VorigePlaatsen in KennemerlandVolgende

«‘De Krocht’ is doorwrocht !»
Een opgravingsverslag uit Limmen (boekbespreking)

Inhoud van deze pagina

  1. Inleiding
  2. De dateringen
  3. Omvang en aard van de bewoning : af en toe enig gemengd kleinbedrijf
  4. Een karolingisch graf
  5. Een plaats ‘Smithan’ te Limmen ?
  6. Een ware edelsmid te Limmen ?
  7. Een ‘domeincentrum’ te Limmen ?
  8. ‘Een rationele en emotionele ontdekkingsreis’
  9. Naar het eind wordt het écht heel erg...
    Noten

Limmen - De Krocht. De opgraving van een middeleeuwse plattelandsnederzetting in Kennemerland / M.F.P. Dijkstra, J. de Koning, S. Lange. – Amsterdam : Amsterdams Archeologisch Centrum, 2006. – 256 p. + bijlagen.

«Een laatste hier te noemen punt voor de toekomst is niet archeologisch van aard. Voor een begrip van de middeleeuwse nederzettingsstructuur zijn namelijk ook de uitvoering van historisch-geografische bezitsreconstructies noodzakelijk, die duidelijk kunnen maken waar bijvoorbeeld grondgebied van domaniale instellingen als de abdij van Egmond gelegen was. Dergelijke archivarisch-diepgravende studies zijn vrijwel niet voorhanden. Ook al gaat de zeggingskracht van dergelijke reconstructies doorgaans niet verder terug dan de Late-Middeleeuwen, in combinatie met archeologische gegevens kan het een interessante kijk bieden op de ontwikkeling van het middeleeuwse nederzettingspatroon.» (1).

1. Inleiding

De Kennemerse geschreven geschiedenis begint kort na de stichting van het Egmondse klooster in 1130-1143, in samenhang met het werkelijke begin van het graafschap Holland, en daarvoor kan er maar heel weinig bewoning zijn geweest om de simpele reden dat voorafgaand aan afwateringen en bedijkingen de omgeving nauwelijks bewoonbaar was. Dat een dergelijke bevolking vanaf de negende eeuw, na een leegte van eeuwen, in beperkte mate en op weinig plekken tóch bestond is andermaal bevestigd door de opgravingen op het terrein ‘De Krocht’ in Limmen in 1996 en 2003-2004 (2).

Maar nog altijd niets in verhouding tot een heel volk van ‘Friezen’ dat gekerstend zou zijn door de heiligen Willibrordus, Adelbertus en Engelmundus, een volk dat bovendien zó rijk zou zijn geweest dat de Vikingen (3) ertoe besloten om er op rooftocht te gaan. Dat er een doorlopende bevolking zou hebben bestaan sinds de Romeinse periode is bovendien wederom weerlegd, en ook voor 1000-1025 is er een onderbreking in de bewoning vastgesteld, terwijl na 1250 er voor eeuwen helemaal geen sprake van bewoning meer was.

Volgens de kaart van Gerrit Dirskz. Langendijck uit 1620 telt Limmen dan welgeteld achttien stenen huizen en een kerk, lemen hutten zijn overgeslagen, meest waarschijnlijk omdat die te vaak van plaats veranderden en er ook niet veel te halen viel. Wat eerder, in 1477 zou er een honderdtal ‘haardsteden’ zijn geweest, zeg maar huishoudens, uitsluitend wonende in lemen hutten, want van steen is er dan nog geen sprake.

Er wordt nog altijd geprobeerd er iets mooiers van te maken.

De resultaten van de opgravingen worden door de geschiedschrijvers zodanig gepresenteerd dat zoveel mogelijk traditionalistische en folkloristische uitgangspunten uit het onderzoek lijken te volgen, terwijl die daaraan overduidelijk juist ten grondslag lagen en ze bovendien door het archeologisch onderzoek zèlf steeds meer worden weerlegd.

Het bovenaan geciteerde eindoordeel is vooral ook een waarschuwing : de archeologen doen serieus onderzoek, de historici volgen niet. Natuurlijk zijn er historici die zich interesseren voor de archeologie, maar dan vooral om hun eigen vooropgezette ideeën bevestigd te krijgen. Natuurlijk zijn er ook archeologen die geïnteresseerd zijn in de geschiedschrijving, maar ze worden wel erg slecht bediend. De tijd dat de archeologie een hulpwetenschap van de geschiedschrijving was is voorbij. Het zijn steeds meer de geschiedschrijvers die ter verantwoording worden geroepen door de archeologen als hun verhalen niet door opgravingen worden bevestigd. Daarmee komen ook de door de geschiedkundigen gebruikte bronnen onder druk te staan.

In delen van het verslag wordt vooral door geschiedschrijvers nog altijd een doorlopende bewoning vooropgesteld, bij voorkeur sinds de Romeinse tijd; net als het bestaan van vroeg-middeleeuws wereldlijk en kerkelijk bestuur ter plaatse, met duidelijke rechts- en eigendomsverhoudingen. Uit de archeologische bevindingen blijkt daarvan nu juist andermaal helemaal niets.

«In 2003 en 2004 vond in Limmen (Noord-Holland) grootschalig nederzettingsonderzoek plaats door het AAC/Projectenbureau van de UvA. Op de flank van de strandwal zijn langs een voormalige weg de resten teruggevonden van diverse boerderij-erven, dateerbaar van de 9e tot in de 13e eeuw. Hiermee is voor het eerst een ruimer inzicht ontstaan in de ontwikkeling van een middeleeuwse plattelandsnederzetting in het West-Nederlandse strandwallengebied. Wellicht bevond zich onder de erven een centrale hof. Mogelijk zijn de aanwezigheid van een 8e-eeuwse singulaire begraving en de activiteiten van een edelsmid ook hiermee in verband te brengen.» (4).

Aldus een tamelijk sensationele samenvatting, met de gebruikelijke mitsen en maren (wellicht! mogelijk!) en allerlei uitvluchten. Kortom, er wordt volgens de gebruikelijke traditionalistische en folkloristische methode van de geschiedschrijvers veel meer ‘gesuggereerd’ dan wat de archeologen kunnen aantonen.

Na lezing van de eerste 194 bladzijden is er de indruk dat het op zichzelf om heel serieus archeologisch onderzoek gaat, samengevat in een wetenschappelijk verslag volgens de laatste regels der kunst. Het is in het voorwoord, maar vooral in de anonieme ‘Synthese’ dat met traditionalistisch en folkloristisch gezwam en geleuter een Vroeg-Middeleeuws vlaggetje wordt hooggehouden bovenop een lemen hut. Die ‘Synthese’ vat het werkelijke wetenschappelijke onderzoek verbazingwekkend weinig samen, en er worden vooral mythologische en folkloristische vooringenomenheden opgediend.

Voorafgaand aan ontginningen en dijkenbouw was alleen op de strandwallen een schamel bestaan mogelijk met weinig verbindingen naar de buitenwereld. De strandwal van Limmen tot Alkmaar was zelfs zo ongeveer de enige plek in een wijde omgeving waar vanaf de derde tot de twaalfde eeuw een geïsoleerde bewoning mogelijk was; het meeste van de rest was onbewoonbaar veenmoeras. Of, zoals in het opgravingsverslag nog maar weer eens wordt vastgesteld :

«In de Vroege-Middeleeuwen slibden en veenden de oude getijdenkreken voor een groot deel dicht. Als gevolg hiervan verslechterde de drainage in het Oer-IJ gebied en begon de veenontwikkeling in de lagere delen van het oude Oer-IJ getijdengebied.
De site Limmen ‘De Krocht’ had vanwege zijn relatief hoge ligging op het bovenste duinpakket geen last van deze vernatting en bleef tot de dag van vandaag geschikt voor bewoning.
 (5).

De teleurstelling over de opgravingen klinkt door in de globale archeologische gevolgtrekking :

«Het aantal nederzettingssporen uit de Merovingische en Karolingische periode (circa 500 tot 900 na Chr.) bleek een stuk minder dan verwacht op basis van de rapportage over de proefsleuven van 1996. Deze perioden zouden bij de beantwoording van de vragen in het PvE [Programma van Eisen] minder op de voorgrond staan. De aandacht zou daarentegen komen te liggen op de navolgende periode van de Volle-Middeleeuwen.» (6).

Dat is, voor een professioneel archeologische eindoordeel, heel netjes gezegd, maar het komt er op neer dat er zó weinig is gevonden, dat het, met hedendaagse criteria, verder nauwelijks de moeite loont om in de wijde omgeving nog te zoeken naar ‘Vroeg-Middeleeuws’.

We lezen ook :

«Een dergelijke dichtheid aan sporen zien we wel vaker in Noord-Holland. Zulke geschikte locaties waren geliefd en zeldzaam. (7).

Met andere woorden : in de omgeving valt er nog veel minder te verwachten.

In één van de eindconclusies wordt het aanzienlijke probleem grootsprakig verschoven :

«In de Merovingische en vroeg-Karolingische periode was er op het terrein waarschijnlijk geen sprake van bewoning; deze lag wel in de directe omgeving.» (8).

En vandaar komt het, alweer zonder enige grond, tot een wel erg speculatief ‘vermoeden’ :

«dat dit een domeincentrum was van één van de grootgrondbezitters in dit gebied, hetzij de Hollandse graaf, hetzij de abdij van Egmond of de bisschop van Utrecht» (9).

Niemand schijnt dus te weten waartoe het behoorde, áls het al ergens toe behoorde.

Maar laat de traditionalistische folkloristen vooral hun eigen graf graven met verdere opgravingen. We weten nooit wat het oplevert, er kunnen altijd verrassingen zijn, en het resultaat is vast en zeker interessant voor wie belang stelt in de details van heel weinig.

De verwachtingen waren niettemin hooggespannen (10), vooral ook omdat er een flinke bak geld in het Vroeg-Middeleeuwse zwarte gat is gegooid, wat ook achteraf natuurlijk verantwoord moest worden met vondsten die op zijn minst publicitair enigszins in verhouding stonden tot de gedane investeringen en de gewekte verwachtingen.

Met graafmachines is de oppervlakte tot een diepte van meerdere tientallen centimers grofweg afgegraven (11) om de onderliggende, belangrijker geachte lagen bloot te leggen.

Dat is opmerkelijk, want het ‘archeologisch erfgoed’ (12) wordt inmiddels in wat meer belovende omgevingen redelijk goed zo ongeschonden mogelijk bewaard voor onderzoek door volgende generaties met veel meer middelen tot hun beschikking. Dat er toch gegraven is betekent dus dat het hele project niet zo vreselijk belangrijk of veelbelovend kan zijn geweest, danwel dat het erfgoed onmiddellijk ernstig bedreigd werd door de familie Welboren, eigenaar van het land, ofwel de twee tezamen.

Het was natuurlijk ook een ideaal oefenterrein voor archeologen in opleiding waar weinig kwaad kon worden gedaan, een heel lofwaardige reden.

Als hoofdreden wordt opgegeven 

«de sterke bedreiging van het bodemarchief door agrarisch gebruik» (13).

Het kan natuurlijk ook dat de familie Welboren het land graag zou willen verkopen voor woningbouw, wat tamelijk wat meer zou opleveren dan als landbouwgrond. Na de opgravingen is er natuurlijk weinig reden meer om het landschap (wat grasland met weidevogels) verder te beschermen. Toch zou het jammer zijn als het bebouwd werd vanwege het uitzicht; en bebouwing, gezien de geschiedenis van het terrein, lijkt ook niet erg verstandig.

Er is weinig beters gevonden dan de gebruikelijke paalgaten, waterputten en losse potscherven. Er zijn vooral allerlei ‘sporen’ gevonden van van alles en nog wat, maar eigenlijk niets erg uitzonderlijks. Het geeft een beetje een idee van een plaatselijke boerenbevolking, wat natuurlijk prachtig is.

Uit het onderzoek is afgeleid dat er ter plaatse een aantal hutten heeft gestaan, met naar wordt aangenomen rieten daken. Van muren is inderdaad wat ‘huttenleem’ (14) opgedolven, van de daken natuurlijk zelfs geen ‘spoor’. De vondsten bestaan vooral uit grondverkleuringen veroorzaakt door weggerot hout en hier en daar wat greppels (15). Dat kon ook moeilijk anders, omdat natuursteen van op heel grote afstand moest worden aangevoerd, terwijl baksteen pas op z’n vroegst in de twaalfde eeuw voor het eerst in gebruik kwam (16).

Om het juist heel weinig sensationele of spectaculaire resultaat enig gewicht te geven wordt er bij herhaling gesproken van :

«opvallend veel middeleeuwse grondsporen en vondsten» (17).

Wat echter vooral betekent dat er elders tot dusverre nog veel minder is gevonden.

2. De dateringen

«Een belangrijke basis is de spoordatering aan de hand van het aardewerk. Ongeveer 75% van de sporen kon dankzij aardewerkvondsten gedateerd worden. Deze datering is slechts een terminus post quem, want ze zegt feitelijk niets meer dan dat het betreffende spoor jonger is dan de introductiedatering van het jongste aardewerkfragment dat uit het spoor komt.» (18).
«Op basis van een recent overzicht [...] zou het meeste aardewerk uit Limmen zelfs te plaatsen zijn van 825.» (19).
«Op basis van het aantal generaties gebouwen dat vóór de goed grijpbare 10e eeuwse situatie te plaatsen is, wordt uitgegaan van een datering van circa 825 voor de start van bewoning ter plaatse.» (20).

En verderop :

«Immers, plattegronden die op basis van bijvoorbeeld Pingsdorf-aardewerk dateerden vanaf circa 900, konden net zo goed 10e, 11e of 12e eeuws zijn.» (21).

In eerste instantie zijn de oudst mogelijke dateringen aangehouden. Het kan dus allemaal ook net iets jonger zijn. Voor het algemene beeld maakt dat echter niet erg veel verschil. De betrekkelijkheid van de benadering is enigszins verontrustend, maar laten we er voorlopig van uitgaan dat het min of meer klopt.

Aardewerk uit de prehistorie en de Romeinse tijd is heel weinig gevonden : een verwaarloosbare 2% van het totaal. Uit de vroege Middeleeuwen is het Merovingisch opmerkelijk zelfs nog schaarser : maar 1% van het totaal. De vondsten beginnen eigenlijk pas met Karolingisch (tot 900) : 27% van het totaal. De volle Middeleeuwen (900-1250) leverden 58% van de gevonden aardewerkfragmenten op, meest uit de latere tijd, en ruim 6% is uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd (22) toen de bewoning al weer was verdwenen.

Interessant is een grafiek met het gemiddeld aantal randen Pingsdorf aardewerk per 25 jaar : het (geringe) aantal is constant voor de periode 900-1100, om daarna flink te stijgen (23).

Er is de verdenking geuit dat archeologen in het verleden de jaartallen wat oprekten, om tot traditionalistisch en folklorologisch gewenste resultaten te kunnen komen, om de dateringen nét over een kritische grens heen te helpen. Voor deze opgravingen is de kritische grens van de achtste eeuw echter niet eens bereikt.

3. Omvang en aard van de bewoning : af en toe enig gemengd kleinbedrijf

Voor de periode van de ‘missionering van Kennemerland’ is er alweer geen enkele bewoning vastgesteld, zodat er weinig viel te bekeren. Het is pas in de periode daarna dat er plaatselijk enige bewoning is vastgesteld. Het opgravingsverslag meldt dat er voor de periode 825-1250 83 ‘gebouwen’ (het gaat om lemen hutten) en 73 waterputten zijn aangetroffen (24). Dat lijkt indrukwekkend, maar dat ziet er anders uit wanneer we de bewoningsgeschiedenis wat nader bekijken :

  • Uit de periode 825-875 (50 jaar) zijn er paalgaten gevonden van twee hutten, éen ten westen en één ten oosten van een verondersteld, maar niet nader aangetroffen zandpad dat meteen maar ‘weg’ wordt genoemd; en ook vijf waterputten en wat resten van greppels. Voor die hutten wordt in het verslag een levensverwachting van 25 jaar aangehouden, en op grond daarvan kunnen we er van uitgaan dat hier één enkel huishouden vertoefde dat een keer naar het westen is verhuisd, meest waarschijnlijk door wateroverlast. Ten oosten van de ‘weg’ is immers verder geen enkele bewoning vastgesteld voor de periode 825-1000.
  • In de volgende periode 875-950 (75 jaar) kunnen we gezien het aantal hutten voor het begin twee huishoudens ten westen van het pad (dat dan inderdaad verschijnt) veronderstellen en later wellicht drie.
  • Voor de periode 950-1000 (50 jaar) loopt dat aantal huishoudens weer terug tot één, en rond het jaar 1000 verdwijnt bewoning geheel.

Voor de hele eerste bewoningsperiode 825-1000 (175 jaar) gaat het vooral om drie ‘percelen’ die afwisselend bewoond waren, met vijftien hutten (waarvan ongeveer de helft met veronderstelde woonfunctie, de rest bestond uit schuurtjes). Gaan we uit van de gegeven levensverwachting van 25 jaar voor een hut dan kan er gemiddeld eigenlijk maar één huishouden tegelijk hebben gewoond; dan wel meerdere huishoudens tegelijk, maar dan met flinke onderbrekingen in de bewoning, minder waarschijnlijk.

Grofweg tussen 1000 en 1025 lag het terrein braak en werd de bewoning onderbroken. Voor de beëindiging van de eerste bewoningsperiode is een verandering in het grondbezit verondersteld, hoewel dat natuurlijk niet uit de vondsten kan worden afgeleid en er geen andere bronnen ter beschikking staan. Het land kan natuurlijk ook gewoon zijn verlaten wegens te geringe bewoonbaarheid (25). Daarna begint rond 1025 een geheel nieuwe bewoning, met ook andere ‘perceelgrenzen’. Die nieuwe bewoning loopt door tot rond 1250 (225 jaar) om vervolgens op zijn beurt ook weer te verdwijnen, dit keer duidelijker door wateroverlast (26). Na 1025 ontstaan er vier percelen ten westen van het pad (dat blijkbaar als natuurlijke verplaatsingsruimte overbleef), met mogelijk dus vier huishoudens.

Om het nog duidelijker te maken : het voor de gehele periode 825-1250 opgegeven aantal ‘gebouwen’ van 83 bestaat op zijn minst uit 39 opslagruimten (27), maar dat kunnen er ook 47 zijn (28). Blijven er dus op zijn hoogst ongeveer 40 woonhutten over. Over de totale periode van 825 tot 1250 (17 perioden van 25 jaar) komen we op een gemiddeld gelijktijdig aantal huishoudens van hoogstens 40:17=2,3 waarvan bovendien het grootste deel thuishoort in de latere periode van 1025-1250, zodat er voor de vroege middeleeuwen ook volgens deze berekening heel weinig overblijft.

Er zijn 277 metalen voorwerpen en vooral fragmenten gevonden, vooral van ijzer, en voor een zeer groot deel (114) gaat het om nagels (spijkers) (29). Verder wat lood- of lood/tinlegeringen, wat koper en een moderne nikkelen munt. Het overgrote deel van de metaalvonsten dateert uit de Late Middeleeuwen.

Wanneer wordt niet gezegd, maar :

«Er is in Limmen ijzer gesmeed» (30).

Verbazingwekkend is dat niet :

«De geringe hoeveelheid slak die gevonden is (26 kg in ongeveer vier eeuwen), wijst op zelfverzorgende boeren. Tot in de 19e eeuw was het gebruikelijk dat boeren hun eigen ijzeren werktuigen repareerden en eenvoudige ijzeren voorwerpen zoals spijker zelf smeedden. Hiervan waren in het gedetermineerde materiaal meerdere aanwezig.» (31).

Er is ook maar heel weinig natuursteen aangetroffen : 561 ‘gesteentefragmenten’, waarvan de helft als delen van (hand-)maalstenen wordt opgevat (32).

Naast de achtste eeuwse sceatta’s (zie verderop) is er maar één andere middeleeuwse munt aangetroffen : van graaf Dirk VII uit 1190-1207 (33). Dat is verbazingwekkend weinig. Het gat tussen de twee is opmerkelijk. De overige gevonden munten zijn uit de zeventiende eeuw of nog later.

Van de gevonden dierenbotten is 56% van runderen (melkkoeien), 20% van schapen, en 17% van varkens. Resten van geiten zijn niet aangetroffen. Paarden-, honden- en kattenbotten zijn heel weinig gevonden, kippenbotten in het geheel niet (kippenhouderij kwam pas in de zestiende eeuw in zwang (34)), en blijkbaar werd er ook niet of nauwelijks gejaagd (35). Gezien de vraatsporen op botten moeten er niettemin honden zijn geweest, naar wordt aangenomen herdershonden. Ook werd er wat vis gegeten, zowel zeevis uit kustbevissing (zonder boten) als zoetwatervis (36).

De gevonden houtresten zijn voornamelijk van plaatselijk voorkomende bomen en is grofweg voor 26% es (voor huttenbouw en putten), 21% eik (voor tonnen, en meest waarschijnlijk van elders ingevoerd) en 17% wilg (voor vlechtwerk) en 10% els (vlechtwerk in putten) (37). Vijf tonnenresten zijn spar en moeten van verre zijn aangevoerd. Erg veel houtbewerkingskunst was er ter plaatse dus niet.

Onderin de waterputten zijn twee essenhouten velgen van wagenwielen gevonden, de één uit 1150-1175, de ander uit het begin van de dertiende eeuw, beide evenwel zonder ijzeren band om de velg, zodat er niet veel plaatselijk ijzergebruik of smeedskunst kan zijn geweest (38).

Er is ook één heel klein stukje glas gevonden, naar wordt aangenomen uit de negende of tiende eeuw.

Tijdens de eerste bewoningsfase (875-1000) was er een beetje akkerbouw, vooral voor tarwe, rogge, vlas en raapzaad. In de periode 1025-1100 wordt daar gerst aan toegevoegd, en later ook haver, dat vooral tot wintervoedsel voor paarden dient, die er daarvóór bijgevolg nauwelijks kunnen zijn geweest. Nog weer later zal er ook enige tuinbouw zijn geweest (39), daarvoor is dat blijkbaar niet vastgesteld.

«Over de hele periode is sprake van een open landschap met hier en daar wat bomen. De woeste grond heeft bestaan uit schorren met kweldervegetatie, al dan niet beweid, sloten of kreken met oever en watervegetatie, grasland en verruigend rietland.» (40).

Alles bij elkaar levert dat het beeld op van een gemengd kleinbedrijf, waarbij zo ongeveer alles wat nodig was zelf werd geproduceerd, met heel weinig ruil naar buiten. Vandaar komen we wel heel erg moeilijk bij gravelijke, bisschoppelijke of kloosterlijke ‘domeinen’.

Bijgevolg dienen we er nog altijd van uit te gaan dat de huidige plaats Limmen pas in de dertiende of veertiende eeuw is ontstaan, want er is nog altijd niets dat wijst op een doorlopende bewoning voordien.

4. Een karolingisch graf

Uit de hele periode 300-825 is vrijwel uitsluitend een lijk gevonden, zonder kist, wat zelfs tijdelijke plaatselijke bewoning uit die periode vrijwel uitsluit. Het gaat om een man van 20-24 jaar oud, begraven met een mes en zeven munten, terwijl er ook de resten van een gesp zijn gevonden en een ander niet goed herkenbaar ijzeren voorwerp. De munten zijn zilveren sceatta’s, van de zes Angelsaksische zijn er vijf van hetzelfde type, maar één daarvan is een vervalsing : van koper met zilver geplateerd, en één Angelsaksiche is van een ander type; de Angelsaksische worden allemaal op 700 gedateerd. De éne continentale sceatta (ook ‘Fries’ genaamd, een namaaksel), is gevonden bij het zeven van het grafmateriaal, en is van iets later datum : van zeggen rond 720.

Dat het graf dezelfde orientatie heeft als de latere ‘weg’ (41) betekent niet dat het pad en twee perceelgrenzen toen al bestonden zoals echter toch wordt verondersteld :

«De oudste aanwijzing voor de aanwezigheid van een weg bestaat uit de ligging van een Karolingisch graf met dezelfde oriëntatie als de latere weggreppels» (42).

Het graf is dus op zijn vroegst uit 720, en volgens een C14-meting op zijn allerlaatst uit 860, er wordt van uitgegaan dat het van vóór de aantoonbare bewoning is en uit de achtste eeuw, maar geheel zeker weten we dat niet.

Verder zijn er uit deze periode enkele losse aardewerkfragmenten gevonden (heel weinig), waaruit in het geheel niets kan worden afgeleid :

«Niet uit te sluiten is dat het materiaal op het terrein terecht is gekomen met bemesting vanuit een nabijgelegen nederzetting.» (43).

En tegelijk wordt er toch ‘gesuggereerd’ dat er in die periode een weg, en dus bewoning in de onmiddellijke omgeving was :

«Het enige spoor dat met zekerheid dateert uit de 8e eeuw is het inhumatiegraf van een jonge man, dat al in 1996 werd opgegraven. De richting van het graf, evenwijdig aan een markante en diagonaal door het gehele opgravingsterrein lopende serie greppels, doet vermoeden dat beide sporen gelijktijdig bestonden. Deze serie greppels ligt precies in het verlengde van het heden ten dage nog bestaande deel van de Uitgeesterweg, dat één van de oudere noord-zuid verbindingen vormde over de strandwallen. De ligging van het graf zou daarmee bepaald zijn door een weg (vanaf hier ‘de weg’ genoemd) die begrensd werd door een bermgreppel. Uit de ontwikkeling en datering van de weggreppels is het echter niet zeker dat in de 8e eeuw reeds sprake was van een begeleidende weggreppel; mogelijk is deze later opgenomen in één van de jongere greppelfasen.» (44).

Het ligt veel meer voor de hand dat het gaat om het graf van iemand uit een groep die daar rondtrok of op jacht was. Van andere gevonden menselijke resten uit de vijftiende of zestiende eeuw wordt aangenomen dat het om een noodbegraving gaat, en het valt moeilijk in te zien waarom bij het oudste graf niet dezelfde gevolgtrekking is gemaakt.

Wat dat alles met ‘karolingisch’ te maken heeft valt moeilijk in te zien, want dat ‘suggereert’ een verband tussen Limmen en een ooitmalig keizerrijk dat zich veel zuidelijker bevond.

6. Een plaats ‘Smithan’ te Limmen ?

Volgens de traditionalistische folklorologie zou de naam Smithan met Limmen in verband staan, maar het komt hier eigenlijk niet verder dan :

«Tevens is het niet uitgesloten dat de nederzettingssporen geïdentificeerd kunnen worden met het in de bronnen vermelde Smithan (45)

De naam komt voor in de twaalfde eeuw vervalste Egmondse documentatie, en wel in een document dat uit 1083 zou stammen, maar eerst veel later is samengesteld (46). ‘Smithan’ wordt in die vervalsing – want daar gaat het om – genoemd tussen Limban en Bachem, plaatsen die worden opgevat als Limmen en Bakkum, en waaruit is besloten dat ‘Smithan’ ergens tussen de twee zou moeten hebben gelegen (47). Dat document staat echter vol van nergens in Kennemerland terug te vinden plaatsnamen, zodat de veronderstelling gerechtvaardigd is dat een Gents document tot uitgangspunt is genomen, en er bestaande Kennemerse namen zijn tussengevoegd, dan wel oorspronkelijke namen zijn aangepast aan locaal gebruik.

Het Woordenboek der Nederlandse Taal geeft enkel :

«Smithan *Smeden, onbekende plaats bij Limmen en Castricum, prov[incie]. Noord-Holland (Het is een datief pluralis met locatieve functie ‘bij de smid’.) (48).

Laten we de geleerderigheid ter zijde, ‘bij de smid’ is natuurlijk prachtig, maar de naam kan volgens hetzelfde Woordenboek der Nederlandse Taal niet uit de tiende eeuw stammen, want daarbij wordt aangetekend dat de oudste vermelding (geleerd ‘attestatie’) van het woord ‘Smith’ (en wat al niet dat er op lijkt) van 1091-1100 is. Daar moeten we het mee doen.

Bijgevolg hebben we eerder te maken met een naam die eerst veel later in het Egmondse klooster is verhaspeld, bovendien oorspronkelijk afkomstig uit een document dat niet eens in Kennemerland thuishoort, zodat we er beter over op kunnen houden.

7. Een ware edelsmid te Limmen ?

Voor de edelsmid te Limmen komt het ook al niet erg ver :

«De naam ‘Smithan’ zou iets te maken hebben met het beroep van ‘smid’. (49).

Gezien de mythologie en folklorologie moet er dus vreselijk zijn gelet op ‘sporen’ van de aktiviteit van een echte smid.

Nu hebben we al gezien dat er af en toen wel eens iets is gesmeed, maar dat er geen gewone smid van paardenhoeven, ploegijzers en gereedschappen is geweest, zelfs niet van velgen voor wagenwielen. Er waren boeren, die wel eens ijzer verhitten in het haardvuur om er vooral spijkers van de maken.

Maar toch, er zou gelijk maar een echte edelsmid zijn geweest, een dan bij voorkeur plaatselijk gevestigde, of, als dat niet goed houdbaar was, in ieder geval een rondtrekkende of doorreizende die wel een langs kwam, of ooit langs zou zijn gekomen, hoewel edelsmeden gewoonlijk alleen in florerende steden kunnen worden verwacht, alwaar de klanten naar hem toe kwamen in een beveiligde plaats, in plaats van dat hij met zijn kostbare handelswaar rondtrok, met alle risico’s van dien.

Het is beetje een raar verhaal, en het komt ook niet verder dan :

«Aan het licht kwam een middeleeuwse plattelandsnederzetting langs een verdwenen weg. Was dit wellicht het dorp van een edelsmid, waar de tiende-eeuwse plaatsnaam ‘Smithan’ naar verwijst ?»

Dat zou wellicht natuurlijk kunnen, maar het zou wellicht ook kunnen van niet, dus wie gaat het vertellen ? (50); erg veel klanten kan hij er niet hebben gehad, en waar haalde hij zijn grondstof vandaan ?

«De kuil met resten van enkele smeltkroezen en een cupel is waarschijnlijk binnen fase 3-4 te plaatsen [i.e. 825-875 na Chr.], omdat een samenhang wordt aangenomen met de bewoningssporen in de directe omgeving. Voornoemde resten wijzen op de aanwezigheid van een edelsmid in de nederzetting. Jammer genoeg zijn in de directe nabijheid van de kuil geen gebouwsporen aangetroffen die aan een smidse kunnen worden toegeschreven. Mogelijk zijn deze sporen op dit ooit hogere deel van ‘De Krocht’ geërodeerd. De vraag of de smeedactiviteit plaatsvond in de open lucht op het achtererf van een boerderij blijft onbeantwoord, evenals de vragen over de schaal van de activiteiten van deze edelsmid en of het een plaatselijke specialist was of een rondtrekkende ambachtsman. Wel lijkt deze bijzondere vondst een nadere aanwijzing te zijn voor de veronderstelde centrumfunctie van Limmen in de Karolingische periode.» (51).

Nou goed, er zijn resten gevonden van ‘smeltkroezen’ en een ‘cupel’. Die resten, blijkbaar het hoogtepunt van de opgravingen, kunnen van alles en nog wat zijn geweest, en kunnen daar ook op velerlei manieren terecht zijn gekomen, en van smeedaktiviteiten in verband met ‘kroezen‘ en ‘cupel’ is in het geheel niets gebleken. Erger : van goud of zilver is zelfs geen ‘spoor’ gevonden, zelfs niet in de kroesresten, terwijl het hangende is of de ‘cupel’ mogelijk iets zou kunnen bevatten (nadere chemische analyse was in 2006 in het vooruitzicht gesteld, maar verder is daar tot 2012 niets meer van vernomen).

Het blijft dus de vraag of we wel te maken hebben met ‘smeltkroezen’ en een ‘cupel’ (afbeelding rechts), en in afwezigheid van ‘sporen’ van goud en zilver hebben we eigenlijk alleen scherfjes van ‘iets’.

Ook hier wordt, als er niets duidelijks wordt gevonden, gesuggereerd dat het er toch was, of geweest zou zijn, of geweest kon zijn; dat is het soort van beweringen waarmee anderen later weer aan de haal kunnen gaan om er ‘zekerheden’ en ‘uitgangspunten’ van te maken voor nog veel verder gevoerde... onzekerheden.

De nauwkeuriger beschrijving zwakt het nog verder af :

«In een kuil uit de Karolingische tijd zijn resten gevonden van waarschijnlijk [!] twee smeltkroezen, met een geheel verglaasde buitenzijde. [...] Resten van metaal zijn niet bewaard gebleven, waardoor niet zeker is welke metaalsoort gegoten is.» (52).

Als er al metaal is gegoten. Het is dus helemaal niet zeker of het wel om ‘smeltkroezen’ gaat, en die hele ‘cupel’ blijkt te bestaan uit twee hele kleine stukjes aardewerk, naar aangenomen bijeenhorende delen van één ‘schaaltje’ van 5,5cm, en dat zou lijken op een paar andere, die elders gevonden zijn, en die bovendien pas sinds kort als ‘cupel’ worden ‘herkend’.

Worden er in de ‘smeltkroezen’ en het ‘cupeltje’ geen duidelijke metaalresten aangetroffen, dan kunnen we er ons beter beperken tot de bewering dat er gebakken klei is gevonden. We wachten geduldig op uitsluitsel in dit opzicht.

We kunnen bijgevolg tot de tamelijk veilige gevolgtrekking komen dat er niets is aangetoond ten gunste van een Vroeg-Middeleeuwse edelsmid te Limmen, en omdat een plaatselijke vakkundige ijzersmid ook niet is aangetoond, zelfs buitengewoon onwaarschijnlijk is geworden, hangt ‘Smithan’ nog veel meer in de lucht dan het toch al deed.

8. Een ‘domeincentrum’ te Limmen ?

«De opzet en bebouwing op één van de erven, waaronder een uniek gebouw in de vorm van een tweeschepige schuur, doet vermoeden dat dit een domeincentrum was van één van de grootgrondbezitters in dit gebied, hetzij de Hollandse graaf [die nog nergens te bekennen was], hetzij de abdij van Egmond [gesticht in 1130] of de bisschop van Utrecht [die resideerde sinds 940].» (53).

En dat alles voor de negende eeuw, en het wordt nog eens herhaald :

«Zoals beargumenteerd [???] bij de gebouwbeschrijvingen lijkt het niet vergezocht dit afwijkende gebouwtype met een grote opslagplaats te associëren met een central hoffunctie van dit erf.» (54).

En nog een keer :

«In de wetenschap [???] dat een groot deel van Limmen [welk deel?] ooit toebehoorde aan het grootgrondbezit van de kerk van Utrecht, de Hollandse graaf en later ook de abdij van Egmond [Wie van de drie ?] is het niet onmogelijk [!] dat de afwijkende bouwwijze van gebouw 2 en de planmatige opzet van het erf in de 10e eeuw wijzen op de aanwezigheid van een hof of uithof op ‘De Krocht’. Gebouw 2 functioneerde daarbij mogelijk [!] als een grote voorraadschuur (tiendschuur ?) [ja, waarom ook niet] voor de opslag van produkten uit de directe omgeving.
Het is moeilijk deze veronderstelling verder te onderbouwen [!] met voorbeelden uit de nederzettingsarcheologie. Uit de opbouw van boerderijerven spreken niet direct opvallende verschillen, omdat niet duidelijk is hoe een in de bronnen genoemd domeincentrum er precies uit heeft gezien en welke bemoeienis de domeinheer had met de inrichting van het erf. Bovendien kan de verschijningsvorm van een dergelijk centrum in de loop van de tijd zijn gewijzigd of per regio hebben verschild. In de opgegraven bisschoppelijke hof in het Drentse Peelo, toepasselijk 'Hovinge' genoemd, is de centrale functie in de Volle-Middeleeuwen af te leiden uit de naar verhouding veel grotere opslagcapaciteit op het erf in de vorm van rijen spiekers en een grote, éénschepige schuur.
Een bijkomend probleem is dat we niet weten hoe bijzonder de opbouw van het centrale erf op ‘De Krocht’ is ten opzichte van andere erven uit de 10e eeuw. Wat dit betreft moet toekomstig archeologisch onderzoek elders uitmaken of de afwijkende gebouwvorm in Limmen óf een regionaal verschijnsel is óf een éénmalig experiment.
Tenslotte kan nog een opmerking gemaakt worden over de eventuele herkomst van de keuze voor een kort en breed tweeschepig gebouw voor centrale opslag. Zoals opgemerkt in par. 6.3.2 zijn enigszins vergelijkbare gebouwen te vinden in het Zeeuwse Oost-Souburg en qua afmeting bestaan overeenkomsten met Karolingische gebouwen uit Zuid-Nederland. Dit kan wijzen op een zuidelijke invloed.»
 (55).

Zo wordt de eigen hypothese eerst afgeschoten om er vervolgens een andere draai aan te geven :

«Wanneer we de externe contacten van het Hollandse gravenhuis in ogenschouw nemen, dan is het toch wel opmerkelijk dat deze in de 10e eeuw nauwe banden hadden met het graafschap Vlaanderen. Zo verbleef de toekomstige Dirk II in zijn jeugd aan het Vlaamse hof en trouwde hij met Hildegard, dochter van de Vlaamse graaf Arnulf I. Geïnspireerd door deze zuidelijke cultuur liet hij de eerste monniken die de nieuwe, stenen abdij van Egmond bevolkten in circa 950 overkomen uit de St. Pietersabdij te Gent. De gedachte dat de keuze voor de bouwwijze van de tweeschepige schuur in Limmen werd ingegeven door een zuidelijke, Vlaamse invloed, hetzij via graaf of klooster, is daarmee niet zo vreemd als het lijkt. Van het weinige wat uit het Vlaamse gebied bekend is van middeleeuwse huisplattegronden lijkt dit aan te sluiten op de huisbouwtraditie van de aansluitende Zuid-Nederlandse zandgronden en de Vlaamse kloosters hadden ook uitgestrekt bezit in Zeeland.» (56).

De ‘Hollandse’ graven vertoefden in de tiende eeuw inderdaad in Gent, alwaar ze burggraven waren. Het is op zijn vroegst aan het eind van de elfde eeuw dat ze in het latere ‘Holland’ verschijnen. De (stenen) Egmondse abdij is dan ook in 1148 ingewijd en niet van ‘circa 950’, en toen kwamen de monniken inderdaad uit Gent, niet aantoonbaar eerder.

Enige verklaring lijkt toch ook nodig voor de volgende loze bewering zonder argumentatie of bronopgave :

«Gedurende de Vroege-Middeleeuwen en de perioden die daarop volgen ligt het gebied van de Limmer strandwal afwisselend binnen verschillende koninkrijken, zoals die van de Friezen en de Franken, maar het heeft ook te maken met de invallen van de Vikingen. Zijn er archeologische sporen en vondsten die een relatie aantonen met de verschillende machthebbers of gebeurtenissen in deze periodes en op welke manier komt dit tot uiting ?» (57).

De conclusie over die grootspraak is echter overduidelijk : bij de opgravingen is er in het geheel niets van gebleken.

Laten we er het op houden dat er een lemen schuur is gevonden die iets groter was dan de andere.

9. ‘Een rationele en emotionele ontdekkingsreis’

De ‘tijdgeest’ waarin de opgravingen zijn uitgevoerd is onthuld in het Noordhollands Dagblad :

«Archeologen maken ‘rationele en emotionele ontdekkingsreis’

De één loopt met een metaaldetector in de hoop munten of andere voorwerpen aan te treffen. De ander wordt als ‘bottenman’ ingeschakeld wanneer menselijke of dierlijke resten worden gevonden. Weer een ander noemt zichzelf ‘peuteraar’.
Naast de professionele archeologen van de Universiteit van Amsterdam zijn ook ‘amateurs’ druk doende op het terrein De Krocht tussen Castricum en Limmen.
‘Topvondst’ staat er op het kaartje in het plastic zakje. Wie wil weten wat dit dan wel is, moet goed kijken. Het is een muntje ter grootte van twee eurocent. Schoppen en troffeltjes worden opzij gelegd en iedereen komt een kijkje nemen, want dit is toch wel bijzonder.
Het geldstuk komt net terug van onderzoek waaruit is gebleken dat het gaat om een muntje uit de periode 1190-1202 met een afbeelding van Dirk VII erop. Ook is er een lelie op te zien met een rondje eronder. Dat geeft aan dat de munt vermoedelijk uit de omgeving van Egmond komt, want alleen de Abdij van Egmond kent dit teken.
Het muntje is zó klein en dun dat het onvoorstelbaar is dat het in het zand is gevonden. “Ik wil ook niet weten hoeveel van die muntjes we al niet weggeschept hebben”, beaamt Limmer Ron Duindam. “Dit vinden we met metaaldetectors”.
Duindam is als bestuurslid van de Werkgroep Oud-Limmen en amateur-archeoloog bij de opgravingen betrokken. Iets wat hij al jaren niet meer heeft gedaan – “sinds de opgravingen eind jaren zestig in Velsen niet meer” –, maar zeker niet is verleerd. Hij vertelt hoe je de verschillende kleuren aarde kunt onderscheiden en vooral kunt voelen. “Je voelt gewoon hoe het schraapt. Moeilijk uit te leggen, een kwestie van veel doen.” Ook onderscheidt hij moeiteloos een honderd jaar oud mollengat van een schijnbaar zelfde afdruk, eentje van een funderingspaal uit vroeger tijden.
Duindam geniet van wat hij hier doet. “Een rationele en emotionele ontdekkingsreis”, noemt hij het. “We leren de wetenschappelijke waarde kennen, maar de emotionele kant is dat je sporen vindt van mensen. Je vraagt je af hoe ze eruit zagen, probeert ze te begrijpen.”

Helemaal vol

Menselijke en dierlijke resten, scherven, sporen van oude waterputten en huizen, er is genoeg te vinden op De Krocht, een onderdeel van de oorspronkelijke monding van het Oer-IJ. “Het ligt echt helemaal vol”, vertelt Cecil Nyst van het Amsterdams archeologisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam. “Maar daardoor gaat het ook vrij langzaam. Het is ook nog eens zo dat hier alles op dezelfde hoogte ligt. Normaal gesproken is dat wat dieper ligt, ouder, maar hier niet. Het is dus vaak moeilijk te achterhalen uit welke periode iets stamt. Zo hebben we een huis aangetroffen met daarin restanten van eeuwen eerder.”
Dit komt doordat in het gebied sinds zo'n 2000 BCE nauwelijks grond is bijgekomen. “Door de bewoners is eeuwenlang meteen bovenop de vorige bebouwing gezet”, aldus projectleider Silke Lange.
Het terrein is bezaaid met gele kaartjes die aangeven waar sporen te vinden zijn. “We lopen achter de graafmachine aan die het gebied blootlegt en plaatsen kaartjes zodra we iets zien”, vertelt Duindam. “Dit hier is een vroegere greppel”, wijst hij op een slingerende grijze strook die afsteekt tegen het beige zand. “Aan de kleur zie je hoe oud hij is. Er hebben er hier meerdere in verschillende periodes gelopen.”
Even verderop, een deel dat nog niet nader is onderzocht, ziet het eruit als een hoop stenen in het zand. “Het ligt hier vol huttenleem. Het is kleiachtig en dat komt hier niet voor. Dat moet hierheen gehaald zijn. Het is verbrand en dat kan van alles betekenen: een huis, een oven. Ik ben echt een peuteraar, ik wil hier dolgraag graven. Heel fanatiek word ik daarvan, ik wil weten wat dit is.”
Volgende week is de laatste week van de opgravingen. Volgend jaar gaan de spades opnieuw twee maanden de grond in. En daar wordt veel van verwacht. “Er is daar al magnetometrisch onderzoek gedaan”, vertelt Nyst. “Daarmee zie je welke structuren onder de oppervlakte liggen. We hebben gezien dat er een sloot ligt en misschien een weggetje.”
 (58).

10. Naar het eind wordt het echt heel erg...

Limmen, net als de rest in de omgeving, heeft, onder de invloed van traditionalisten en folklorologen, de onhebbelijke neiging om volslagen ongegrond terugkijkend steeds ouder en steeds belangrijker te worden. En dat wel des te meer, naarmate daar steeds minder reden voor lijkt te bestaan en het door wat is opgegraven steevast uitdrukkelijk wordt weersproken.

Omdat er bijvoorbeeld ooit ergens gesproken is van 'moederkerken', moet de kerk van Limmen, in duidelijke concurrentie met ‘het Heiloo van Willibrord’, natuurlijk ook een 'moederkerk' zijn geweest. Maar omdat het Willibrord-verhaal voor Limmen niet opgaat, dan liever als vermeende ‘moederkerk’ in naam van het bisdom Utrecht, dat echter pas in 940 voor het eerst iets van zich laat horen :

«De kerk van Limmen was de moederkerk van de latere parochies Akersloot, Dorregeest, Grosthuizen en Uitgeest.» (59).

In 194 bladzijden verslag zijn de traditionalistische en folklorologische oprispingen verder niettemin enigszins onder controle gehouden. Maar dat is ruimschoots gecompenseerd in 25 bladzijden ‘Synthese’, met de gebruikelijke bluf over alles wat vooral niet of juist elders is gevonden, of gevonden had moeten worden, omdat het er geweest moet zijn.

Er is geen bewoning vastgesteld voor de Merovingische periode. Hoe wordt dat weggepraat ?

«De opgraving op de ‘De Krocht’ heeft verspreid over het terrein een kleine groep aardewerk opgeleverd dat te dateren is in de (late) 6e tot vroege 8e eeuw. Door de aanwezigheid als ‘opspit’ in jongere sporen, het vaak verweerde uiterlijk en het ontbreken van bijbehorende nederzettingsporen lijkt de aanwezigheid van dit materiaal eerder te verklaren als ‘ruis’ van bewoning in de directe omgeving. Mogelijk zijn de scherven meegevoerd met bemesting voor op het opgravingsterrein gelegen akkerland. Aanwijzingen voor een nabijgelegen nederzetting zijn gevonden aan de Zuidkerkelaan, op slechts een paar honderd meter ten oosten van ‘De Krocht’.
Een andere belangwekkende vondst uit dit gebied is een gave knikwandpot, die in 1967 werd gevonden bij het omzetten van grond ten behoeve van de bollenteelt. Verdere bevindingen hierover zijn door Cordfunke gepubliceerd, waarbij kan worden opgetekend dat dit potje ten onrechte als Karolingisch werd bestempeld (door het voor Karolingisch Badorf-aardewerk zo karakteristieke blokvormige radstempel). Op basis van typologische kenmerken is het te dateren tussen het einde van de 6e en begin van de 7e eeuw. Belangrijk hierbij is de mededeling van de graafmachinist aan Cordfunke dat er oorspronkelijk sprake was van minstens drie complete potjes. Deze zouden gevonden zijn binnen een cirkel van houten paaltjes, waarvan er minimaal zes op kleine afstand van elkaar waren gezien. Een nader onderzoek leverde nog een ovale palen krans op van 1,10 bij 0,75 m. De resten ervan werden geïnterpreteerd als opslagplaatsen voor voedsel. Door het ontbreken van crematieresten werd een interpretatie van de complete potten als urnen van een grafveld niet waarschijnlijk geacht. Toch kan de aanwezigheid van een grafveld niet op voorhand worden uitgesloten; de aanwezigheid van verbrande botresten kunnen over het hoofd zijn gezien. Daarmee zou Limmen één van de zeldzame plaatsen zijn in het Noord-Hollandse kustgebied waar een Merovingisch grafveld gelegen was.
Of er in deze periode voor Limmen een meer centrale rol was weggelegd is met de huidige stand van onderzoek niet goed te zeggen. Bewoning uit de 6e eeuw is archeologisch in Noord-Holland nog steeds moeilijk aan te wijzen. De basis hiervoor bestaat vaak slechts uit enkele aardewerkfragmenten of een goed dateerbare metaalvondst. Algemeen kan gesteld worden dat enkele centrale plaatsen op strategische locaties binnen het voormalig Oer IJ estuarium bewoond zijn gebleven. Deze plaatsen werden vermoedelijk ook in de nog meer in nevelen gehulde 5e eeuw bewoond of op zijn minst in stand gehouden. In Noord-Holland zien we in de 7e eeuw een duidelijke archeologische toename van het aantal nederzettingen.»
 (60)

Etceterum, etceterorum; het gebruikelijke Vroeg-Middeleeuwse ‘gezwam’ en ‘geleuter’ in het dialect van de plaatselijke Cordfunkiaanse school, dat vooral is gebaseerd op wat een anonieme graafmachinist in 1967 aan prof. dr. ir. Erich Heinz Pieter Cordfunke zou hebben medegedeeld. Want verder is er niets, en zeker geen begraafplaats.

De volgende periode waarvoor geen bewoning is aangetoond is de Vroeg-Karolingische van 725-825, hoe wordt dat goedgepraat ? Vooral met een opbod in breed- en grootsprakige bluf, waarbij er geheel wordt voorbijgegaan aan de bescheiden resultaten van het onderzoek :

«Het enige spoor op ‘De Krocht’ dat met zekerheid aan de (eerste helft van de) 8e eeuw kan worden toegeschreven is het in 1996 al ontdekte inhumatiegraf. Door de ligging parallel aan de latere weggreppels is het waarschijnlijk dat het graf was aangelegd naast een bestaande weg of perceelsgrens.
De vondst van een dergelijke singulaire begraving past in een wijder, met name Noord-Hollands patroon. Grotere grafvelden met enkele tientallen inhumaties en/of crematies zijn vooralsnog niet aangetroffen. Dit geldt niet alleen voor de Merovingische tijd, maar is een fenomeen dat minstens terug reikt tot in de ijzertijd. Wel zijn met enige regelmatig singulaire begravingen aangetroffen, die zich opvallend genoeg vaak bevinden langs greppels of sloten aan de rand van het erf of nederzettingsgebied. Het dichtstbijliggende voorbeeld van zo’n begraving is de 30 tot 40-jarige vrouw die bij een opgraving in 1992 aan de Zuidkerkelaan van Limmen is aangetroffen, op zo'n 80 m ten zuiden van de oude dorpskerk. Het west-oost georiënteerde lichaam was begraven nabij een perceelsgreppel en lag in de grafkuil met opgetrokken knieën. Het graf dateert op basis van een C-14-datering uit dezelfde tijd als het graf op ‘De Krocht’. De bijbehorende bewoning kan niet ver weg hebben gelegen. Het graf op ‘De Krocht’ en het vergelijkbare graf bij de Zuidkerkelaan houden mogelijk ook nog verband met de voornoemde eventuele aanwezigheid van oudere crematies ten zuiden van de kerk uit de voorafgaande Merovingische periode. Over het algemeen is men [?] van mening, dat de singulaire begravingen aan de periferie van erf of nederzettingsareaal in verband staan met een vorm van voorouderverering of het leggen van claims op delen van het landschap door familiegroepen. In de context van de politieke veranderingen in het begin van de 8e eeuw in het westelijk kustgebied, zijn dergelijke claims waarschijnlijk geen overbodige luxe geweest. Deze veranderingen bestonden uit de definitieve opname van het westelijk kustgebied in het Frankische rijk, ondanks de tegenstand van de Friese koning Radbod. Pas na zijn dood in 719 kon Karel Martel, hofmeier van de Frankische koningen maar feitelijk de belangrijkste machthebber, zonder noemenswaardige tegenstand Frisia tot aan het Vlie aan het Frankische rijk toevoegen in één van zijn jaarlijkse militaire veroveringscampagnes. In het kielzog van de machtsovername volgde ook de voortzetting van het missiewerk onder leiding van de Angelsaksische missionaris Willibrord in nog niet bekeerde gebieden zoals Noord-Holland. Hierbij werd hij en later Bonifatius in sterke mate door de Frankische machthebbers gesteund. Het is dan ook niet toevallig dat het begin van zijn Noord-Hollandse missiewerk plaatsvond in Velsen, waar Karel Martel zelf mogelijk een landgoed bezat. Verkeersgeografisch een ideaal startpunt voor de ontplooiing van de missie. De oudste Noord-Hollandse kerken die via Willibrord in handen van zijn klooster te Echternach kwamen lagen in Velsen, Heiloo en Petten. Meestal worden deze ook gezien als de moederkerken van alle andere (en latere) stichtingen. Er waren echter ook andere kerken met andere stichters of filiaties, die net zo oud kunnen zijn als de Echternachtse moederkerken, zoals de kerk van Limmen en Schoorl, die direct geschonken waren aan het bisdom utrecht. De stichtingsdatum van de kerk van Limmen gaat zeker terug tot in de 9e eeuw en misschien is ze al gesticht ten tijde van de eerste ketsteningsactiviteiten in de 8e eeuw (zie hieronder). De kerkstichting is slechts één van de veranderingen die volgden op de inlijving van het westelijk kustgebied bij het Frankische Rijk rond 720. De herschikking van de machts- en bezitsverhoudingen, waarmee de bouw van de eerste kerken en de organisatie van een deel van het grootgrondbezit in domeinen samenhangt, kan de keuze voor de begraving op ‘De Krocht’ in de hand hebben gewerkt. Het graf wekt de indruk een heidens statement te zijn, waarbij de oude mentaliteit en religie onderstreept werden als reactie op de maatschappelijke veranderingen.»
 (61).

Dat alles heeft niets meer te maken met wat gevonden is, er worden enkel ‘hypothesen’ op ‘hypothesen’ opeengestapeld. Dat is ook ‘hypothese-vormend onderzoek’ (62) genoemd, waar natuurlijk niets op tegen is, maar alleen op voorwaarde dat het beperkt blijft tot de vondsten, en niet vermengd wordt met mythologie en folklorologie.

In een voetnoot wordt daar aan toegevoegd :

«Er zijn sinds 2000 in het duingebied bij Haarlem, Heemskerk, Castricum en Egmond veel vindplaatsen ontdekt uit de Merovingische periode, waaronder veel aantoonbaar uit de 7e eeuw. Zesde eeuwse bewoning is ook niet onwaarschijnlijk maar minder gemakkelijk te herkennen. Het gaat meestal om akkersporen.» (63).

Niemand ontkent dat er in de Merovingische periode wel eens iemand kan hebben rondgetrokken of een akkertje had. Maar als er een doorlopende bewoning was, dan was die allang duidelijk geworden terwijl de opgravingen juist het tegendeel laten zien. Daarom lijkt het beter om het etiket ‘Merovingisch’ niet meer te gebruiken voor dergelijke vondsten, want dat ‘suggereert’ een band met een koninkrijk, met een plaatselijke wereldlijke en kerkelijke administratie, waarvan de aanwezigheid telkens wordt weerlegd door wat is opgegraven.

De afwezigheid van ‘Merovingische’ bewoning (525-725) wordt opgevolgd door de afwezigheid van bewoning in de ‘Vroeg-Karolingische’ periode (725-825). Het vrijwel enige dat gevonden is bestaat uit het boven besproken graf. Om daar wat van te maken wordt er geleerd gesproken van een ‘inhumatiegraf’, wat enkel betekent dat iemand onder de zoden is gestoken in plaats van te zijn verbrand, en aan een kist is ook al weinig aandacht besteed, want die was er niet. Ook wordt er geleerd gesproken van een ‘singuliere begraving’, wat enkel betekent dat er niemand anders was begraven :

«Grotere grafvelden met enkele tientallen inhumaties en/of crematies zijn vooralsnog niet aangetroffen» (64).

Vooralsnog !

Er zijn er in de omgeving meerdere voorbeelden van lijken die zonder kist onder de zoden zijn gespit, zogenaamde gelegenheidsgraven. Wordt er een los graf gevonden, dan wordt er niettemin onmiddelijk besloten dat er bewoning was :

«De bijbehorende bewoning kan niet ver weg hebben gelegen.» (65).

Maar als er bewoning was, dan zouden we juist een kerkhof verwachten, en niet uitsluitend ‘singuliere begravingen’. We dienen tot de gevolgtrekking te komen dat een serie van ‘singuliere begravingen’ zonder kerkhof bewoning van enige omvang buitengewoon onwaarschijnlijk maakt. Hoe meer ‘singuliere graven’ er gevonden worden, des te onwaarschijnlijker wordt bewoning. Zolang er geen Vroeg-Middeleeuwse kerkhoven zijn gevonden kan er niet worden besloten tot Vroeg-Middeleeuwse bewoning.

In de ‘Synthese’ wordt nog meer ‘gesuggereerd’ :

«Over het algemeen is men [wie meer in het bijzonder?] van mening, dat de singuliere begravingen aan de periferie van erf of nederzettingsareaal in verband staan met een vorm van voorouderverering of het leggen van claims op delen van het landschap door familiegroepen.» (66).

We kunnen ons ook afvragen of het een erg goed idee is om opa of oma zonder kist op de erfscheiding te begraven om een burenruzie in het dorp te regelen. Bovendien ging het om een graf van een zeer jeugdig persoon (20-24 jaar oud), waaraan alleen de ‘voorouderverering’ van peuters te pas kan zijn gekomen.

En vandaar maken de onderzoekers het alleen maar steeds erger voor zichzelf :

«In de context van de politieke veranderingen in het begin van de 8e eeuw in het westelijk kustgebied, zijn dergelijke claims waarschijnlijk geen overbodige luxe geweest. Deze veranderingen bestonden uit de definitieve opname van het westelijk kustgebied in het Frankische rijk, ondanks de tegenstand van de Friese koning Radbod. Pas na zijn dood in 719 kon Karel Martel, hofmeier van de Frankische koningen maar feitelijk de belangrijkste machthebber, zonder noemenswaardige tegenstand Frisia tot aan het Vlie aan het Frankische rijk toevoegen in één van zijn jaarlijkse militaire veroveringscampagnes.
In het kielzog van de machtsovername volgde ook de voortzetting van het missiewerk onder leiding van de Angelsaksische missionaris Willibrord in nog niet bekeerde gebieden zoals Noord-Holland. Hierbij werd hij en later Bonifatius in sterke mate door de Frankische machthebbers gesteund. Het is dan ook niet toevallig dat het begin van zijn Noord-Hollandse missiewerk plaatsvond in Velsen, waar Karel Martel zelf mogelijk een landgoed bezat. Verkeersgeografisch een ideaal startpunt voor de ontplooiing van de missie. De oudste Noord-Hollandse kerken die via Willibrord in handen van zijn klooster te Echternach kwamen lagen in Velsen, Heiloo en Petten. Meestal worden deze ook gezien als de moederkerken van van alle andere (en latere) stichtingen. Er waren echter ook andere kerken met andere stichters of filiaties, die net zo oud kunnen zijn als de Echternachtse moederkerken, zoals de kerk van Limmen en Schoorl, die direct geschonken waren aan het bisdom Utrecht. De stichtingsdatum van de kerk van Limmen gaat zeker terug tot in de 9e eeuw en misschien is ze al gesticht ten tijde van de eerste ketsteningsactiviteiten in de 8e eeuw (zie hieronder).
De kerkstichting is slechts één van de veranderingen die volgden op de inlijving van het westelijk kustgebied bij het Frankische Rijk rond 720. De herschikking van de machts- en bezitsverhoudingen, waarmee de bouw van de eerste kerken en de organisatie van een deel van het grootgrondbezit in domeinen samenhangt, kan de keuze voor de begraving op ‘De Krocht’ in de hand hebben gewerkt. Het graf wekt de indruk een heidens statement te zijn, waarbij de oude mentaliteit en religie onderstreept werden als reactie op de maatschappelijke veranderingen.»
 (67).

Dat is geen onderzoeksverslag maar praat het weinige gevondene aan de aloude mythes vast. De mysterieuze residentie van de Friese koning Radboud is in ieder geval niet in Limmen gevonden, er ergens anders ook niet, en dat komt meest waarschijnlijk omdat hij 400 kilometer zuidelijker resideerde.

De ‘hypothesen’ van de één worden steevast uitgangspunten voor de ander :

«Door de mogelijke interpretatie [!] van het centraal gelegen erf op ‘De Krocht’ als een domein centrum in de 10e eeuw is het niet onaardig [!] nog eens te kijken naar de voorafgaande Karolingische bewoningsfasen. Zo is gebouw 56, met mogelijk sporen van een buitenwand aan de zuidzijde, wellicht [!] een voorloper van gebouw 2 geweest. Ook de aanwezigheid van meerdere bijgebouwen en mogelijk [!] ook de totale breedte van het erf bieden aanknopingspunten.
De herkomst van de bewoning van de oostzijde van de ‘achterweg’ kan [!] betekenen dat de veronderstelde erfindeling uit de late 9e en 10e eeuw een afspiegeling is van de oudere Karolingische fasen. In dit verband is het interessant dat niet alleen de vondst van de kuil met aanwijzingen voor de activiteiten van een edelsmid, maar ook het 8e eeuwse graf liggen in het verlengde van het ‘middenerf’, waar in de ligging van een domeincentrum gedacht wordt [!]. De aanwezigheid van een edelsmid –  hetzij een plaatselijke, parttime specialist of een rondtrekkende ambachtsman – wordt maar zelden aangetoond. Bekend is dat metaalbewerkers zowel vrij als halfvrij konden zijn, maar dat het veelal onvrij en betrof, die in dienst waren bij een heer. Door hun vaardigheid genoten zij echter wel een hoog aanzien.
Uitgaande van een continuïteit in bezit [!] en later bewoning van het midden erf, is het wellicht [!] dezelfde familie geweest die hier in ieder geval vanaf de Karolingische tijd actief was. Het erf waarop zij woonden speelde dan [!] langere tijd een centrale rol binnen hun bezit. Voor het ontstaan van deze centrale functie zijn meerdere scenario’s te bedenken [!]. In samenhang met de opbouw van domein goederen in de Karolingische tijd kan [!] het om een nieuwe ontwikkeling gaan, waarbij in dit deel van Limmen een hof werd gesticht waar een meier de scepter zwaaide. Een andere mogelijkheid [!] is dat de centrumfunctie al in de voorliggende periode bestond, als woonplaats van een edelman of hereboer. Deze ontwikkeling moet [!] zich echter hebben afgespeeld direct ten oosten van het opgravingsareaal van ‘De Krocht’. Intrigerend blijft natuurlijk de vraag aan welke heer het centrale erf verbonden was. Hebben we te maken met door de Frankische koning in beslag genomen Fries koningsgoed, vergelijkbaar met het verkeersgeografisch gunstig gelegen Velzen? Was het ooit familiebezit van het latere Hollandse gravenhuis? Of behoorde het al vroeg tot het bezit van de bisschop van Utrecht, die tenslotte ook de kerk van Limmen in bezit had?»
 (68).

Kortom, zo wordt er maar wat geraden, en als er geen duidelijk ‘domein’ wordt gevonden, dan moet dat een stukje verderop hebben gelegen, waar nu net níet is gegraven, en dus moeten we afwachten.

Heel de ‘Synthese’ is helemaal geen synthese, maar een poging het belang van het weinige dat er is gevonden zoveel mogelijk op te blazen.

Om van de mythen ware geschiedenissen te maken dient er eerst een Vroeg-Middeleeuws bischoppelijk paleis in Utrecht te worden opgegraven, een Vroeg-Middeleeuwse koninklijk burcht van Friese koningen (waar ?) en een Vroeg-Middeleeuws Egmonds of ander klooster. Zolang dat niet is volbracht bestaat de rest vooral uit ‘gezwam’ en ‘geleuter’.


Noten

1. p. 229.

2. Dit officiële en prijzige verslag (in 2010 tweedehands aangeboden voor €45,–) van de opgravingen (met CD) is digitaal verder nergens beschikbaar en dus voor de meeste mensen onbereikbaar. Vandaar de uitgebreide citaten alhier. [In 2013 kwam toch een digitale versie beschikbaar : diachron.]

3. Het ontbreken van ‘Viking’-sporen wordt weg-geredeneerd : «Overigens is in deze periode binnen de nederzetting niets te merken van enige invloed van de Vikingen, die tussen ca. 840 en 885 de scepter zwaaiden in het westelijk kustgebied. Buiten de kleine kans hiervan iets archeologisch aan te treffen in de vorm van brandlagen of typische sieraden, was hun invloed vooral politiek van aard.» (p. 202). Voordat een dergelijke bewering met enige redelijkheid kan worden gedaan lijkt het dat die ‘scepter’ eerst dient te worden gevonden. In die tijd waren er ook nergens Skandinavische ‘Vikingen’, maar alleen ‘Noormannen’ uit Normandië, wat de totale verwarring duidelijk maakt.

4. Archeobook. De plaatselijke bevolking heeft in 2005 de al te goed gelovigen en de meest vooringenomenen uit de omgeving al wat stof tot nadenken gegeven : Ludiek Limmen.

5. p. 43. Enigszins schril contrast : de archeologische site in Limmen is zelfs (geheel terecht) een «sleutelsite voor de Noord-Hollandse (en in zekere zin de gehele Nederlandse) archeologie gebleken.» (Voorwoord). Want elders lezen we : «Zowel op lokaal als regionaal niveau heeft het onderzoek een opzet geleverd voor de vorming van een hypothese [!] over de bewoning op de standwallen, waartoe de strandwal Limmen-Alkmaar behoort.» (p. 218). Anders gezegd, de rest kan voor bewoning dus maar beter worden afgeschreven, en is eigenlijk al afgeschreven. Wel een reden natuurlijk om dergelijke zeldzame vindplaatsen des te beter te beschermen en ook te onderzoeken, juist om een eind te maken aan de Vroeg-Middeleeuwse mythologie en folklorologie binnen de wetenschap.

6. p. 19.

7. p. 44.

8. p. 12.

9. p. 12. «De Limmer St. Maartenskerk [de patroonheilige van de kerk te Limmen is St. Cornelius !] en het bijbehorende bezit vormden lange tijd een Utrechtse enclave in Kennemerland. De kerk wordt voor het eerst genoemd in de goederenlijst van de Utrechtse St. Maartenskerk : In Limbon ecclesia cum mansis X (‘In Limmen de kerk met 10 hoeven.’). Deze lijst is opgesteld in de periode 885-896, met enkele aanvullingen in de 10e eeuw, door de Utrechtse bisschop, in verband met het terugkrijgen van bezittingen in West-Nederland. Het beheer daarvan had men door de Noormannenheerschappij van het kustgebied voor lange tijd ongemoeid gelaten – de bisschop was rond 859 zelfs gevlucht naar St.-Odiliënberg en later Deventer – tot aan het herstel van de Frankische keizerlijke en grafelijke macht in 885.
Wanneer de kerk van Limmen precies is gesticht, is niet met zekerheid bekend; de voornoemde schenking is waarschijnlijk te dateren vóór 860 en is daarmee één van de oudste kerken van Noord-Holland. Numan gaat uit van een stichting in de tweede helft van de 8e eeuw. De kerk van Limmen was de moederkerk van de latere parochies Akersloot, Dorregeest, Grosthuizen en Uitgeest.»
(p. 204). «Tot aan het einde van de 13e eeuw behoorde de kerk nog tot de Utrechtse invloedssfeer, maar een geschil over aan wie de kerkinkomsten toekwamen in de daaropvolgende eeuw geeft aan dat de invloed afnam» (p. 205). Deze tekst is letterlijk gekopieerd in : Bureauonderzoek naar de archeologische waarde van het plangebied School 5 te Limmen, gemeente Castricum. –Wormer : Stichting Steunpunt Cultureel Erfgoed Noord-Holland, 2006. – p. 11. Die ‘invloed’ (het gaat enkel om eigendomsaanspraken) is er nooit geweest; de Utrechtse bisschop heeft met een vervalste akte geprobeerd bezit te verwerven, en dat is op een mislukking uitgedraaid. De tekst is al even vals als de Egmondse uit 1083, zie  De goederenlijst van 870 uit het Cartularium van Radboud.

10. Die verwachtingen zijn blijkbaar ook aan modes onderhevig : «In 1987 heeft RAAP het perceel ‘De Krocht’ verkend in het kader van de archeologische kartering van het ruilverkavelingsgebied Heiloo-Limmen. Op basis van aangetroffen scherven van kogelpot en roodbakken aardewerk werd uitgegaan van een bewoningsperiode tussen 1100 en 1600.» (p. 22). Iets ouders kwam pas later weer in het verschiet, vandaar de verhoogde waakzaamheid. Het kan ook een reden zijn om de traditionalisten (zwaar gesubsidieerd, en dus onvermijdelijk onder de verdenking staand dat ze naar de mond van hun onwetende en vooringenomen broodheren proberen te praten) hun gang te laten gaan; dat geeft niet, we zien vanzelf wel wat het oplevert.

11. Bijgevolg is het bodemarchief aldus onherstelbaar gecompromiteerd voor later onderzoek (zoals bijvoorbeeld voor “sporen” van de “Slag om Castricum”, wat blijkbaar overkomelijk werd bevonden, niet alleen vanwege de verwachte matige conserveringsgraad in de bovenlagen, maar waarschijnlijk ook heel andere redenen, zoals de koppige wil om vroeg-middeleeuws te vinden, ten koste van al het andere.

12. Het gaat hier vooral om een ‘reclame- en marketing’-uitdrukking om voorheen voor oude rotzooi gehouden dingen wat reputatie te bezorgen.

13. Voorwoord AAC/Projectenbureau. Nogmaals in de het hoofdstuk ‘Archeologische Monumentenzorg’ : Voor de locatie ‘De Krocht’ was na inventariserend onderzoek duidelijk geworden dat de vindplaats behoudenswaardig was, maar in het licht van de agrarische bedrijfsvoering en de daarmee samenhangende aantasting van het bodemarchief niet langdurig beschermd kon worden.» (p. 217).

14. p. 108.

15. Zie : Opgraving Limmen-de Krocht (YouTube).

16. «Vanaf de 12e eeuw kwamen in Nederland bakstenen opnieuw in gebruik. Aanvankelijk voor kastelen kerken en adellijke huizen, in de 13e en 14e eeuw ook voor rijke burgers in de steden. De verstening van het platteland begint pas goed na 1550.» (p. 108-109).

17. Provincie Noord-Holland.

18. p. 44.

19. p. 93.

20. p. 201.

21. p. 45.

22. p. 91.

23. p. 104.

24. p. 29. «Ter relativering moet uitdrukkelijk vermeld worden dat het beeld dat op deze wijze gevormd is van de nederzettingsontwikkeling geen vaststaand feit is; het geeft een schetsmatige ontwikkeling aan. Niet alle boerderijen en waterputten die op eenzelfde fasekaart voorkomen hebben gelijktijdig bestaan.» (p. 47).

25. Omdat het verschijnsel ook elders is gevonden, moeten we eerder denken aan het vertrek van de bevolking : «Op basis van de in 1992 uitgevoerde opgravingen nabij de dorpskerk kan gesteld worden dat ook hier een verschuiving van de perceelrichting heeft plaatsgevonden.» (p. 202). Maar in de ‘Synthese’ wordt uitgegaan van... een ‘herverkaveling’ (p. 208).

26. «De sloot is in de loop der tijd enkele keren in westelijke richting verlegd, totdat in de loop van de Volle-Middeleeuwen de wateroverlast te groot werd.» (p. 196).

27. p. 63

28. p. 66 : Acht woonhuizen zouden ook schuren kunnen zijn, het onderscheid valt moeilijk te maken en is tamelijk scheidsrechterlijk, want, kunnen we hier toevoegen, in schuren werd zonder weinig twijfel ook geslapen door knechten.

29. p. 110.

30. p. 120.

31. p. 121.

32. p. 123.

33. p. 114.

34. p. 150.

35. p. 141.

36. p. 151-162. «Dat in deze periode steur op het menu ontbreekt kan geweten worden aan de claim die op deze vis rustte door de Hollandse graaf» (‘Synthese’, p. 198). Voor de hele periode van bewoning (825-1250) bestaat er niet één enkele grafelijke bepaling die Limmen of ‘Smithan’ betreft; bovendien is er voor die periode geen enkele bepaling over visserijrechten, laat staan dat ‘steur’ ergens wordt genoemd (zie : De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299 / door J[aap].G. Kruisheer. – ’s-Gravenhage, Haarlem : Historische Vereniging Zuid-Holland en de Stichting Contactcentrum voor regionale en plaatselijke geschiedbeoefening in Noord- en Zuid-Holland, 1971. – 1971. – 526 p. – (Hollandse Studiën ; 2-1). – 2 delen). Waarschijnlijker was er helemaal geen steur, een vis die vooral in riviermondingen te vinden was en die momenteel met uitsterven wordt bedreigd. We wachten op iemand die de ‘grafelijke steur’ in verband gaat brengen met kaviaar, en als dat volbracht is dan kan de champagne natuurlijk niet uitblijven.

37. p. 182.

38. p. 186.

39. p. 174, 176-177, 179-180.

40. p. 180.

41. De grootsprakige ‘weg’ was een gewoon zandpad; het ‘weg’ is er van gemaakt omdat er uit latere tijd weggreppeltjes naast zijn gevonden, die dienden om de klompen droog te houden. Van klompen zijn trouwens zelfs geen ‘sporen’ teruggevonden, laat staan van resten van lederen schoenen of enige andere voetbescherming.

42. p. 45.

43. p. 49.

44. p. 49-50.

45. p. 12. Een ‘Smithen’ wordt ook (veel) later één keer genoemd, dan in samenhang met Aldgeringelant, Hildebrandislant, Siwirdingelant en Lantlosamade, zodat het overduidelijk is dat de naam niet in Kennemerland thuishoort. Die naam staat in een vijftiende eeuwse Egmondse bewerking (als bron wordt opgegeven Fontes Egmundenes, p. 62-63, maar dit moet p. 71 zijn : het gaat om een uittreksel uit de tweede Liber Sancti Adalberti); zie ook : Adelbert van Egmond.

46. Zie : 1083, Een Egmondse vervalsing uit de twaalfde eeuw; zie ook : Uit het Egmonds Evangelieboek ((vijftiende eeuws afschrift).

47. Dat de Rijksstraatweg van Limmen op de kaart van Dou uit 1680 ‘Smideswegh’ wordt genoemd (en ‘Smitsweg’ op de kaart uit circa 1720 van Nicolaas Visscher) was voor de mythevorming mooi meegenomen, maar zegt natuurlijk niets voor de achtste of negende eeuw. Zie ook : Bureauonderzoek naar de archeologische waarde van het plangebied School 5 te Limmen, gemeente Castricum. –Wormer : Stichting Steunpunt Cultureel Erfgoed Noord-Holland, 2006. – p. 11.

48. Woordenboek der Nederlandse Taal.

49. ???.

50. Zie : Provincie Noord-Holland en : Provincie Noord-Holland.

51. p. 51.

52. p. 107.

53. p. 12.

54. p. 53.

55. p. 205.

56. p. 206.

57. p. 19.

58. Het Noordhollands Dagblad, 29 mei 2003, Oer-IJ.

59. Cultureel Erfgoed Noord-Holland, verwijzing naar : Noord-Hollandse kerken en kapellen in de Middeleeuwen, ca. 720-1200. Een archeologische, bouwhistorische en historische inventarisatie / A.M. Numan. – Zutphen, 2005, p. 33 en 142 en verdere literatuurverwijzingen aldaar.

60. p. 198-199.

61. p. 199-200.

62. p. 220.

63. p. 199, noot 226.

64. p. 199.

65. p. 200.

66. p. 200. Een bron voor die bewering zou welkom zijn. Wie is “men”?

67. p. 200.

68. p. 206.

Voor de laatste archeologische ontdekkingen, zie : Provincie Noord-Holland.


Start : 29 december 2011 | Laatst bijgewerkt : 29 februari 2012

Limmen, bewoning 725-875

De beperkte bewoning van 725-875
(p. 48)
De stippellijnen geven een veronderstelde ‘weg’ en veronderstelde ‘perceelgrenzen’ weer, waarvan voor die periode geen aanwijzing is
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Limmen, het gevonden ‘Cupeltje’

Gevonden ‘smeltkroes’ en ‘cupeltje’
(p. 108)
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)