VorigePlaatsen in KennemerlandVolgende

Willibrord te Heiloo

Inhoud van deze pagina

  1. Inleiding
  2. De mythe van St. Willibrord (drs. W.A. Fasel, 1991)
    Noten
« Ende om die heilicheit des bisscops die si daeraen bekenden, so loveden si ende benedieden si die almachticheit ons Sceppers. Ende dieselve fonteyne is in enen dorpe hiet Hello bi Alcmaer, ende is gheheten noch huden daghes sunte Willibrords put. »
Johannes de Beka, Chronographia, ca. 1347, p. 15

1. Inleiding

Het onderstaande artikel laat zien dat Albert Delahaye anders dan vaak wordt herhaald niet geheel alleen stond. De Tilburgse en later Alkmaarse archivaris drs. W.A. Fasel viel hem bij met een boek in 1979 en met twee artikelen in achtereenvolgens 1984 en 1991 (1). Het laatste van deze drie, weinig toegankelijk, wordt hieronder geheel weergegeven, zij het zonder de illustraties die voor het betoog van weinig belang zijn.

Het artikel laat zien dat plaatselijk de Willibrord-traditie pas ontstaat honderden jaren na het overlijden van de heilige; dat er archeologisch in het geheel niets is gevonden dat met zekerheid kan worden toegeschreven aan de periode waarin de heilige leefde en dat de documentie over het vroeg-middeleeuwse ‘Hleliglo’ door Heiloo in bruikleen is genomen, in navolging van wat Albert Delahaye daarover te zeggen heeft, van het Noord-Franse Helfaut.

Wat voor Heiloo wordt vastgesteld geldt eveneens voor de andere Hollandse en Brabantse plaatsen met een Willibrord-traditie: geen archeologische bevestiging en geen andere documentatie dan de in de twaalfde eeuw vervalste akten uit Echternach.

De noten van drs. W.A. Fasel zijn met letters aangegeven en staan onmiddellijk onder het artikel.

2. De mythe van St. Willibrord (drs. W.A. Fasel, 1991)

« Het jaar 1990 is van rooms-katholieke zijde uitgeroepen tot St. Willibrord-jaar, hetgeen gepaard gaat met kerkelijke vieringen en historische publicaties. Er zijn protesten geweest tegen deze gang van zaken, o.m. op grond van nader te noemen historische argumenten, doch deze heeft men zonder meer naast zich neergelegd.
Duidelijk is, dat het zonder meer aanvaarden van de St. Willibrord-mythe (alsook van de St. Adelbert-mythe) nogal wat consequenties heeft voor de geschiedenis van onze streek. Immers, als Willibrord en Adelbert omstreeks het jaar 700 in deze contreien actief waren, dan impliceert dit dat er in die tijd ook bewoning was. Hetgeen niet overeenstemt met de archeologische gegevens, aangezien deze teruggaan tot de 10e eeuw. De pogingen van degenen, die de Willibrord- en Adelbert-verhalen voor waar houden en de bewoning tussen c. 700 en c. 900 pogen te bewijzen door middel van een cirkelredenering, alsmede met behulp van wat losse scherven en een paalgat hier en daar, doen derhalve nogal pathetisch aan. Voor wat betreft St. Adelbert moge ik verwijzen naar een eerder artikel in dit blad (a). Ik meen te hebben aangetoond dat de zogenaamde zekerheden met betrekking tot St. Adelbert allerminst zeker zijn. Het merkwaardige feit deed zich voor dat mijn gegevens en argumenten, die alleszins aannemelijk maken dat Adelbert nimmer in Egmond is geweest, nimmer zijn weerlegd. Aan de wijze, waarop men gepoogd heeft mijn artikel als quantité négligeable af te doen, hoop ik nog eens een publicatie te wijden.
Bepalen we ons thans tot St. Willibrord. Ik ken deze heilige al van de lagere school, waar aandacht werd besteed aan zijn “missiereizen”, die hem voerden van Utrecht (zijn bisschopszetel) naar Echternach (zijn abdij), alsook naar Friesland, Groningen, Limburg, Brabant, Vlaanderen, Thüringen, Noord-Holland (Heiloo! Velsen!), Walcheren en Denemarken. Ik moet bekennen dat mij toen reeds de twijfel bekroop, aangezien ik mij niet kon voorstellen dat deze middeleeuwer een missiegebied had, dat groter was dan het territorium dat een moderne missionaris per motorprauw of terreinwagen pleegt te bereizen. Zelfs als de bekering der heidenen zich in ijltempo voltrok en de heilige een ongeëvenaarde vaardigheid aan de dag legde in het omkappen van heilige eiken en het verbrijzelen van afgodsbeelden, dan nog moet hij zich bliksemsgewijs door deze streken hebben bewogen. Tevens vond ik de bisschopszetel en de abdij wel erg ver uit elkaar liggen, maar het was de officiele geschiedopvatting, dus toe maar.
Sedert enige jaren ligt er echter het hoek Holle Boomstammen van collega-archivaris A. Delahaye, waarin deze beweert dat St. Willibord nooit deze streken heeft bezocht, doch arbeidde in Noord-Frankrijk en Vlaanderen (b). Het is niet mijn bedoeling een exposé te geven van zijn bewijsvoering, aangezien de materie te complex is om in een paar regels af te doen. Voor het onderhavige onderzoek lijkt mij voldoende dat Delahaye beweert, dat St. Willibrord zijn bisschopszetel had te Traiectum (Tournehem) en zijn abdij in het enige kilometers verder gelegen Epternacum (Eperlecques). Onder dreiging van de Noormannen is de abdij in 857 verplaats naar Luxemburg (waar de naam werd verduitst tot Echternach) (2), terwijl het bisdom Traiectum in 917 voor het laatst wordt vermeld. Een goede 50 jaar later verschijnt dan het bisdom Utrecht, dat eveneens Traiectum werd genoemd. De Willibrordverering is volgens Delahaye in het bisdom Utrecht eerst in de 12e eeuw ingevoerd, of liever, aangepraat door de abdij van Echternach. Het was ook de abt van Echternach, die in 1301 relieken van St. Willibrord aan Utrecht schonk; relieken, die volgens de deskundigen niet uit de 8e eeuw stammen, maar uit de 12e eeuw, ergo ze zijn vals.
Het waren trouwens niet de enige vervalsingen, welke uit de abdij van Echternach tot ons zijn gekomen. Deze abdij probeerde namelijk de kerken en goederen uit de nalatenschap van St. Willibrord in handen te krijgen, te weten met gebruikmaking van valse oorkonden. Aangezien echter te Echternach het kloosterleven meer dan een eeuw onderbroken is geweest, was de kennis van de juiste ligging der eigendommen verloren gegaan en richtte men het oog op de verkeerde streek. Ergo, de abdij van Echternach zou plaatsen in Nederland, waarvan de naam overeenkomst vertoonden met die in de oude goederenlijsten, brutaalweg hebben opgeëist. Zo ook Heiloo. In de goederenlijst van het oude bisdom Traiectum komt een Hlegilo voor, dat volgens de gangbare opvatting Heiloo zou zijn. Volgens Delahaye evolueerde Hlegilo echter tot Heliglo – Helefelt – Helefaut en tenslotte tot het huidige Helfaut (gelegen ten zuiden van St. Omaars). Dit Hlegilo komt trouwens ook voor in een akte van 855 van het klooster van Werden waarin het vermeld wordt als te liggen “in de Batua”, hetgeen identificatie met Heiloo lijkt uit te sluiten (c). Opvallend is tevens dat noch in de Vita S. Willibrordi, noch onder de goederen van het klooster van St. Willibrord de naam Hlegilo of een variant daarvan wordt aangetroffen. Zelfs al ware Hlegilo het huidige Heiloo, dan nog zou het opmerkelijk zijn dat niet het klooster van St. Willibrord, maar wel het door St. Ludger gestichte klooster van Werethina, (Werden) en het bisdom Traiectum er bezittingen hadden. Volgens Delahaye zijn de goederen van het klooster en van het bisdom van St. Willibrord uit elkaar geraakt, zodat de gegevens omtrent de kloostergoederen in Echternach terecht kwamen, terwijl gegevens betreffende het bisdom Traiectum via Gent in het cartularium van de abdij van Egmond opdoken. Dit cartularium – zo blijkt – is op zeker moment door het bisdom Utrecht gecopieerd, omdat het zelf geen oude gegevens had. De pretentie, dat Utrecht het oude bisdom Traiectum is, zou dan ook eerst later zijn gesteld en tevens zou het verklaren waarom Utrecht en Echternach (overigens met weinig succes) in de 12e eeuw eendrachtig probeerden een 25-tal kerken en kapellen in Holland in handen te krijgen.
De verering van St. Willibrord zou derhalve niet inheems zijn maar geïmporteerd, hetgeen Delahaye baseert op het feit dat in Noord-Nederland niet één vroeg-middeleeuwse kerk St. Willibrord als patroon heeft, dat er vóór de 14e eeuw geen relieken van St. Willibrord aanwezig waren, dat voor de 14e eeuw geen enkele oorkonde gedateerd is naar het feest van St. Willibrord en dat vóór 1300 zijn naam zelfs niet in de kalendaria wordt vermeld. Dit in tegenstelling tot Belgisch- en Frans-Vlaanderen, waar de bewijzen van een vroege Willibrord-verering juist wèl aanwijsbaar zijn. Zo te zien haalt Delahaye dus nogal wat overhoop, ook in deze streek. Want als hij gelijk heeft, dan impliceert dit dat de discrepantie “wel bewoning – geen bodemvondsten” is opgeheven of met andere woorden: Mèt Willibrord kunnen we ook de bewoning tussen c. 250 en c. 900 naar het rijk der fabelen verwijzen.
Duidelijk is, dat de gegevens betreffende Heiloo schaars zijn; even schaars in feite als de gegevens omtrent de verspreiding van de Willibrordverering. Zo is in het archief van de abdij van Egmond (die immers de oorkondenschat van het oude bisdom Traiectum via het moederklooster te Gent in afschrift in huis had) nergens vermeld dat St. Willibrord bisschop van Utrecht is geweest. Wist men te Egmond beter? Melis Stoke (einde 13e eeuw) noemt St. Willibrord wel als bisschop van Utrecht, doch maakt nergens gewag van diens activiteiten te Heiloo. Eerst in de kroniek van de Clerc uten Laghen Landen (1349-1356) kan men lezen dat Willibrord naar Heiloo kwam en daar een bron opende (d). Waarmee Heiloo voor Nederlandse begrippen overigens een zeer vroeg Willibrord-centrum is, want de meeste vaderlandse genade-oorden gaan niet verder terug dan de 16e of 17e eeuw.
Heiloo verschijnt voor het eerst in het licht der historie in de oorkonde van 1063 (e). Het betreft een overeenkomst tussen de bisschop van Utrecht en de abt van Echternach, waarbij zij de inkomsten van een 25-tal kerken in Holland onder elkaar verdelen. Bedoelde kerken waren op dat tijdstip in het bezit van de graaf van Holland, doch Echternach pretendeerde het eigendom te bezitten. Hoe de abdij haar rechten probeerde te bewijzen is niet meer na te gaan. Het zal in alle geval geen gemakkelijke taak zijn geweest, want van de 25 namen worden de meeste noch in de oorkonden van het klooster Epternacum, noch in die van het bisdom Traiectum genoemd. Ik houd het er dan ook met Delahaye op, dat Echternach brutaalweg haar pretenties deponeerde, zoals zij ook elders deed. De tekst van de oorkonde van 1063 waarvan het origineel – zo dit ooit bestaan heeft – is verdwenen en via een 12e eeuws afschrift overgeleverd, wordt algemeen voor echt gehouden.
Delahaye is het hiermee niet eens en geeft een uiteenzetting omtrent de pretenties van Echternach in Holland en de oorkonden dienaangaande (f). Indien deze oorkonde inderdaad een falsum is (en ik neig daartoe; dit in tegenstelling tot wat ik eerder (g) aannam), dan dateert het van voor de hierna te noemen oorkonde van 1156.
In relatie tot de oorkonde van 1063 staan enige lijstjes met namen van kerken, welke werden aangetroffen in een cartularium van de abdij van Echternach. Blok hecht grote waarde aan deze lijstjes en heeft er een uitvoerige beschouwing over geschreven (h), terwijl Delahaye ze smalend “boodschappenlijstjes van Echternach” heeft genoemd. Ik zie het aldus: Het feit dat de namen geschreven zijn op een dubbel vel met reisgebeden, doet vermoeden dat monniken uit Echternach in Holland op onderzoek zijn geweest om hun aanspraken voor te bereiden. Tevens ligt het nogal voor de hand dat ze een lijstje bij zich hadden met namen, welke in oude akten waren aangetroffen. En tenslotte –  aldus doorredenerend – lijkt het niet onaannemelijk dat er overleg is geweest met het bisdom Utrecht. Met als gevolg, dat men bepaalde namen heeft laten vallen en andere toegevoegd, hetgeen dan ook de reden is waarom de lijstjes onderling verschillen vertonen, terwijl er ook verschillen zijn met de (uit de 12e eeuw stammende tekst van de) oorkonde van 1063, waarin de definitieve pretenties zijn vastgelegd. De zaak zou derhalve zijn terug te voeren tot een opzetje tussen Echternach en Utrecht, met het doel de Hollandse graaf een aantal kerken afhandig te maken. In het midden van de 12e eeuw was er namelijk een procedure tussen het bisdom Utrecht en het graafschap Holland over deze kerken gaande, zodat het logisch lijkt dat de oorkonde van 1063 met het oog op deze procedure is vervaardigd. Dit moet dan vóór 1156 zijn gebeurd, want in dat jaar koos Echternach eieren voor haar geld door alle rechten op deze kerken aan de graaf van Holland af te staan, in ruil voor 120 morgen (nieuwgewonnen) land op Schouwen. Een wel zeer onvoordelige ruil, doch vermoedelijk zag Echternach ondanks pauselijke interventie geen kans de graaf van Holland tot afstand te dwingen. Deze op zijn beurt zal blij zijn geweest van het gezeur af te zijn. Utrecht heeft het kennelijk iets langer volgehouden, maar bij het verdrag van 1204 wordt over de kerken niet meer gerept.
De bewijsvoering van Blok, die een aantal inconsequenties desondanks tracht te verklaren, heeft mij niet overtuigd, doch dit zou mij te ver voeren. Ik wil slechts wijzen op het feit, dat latere Egmondse bronnen – overigens zonder een schijn van bewijs – beweren dat de kerken Vlaardingen en Heiloo in de 10e eeuw door de graaf van Holland aan de abdij van Egmond zijn geschonken, terwijl ze volgens de abdij van Echternach door St. Willibrord gesticht waren en aan haar toebehoorden. Volgens Blok, die de Echternachse/Utrechtse pretenties geen moment betwijfelt, zijn de Egmondse gegevens derhalve onjuist. Maar als de pretenties nu eens vals waren? Rijst dan niet het vermoeden dat deze kerken inderdaad uit de 10e eeuw stammen, zodat we de Willibrord-mythe derhalve mogen vergeten?
Dan is er nog de oorkonde van 1108, waarbij graaf Floris II de inwoners van Heiloo bevrijdt van het begrafenisgeld. Deze oorkonde wordt algemeen beschouwd als een falsum van c. 1215 (i). Verder weten wij dat de abdij van Egmond de tienden van Heiloo bezat, maar veel meer middeleeuwse gegevens zijn er niet. Naamkundig is er eveneens onzekerheid. Immers, de gangbare vertaling “Helighelo = Heilig Bos” komt op losse schroeven te staan als we ons losmaken van de associatie St. Willibrord = Germanen = Heilige Eiken = Heilig Bos. De naam kan zeer wel “hellend bos” (haluga lauha) betekenen.
Bezien wij tenslotte de archeologische gegevens. St. Willibrord zou te Heiloo een kerkje hebben gesticht, doch als men probeert te ontdekken wat er nu eigenlijk vaststaat, dan blijkt dit bitter weinig te zijn. Aan de opgraving van het Witte Kerkje te Heiloo hebben zowel Cordfunke als Halbertsma een artikel gewijd (j). Cordfunke begint met de mededeling, dat de geschiedenis van het kerkje teruggaat tot het begin van de 11e eeuw. “Volgens de overlevering is het kerkje echter veel ouder; het zou ten tijde van de eerste christenpredikers, c. 700, zijn gesticht”. We zitten dus meteen al midden in de mythen en verder volgt hij volledig de gangbare geschiedschrijving, zodat we zijn beschouwing inzake Willibrord, Echternach en derzelver gevolgen kunnen laten voor wat ze zijn, aangezien zijn visie staat of valt met de vraag of Willibrord ooit in Heiloo is geweest.
Halbertsma is ten aanzien van de stichting van het kerkje minder pertinent (“Weliswaar is ons het bouwjaar van de tufstenen kerk met toren niet overgeleverd, doch men kan er zich van overtuigd houden dat zij uit de 12e eeuw stamt, zo niet uit de 11e”), doch ook hij blijkt de mythen niet uit de weg te gaan. Zo beweert hij: “Het lag voor de hand de bouwgeschiedenis van de kerk in nog vroeger eeuwen te vervolgen omdat haar stichting immers terugreikt tot in de dagen van St. Willibrord...”. Het spijt me, maar wetenschappelijk bezien is dit een aanpak die niet goed is. M.i. behoort een archeoloog onbevooroordeeld te gaan graven en vervolgens de feiten te laten spreken. Dit is niet gebeurd, want voor Halbertsma reikte de geschiedenis van het Witte Kerkje “immers” terug tot in de dagen van St. Willibrord. Hij is dus gekomen om dit kerkje, waarvan het bestaan al bij voorbaat vaststond, op te graven en ik stel me voor dat hij een gat in de lucht sprong bij elk karolingisch paalgat en elke karolingische scherf.
Hetgeen niet wegneemt, dat ik de argumentatie van Halbertsma niet kan volgen. De kerkstichting, zo betoogt hij, zal wellicht een viertal eeuwen vóór de bouw van de tufstenen kerk hebben plaatsgevonden. En waarom was dit wellicht zo? Er kwamen scharen pelgrims naar de Willibrordus-put en dus zal die put niet ver van de kerk hebben gelegen! “Ergo, de tufstenen kerk kan stellig niet de eerste en oudste kerk ter plaatse zijn, zodat voortgezet onderzoek was geboden”. En passant wordt dus als vaststaand aangenomen, dat er in de 7e/8e eeuw alreeds een put was en dat er toen reeds pelgrimage naar die put plaatsgreep. Aldus bezien ligt het inderdaad voor de hand dat er een kerk en uiteraard ook herbergen, tapperijen, eethuisjes en andere ontspanningslokalen waren om de pelgrims te ontvangen. Overigens laten de onderzoekers ons omtrent de ouderdom van de put volledig in het duister tasten, doch het onderzoek wèrd voortgezet: “Al spoedig kwam vast te staan dat er voor de bouw van de tufstenen kerk inderdaad een andere moet hebben gestaan”. En waardoor kwam dit vast te staan? Onder de noorderzijmuur en ook onder de kerk werden sporen van menselijke begravingen aangetroffen! Over de ouderdom der menselijke resten, alsook der lijkkisten, weet de auteur ons verder niets mee te delen.
Maar Halbertsma vond meer. Onder de graven bevonden zich namelijk paalgaten, “welker aantal (volgens de tekening 4 stuks) evenwel te gering bleef om daaraan enige constructie te verbinden”. Er kan dus ook een huis hebben gestaan, of een schuur. Doch tevens was er een tweede groep gaten (te weten 9 stuks), afkomstig van palen die dwars door de lijkkisten heen in de grond waren geslagen. Deze 9 palen vormden een afgeronde rechthoek, waaruit Halbertsma concludeert dat hij de oostelijke afsluiting heeft gevonden van een houten kerkje “dat zeer wel tot het karolingische tijdvak kan terugreiken”. Dit kan inderdaad, maar toch is er, zo lijkt mij, voor een dergelijke conclusie heel wat moed nodig, aangezien zij op geen enkel feit, doch slechts op twee hypothesen steunt, te weten 1e dat 9 palen afkomstig zijn van een houten kerkje, en 2e dat dit kerkje stamt uit de karolingische tijd.
Als aanvullend bewijs vond Halbertsma zowel in de oudste graven als in de paalgaten scherfmateriaal, waarvan de ouderdom volgens hem overeenstemt met die van de paalgaten. Karolingische scherven derhalve. “Dit aardewerk bestaat uit scherfjes van kogelpotaardewerk en fragmentjes van geelwit gekleurde, hardgebakken dunwandige en met stempelindrukken versierd gebruiksgoed dat men naar het oord van herkomst, het ten zuidoosten van Keulen gelegen pottenbakkersdorp Badorf, Badorfer waar pleegt te noemen”. Ik moge verwijzen naar een gezaghebbend artikel van W.C. Braat over middeleeuws aardewerk (k). De auteur betoogt, dat toen de karolingische cultuur ten gevolge van het verval van het rijk op zijn retour raakte, het frankische Badorf-aardewerk langzaam verdween en een primitiever, handgevormd aardewerk terugkeerde: de kogelpot. Deze leende zich uitstekend voor het koken op open vuur en is dan ook eeuwenlang in gebruik gebleven. Maar ook het Badorf is niet van de ene dag op de andere verdwenen, maar komt voor naast het kogelpotaardewerk, “waarschijnlijk nog wel tot in de tiende eeuw”. Ik heb deze zinsnede gecursiveerd om duidelijk te laten uitkomen, dat de dateringskunde, zoals m.b.t. het Witte Kerkje werd gedemonstreerd, aanvechtbaar is. Immers, juist omdat Badorf- en kogelpotscherven door elkaar werden aangetroffen, ligt het m.i. voor de hand, dat zij eerder uit de door Braat beschreven overgangsperiode zullen stammen dan uit de tijd van Willibrord. Indien er derhalve voor de 11e eeuwse c.q. 12e eeuwse tufstenen kerk een houten kerkje heeft gestaan (hetgeen op grond van 9 paalgaten niet te bewijzen valt, doch hoogstens te vermoeden), dan komt het mij voor dat dit kerkje eerder 10e eeuws dan 7e/8e eeuws zal zijn, zodat van St. Willibrord alleen de mythe overblijft.
 
drs. W.A. Fasel »
 
Noten
 
a. Drs. W.A. Fasel, De mythe van St. Adelbert. Blad Oud Alkmaar, 18e jrg (1984), afl. 1, bl. 13.
b. A. Delahaye, Holle Boomstammen. De historische mythen van Nederland ontleend aan Frans Vlaanderen. 1980. Verkrijgbaar bij de Stichting Albert Delahaye, p/a Vogelschoot 60, 4813 NK Breda.
c. Ibidem bl. 426. De auteur verwijst naar Lacomblet I, blz. 65, en Sloet nr. 45. Zie ook A. Delahaye, De ware kijk op..., dl. I, bl. 257.
d. Werken Hist. Gen. Nieuwe serie nr. 6, nl. 14.
e. OHZ nr. 84.
f. Delahaye, Holle Boomstammen, bl. 282.
g. Drs. W.A. Fasel, Alkmaar in het Drijfzand, bl. 282.
h. Prof.dr. D.P. Blok, De Hollandse en Friese kerken van Echternach. Naamkunde dl. 6 (1974), bl. 167.
i. OHZ nr. 94. Zie ook Meilink, Archief Egmond, reg. nr. 8, en Oppermann, Fontes, bl. 225.
j. Alkmaars Jaarboekje 1966.
k. W.C. Braat, Middeleeuws aardewerk. In : Gedenkboek prof.dr. A.E. van Giffen (1947), bl. 459.

Vervolg : Volgende


Noten

1. Alkmaar in het drijfzand : Opstellen betreffende de geschiedenis van Alkmaar, geschreven naar aanleiding van het boek van prof. dr. ir. E.H.P. Cordfunke, getiteld “Alkmaar in Prehistorie en Middeleeuwen. Tien jaar stadskernonderzoek” / Drs. W.A. Fasel. – Alkmaar, 1979. – 123 p.; De mythe van St. Adelbert / W.A. Fasel. – In: Oud Alkmaar. – Jaargang 8, nr. 2, 1984. – p. 605-617; De mythe van St. Willibrord / Drs. W.A. Fasel. – In : Oud Alkmaar. – Jaargang 1, nr. 2, 1991. – p. 12-21. Van deze auteur tevens : Geschiedenis van Udenhout / W.A. Fasel en P.J.M. Wuisman. – 1975. – 78 p.

2. Deze aanname is later gecorrigeerd; de verplaatsing van het klooster, na een lange periode van verval, vond eerst plaats in 973 onder de lekenabt Siegfried van Luxemburg, de grootvader van Dirk III, zie Willibrord.


Start : 22 november 2003 | Laatst bijgewerkt : 3 februari 2005