willibrord en Bonifatius, Wulfram en anderen, onder de “Fresen”. Willibrord had een bisdom in Trajectum (Tournehem) en een klooster op loopafstand, te Eperlecques; later is daar Utrecht en Echternach van gemaakt, op een afstand van 340 kilometer, waartussen Willibrordus aan het heen en weer aan het galopperen was, onderweg heilige eiken omhakkend en putjes gravend.

Andere predikers onder de Friezen: Eloy, Amandus, Wigbert, Suitbert en Wulfram, in Nederland welhaast onbekend, zonder kerken of kapellen, in Noord-Frankrijk daarentegen welbekend terwijl hun relikwieën daar vereerd werden zoals in Abbeville.

De koningen/hertogen/graven van Fresia (beknopte genealogie rechts) heersten ten noorden van Artesië (Frans Artois). Het woongebied van de Fresen is ook aangetoond door de Lex Frisionum (Laubacum-Lobbes).

c. Gent en Echternach; Utrecht en Egmond

In de tiende eeuw gebeuren er drie dingen:

  • De graven : zij vertrekken in de tiende eeuw noordwaarts naar Gent door het huwelijk van Dirk II met Hildegard (ca. 940), dochter van Arnulf I de Grote van Vlaanderen. Deze graven van Gent (Dirk II van Gent, Arnulf van Gent en Dirk III van Gent), werpen zich bij het verzwakken van het gezag van de graaf van Vlaanderen op als zelfstandig graaf; bij de versterking van het centrale gezag worden zij aan de kant gezet ten gunste van burggraven (castellanus Walbert is er al tot 994, vervolgens is er Lambert I, die ca. 1010 Dirk III vervangt). De graven beginnen vervolgens te pioneren boven de grote rivieren, waar ze onmiddellijk in conflict komen met het Utrechtse bisdom dat zelf pas sinds 940 bestond, niettemin aanzienlijk ouder dan ‘Holland’.
  • Het bisdom : na de invallen van de Noormannen verdwijnt het bisdom (Trajectum) van Willibrord via Daventria (Desvres en niet Deventer) geheel; de laatste bisschop was Radboud (899-917); een deel van de papieren vertrekt vervolgens (waarschijnlijk via de abdij van Sint-Omaars) met de graven naar Gent, waaronder vooral het Cartularium van Radboud.
  • De abdij : Siegfried van Luxemburg, lekenabt van Eperlecques, die een zoon Adelbert had, en schoonvader was van Arnulf van Gent en grootvader van Dirk III, verplaatst in 973 het klooster van Eperlecques naar Echternach en ziet verder af van de rechten. Echternach begint vervolgens in de elfde en twaalfde eeuw tamelijk lukraak “voormalig bezit” op te eisen (in Frans-Vlaanderen, Antwerpen, Noord-Brabant, en tenslotte ook in Holland).

In Gent wordt de documentatie uitgebreid met de Vita Adelberti, gemaakt door Ruopert van Mettlach in opdracht van Egbert, aartsbisschop van Trier (977-993), zoon van de Gentse graaf Dirk II van Gent en broer van graaf Arnulf van Gent. Adelbert was abt van Eperlecques geweest en opvolger van Willibrord. Later wordt die Vita in Egmond herschreven om de feiten naar Egmond te trekken; iets dat al in 1920 was vastgesteld door prof. dr. Otto Oppermann, een erg miskend geleerde.

Het bisdom Utrecht verschijnt in 940 met Balderik, en wordt later gelatiniseerd als Trajectum, een naam op veel plaatsen aanwijsbaar is.

Het klooster te Egmond wordt in 1130 (voor het stichtingsjaar 940 bestaat geen enkele redelijke aanwijzing; de kerk werd ingewijd in 1143) gesticht vanuit Gent, dat zelf vanuit St.-Omaars werd gesticht. Daarmee wordt overigens niets nieuws beweerd maar was algemeen bekend. Het inpolderen begon in Frans-Vlaanderen in de negende eeuw en ging met grofweg één kilometer per jaar naar het noorden.

In 1156 maakt Echternach aanspraken in Holland: op 24 kerken. Utrecht krijgt Willibrord aangepraat. Echternach en Utrecht besluiten de buit, als die wordt binnengehaald, te delen, hoewel Echternach, als abdij, geen aanspraak kon maken op voormalig bezit van het bisdom.

De documentatie in Egmond omvat het Cartularium van Radbouden de Vita Adelberti; onder de Utrechtse bisschop Boudewijn van Holland (1178-1196) met wiens benoeming strijd tussen Utrecht en Holland wordt beslecht, wordt een deel van de Egmondse documentatie eind twaalde eeuw voor Utrecht gekopieerd in het Liber Donationum.

Zo versterken de mythen van Holland en Utrecht elkaar, het komt immers van twee kanten, en de zaak lijkt daardoor voor eeuwen beklonken.

Nu gaat het er om de werkelijke geschiedenis te reconstrueren, en te onderzoeken hoe de mythen ontstonden, en wel door alle bronnen in de juiste chronologische volgorde bijeen te brengen.

d. Kennemerland : drie heilige huisjes

Nu hebben we in Kennemerland drie Angelsaksische predikers:

  • Willibrordus van Heiloo, die vanuit Utrecht werd ingevoerd, en wel heel vroeg vlak bij de Egmondse abdij, met een putje uit de eerste helft van de veertiende eeuw;
  • Adelbertus van Egmond, een opvolger van Willibrord als abt van Eperlecques, hij komt via Gent in Egmond terecht en wordt daar al vroeg verplaatstelijkt;
  • Blijft Engelmundus van Velsen: deze verschijnt pas in 1468, zijn Vita is uit 1570, geschreven door de pastoor van Velsen zonder enige bijzonderheid voor de heilige.

De eerste twee hebben alleen met Kennemerland of Holland te maken in de verbeeldingskracht van traditionalisten en folklorologen; de laatste kwam pas tot leven 700 jaar na zijn verscheiden.


Noten

1. Kennemerland, inleiding.


Start : 20 maart 2019, laatst bijgewerkt 2 april 2019

Holland3

Aankondiging
Bron : Universiteit Leiden


Holland3

De route van de mythen


Holland3

De graven van Fresia, Gent en Holland


Léon Vanderkindere