VorigePlaatsen in KennemerlandVolgende

De Runxputte te Heiloo

Inhoud van deze pagina

  1. Inleiding
  2. De Donatianus-legende, Osdenne en de Roriksberg
  3. De vroegste historische gegevens
  4. Een memoriaal uit de veertiende eeuw ?
  5. Een Maria-verschijning ? Een schilderij uit 1630
  6. Een plakkaat uit 1647
  7. Een veronderstelling uit 1653
  8. Een Amsterdams dagje uit in 1690 en een prent
  9. Vanwaar komt de naam ‘Runxputte’ ? De eerste vermelding van de naam
  10. De put uit 1713
  11. Het verslag van Jan de Boer, 1754
  12. Het Maria-beeld van de Runxputte
  13. Ottie Thiers, ’t Putje van Heiloo, 2005
  14. Aanvullende bronnen
    Noten

1. Inleiding

«De bedevaart naar Heiloo is in mijn herinnering altijd verbonden met een soort huiselijke wereldvreemdheid die geloof ik typisch rooms is»
Godfried Bomans, Een bedevaart naar Heiloo (1).

In de mythologie vinden we alles dubbelop. Eén putje in Heiloo was duidelijk niet genoeg, vandaar dat er twee zijn : het Willibrordusputje en de Runxputte. En één kapel bij de Runxputte was blijkbaar ook niet genoeg, vandaar dat er twee zijn : de kleine kapel, gebouwd in 1909 en vervangen in 1930, en de grote kapel of Bedevaartskerk die in 1913 werd gebouwd. En ook Willibrord was niet goed genoeg, want er kwam een ware Maria-verschijning bij in de buurt van een put die er al geweest zou zijn in de Noormannen-tijd en waarmee Heiloo tien jaar voor de Eerste Wereldoorlog hoopte uit te groeien tot het Lourdes van Kennemerland. En één Onze Lieve Vrouw was ook niet genoeg; in Heiloo worden er zelfs drie vereerd : OLV Ter Nood, OLV van Fatima en OLV van Medjugorje. Tenslotte was ook één Mariabeeld van OLV Ter Nood niet genoeg, vandaar dat er daar ook twee van zijn. Tamelijk verwarrend voor gewone stervelingen.

De legendevorming rond de Runxputte gaat ook over een een traditioneel dagje uit onder leiding van een pater, om de combinatie putjes plus plaatselijke middenstand – in 1993 werden de kroegen, ’t Putje en het Akertje, gesloten –, en het spanningsveld tussen dweperige devotie en ‘weering van superstitiën’.

Het verhaal van de Runxputte in Oesdom laat goed zien hoe legendevorming tot stand komt. De huidige Runxputte is niet ouder dan 1905. De legende is in 1980, na meer malen in de vergetelheid te zijn geraakt, ‘hersteld’ waarbij deze bovendien flink werd aangevuld met verse elementen. Uitgaande van enkele losse historische gegevens is er, met grote tussenperioden, door de eeuwen heen een verhaal uitgesponnen waarvan het begin naar steeds vroeger tijd werd verplaatst en waarbij het verzinsel van de één tot de zekerheid werd van een ander.

Dat maakt het verschil uit tussen de mythologisch-traditionalistische methode die wordt toegepast in een zoektocht naar een vroom-stichtend verhaal, en de historische methode waarmee wordt geprobeerd te achterhalen wat er daadwerkelijk is gebeurd. Met de eerste methode worden raadselen geschapen. Met de tweede worden ze opgelost, wat minstens zo spannend is. Het verschil tussen de twee ligt minder in de geboden oplossingen dan wel in de hele vraagstelling.

De samensteller van de moderne legende, de pater Montfortaan drs. Joan P.H. Bertrand schrijft heel openhartig :

«Wat mij bij mijn komst te Heiloo in 1960 bijzonder opviel, was dat ik er geen legende aantrof rond Onze Lieve Vrouw ter Nood.»

Als nieuwe uitbater van de Runxputte zag de Limburgse drs. Joan P.H. Bertrand het in 1960 als zijn taak om iets goed te maken voor dit zo schandelijke versagen van de Kennemerse katholieken. Want, zo houdt hij ze belerend voor :

«Een legende is nu eenmaal niet weg te denken bij een middeleeuws Maria-oord. Brabant en Limburg weefden hele kransen van legenden rond de Moeder des Heren.»

Als er geen levende plaatselijke legende is, dan blijft er niets anders over dan uit te gaan op historisch onderzoek om er een in het leven te roepen, waarvoor – wonder boven wonder – het voorbereidende werk precies op dat moment was uitgevoerd en – zelfs gesteund door weinig toegankelijke Vaticaanse bronnen – ook juist op tijd gereed lag :

«Totdat ik in het najaar van 1960 in ‘Archief voor de geschiedenis van de Katholieke kerk in Nederland’, een bijdrage aantrof over ‘De bedevaartplaats Heiloo in de winter van 1713 op 1714’. Daar vond ik wat ik zocht. De legende lag namelijk sinds het voorjaar van 1714 veilig verstopt in de archiefladen van het Vaticaan, totdat een geleerde kloosterzuster, Zr. Marie-José van Dun ze rond 1959 voor de dag haalde met vele andere gegevens betreffende de bedevaartplaats, die later ter sprake komen. Al de gegevens waren opgetekend op last van de nuntius te Brussel door de uit Brussel afkomstige Pater Egidius de Glabbais, missieprefect van de Minderbroeders en pastoor van de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam (1687-1722).
Zo schrijft deze pater o.a. dat de geschreven bronnen over de oorsprong van de kapel zo goed als ontbreken. De twisten tussen de Hollandse steden onderling en vooral de troebelen van de reformatie hadden veel archieven van kerken, kapellen en kloosters verloren doen gaan.
De pastoor van de Mozes en Aäronkerk kon de nuntius slechts melden wat hem mondeling over het ontstaan van de bedevaartplaats was overgeleverd. Op wonderbare wijze zou Maria zelf de plaats hebben aangeduid waar ze vereerd wilde worden. De Glabbais beroept zich op een oud memoriaal dat een kapelaan had nagelaten die voor drie eeuwen de geestelijke verzorging van het Genadeoord behartigde.»
 (2).

De bijdrage van Mère Marie-José van Dun O.S.U. werd uitgegeven in hetzelfde jaar dat drs. Joan P.H. Bertrand werd benoemd tot rector en zielszorger van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Nood in Heiloo, namelijk in oktober 1960. Maar terwijl Mère Marie-José van Dun vanuit katholiek standpunt probeerde de geschiedenis te toetsen, ging het drs. Joan P.H. Bertrand er meer om ‘zijn’ kapel de legende te bezorgen die de duidelijk tekortschietende Kennemerlandse katholieken hem niet hadden kunnen bieden. Toch was er in 1960 geen gunstig tij voor legendarische verhalen. Vandaar dat drs. Joan P.H. Bertrand pas twintig jaar later, in 1980, zijn werkje uitgaf voor het grote publiek. Zo meldt het Meertens-Instituut bij monde van Peter Jan Margry :

«De jaren zestig gaven een ommekeer te zien, met een scherpe daling van het aantal bedevaartgangers. De belangstelling voor Onze Lieve Vrouw ter Nood nam in de jaren tachtig en negentig geleidelijk weer toe, mede dankzij devotionele innovaties.» (3).

Het verhaal van de verschijning van Maria bij de Runxputte is later afgeleid uit een verkeerd begrepen schilderij uit 1630 waarin veel later iemand een Maria-verschijning meende te kunnen onderscheiden, maar waarbij het om een ander schilderij ging. De naam Runxputte verschijnt voor het eerst in 1697 in een boek dat te Wenen werd gedrukt. Hoewel er aanwijsbaar sinds de zeventiende eeuw, meer precies sinds 1631, bedevaarten plaatsvonden naar de dan allang verwoeste Mariakapel te Oesdom duikt het verhaal van een Maria-verschijning pas ná 1697 op en vooral sinds in 1713 twee herbergiers de ontbrekende put er bij groeven. De uiteindelijke mythe kreeg pas gestalte in 1980, wat door Peter Jan Margry – schitterend – als ‘devotionele innovatie’ is omschreven.

2. De Donatianus-legende, Osdenne en de Roriksberg

Traditionalistisch worden de schijnbaar oudste gegevens voorop gesteld in plaats van uit te gaan van de oudste documenten. Laten we de gegevens daarom chronologisch volgen om ze tegelijk in de juiste tijdsvolgorde te plaatsen.

De middeleeuwse Donatius-legende, met Osdenne en een Roriksput, is pas in 1933 door de Heiloose kapelaan W. Nolet, later archivaris van het Bisschoppelijk Museum te Haarlem, toegevoegd, terwijl het alleroudste deel, dat van barbaarse koning Rorik, er pas in 1967 bij kwam, onder verantwoordelijkheid van de archeoloog H. Halbertsma (4). Beginnen we met de laatste.

De tiende eeuwse Vita S. Adalberti is geschreven in St.-Riquier en kwam via Gent in de twaalfde eeuw in Egmond terecht. De gegevens uit dit heiligenleven werden vervolgens op Noord-Kennemerland van toepassing verklaard (5). Heiloo en Oesdom worden er niet in genoemd, evenmin als een kapel aldaar, laat staan een putje of een Maria-verering of -verschijning. Het gaat over Rorik, de koning van de barbaren, en een berg :

«Quo dum forte Roricus Barbarorum rex appulisset, cunctis sibimet obsequentibus indixit, ut ocius ab edificio sacro montem harenosum dimoverent. Quod dum mane sequenti fuisset universis implere placitum, invenerunt prefatum harene montem per sacrissimi Adalberti merita, quantum iactus lapidus emitti potest, longius esse secretum, clarenscente superne bonitatis affluentia, que quantum apud se dilectus suus valeat, etiam vite incredulo manifesta prebuit indicia.» (6).

Vertaald :

«Ook een andere keer gebeurde er iets zeer wonderbaarlijks. Zoals degenen die het strand wel eens hebben gezien of er in de buurt wonen weten, waaien er bij langdurige storm vanuit zee grote massa’s zand aan op de kust. Deze worden door het aanhoudend geweld van de wind tot zulke grote hopen opgestuwd, dat ze de hoogste bergen evenaren.
Op zeker moment nu was een dergelijke zandverplaatsing zich al te dicht tegen de kapel van de heilige aan gaan nestelen en toen daar toevallig de barbarenkoning Rorik aanlegde, beval hij zijn gehele gevolg snel de zandberg van het gewijde gebouw weg te scheppen. Toen allen dit de volgende morgen wilden gaan doen, zagen ze dat genoemde zandberg door de verdiensten van de Heiligste Adalbert verder dan een steenworp van de kapel verwijderd was.»
 (7).

Waar Rorik vandaan kwam en waar hij thuishoort blijkt uit een Mirakelboek uit 1089 :

«Tekst 415
ca. 865. Oostende lag in Frisia.
Er is een streek, bij alle volken der aarde beroemd, en allen bekend onder de naam van Fresia (Vlaanderen). Daar ligt een stad, die door de inwoners Osdenne (Oostende) wordt genoemd, niet ver van de Rorikes-berg (415-1).
Bron: Miracula S. Donatiani Brugensis, MGS, XV, p. 856.
Nota 415-1. De relieken van St. Donatianus, aartsbisschop van Reims in de 4e eeuw, zijn ca. 865 naar Brugge overgebracht. De kerk aldaar ter ere van de heilige werd in 1559 kathedraal van het nieuwe bisdom Brugge. De Rorikes-berg heeft geen naamkundig relict achtergelaten; hij was vermoedelijk naar Rorik de Noorman genoemd, die de streek van Audruicq en Tournehem sinds 834 in bezit had. Misschien duidt de naam de gehele hoek van Cap Gris-Nez en Cap Blanc-Nez aan, die vooral vanuit zee gezien als een berg erbij ligt en die tot het gebied van Rorik behoorde.
De tekst leidt tot een laconieke conclusie: de streek, over de gehele wereld beroemd en bekend als Frisia, wordt bewoond door een volk dat zijn eigen naam niet kent. Toen ik Vlaanderen 10 eeuwen verloren geschiedenis wilde teruggeven, kreeg ik als dank de hoon van op hun tenen getrapte historici en naamkundigen over me heen.»
 (8).

Was er in de Vita S. Adalberti nog geen put, in 1089 duikt deze op. De tekst luidt :

«Claret theologi Iohannis testimonio.... Est igitur pagus ubique gentium conspicuus, noto cunctis vocabulo Fresia dictus. Hic oppidum situm est ab accolis Osdenne [in noot : Dyck inepte hoc esse Ostende censuit. Forsan est Oesdom prope Hijlo (prov. Nordholland), alibi Osdem vocatum, haud procul ab Egmond ; ubi Rorikes-berg forte dunarum collis dictus erat, cum Vita Adalb. Egm. c. 12, supra p. 701 sq., miraculum de monte arenarum in adventu Rorici amoto traditum sit.] cognominatum, monti Rorikes-berg vocabulo pene contiguum. In hoc ergo oppido quaedam mulier Ermengardis dicta ceteris fidelibus mixta illis claruit diebus. Haec mirabiliter Dei permissione caecitate perculsa, sed mirabilius per Sanctum Donatianum Dei est miseratione salvata. Quod rato fidelium testimonio tali contigit prodigio. Quadam ergo die puteum Rorikispit dictum cum ydria adiit.... ‘Quomodo’, ait [in noot : Mulier caeca.], ‘domine mi, Bruggam adibo, quae et viae et loci et ipsius sum nominis ignara?’ Tunc senex [in noot : Donatianus ei appareus], apprehensa ipsius dextra, et elata in altum cambuta publicam ei viam, qua ad memoratum locum perduceretur, magna cum caritate monstravit.... [in kantlijn : 1011 Maii 1.] Igitur anno humanati Verbi millesimo undecimo, videlicet die Kalendarum Maiarum, fratribus sacra missarum sollempnia celebrantibus, ecce mulier......» (9).

De Bollandisten, die het verhaal eveneens te Oostende plaatsen, bewerkten het verhaal als volgt :

«In de landstreek, bekend onder de naam Friesland, ligt een gehucht dat door de inwoners Osdenne wordt genoemd, dichtbij een heuvel, de Rorikesberg. In dit gehucht leefde een vrouw Ermengardis. Op zekere dag ging zij naar de Rorikesput met een kruik om water te halen voor haar gezin. Bij de heuvel gekomen, hoorde zij hemelse muziek. Zij ging zitten en viel in slaap. Bij haar ontwaken ontdekte zij tot haar grote schrik dat zij blind was. Acht jaar later verscheen haar de heilige Donatianus die haar aanried naar Brugge te gaan om daar op zijn voorspraak genezing te bekomen. Deze vrouw had nooit van Brugge gehoord. Hoe zou zij de weg vinden naar deze onbekende stad? Maar de heilige was zo welwillend haar een eindweegs te vergezellen. In Brugge aangekomen, genas zij op 1 mei 1011 van haar blindheid.» (10).

Door de Egmondse, uit St.-Riquier afkomstige bron te verbinden aan een Brugse legende kon van Osdenne Oesdom worden gemaakt en ontstond de Heiloër Rorik-mythe. De twintigste eeuwse zielszorger schrijft daarover :

«Latere uitgevers van de Bollandisten denken bij Osdenne wel eens aan Ostende, maar deze plaats ligt vlakbij Brugge en het is ondenkbaar dat een inwoonster van deze plaats nooit van het toen beroemde Brugge gehoord zou hebben.
In Osdenne herkennen we zonder moeite Oesdom en in de Rorikesput de Runxputte. De Rorikesberg is verdwenen, maar ook de oude kapel was volgens oude beschrijvingen op een heuvel gelegen.
Beide hoogten zijn in de 18e eeuw afgegraven.
Toen W. Nolet, de latere archivaris van het Bisschoppelijk Museum te Haarlem, kapelaan was te Heiloo, werd aldaar nog een verhaal verteld van een wonderbare muziek die ooit gehoord was in het ‘Engelenbosje’, dat op een steenworp van de kapel verwijderd ligt.
Hoe de naam Rorik verbonden raakte met de heuvel en de put is nog steeds een raadsel. Of het ooit opgelost zal worden?»
 (11).

Het is niet ondenkbaarder dat een vrouw uit Ostende nooit van Brugge heeft gehoord dan dat een blinde vrouw in de elfde eeuw van Heiloo, dat nog niet bestond, naar Brugge wandelde. Bovendien was het een overbodige reis als Oesdom al een bedevaartsplaats was (12). Rorik en Heiloo hebben, buiten de legendevorming om, in het geheel niets met elkaar gemeen en het legendarische verband tussen de twee is niet eerder dan in de negentiende eeuw tot stand gebracht.

Daarmee is de vroeg-middeleeuwse kous van de Roriksberg te Heiloo af; het opeisen van deze geschiedenis voor Heiloo in de negentiende eeuw is echter alleen verklaarbaar vanuit een heel andere legende-vorming, die we dan ook verder zullen volgen. Zelfs het Meertens-Instituut is tot de conclusie gekomen :

«De benaming van de put is overigens onverklaard (en niet vernoemd naar de Noorman Rorik)» (13).

3. De vroegste historische gegevens

De eerste vermelding van een Onze-Lieve-Vrouwe-kapel zou uit 1409 zijn; in een rekening van het Utrechtse Domkapittel zou zijn gesproken van een vicaris verbonden aan de kapel. In een document uit 1440 zou de Onze Lieve Vrouwe Caepelle ... in de banne van Heiligeloo zijn vermeld (14). Hoewel Oesdom in 1382 nog een zelfstandige banne zou zijn geweest is het blijkbaar in 1440 al met Heiloo verenigd.

Die kapel zou in 1573 bij het beleg van Alkmaar zijn verwoest en de muurresten zouden volgens latere prenten (we beschikken niet over andere bronnen voor die jaartallen) in 1637, wegens bouwvalligheid, of om de bedevaarten tegen te gaan – of beide – zijn afgebroken. In 1626 verschijnt een gedicht over de kapel te Heiloo in een liedboek (15). Er is dan nog steeds geen sprake van een putje, van bedevaarten of van een Maria-verschijning.

Wat wel waarschijnlijk is, is dat de voormalige kapel een plek van samenkomst werd voor katholieken, een plaatselijk alternatief voor het Willibrordus-putje dat immers pal naast de inmiddels gereformeerde kerk van Heiloo stond.

4. Een memoriaal uit de veertiende eeuw ?

In 1714 beroept de Amsterdamse Franciscaner pater Egidius de Glabbais zich op een oud memoriaal, waarover Mère Marie-José Van Dun in 1960 schrijft :

«In het eerste deel van zijn verslag beroept de auteur zich voor de oorsprong der bedevaartplaats op traditie, welke zou steunen op een oud memoriaal (in het verloop van deze studie komen we daar nog op terug). Wat deze bron betreft: de mondelinge overlevering, hier kunnen we gerust sceptisch tegenover staan, al is het niet uitgesloten dat ze een grond van waarheid bevat. Indien men ooit het geschreven memoriaal op het spoor zou komen, is het echter niet onmogelijk, dat we ons standpunt moeten herzien. Zolang dit niet het geval is, heeft deze bron voor ons weinig waarde.» (16).

Het wonder-verhaal volgt verderop. Daarin is geen sprake van een Maria-verschijning of van een putje, maar het bestaat alleen uit een gemeenplaats over een miraculeus Maria-beeld.

«Het blijft intussen vreemd, dat geen enkele auteur vòòr De Glabbais, deze overlevering schriftelijk heeft vastgelegd. Deze laatste beroept zich op een kapelaan, die voor drie eeuwen aan die kapel verbonden moet zijn geweest en een geschreven memoriaal zou nagelaten hebben, waarin al het bovenstaande opgetekend stond. Dit zou inderdaad kloppen met wat men in geschiedkundige bescheiden van de Dom te Utrecht vermeld vond: dat in het jaar 1409 een vicaris aan deze kapel verbonden was. Het is opvallend, dat geen enkele auteur voor of na De Glabbais van dit memoriaal melding maakt. Het is een heel nieuw gegeven en we menen dat het van belang zou kunnen zijn deze mededeling nader te onderzoeken en zo mogelijk dat memoriaal op het spoor te komen.» (17).

Omdat de getuigenis van de Amsterdamse pater, zoals we verderop zullen zien, vooral berust op van-horen-zeggen, is er geen enkele reden om geloof te hechten aan zijn verhaal van een mysterieus memoriaal waarvan hij niet eens weet te vertellen waar het zich bevond of bevonden zou hebben en waarvan geen enkele eerdere of latere vermelding bekend is.

Het is een veel-gebruikte contra-reformatorische werkwijze in de zeventiende eeuw : de protestanten zouden alles van de katholieken vernietigd hebben en een vrome pater ziet het als zijn taak om heldhaftig een ‘traditie’ te herstellen tegen alle vergetelheid in. Daarbij maakte het eigenlijk niet zo veel uit of een dergelijke ‘traditie’ ooit bestaan had; het ging er om de plaatselijke bevolking weer warm te krijgen voor de oude kerk onder beroep op het verleden en op desnoods ter plekke bedachte gebruiken van de voorouders. Drs. Joan P.H. Bertrand schrijft in precies diezelfde zeventiende eeuwse geest.

5. Een Maria-verschijning ? Een schilderij uit 1630

In 1630 schildert Gerrit de Jongh De Capel van Ons Lieve Vrouwe te Runxputte te Heyloe in Oesdom) (18). Op het schilderij zien we een onbekend, welvarend gezin dat er veel geld voor over moet hebben gehad om geportretteerd te worden onder blijkgeving van vroomheid (19). Dat schilderij is tevens de enige afbeelding van de kapel waarover we beschikken, gemaakt door iemand die de ruïne zelf nog kan hebben gezien. Maria zou daarop, volgens latere bronnen, vaag zichtbaar zijn tussen de muren, maar hoe we er ook naar kijken, het ontbreekt ons aan voldoende verbeeldingskracht om er een Maria uit gewaar te worden.

«De vaaggehouden Maria-afbeelding tussen de muurresten, boven de plaats waar het altaar heeft gestaan, wijst wellicht op een bestaand verschijningsverhaal. Een voorstelling die herhaaldelijk terugkeert in tekeningen en gravures, tot in die van Isabella Hertsens (rond 1700) toe.
Pater Aegidius Meese spreekt in het midden van de 17e eeuw over het gerucht dat tussen de bouwvallen van het heiligdom Maria met het Goddelijk Kind verschenen was.»
 (20).

Er is geen enkele bron die gewag maakt van een Maria-verschijning bij de restanten van de kapel te Oesdom en we moeten dan ook tot de gevolgtrekking komen dat dit schilderij de werkelijke bron is van het verschijningsverhaal. Maar op het schilderij kan geen Maria-verschijning zijn bedoeld omdat de familie met de rug zit naar de plaats waar Maria geacht wordt te zijn verschenen en er ook geen tekenen van vertoont diep in gebed te zijn verzonken. Maria verschijnt eerst veel later op afbeeldingen en een veel later schilderij.

De bedevaartgang bij de kapel wordt voor het eerst vermeld in 1631. In de akten van het Haarlemse kapittel staat voor 8 juli van dat jaar :

«Lecta sunt a Domini Secretario notata quaedam antiquitatis pro districtu Alcmario, pro Q(uirino) Costero, ut veritatem indagaret et significaret nobis, videlicet : de loco S. Sanguinis Domini Alcmariae, item Sanguinis Domini in Berghen, Putei S. Willibrordi in Heylo; et S. Adelberti in Egmondt; B. Virginis de necessitatibus in Heylo. – Item pro D. Wolfo de crucifixio miraculoso, de quo Chronica Holland. Div. 32, c. 45, et martyribus Alcmarianis, Enchusae sepultis.» (21).

De Willibrordus- en Adelbertputjes worden wél genoemd, de Runxputte niet, slechts “B. Virginis de necessitatibus in Heylo”. Maar ook hier vindt weer een traditionalistische omkering van de chronologie plaats wanneer J.A.F. Kronenburg C. SS. R. schrijft :

«In de grootendeels vernielde kapel bleven de pelgrims nog trouw hunne gebeden storten “op ’t groen altaer.” Geen wonder; niet alleen noopte hen daartoe de aloude aantrekkelijkheid van dit beroemde genadeoord, maar ook “de faam, dat tusschen de bouwvallen de H. Moeder Gods verschenen was.” Aldus vermeldt, – en hij is de eerste, die er van schrijft, – de vroeger genoemde Pater Aegidius Meese ; dus een getuige van het midden der 17de eeuw. Hij voegt er bij : “Hieruit ontsproot eerst de verwachting van toekomstige genaden, daarna ook het ondervinden er van.” Een schilderstuk van 1630 veraanschouwelijkte dat gerucht : in den afgebrokkelden boog van den koormuur staat Maria, met het goddelijk Kind op den arm. Latere prentjes met een dergelijke voorstelling, o. a. dat van Isabella Hertsens, bewaarden die overlevering. In 1723 wordt zij wederom geboekt, en nu door een protestant, Gerrit Schoenmaker, die schrijft : “tusschen welke [brokken muurs], ter plaatzen daar voorheen den Altaar gestaan heeft, zig Maria met het Kindeke Jesus op den arm zoude vertoond hebben.” En nog laat in de 18de eeuw werd de afbeelding van den bouwval met eene Maria-beeld, ook als bidprentje voor overledenen, onder het volk verspreid.» (22).

De geest van dit schilderij wordt toch begrepen door dezelfde J.A.F. Kronenburg C. SS. R. :

«En toch bleef de devotie der Katholieken levendig ; wat gaf het hun, dat de muren in puin werden gestort ? Boven dien puinen bleef de Moeder des Heeren voor het oog huns geestes zweven, alvermogend door haar gebed.» (23).

Kortom, het schilderij uit 1630 gaat niet over een Maria-verschijning.

6. Een plakkaat uit 1647

In een eerste plakkaat tegen het ‘Bevert-gaan ende andere superstitiën’ (bedevaarten en ander bijgeloof) van 1587 worden Heiloo of Oesdom niet genoemd en waren blijkbaar van niet veel belang. In 1647 daarentegen wordt Heiloo als eerste genoemd, en is blijkbaar een belangrijk voorwerp van aandacht geworden :

«De Ridderschap, Edelen ende Steden van Hollandt ende West-Vrieslandt, representerende de Staten vanden selven Lande, d o e n  t e  w e t e n: Alsoo van nieuws tot onsere kennisse is gekomen dat verscheyde Persoonen niet tegenstaende voorgaende Interdictie, haer vervorderen, op sommige tijden van den Jare ter Bedevaert te gaen op diversche plaetsen deser Provincie, als tot Heyloo omtrent de overblijfselen van seeckere Capelle, eertijds genaemt Onse Lieve Vrouwe ter Noot, van gelijcken tot Wilsveen, ’s Gravesande, Bergen ende andere ghewesten, en dat in linne kleeren of ander gewaedt, brengende aldaer tot Offerhande met veel supertitieuse ceremoniên, geldt, wassekeersen of andere dingen, maeckende onderlinge groote vergaderingen ende by-een-komsten van veele menschen, het welck naer Godts Woord, noch om verscheyde consideratiên, naer de Policie deser Landen niet en kan werden ghetollereert, maer andere ten exemple dient te werden gestraft: [...]» (24).

Een Maria-verschijning of een put worden echter nog steeds niet genoemd.

7. Een veronderstelling uit 1653

In 1980 verwijst drs. Joan P.H. Bertrand naar een boek uit 1653, zonder een bron op te geven :

«Pater Aegidius Meese spreekt in het midden van de 17e eeuw over het gerucht dat tussen de bouwvallen van het heiligdom Maria met het Goddelijk Kind op de arm verschenen was.» (25).

Het is kennelijk ontleend aan Maria’s Heerlijkheid, alwaar we lezen :

«Een miraculeus beeld schijnt hier niet geweest te zijn ; althans, op eene uitzondering na, spreekt geen enkel oud schrijver er over, [in noot : Zonder grond spreek dan ook F. Muller. (Beredeneerde Beschrijving van Nederlandsche Historieplaten. Amsterdam. 1863-1870. I. no. 1760) van “de ruine der Kapel bij Heilo (met Mariabeeld, waaraan vele mirakelen toegeschreven werden) in een landschap,” enz.] en de ééne, die er van gewaagt, uit zich nog in twijfelachtigen zin : “Welk beeld of schilderij hier weleer geweest is, weten wij niet, omdat de ketterij dat alles heeft weggenomen.” Aldus schreef Pater Aegidius Meese aan zijn medebroeder Pater Gumppenberg omstreeks de tweede helft der 17de eeuw. [Gumppenberg. Atlas Marianus. (S.A. 12. c. 213.)] Hier is dus waarschijnlijk de plaats zelve een oord van uitverkiezing en genade geweest. Wel geeft een zeventiende-eeuwse bedevaartspenning [in noot : In het Biss. Museum te Haarlem] op de ééne zijde een Mariabeeld te zien, staande tussen struiken, maar dat kunnen wij geschouwen als nabootsing van een beeld in de kapel.» (26).

Kortom, in 1653 was er in ieder geval nog steeds geen sprake van een putje. In de bibliografie wordt echter vermeld voor 1653 :

«Gumppenberg. (S.A. 12. c. 213. Volgens schrijven van P. Aegidius Meese. S.I.) Vijandelijkheid der Protestanten. Trouw der Katholieken. Verschijning der H. Maagd. Verzekering dat er bijzondere gunsten verkregen worden.» (27).

Verder :

«In de grootendeels vernielde kapel bleven de pelgrims nog trouw hunne gebeden storten “op ’t groene altaar.” Geen wonder ; niet alleen noopte hen daartoe de aloude aantrekkelijkheid van dit beroemde genadeoord, maar ook “de faam, dat tusschen de bouwvallen de H. Moeder Gods verschenen was.” Aldus vermeldt, – en hij is de eerste die er van schrijft, – de vroeger genoemde Pater Aegidius Meese [in noot : Gumppenberg. O.c. Sectio 9. no. 557. (S.A. 12. c. 213.) Fama est, inter ruinas muri, Deiparam apparuisse.] dus een getuige van het midden der 17de eeuw.» (28).

Een jaartal voor de verschijning wordt niet opgegeven, net zo min als de naam of namen van de persoon of personen aan wie Maria zou zijn verschenen. Het lijkt er meer op dat er hier alleen iets is verondersteld met het schilderij van 1630 als inspiratiebron van het ‘gerucht’.

8. Een Amsterdams dagje uit in 1690 en een prent

De Amsterdamse Mozes- en Aäronkerk van Franciscaner missiepaters werd in 1686 gebouwd en in 1691 in gebruik genomen. Deze schuilkerk was goed verstopt in de Amsterdamse jodenbuurt en verborgen achter een joodse naam (29).

Dat geeft ons meteen een historische oorsprong van de devotie : de periode waarin het katholicisme in Noord-Nederland onderdrukt werd, en voor Kennemerland betekent dat de godsdienst van de overgrote meerderheid van de bevolking. Die gewone bevolking, meest boeren, tuinders, handwerkers en landarbeiders, had van de reformatie net genoeg meegekregen om de priesters te wantrouwen. Maar er speelde evenzeer een sociale kwestie : de burgerlijke bovenlaag was immers gereformeerd en in katholieke processies waren de sociale tegenstellingen zeker niet afwezig. De rooms-katholieke missionarissen in protestants gebied konden die gevoelens benutten. Het was de tijd van de contra-reformatie. Zo schrijft Peter Jan Margry, in opdracht van het Amsterdamse Meertens-Instituut, enigszins aarzelend :

«Misschien mogen de in deze tijd vastgelegde verhalen over Mariaverschijningen bij de kapelruïne worden beschouwd als onderdeel van een contrareformatorische pastorale strategie. Diverse schilderijen en prentjes uit die tijd geven een verschijning weer van Maria met het Jezuskind op de arm. Het is niet onwaarschijnlijk dat de mare rond deze verschijning de verering heeft versterkt of doen herleven.» (30).

Volgens drs. Joan P.H. Bertrand was het ‘rond 1690’ – de periode waarin de Amsterdamse kerk in gebruik werd genomen – dat door Frederik de Wit te Amsterdam (van wie doorgaans wordt opgegeven dat hij in 1698 overleed) een plaat werd uitgegeven waarop de ruïne van de kapel – zonder put – is afgebeeld, en wel zoals deze van 1573 tot 1637 te zien zou zijn geweest. De plaat is overduidelijk een namaaksel van het schilderij van Gerrit de Jongh uit 1630. Op het Hyló-er Ryskaartje uit 1704 – waarop wél heel duidelijk de ‘Willebrods Putte’ te Heiloo en de ‘St. Alberts Put’ te Egmond zijn afgebeeld – is geen ‘Runxputte’ te bekennen. Wanneer die put bestaan zou hebben en, wat we dan zouden moeten aannemen, in 1573 verdwenen is, dan moeten we ons afvragen hoe de naam kon overleven zonder enige schriftelijke vermelding tot aan het einde van de zeventiende eeuw.

In een afzonderlijke inzet is op de herdruk van plaat van rond 1690 getekend hoe de kapel er vóór 1573 zou hebben uitgezien (wat toen niemand meer kon weten), en daar is wél een ‘Runcx Put’ afgebeeld, zowel voor de kapel als op de plattegrond. In een ongedateerd gedicht van Schellius (31) onder de plaat wordt de ‘rvncx-putte’ eveneens genoemd :

«Afbeeldinge vande Capelle van ons Lie-vravw te rvncx-putte[n] anders genaemt ter noot to heylo in Oesdvm.
Hier siet ghy t’muer-werck van ons Lie-vrouw t’Oesdom,
By Runx put daer de gront wert overstulpt met puyn.
Om de miraculen en singuliere gauuen
Van ’s Hemels Kooningin, Godts moeder, te begraven :
Maer d’yver van het volck groeyt seuenmael soo groot
Daer men gevoelt de hulp van dees Lie-vrouw ter noodt»

De plaat zoals afgebeeld is in ieder geval níet uit 1690; drs. Joan P.H. Bertrand vermeldt namelijk dat de kopergravure later is herdrukt, waarbij de naam De Wit uit de plaat is geslepen – wat pas na het overlijden van de drukker in 1698 kan zijn gebeurd, zelfs jaren later, bijvoorbeeld in 1713 – en hij zegt dat de afbeelde prent de laatst uitgegevene is (32). Drs. Joan P.H. Bertrand vermeldt niet hoe hij weet dat de naam van de drukker uit de plaat is geslepen en evenmin waar een oorspronkelijke druk te vinden is.

Wat hier plaatsvond laat zich licht raden. De Amsterdamse fransiscanen ging het er kennelijk om kerkvolk op te trommelen voor hun nieuwe kerk midden in de Amsterdamse jodenbuurt door het organiseren van een dagje uit richting Heiloo, waarbij in het voorbijgaan het gezag werd uitgedaagd. En de dankbare Amsterdamse lompenproletariërs deden hun best zich fanatieke roomsen te betonen door zich in de Heiloër kroegen – zeer tot ongenoegen van de overige bedevaartgangers en tot grote ergenis van de plaatselijke notabelen – krijgshaftige paapse taal uit te slaan. Dat alles maakte deel uit van de ‘contrareformatorische pastorale strategie’. De voorbeelden volgen.

9. Vanwaar komt de naam ‘Runxputte’ ? De eerste vermelding van de naam

Over de naam Runxputte vinden we in De (mogelijke) betekenis van alle Noordhollandse plaatsnamen uit 1988 :

«RUNXPUTTE (Heiloo)
Oude vormen: Runkputte; Rinxputte; Runksputte.
In een bron uit de 2e helft van de 11e eeuw wordt de plaatsnaam Osdenne genoemd in de buurt waarvan een ‘Rorikes-berg’ en een waterput genoemd ‘Rorikispit’ lagen. Blok merkt hierbij op, dat de ligging van dit alles onzeker is, dat Osdenne zowel op Oesdom als op Huisduinen betrekking zou kunnen hebben en dat de hier bedoelde Runxput volgens overlevering pas in 1713 zou zijn ontstaan. Zie > Med. 16, blz. 38 en 39. Karsten volgt de mening van de historicus Ten Haeff die de naam Runxputte in verband brengt met de Noormannenkoning Rorik. Oostendorp merkt – zonder bronvermelding! – op, dat er reeds in 1012 een ‘runxput’ zou zijn geweest vermeld als de ‘Roriksputte te Osdenne’ en dat deze put zijn naam dankt aan een Deense prins, een achtergebleven Noorman. Bovenstaande interpretaties zijn niet meer dan gissingen die uiteraard geen enkele bewijskracht hebben.»
 (33).

De schrijver mag niet teveel klagen over ontbrekende bronnen omdat hij zelf ook heel karig is in het verstrekken ervan. Pater De Glabbais – over wie verderop meer –, die nog niet van het bestaan van Osdenne of Rorik op de hoogte was, beweerde in 1714 :

«Het staat absoluut vast, dat voor de omwenteling in Holland en de overgang naar de niet-katholieken, op het stuk grond voor de kapel een put was, hetgeen blijkt zowel uit oude geschilderde als gedrukte kaarten en afbeeldingen. [...] Maar in de loop van de tijd en vanwege de godsdienstomwenteling, kwam de put in verval, raakte verstopt, zodat er geen spoor restte waar hij precies gelegen had en alleen nog een stuk grond of plein overbleef ongeveer ter grootte van een Hollandse bunder» (34).

De Amsterdamse pater is niet al te geloofwaardig omdat hij geen enkele oude kaart of afbeelding weet te noemen waarop de put te zien is. Er bestaan andere verklaringen van de naam, waaronder één van dezelfde pater Glabbais :

«Het duurt dan waarschijnlijk tot het eind der 17e eeuw voor men de naam van de put in geschriften weer terugvindt. Paulus Estoras vlocht nl. in zijn Litaniae ad B.V.M. de aanroeping in: ‘Sancta Maria Runxputensis’. Nergens geeft Kronenburg een verklaring van de naam ‘Runxput’, die men ook wel anders gespeld aantreft: ‘Runcx-put’ of ‘Runksput’. Dat men naar de betekenis ervan gezocht heeft, menen we te mogen afleiden uit de opmerking, die Kronenburg maakt naar aanleiding van een werk van Van Eden Album der Natuur, waarin deze auteur de naam ‘Runxputte’ in verband wil brengen met het Angelsaksische 'rûn', raadpleging der geheimzinnige machten. Voor het eerst treffen we echter in ons document de spelling ‘Runsput’ aan en pater De Glabbais voegt er onmiddellijk aan toe: ‘d.i. Put van koeien en runderen, een naam die naar men meende zijn oorsprong vond in het feit, dat bij gelegenheid van een grote sterfte onder de koeien en runderen, die put te voorschijn was gekomen en dat door gebruik van het water het vee genezen werd of voor ziekte gevrijwaard bleef.’» (35).

De fantasie-verklaring van Frederik Willem van Eeden kunnen we wel naast ons neerleggen hoewel hij al snel werd overgeschreven :

«In dien naam Runksputte ligt eene herinnering aan het Angelsaksisch run, “raadpleging der geheimzinnige magten.” Naar alle waarschijnlijkheid is door de geestelijke kronijkschrijvers het mirakel van Willebrord uitgevonden om de herinnering aan de voorvaderlijke runen uit te dooven.» (36).

De andere – runder-put / runsput – is heel aardig gevonden.

De eerste maal dat de naam aan het papier is toevertrouwd is in een boek dat in 1697 te Wenen verscheen en dat was geschreven door vorst Paul Esterhazy von Galantha. J.A.F. Kronenburg beroept zich er in 1909 op dat er de woorden “S. Maria Runxputensis” en “Hayloae” in voorkomen, een bewijs dat de naam bestond voorafgaand aan het graven van een putje in 1713. Er staat, in een lijst van Maria-oorden :

«Sancta Maria Runxputensis, Hayloae. Ora pro nobis.» (37).

Het Sancta Maria staat in de linkermarge verticaal gedrukt voor de hele lijst, en het Ora pro nobis eveneens verticaal in de rechtermarge. Het is een simpele lijst zonder verantwoording of bronopgave.

Wanneer dit inderdaad de eerste vermelding is, dan dienen we ons af te vragen wat de bron was die voor het boek werd gebruikt. De oudste prent waarop de naam Runxputte voorkomt en waarop de put ook is afgebeeld zou van ‘rond 1690’ zijn, maar is van ná 1697. Het slechte namaaksel van de prent zou in 1701 zijn verschenen, wat onwaarschijnlijk is omdat de put op het Hyloer Ryskaartje van 1704 nog ontbreekt. Tenzij er nog andere bronnen tevoorschijn komen – wat onwaarschijnlijk is – lijkt het er veel op dat de Amsterdamse pater De Glabbais via Brussel de Runxputte liet opnemen in een internationale overzichtslijst van Mariaoorden, vervolgens zelf een prent liet maken en bedevaarten begon te organiseren – en de put kwam er vervolgens vanzelf.

10. De put uit 1713

In 1713 wordt het verhaal verspreidt dat er een bron was gaan vloeien met heilig water dat – precies zoals pater De Glabbais het wilde in zijn naamsverklaring – een geneesmiddel zou zijn tegen de zo gevreesde runderpest. Daarna werd het ook geadverteerd als geneeskrachtig tegen mensenziekten.

De legendevorming die aan het eind van de zeventiende eeuw op gang was gekomen werd door twee kasteleins, ter leringe en ten gunste van hun neringe, verder leven ingeblazen. In 1713 bericht een krant :

«De ontdekte Guygghelaers, of Pertinent Verhael, wegens het gevangen nemen van twee Waerden zynde de Praktizeerders en graevers vande Mirakuleuse Put, aen Capelle, tusschen Limmen en Heylloo.
Deze twee Waerden, woonende beyde aan Capelle, met malkander overleyd hebbende of er niet iets bedagt konde worden tot verbetering van haer neering, alzo het een bedroefde slegte tyd voor haer was, terwyl de meeste Boeren en Boerinnen die daer quamen om Bedevaert te doen aan het H Kruypbergje, weynig daar verteerden, uyt oorsaek van hare droefheyd over het afsterven van haere Baesten; soo hebben zy dan te samen opgestemt om by nagt heymelijk een Put te delven, gelyk dan geschieden, en is op deser manier toegegaen.
Aende eene kant van de Waards huys ter zyde het Cruypbergje, staet een groote Pomp, die seer veel en soet Water opgeeft; soo hebben deze twee Mirakuleuse Put-delvers aen de andere kant, schuyns agter het huys, komende op de hoek van het voornoemde Kruypbergje, in der nagt een Put gaen delven, waer door het water uyt de voorschreve Pomp in deeze nieuw gemaekte Put komt trekken, en om dat te grooter wonder ferschynen was het juyst tusschen den 7 en agtste December, op welken agsten dag het een heylige dag is van St. Maria ontfangenis: so hebben zy dan met eenen een groot gerugt verspreyd als of St. Maria het gebed van eenige devote Menschen had verhoord, dewelke dier avond en morgen daer hare devotie hade gepleegt; en dese Put als een Wel of springbron uyt de grond doen komen, en aen het water sodanigen kragt verleent dat al de geene die eenige zieken koe-Beesten hebben en zy desche van dit water te drinken geven, weder tot gesondheyd hersteld worden, zeggende dit wonder Mirakel aen haer eyge Beesten bevonden te hebben.
Dit gerugt bleef niet alleen daer ontrent, maar verspreyde zig haest door gantsch Holland, en terwyl der nog veel Landluyden sijn die haer beesten ziek worden en komen te sterven, soo vond dit gerugt by de ligt gelovige veel ingang, waer door alle dagen een groote meenigte van Menschen daer na toe ging, so met Wagens en Paerden, als ook te voet, om dese Mirakuleuse Put te zien, als ook om van het gesondmakende Water meede te nemen en het selve haer zieke Beesten te geven om te drinken op dat se door de kragt van het Water gesond soude worden. Door de toevloed van alle deze Menschen soo hadden dese Herrebergiers aen Capelle groot neering bydag, het welke heel wel na haer zin was.
Maer al eenige Boeren bevonden hebben dat haer zieke Beesten evenwel quamen te sterven en na datze van dit water gedronken hadden, so is het Geloof aen dit Mirakel een weinig gestuyt : maer dese Huygelery is meest ontdekt door een Mans persoon dewelke van Alkmaer na Haerlem ging, en vroeg in de morgenstond vesby Capelle passeerden, en dat toen deze Waerden doende waren om deze Put te delven, waer in het voorby gaen is van het Sant uyt die Put tegen zyn beenen gesmeten, doghy niet denkende dat dit een Put der Mirakelen zyn sou. Maer als dese Persoon van dese Mirakuleuse Put hoorden, so heeft hy verhaald dat hy op die selve tyd de Put heeft zien graven.
Waer op het Gerecht van Haerlem na Capelle is gegaen, en hebben deese twee Waerden op den 18 derselver maend Desember geaprendeert en gevankelyk na Haerlem gebragt, om de waerheyd van haere Mirakuleuse Put te onderzoeken, het welk wel slegt met haer konde afloopen.»
 (38).

Een andere krant uit 1713 bevestigt het bericht :

«Bij gelegenheit dat wij hier van de onmatige sterfte onder het rundvee hebben moeten spreken, zoo moogen wy niet voorbij te verhalen het Paeps verzonnen mirakel, ’t welk tusschen 8 en 9 December zynde, zo zegt men, de nagt der ontfanckenisse van de H. Maagt Maria, zoude geschied zyn. Namentlijk, dat ter middernagt, op zekere bij hen zo genoemde Heilige Grond, tusschen Heylo en Limmen, twee bekende dorpen, gelegen nabij Alkmaar, ter plaatse waar over vele jaren een oude vervallen kapel stond, berugt door verscheidene mirakelen, en onder deze, als de voornaamste, de verschijning van de Moeder Gods tusschen de muurbrokken, – zeer onverwagt een fontein was ontsprongen, verzelt van eenig ongewoon geraas, gelykende, zoo als sommige slegte menschen begrepen, naar ’t geluit van hemelstemmen, om aanwijzing van deze nieuwe springbron te doen. Bij de voormelde grond staan alleen drie of vier huizen, welke dienen tot herbergen, meerendeels voor devotarissen, die hier van alle kanten komen om te bidden. De bewoners dezer huizen, des nagts in ’t donker die nieuwe waterfontein, springend met verscheide stralen hoog uit de aarde, gevonden hebbende, verbreidden zulks als een mirakel, met bijvoeging, dat dit water Heilig en een zeer voortreffelijk geneesmiddel tegen de thans besmettelijke ziekten der koeijen was; ja een der waarden hield dat zoodanig met styve kaken staande, dat zyne vertellingen bij de eenvoudige Roomsgezinden gelooft en overal verspreidt wierden: invoege de boeren van wijd en zijds met kannen en vaatjes zich derwaarts begaven, om dat Heilig water tot herstellinge voor hare zieke runderbeesten te gaan halen. Ongemeen groot was de toevloey dezer onnozele menschen in de eerste dagen; dog het slegt effect van dat water deed dien loop welhaast stremmen, en aan luiden van een geoefend verstand, alschoon roomschgezind, klaarlyk bemerken, dat men dit voorgewend mirakel alleen voor een looze streek van de voormelde waard en zyn wyf, om hare slappe neering te verbeteren, moest aanzien. Dit laten wy voor reekening der bygeloovige Papisten, en ’t gene nu volgt aan het oordeel van regtzinnige geleerde medicyns.» (39).

Het legendarische verhaal van de Amsterdamse pater, waarin namen en jaartallen ontbreken, luidt dan :

«Een Hollandse koopman in goede doen ondernam eens een zeereis. Toen hij in een storm terechtkwam en schipbreuk dreigde te lijden, deed hij een gelofte om ter ere van Maria een kapel te bouwen als hij behouden in zijn vaderland mocht terugkeren. Hij overleefde de storm, maar toen hij gezond en wel in zijn woonplaats terugkwam, wist hij niet goed waar hij de kapel zou laten bouwen. Hij vroeg daarom de hemel om een teken. Spoedig daarop vond een jongeman op een stuk akkerland in Oesdom een uit hout gesneden Mariabeeld. De jongen nam dit beeld mee naar huis, waar zijn moeder het in een kist opborg. De volgende dag evenwel vond hij het beeldje wederom op dezelfde plek op de akker terug ... Het gerucht van dit wonderlijk gebeuren kwam de koopman ter ore. Dit was voor hem het gevraagde teken en op de akker waar het beeld gevonden was, liet hij, aldus het verhaal, de kapel bouwen.» (40).

De twintigste eeuwse pastoor J.P.H. Bertrand, voegt daaraan toe dat er nog dertien andere Nederlandse Maria-oorden bestaan die allemaal het vinden van een beeld als oorsprong van de devotie hebben. Het ‘terugvinden’ van beelden maakte blijkbaar deel uit van de ‘contrareformatorische pastorale strategie’, waaraan ook drs. J.P.H. Bertrand zichzelf eeuwen later zou bezondigen.

Want zelf kan hij het in 1980, naar het voorbeeld van de achttiende eeuwse Heiloër kasteleins, niet nalaten uit eigen beweging nog flink voort te bouwen aan de legendevorming door van de vinder een koeienhouder te maken die hij Nelis noemt en die hij kievietseieren laat zoeken, terwijl de Hollandse koopman plotsklaps uit Alkmaar blijkt te komen en van hem de naam Johannes Mors meekrijgt. Hij heeft vervolgens zelf ook een houten, natuurlijk door mysterieën omgeven Maria-beeld gevonden dat volgens hem mogelijk uit de periode van rond 1500 zou zijn, en er is een nieuw lied gemaakt om de oude traditie te ‘herstellen’.

Na 1713 beginnen de wildste verhalen de ronde te doen. Zo klagen twee dominees bij de Staten van Holland en West-Friesland over de krijgshaftige, en zelfs bloeddorstige paapse taal die, naar alle waarschijnlijkheid vooral in de Heiloër kroegen en omgeving, wordt uitgeslagen :

«Men trekt rond in processie met meer dan vijfhonderd kaarsen in de hand. Schouten met honderden politiemannen moeten machteloos toekijken bij deze overmacht van het pausdom. Ze worden zelfs bedreigd: ‘Wij breken jullie armen en benen als je durft toeslaan!’ Verzonnen mirakelen die met het bronwater zouden gebeurd zijn, worden grif rondverteld. De enkele gereformeerden die in de buurt van de kapel wonen, hebben de schrik van hun leven te pakken, want het gerucht doet de ronde dat het bronwater pas totale geneeskracht geeft als het vermengd wordt met ‘geuzenbloed’. Een engel is deze boodschap komen brengen. Hij bevestigde een brief waarin dit bijzonder recept vervat was, met een gouden ketting aan een bonenstaak.» (41).

De ‘put’ werd in 1713 gedempt en het werd de herbergiers verboden onderdak te verlenen aan bedevaartgangers. Met een uitspraak van J.A.F. Kronenburg C. SS. R. kunnen we de zaak besluiten :

«En wat nu het feit zelf betreft, dat al die vervolging heeft uitgelokt, het ontspringen der bron, ’t is onmogelijk na te gaan, of het enkel bedrog is geweest van een der herbergiers, of het het aan bovennatuurlijke oorzaken is toe te schrijven.»

Wat hij niet vermeld is dat er een getuige was die had gezien hoe twee waarden de put groeven, maar desalniettemin had hij blijkbaar ook zijn twijfels. Maar daar gaat het hem helemaal niet om, veel belangrijker is dat er geloof aan het verhaal van de mirakuleuse put werd gehecht, want hij vervolgt :

«We durven aannemen, dat er onder de Katholieken verscheidenen zijn geweest, die het voor een wonder hebben aangezien ; vanwaar anders die buitengewone toeloop naar deze genadeplek ? “Men zag ze bij troppen van tien, ja dertig te gelijk door Amsteldam en van bijna alle oorden daar na toe gaan”, schrijft Gerrit Schoemaker ; en wat hij verhaalt, stelt een oud plaatje voor ; men ziet er den put met al den toeloop, dien deze kreeg. “Van alle kanten komt men met kannen en vaten, in zoo groot aantal dat ze zelfs op wagens geladen worden, het water halen, dat uit de rijkelijk vloeiende bron wordt geput.”» (42).

Dat neemt niet weg dat hij zich bijna woordelijk aansloot bij het eerdere oordeel van H.J. Allard uit 1889 en dat luidde :

«Het spreekt vanzelf dat ik hier, bij gebrek aan de noodige gegevens, niet beslis of er werkelijk bovennatuurlijke wonderen ten gunste der Kennemer pelgrims hebben plaats gehad.» (43).

Deze conclusie was ietwat aanmatigend, want kerkrechterlijk had H.J. Allard natuurlijk niet veel in de melk te brokkelen met betrekking tot ‘bovennatuurlijke wonderen’, een uitdrukking die hij kennelijk gebruikt om een theologisch onderscheid te maken met ‘natuurlijke wonderen’ en ‘bovennatuurlijke verklaarbaarheden’, wat te denken geeft over de aard van zijn geloof.

11. Het verslag van Jan de Boer, 1754

De processies blijven doorgaan en in 1754 komt het zelfs tot ernstige ongeregeldheden. Verslag daarvan is gedaan door Jan de Boer, boekhouder te Amsterdam :

«Voorleeden Woensdag na de middag, waeren daar eenige Haerlemmers, die met kruys, vaan, enz. een publique omgang of processie deeden; op welke omgang den Heer Bailluw van Kennemerland gevallig (zo men zegt) aankwam met eenige van zijne gerechts dienaers. Den Bailluw (volgens de placate te werk gaande) verbrijzelde het kruys, veroverde de vaan en versloeg (door een hagel-buy van stokslagen) de processie-doeners op de vlugt, zoo dat z’er alle nog zonder gevangen-neeming met een gebeukte rug en agterlaating van hunne processie-meubeltjes afkwamen.
Heeden namiddag kwamen daar veele doldriftige Amsterdammers, bestaande in een grootehoop Roomsch-gezinde dommekrachten, waar van de voornaamste waaren eenen Willem Schouten, zijnde een kladschilder en glazenmakers-baas, en een distelateur Willem Lijffels genaemt. Ik, om een plaisir-reisje over Alkmaar en de Beemster willende, kwam daar ’s namiddags ten 4 uuren met de Limmen-schuyd van Amsterdam aan, en zag daar veele van mijne bekenden, alwaar ik mij op deezen tijt niet meê wilden bemoeijen, of meer met hen spreeken, dan “Goeden Dag” bij d’aankomst. Ik zag uyt mijne herberg, hoe dat ze telkens bij troepjes op den weg vergaderden, en dan was daar den een of d’ander dommekragt, die het woord deê, dog den gemelden Schouten was daar als doen niet, alzo hij met eenige-andere op een boerewagen uyt rijden was. Onder alle deeze vergaderingen ging ik van tijt tot tijt eens luisteren wat of ze zeiden, en hoorden die dolle-verstanden aldus babbelen : “Wij moeten absolutelijk met de processie gaan, want als wij ’t niet deeden, zouden ze denken, dat wij bang voor hen waaren, en ook heeft de Bailluw van Haarlem wel over zijne Haarlemmers te gebieden, maar over ons Amsterdammers niet, en als hij hier durft komen met zijne dienders, zullen wij ze kort en kleine kappen, enz.
Onder alle dat uytzinnig raaskallen, bragt Willem Lyffels 2 steenen beelden (ieder, zo als ik ze aanzag, ter lengte van anderhalf voet), op de kapel, en stelden dezelven in ’t openbaar ten toon ; het eene was de beeltenisse van St. Jan en het andere van d’Onbevleckte Maegt Maria. Onder al dit marren kwaamen er 2 geselschappen aan mijne herberg rijden, dewelke aldaar aftraden om te ververschen en moogelijk wel, om deezen stoudtmoedige daaden eens te zien. Nu dagt ik, dat ze eenige vree ze voor deeze luyden zouden gekreegen hebben, dewijl er onder die 2 geselschappen 6 Protestantsche Heeren waren, als Joan Muysken, Christoffers, Lammerts enz., maar ze kreunden hen dit niet en kwaamen met hunne zogenaemde processie van ’t pannenhuys aan en dat nog bij ’t helder schijnend daglicht, zijnde circa 7 uuren. Een kruysdrager droeg voor den hoop volgers een groot crucifix, met blaauwe zijde sluijers omhangen, waarvan 2 jonge meisjes aan weêrkanten de slippen droegen. Als zij nu omtrent de kapel gekoomen waaren, quam gemelde Schouten (van de kant van Alkmaar) aanrijden, al zingende (of liever schreeuwende) “Weest gegroet, weegt gegroet, Maria”. Terstond sprong den kladverwer van zijne boere-wagen en vervoegden hem als voorzanger aan het hooft van de zogenaemde processie. Maar veele van de fatzoenelijkste, en de kundigste Amsterdammers bleeven met mij en mijn gantsche geselschap in en voor de herbergen stille staan en zagen deeze stoutmoedigheid (of liever hooge ovrigheids terging) met wreevelige oogen aan. Het geselschap van Muysken enz. was tot nu toe gebleeven en ree hen agter na, en verder naar de buytenplaats van den Heer Cramer, die met een daame in dat geselschap was. Het andere geselschap waar onder 2 Roomschgezinden waaren, (als Dirk Boon, enz.) was al vroeger weggereden, omdat zij de malligheeden van hunne meedeburgers niet langer wilden aanschouwen en dezelve op het allerhoogste wraakten ; om dieswillen dat men tegenwoordig een gewenschte vrijheid in de Roomsche staties geniet en dat die vrijheid door diergelijkè terginge, zou de kunnen besnoeit worden. Zij deeden egter een korten ommegang als zij in vroeger tijden gewoon waren te doen en quamen in korten tijd weder op het zogenaemde kapel en hielden zig aldaar nog eenigen tijt bezig met het zingen van gezangen gebruikelijk onder d’Elevatie, lofzangen van de overgebenedijde Maget, Te Deum Laudamus, enz.
Ondertusschen ging ik met mijn geselschap in de herberg om het avont-colation te houden en ons met spijs en drank wat te verlustigen, maar terwijlen wij vroilijk waren met wel vast gesloten en gegrendelde deuren (alzo wij een vrije kamer hadden staande aan de weg schuin over de kapel) zo hoorden wij een vreezelijk geweld voor de deur en alles was in rep en roeren en vol confusie, zodanig dat wij niet anders dagten of den Heer Bailluw van Kennemerland was daar gekomen met assistentie van dienaers om die ongeoorlofde dienstpleegingen te verstooren. Dewijl ik in de namiddag zulke stoudmoedige taal gehoord hadden, zo dagt, dat ze nu aan de battallie werkelijk bezig waren en overzulks hielden wij onze deuren en vensters wel digt gesloten, en niettegenstaande dat er dikwijls heevig geklopt werd, zo lieten wij egter niemant in, als die geene die onze tafel bedienden; door welke bediendens wij van tijt tot tijt en eindelijk dit berigt kreegen, ter wijle de confusie nog op het heevigste was. Alsdaar waren vier groote swart gebairde Ruyters met hunne witten kielen aan en zonder eenig geweer op de kapel gekomen (mogelijk om ook een Ave Maria te bidden) en zo haast als de domme gemeenten (door ’t schijnsel van ’t menigvuldige kaarsligt) die groote knevelbairden zagen, zoo kwam er de Amsterdamse schrik en vreeze in, en ze begosten te schreeuwen, door malkander te loopen en een misbaar te maken als uytzintlige en hoopelooze menschen. Veele salveerde zig met de vlugt, maar de meeste vielen (door de oneffenheid van den grond en door de duisternis wijl het kaarsligt uytgedooft was) met hoopen op malkander, waardoor er honderden van vrouwen~muilen en meer andere lijfbehoorens zoek geraakten. Ons werd in de eerste furie gerapporteert, als dat er reeds verschijden dooden en gekwesten waren, en onder anderen het meisje, dat de eene slip van ’t vaendel gedragen hadden. Maar nu dat de battaille ten eenenmalen was afgeloopen, hoorden wij, dat er geen dooden nog gekwesten op het slagveld waren gebleeven, en dat het groote verlies bestond in agterlating van provisie, mandjes, muilen, stroije- en andere hoeden enz. en dat de kwetsuuren van de geblesseerden meest bestonden in ongemakken en legéere wonden aan knieën en elleboogen door het vallen en en trappen op malkander veroirzaakt. Verder dat de meesten met zodanigen schrik bevangen waren, dat ze door ’t gestadige trillen en beven niet tot bedaaren konden koomen, gelijk als ik een vrouwspersoon van circa 20 jaaren oudt gezien heb, dewelke zo bleek besturven was als de dood zelve, en kon van angst en beevingen haast niet een woord spreeken. Ik liet haar uyt deernis in onze kamer komen, gaf haar een glas bier en verzogt of ze weder geliefde te vertrekken, alzo wij met de gantsche boel geen doen wilden hebben.... Honderden van diergelijke gevallen zijn er voorgevallen, onmogelijk om ze hier alle te melden.
Na dat de storm nu 2 uuren gedaan was geweest, en wij onze avont-collation met vreugden (onder al die droefheên) gehouden hadden, ging ik eens rondzien aan al de herbergen, hoe het er nu geschapen stond. Ik bevond dan dat de schrik en vreeze nu wat over was, want ik von[d] den meer gemelde Schouten in een herberg aan een lange drinktafel zitten met meer als 20 schreeuwers bij zig, helder opdeunende : “De fensor nos ter aspice” en dat met verhooging van 3 toonen, alwaar voorsz. Schouten den voorzanger van was, mogelijk om te toonen dat hij zo verstandig was, om dit sonder accompagnement te kunnen doen, want ik weet niet waarom hij dit anders zoude gedaan hebben. Want dit gezang voegt geenzints om het in een kroeg aan de drinktafel op te deunen, dewijl het tot het Allerheiligste kerkgeheim eigen is, en het daartoe met de grootste eerbiedigheid behoorden gebruikt te worden.
Van daar ging ik in een andere herberg en aldaar vond ik de ruyters, die met hunne swarte knevelbairden zoveel vreeze, schrikken en onsteltenissen veroorzaakt hadden, en die waaren daar (mogelijk uyt devotie) dapper aan ’t genever zuypen, en verschijdene baldadigheeden wierden aldaar door hen verrigt.»
 (44).

In 1768 werd de heuvel afgegraven en beplant waarna de processies ophielden :

«en dit gaf aan een Rotterdamsch dominé in 1783 reden genoeg om, zooals hij zeide “Gods weg met Nederland” dankbaar te bewonderen ; “het paapsch mirakelwater” had “de voorgewende kracht van te genezen” verloren, en zelfs de “eenvoudige Roomsch-gezinden” hadden ondervonden “dat zij veeleer de herbergiers dan hun vee gezond zouden maken.”» (45).

Niettemin vinden nog jaarlijkse ommegangen plaats, op zaterdag vóór hartjesdag (46) en ook komen er nog afzonderlijke pelgrims. In 1830 komt het uiteindelijk niet tot een rechterlijk maar tot een kerkelijk verbod, wegens :

«de misbruiken erbij voorvallende, zijnde bijna een boerenkermis geworden» (47).

12. Het Maria-beeld van de Runxputte

Het Maria-beeld van de Runxputte heeft ook al een lange tragi-komische geschiedenis die de gemoederen bewoog omdat er aanvankelijk werd gestreden over de vraag wélke Maria nu bij de Runxputte hoorde, de troostvolle dan wel de smartvolle moeder. Iets dat op het verondersteld bijbehorende beeld leek werd alvast aan de Runxputte verbonden. Het geeft ons een aardige blik in de traditionalistische keuken, beschreven door één van de koks. Zo schrijft J.A.F. Kronenburg C. SS. R. in 1909 :

«Eerst in de tweede helft der 19de eeuw, en dan nog aanvankelijk aarzelend en twijfelend, wordt de meening uitgesproken, dat Onze Lieve Vrouw ter Nood hier de smartvolle Moeder is. “Was,” dus vraagt in 1873 professor De Rijk, “was de naam ter Nood een titel ontleend aan de voorstelling van het aandoenlijk tafereel, dat onze voorvaderen den “Nood Gods” noemden? Ik weet het niet. Maar het komt mij voor, dat de kapel zeer goed haren naam ontleend kan hebben aan die voorstelling der maagdelijke Moeder met het lichaam van den gestorven Verlosser op haar schoot.” Wat aan professor De Rijk nog slechts als eene mogelijkheid voorkwam, scheen in 1886 aan anderen, zonder dat zij eenig bewijs overlegden, eene zekerkeid. Op het Maria-altaar der kerk van Heilo was toen een beeld geplaatst : de Moeder Gods met het lijk van haren Zoon op den schoot, en daarboven las men den alouden titel : Onze Lieve Vrouw ter Nood. Eindelijk werd in 1905, maar met even volslagen gebrek aan bewijs, die verklaring nog aangegeven in een boeksken, dat over deze devotie handelde.»

En in een noot voegt hij daaraan toe :

«Jansen. Gebeden en onderrichtingen ter eere van Onze Lieve Vrouw ter Nood te Runxputte bij Heilo. Alkmaar, z. j. De goedkeuring is van 15 Oct. 1905. Vooraan is een afbeelding van het beeld der smartvolle Moeder in de parochiekerk ; hieronder staat : O. L. Vrouw ter Nood. Naar de oorspronkelijke beeltenis in de Kapel te Runxputte. Maar uit heel de geschiedenis blijkt, dat zulk eene afbeelding eene onmogelijkheid is. Later werd dan ook dit onderschrift veranderd en luidde : Naar een oude beeltenis in de Parochiekerk te Heilo. Maar deze “oude” beeltenis is nog geen 25 jaar oud ; immers zij werd eerst in 1886 gemaakt. In de 2de uitgave van dit boekje (goedgekeurd 3 Mei 1907) is het titelplaatje dan ook verdwenen.» (48).

Soms werd het zelfs zeer orthodoxe katholieken te gortig en als het er om ging de juist geachte Maria-beeltenis te vinden blijkt er plotseling kritische zin te bestaan tegenover de andersdenkenden van hetzelfde geloof. In 1960, als er tot groot verdriet van drs. Joan P.H. Bertrand nog steeds geen beeld is, weet hij dat hij iets voorzichtiger moet zijn in het doen van stellige uitspraken.

13. Ottie Thiers, ’t Putje van Heiloo, 2005

Nadat deze pagina op het web was verschenen kwam er al snel een geheel nieuw en weer erg vroom boek uit dat, anders dan het werkje van drs. Joan Bertrand, enige interesse vertoont voor historische bewijsvoering, vooral het ontbreken ervan voor de middeleeuwen :

«Dat Heiloo vrij vroeg in de zeventiende eeuw een Mariabedevaartplaats was, valt niet te betwijfelen.» (49).

Dat is wat overdreven, maar dan wordt er – na vruchteloos zoeken ter bevestiging – een aanvullend argument in tegenovergestelde richting gegeven :

«Van de middeleeuwse oorsprong weten we dus nog steeds niets. Daarbij komt dat de oogst van modern bedevaartonderzoek op dit punt uiterst mager is. Zo is er de laatste jaren een flinke collectie pelgrimsinsignes aangelegd : goedkope souvenirs die in middeleeuwse bedevaartplaatsen aan pelgrims werden verkocht, en waarvan bij opgravingen nog steeds exemplaren worden gevonden. Geen enkele is er tot nu toe toegeschreven aan O.L. Vrouw ter Nood in Heiloo. Evenmin is er enige aanwijzing gevonden dat ooit door een stedelijk gerecht aan wetsovertreders een bedevaart is opgelegd naar Heiloo, hoewel dergelijke veroordelingen gebruikelijk waren in de late middeleeuwen.» (50).

Een gedeelte over de het ontstaan van de vroege mythologische geschiedenis :

«Toch bleef men zoeken naar échte bewijzen. Toen W. Nolet werkte aan zijn boekje Onze Lieve Vrouw ter Nood, voorheen en thans, dat in 1933 verscheen, stuitte hij op een fragment uit de vita, het heiligenleven, van de in Brugge vereerde H. Donatianus. Daarin gaat een vrouw uit het gehucht Osdenne water halen uit de Rorikesput bij de Rorikesberg. Zij wordt blind, de H. Donatianus verschijnt haar in een droom en stuurt haar naar Brugge, waar zij in 1011 op zijn voorspraak genezing vindt. Voor Nolet stond vast dat hier sprake was van Oesdom en de Runxput, en hij concludeerde dan ook dat O.L. Vrouw ter Noord daar in het jaar 1011 nog niet werd vereerd, anders had de vrouw het wel geweten. Voorlopig veranderde deze ‘vondst’ dus niets aan de geschiedenis van O.L. Vrouw ter Nood. Enkele decennia later echter, in 1967, liet H. Halbertsma zich door opgravingen in Heiloo inspireren tot het schrijven van een artikel over drie heilige putten : de Willibrordusput, de Adelbertsput en de Runxput. Hij borduurde daarbij voort op de vondst van Nolet. In de geschiedenis van de Adelbertsput is namelijk een rol weggelegd voor de Deens noorman Rorik, die in de negende eeuw door de karolingische koning als ‘hertog’ was aangesteld over het hele kustgebied om het land te verdedigen tegen invallen van andere noormannen. Halbertsma trok de conclusie dat deze half-heidense hertog zijn naam had geleend aan de Rorikesput-Runxput. Tegenwoordig gaat men er op taalkundige gronden vanuit dat de naam Runxput onmogelijk ontstaan kan zijn uit Rorikesput, en dat Oesdom niets te maken heeft met Osdenne. De blinde vrouw, de Brugse heilige en de Deense noorman, geen van allen hebben ze iets te maken met O.L. Vrouw ter Noord.» (51).

En er moet nog een datum worden bijgesteld :

«Kronenburg heeft de brieven van Meese van een datering ‘midden 17de eeuw’ voorzien, ten onrechte ervan uitgaande dat Heiloo ook opgenomen was in de eerste druk uit 1657, die hij niet heeft ingezien. De informatie moet dus later gedateerd worden, tussen 1657 en 1672. Guilielmo Gumppenberg, Atlas Marianus quo sanctae dei genitricis Mariae imaginum miraculosarum (Monachi : I. Iaecklini, 1672).» (52).

Voor het overige geeft het boek niets nieuws voor de middeleeuwse geschiedenis – er is immers niets – en wordt het grootste deel gewijd aan de verdrukking van het katholieke volksdeel en gaat het vooral over de periode sinds de herstichting in 1905.

14. Aanvullende bronnen

De Navorscher, 1862 :

«Bedevaarten naar den put te Heilo. In de Noordhollandsche Arkadia van claas bruin, A°. 1732, bl. 401-402, leest men :
Men zegt bedrog wist hier een’ put te ontdekken,
Welks water tot een artsenij zou strekken
Voor ’t kwijnend vee door ’s Hemels hand geraakt,
’t Geen menig heeft berooit en arm gemaakt;
Doch honderden zijn hier door waan bedrogen.
Het heilige kapelletje of kruisbergje lag tusschen Heilo en Limmen, is gewoonlijk bekend onder den naam van de Kapel van onze lieve vrouwe ter Noord, en werd voorheen en misschien nog door vele R. Katholieken bezocht.
De toevloed van R. K. naar deze plaats nam zeer toe, toen daar een wel of put ontsprong.
De predikanten konden de daar ter plaatse bedrevene »superstitiën” niet dulden : de classis van Alkmaar belastte guil. vermaten, predikant te Alkmaar, en adr. bijll. predikant te St. Pancras, eene klagt bij de staten van Holland in te leveren over de stoutheden der R. K. aldaar, waarin o. a. voorkomt, dat de »superstitiën” het hoogst geklommen zijn, bij gelegenheid dat er een put gegraven was, waarvan het water (zoo gezegd werd) zeer geschikt scheen ter genezing van de pest onder het hoornvee, hetwelk door gedrukte briefjes alom verspreid werd ; doch dat dit water eerst goed ter genezing zal zijn, als het met het bloed der Geuzen zal zijn vermengd, hetwelk de inhoud zoude zijn van eenen brief, met een’ ketting aan een staak gebonden, door eenen engel aldaar gebragt enz.
De staten zonden deze klagt aan den baljuw van Kennemerland dd. 17 jan. 1714, om consideratiën en advies. Het antwoord, dat hij daarop gaf, was van dien aard, dat hij niet ontkennen kon, dat de toevloed naar het kapelletje zeer groot was, maar dat hij, noch zijnen voorganger daartegen niets hebben kunnen doen. Wie den put gegraven en de andere valsche brieven uitgestrooid hadden, bleef hem onbekend enz.
Eindelijk werd deze zaak door de gecomitteerde raden behandeld, die in hunne Memorie ter weering van de openbare superstitien te Heylo en Oestdom, het volgende aan de hand gaven.
»Dewijl de verheffingen des Pausdoms tot hare hoogten zijn gekomen in dat jaar waarin voor de eerste maal niet dan Paepsche regenten in de regering waren, is het te duchten dat geene middelen tot weering van de superstitiën kragtig en van effect zijn zullen, ten ware er gereformeerden in hare plaets werden aangesteld, met last om opzigt op het Pausdom te houden en hare devoiren tot weering van alle superstitiën aen te wenden, waertoe zij oock jaerlijks op den aenvang van haere bediening zouden kunnen verbonden worden.
Doch dit alleen het gewenschte oogmerk niet kunnende bereiken zijn er deze wegen, langs welke men daer toe zou kunnen komen :
1. De eerste is ontheiliging van den grond, die het bijgeloof voor heilig aenziet, en zou dit kunnen geschieden
a. Door het oprigten van eene galg daer men de misdadigers in Kennemerland gevonnisd wordende, aen hangt.
b. Door het oprigten van een kaak [=schandpaal], met strenge orders aen eene wacht daeromtrent te stellen, om de kruipenden of eenige superstitiën plegende, de facto daerop te stellen, en zoo te handelen gelijk men aen zulken ten toon staende, hier te lande gewoon is.
2. Een tweede middel zou men kunnen vinden in heilzame ordre te stellen en kragtig uit te voeren tegen den zoo gewaanden heiligen grond.
a. Als er eene wacht daeromtrent gesteld werd, om het streng verbod, van Haer Ed. Gr. Mo., tegen alle superstitiën te helpen uitvoeren, met de delinquenten te apprehenderen en tot strafoefening in handen van den Hr. Baljuw te leveren.
b. Of als de grond omheind werd, met verbod van die te naderen of de omheining op de eene of andere wijze te beschadigen, op peine van zware straf, al was het aen den lijve.
c. Als hierbij verboden werd, het houden van herbergen als tappers en inzonderheid het logeren van eenig reiziger, onder bedrijging van demolitie der huizen daer en daeromtrent staende.
d. Als het opzigt over dit alles, allen Schouten en Officieren in Kennemerland onder den Baljuw, werd aanbevolen en inzonderheid den Heer fiskael.
3. Het voornaemste middel zou echter zijn, als de zoogenaemde heilige grond den Roomschen kon ontnomen worden, dat in dezen niet tot nadeel van eenig particulier kan geduid worden, omdat na de beste wetenschap, de zoogenaemde heilige grond, den eigendom van de Kerk te Heylo is, en zou dit kunnen geschieden met dat klein stukje lands uit te graven en opdat het water dan niet voor heilig werd gehouden, met het inwerpen van asch en vuiligheid om het tot een modderpoel te maken, onder bedreiging van een zware straf aen allen die daeromtrent dan eenige superstitiën zouden willen plegen, en vooral aen zulken die deze poel weder zouden willen aenvullen, waerop ook wel een jaerlijksche schouw of eenige van de bovenstaende middelen zouden kunnen geordonneerd werden.”
Deze voorstellen zijn door de staten niet aangenomen, maar zij hebben bij resolutie van 28 julij 1714, bl. 346, bepaald, dat het plakaat van 17 januarij 1647, tegen de bedevaarten naar Heilo en elders op de overtreders zou worden toegepast.
De put was inmiddels gedempt, en aan de herbergiers werd gelast geene reizigers te logeren, die te Heilo eenige superstitiën deden, op straf van 6 weken sluiting hunner herbergen. Aan de schouten en baljuwen werd gelast op dat alles behoorlijk toezigt te houden.
..elsevier.
 (53)

In De Nederlandsche stad- en dorp-beschyver, 1796 :

«over het algemeen is het ambacht een stuk gronds van ons vaderland, dat nog getuigd van de bijgeloovigheid die weleer in dat ons thans zo verlicht vaderland plaats gehad heeft, niet alleen, maar ook zo woedend geheerscht heeft, dat die regeering nog meer ongelukkigen heeft gemaakt, die immer de heerschzucht gedaan heeft, en het getal van deezen is onwederspreekelijk groot.» (54).

W.J. Hofdijk, die in 1873 uit gemengde bronnen van alles en nog wat oprakelt en nauwelijks een mythe mistte, vermeldt onder Heiloo of Oesdom géén Runxputte (55).

In 1939, in Twaalf eeuwen Kennemer Historiën wordt de mythe als volgt weergegeven :

«BEDEVAARTPLAATS O. L. VROUWE TER NOOD TE RUNXPUTTE.
Tusschen Limmen en Heiloo bevond zich sedert onheugelijke tijden een kapel, gewijd aan Maria, welke een bedevaartsoord was, aangezien volgens overlevering de H. Maagd zich aldaar vertoond zou hebben. Daarbij bevond zich een put, waarvan het water wonderdadige uitwerking op zieken zou bezitten. De kapel geraakte in verval en de put was dicht geraakt door instuivend of invallend zand, zoodat de devotie der geloovigen op dit genadeoord zeer was verminderd.
In het jaar 1713 echter, toen een zware ziekte onder het vee heerschte, verbreidde zich in de omgeving van Alkmaar een gerucht, als zou op den 8 December, den dag van Maria Ontvangenis, des nachts te 12 uur een bron zijn ontsprongen, welker water volgens getuigenis der omwonende herbergiers een genezende kracht tegen de heerschende veeziekte zou vertoonen. Het is te begrijpen dat een stroom van veehouders zich met kannen, kruiken, ja met vaatjes naar de genadeplek spoedde om van het heilbrengende water aan hun vee uit te reiken, en hoewel de geestelijkheid van Alkmaar met kracht protesteerde tegen de berichten als zou er een mirakel zijn geschied, toch bleef de toevloed van heilsbegeerigen aanhouden. Het bleek weldra, dat het verhaal, als zou er met een zwaar geluid een bron met verscheidene stralen zijn ontsprongen, overdreven was. Op de plaats, waar op een, toenmaals reeds oude, kaart een put was geteekend, was een gat te zien, dat nog versche spadesteken vertoonde en waarin zich water bevond, dat niet opborrelde, doch stil lag, zeer waarschijnlijk hadden de omwonende herbergiers de oude dicht-gezande put weer ontgraven en het opgesmukte verhaal van een weder-ontspringen met eenigen nadruk rondverteld.
Ten einde te voorkomen, dat door den toeloop der geloovigen de put weder zou dichtzanden, hebben de boeren het gat grooter gemaakt en er een bodemloos wijnvat in gezet, waaruit men het water scheppen kon. (Fig. 4)
Sedert dien tijd is de heilige plaats een zeer druk bezocht bedevaartsoord geworden.
Op een zeer ruim terrein bevindt zich de kapel (Fig. 5) van O. L. Vrouwe ter Nood met een genadebeeld van de H. Maagd, een bedevaartskerk met omgang, een beeld van den H. Willibrordus, een kruisberg en ruime gelegenheid tot devotie en adoratie.
De bedevaartsplaats is voor een ieder toegankelijk gedurende de maanden Mei tot en met September. In organisatorisch verband komen op bepaalde, doch niet steeds dezelfde, dagen groepen uit ieder deel des lands ter bedevaart, en elk jaar heeft er omstreeks de eerste week van Augustus een ziekentridium plaats.»
 (56).

1986, in Oude ansichten van Heiloo lezen we bij een foto uit 1902 :

«Vele malen is de Willibrordusput afgebeeld; men zou geloven, dat velen de put bezochten en er een kaart van kochten. In tegenstelling tot het karakter van een bezoek aan de Runxputte, had een bezoek aan de Willibrordusput echter geen religieuze betekenis. Over beide putten geeft het Alkmaars Jaarboekje (1967) een boeiende beschrijving en tevens het verslag van de opgravingen bij de Willibrordusput in 1967.»

Bij een foto uit 1908 :

«Hier vinden we het grote bedevaartsoord, dat vanaf 1905 talloze pelgrims heeft zien komen en gaan. Op de afbeelding zien we de bij de opgravingen ontdekte en daarna opgemetselde put, de Runxput geheten, die als middelpunt van de in Heiloo herleefde devotie in wijde kring grote vermaardheid zou krijgen. Op de achtergrond het café ‘St. Willibrord’ van Jan Ruiter.»

En bij nog een foto uit 1908 :

«We zien hier de overstelpende drukte tijdens een bedevaart naar de Runxput, die met de Willibrordusput te Heiloo en de St. Adelbertusput te Egmond tot ‘de heilige putten’ van Noord-Kennemerland behoort. Vóór 1905 kwamen er ook reeds mensen naar de omgeving van deze plek; zij hadden zich afgewend van de Willibrordusput, die volgens velen door de in neo-gothische stijl uitgevoerde modernisering niet ‘de oude put’ meer was. Bovendien werkte de nabijheid van het Ned. Herv. Witte kerkje de toeloop van de katholieke gelovigen niet in de hand.»

Dan, bij nog een foto uit 1912 :

«Aan de Runxputteweg stond jarenlang dit cafe met melksalon ‘Pelgrimsrust’, eerst geleid door Simon Mooy later door Brand. Hoewel er tegenwoordig nog steeds bedevaarten worden georganiseerd, zijn de grote stromen pelgrims tot het verleden gaan behoren. Begrijpelijk, dat de ontwikkeling van het cafébedrijf gelijke tred hield met de belangstelling voor het bedevaartsoord! Nu de interesse verminderd is, ondervinden de caféhouders daarvan de terugslag: ‘Pelgrimsrust’ verdween reeds en ook ‘St. Willibrord’ heeft zijn langste tijd gehad.» (57).

We leren ook dat er kraantjes waren ten dienste van de pelgrims waar opgepompt bronwater betrokken kon worden, op honderd meter afstand van het putje.

1987, in Heiloo, geschiedenis en verklaring van de straatnamen :

«KAPELLAAN
Van Kennemerstraatweg naar Runxputteweg - Zuid - 23 september 1924
Genoemd naar de Kapel van het bedevaartsoord “Onze Lieve Vrouw ter Nood” (Troost en Hulp in Onze Nood) gelegen bij de grens met de gemeente Limmen.
Bij deze kapel bevindt zich een put (de Runxputte), waarvan het water volgens de overlevering in vroeger eeuwen een wonderdadige uitwerking op zieken zou hebben bezeten. Tijdens het beleg van Alkmaar (1573) werd de Kapel verwoest; er bleef slechts een brok muur staan.
Om de toeloop van de bedevaartgangers te stuiten werd de bouwval afgebroken en de Runxputte met puin gedempt. Desondanks kwamen de pelgrims van heinde en verre. In 1704 werd zelfs het “Heilooer rijskaartje” in de handel gebracht, waarop de wegen die naar de “heilige putten” (ook de Willibrordusput) leidden en de verschillende herbergen in de omgeving van deze putten stonden vermeld.
De toenmalige overheid, die het katholicisme had verboden, stelde zware straffen op het bezoeken van het bedevaartsoord, waardoor de devotie van de gelovigen sterk verminderde.
In 1713 verbreidde zich het gerucht, als zou op 8 december, de dag van Maria Ontvangenis, ’s nachts om 12 uur de Runxputte weer zijn gaan vloeien. Men sprak van een wonder en van overal kwam men om het geneeskrachtige water te gebruiken tegen de heersende kwaadaardige ziekte onder het rundvee. Maar de “Europische Mercurius”, het grote dagblad uit die jaren, verklaarde daarentegen dat het “een loze streek” van de herbergiers in de omgeving was “om hare slappe nering te verbeteren”.
De grote toeloop van boeren verontrustte de Gedeputeerden van de classis van Alkmaar en zij dienden een klacht in bij de Staten van Holland en West-Friesland. In een resolutie van juli 1714 deelden genoemde Staten mee dat “soo als oock met genoegen hebben verstaan dat de gegraven Put aldaar, die veel aanstootelijckheden en ergernis heeft veroorsaakt, wederom geremoveert en gedempt geworden is”. Tevens gaven de Staten de herbergiers uit de buurt het bevel geen bedevaartgangers meer te huisvesten.
De bedevaarten bleven evenwel doorgaan, zij het dat zij niet steeds rustig verliepen. Toen in het begin van de 19e eeuw de Nederlanders onder Koning Lodewijk kwamen, meende men weer openlijk de devotie te kunnen herstellen, maar in 1807 werden de processies bij proclamatie verboden. Onder Koning Willem I werden de bedevaarten weer toegelaten, maar toen in 1830 de Kerkelijke Overheid de processies geheel verbood “om de misbruiken erbij voorvallende, zijnde bijna een boerenkermis geworden” scheen het alsof het lot van deze devotie was bezegeld. De grote opleving van de Maria-verering ter plaatse is te danken aan de Alkmaarse fabrikant Gerardus van den Bosch. De put werd opgemetseld en op de plaats van de Kapel werd een houten kruis geplaatst. In 1909 werd een eenvoudige Kapel gebouwd, die in 1930 werd vervangen door de door architect Jan Stuijt ontworpen “Genadekapel”.
Vele tienduizenden pelgrims hebben sinds 1905 het bedevaartsoord bezocht, van 2.865 in 1909 tot meer dan 40.000 in de vijftiger-jaren, met een top in 1954 (Maria-jaar) van 80.125 bedevaartgangers.
De Capellaan is een heel oude laan, die in vroeger eeuwen van de Westerweg tot aan de Oosterweg (Ooster-zijweg) liep. In 1850 was de naam veranderd. Vanaf Westerweg naar Kennemerstraatweg heette de weg opeens Kapelweg en de huidige Runxputteweg was de Kapellaan. Maar Kapellaan en Kapelweg vlak bij elkaar gaf verwarring. De Kapellaan moest dan maar verdwijnen en dat werd Runxputteweg. Toch is men weer naar de historische situatie teruggekeerd, want de Kapelweg verdween en het werd zoals het eertijds was Kapellaan.»
 (58).

En :

«RUNXPUTTEWEG
Van Groeneweg naar grens gemeente Limmen - Zuid - 23 september 1924
Voor de kleine kapel van het bedevaartsoord “Onze Lieve Vrouw ter Nood” bevindt zich een eeuwenoude put, de “Runxputte” geheten.
Deze put dankt zijn naam aan een Deense prins, een achtergebleven Noorman, die niet meer naar zijn geboorteland terug kon. Hij hield Kennemerland van Lodewijk de Vrome (778-840) in leen, op voorwaarde dat hij dit gebied tegen de invallende Noormannen zou verdedigen. Rorik schijnt ook in Kennemerland te hebben gevochten in dienst van Lotharius (795-855).
Sporen van deze Noorman zijn te vinden in de “Miracula Sancti Adelberti”, waar hij de titel krijgt van “koning der barbaren”. Hij moet voor 882 zijn gestorven.
Reeds in 1012 zou er een runxput zijn geweest, onder de naam “Rorikesputte te Osdenne” (Oostduin later verbasterd tot Oesdom).
In 1905 werden opgravingen gedaan in verband met een op 20 maart van dat jaar – voor het eerst na ongeveer 90 jaar – te houden bedevaart. De put werd evenwel niet gevonden; kennelijk was men in 1714 grondig te werk gegaan (zie hiervoor: Kapellaan). Men nam genoegen met een andere gevonden put en bouwde daarbij een kapel.
In het begin van de twintiger-jaren heette de tegenwoordige Kapellaan Runxputteweg. De huidige Runxputteweg had tot 1924 eerst de naam Kapellaan en daarna Kapelweg. Maar een Kapelweg in Heiloo aansluitende op een weg met dezelfde naam in Limmen werkte verwarrend. De Kapelweg werd Runxputteweg en de historische laan langs het bedevaartsoord kreeg zijn oorspronkelijke naam Kapellaan terug.»
 (59).
«RUNXPUTTE TE HEILO IN 1807 (60)
Wie eenigszins bekend is met de geschiedenis van „Capelle” te Oesdom (Heilo), weet hoe in afgeloopen eeuwen invloedrijke Hervormden er steeds op uit waren, om door plagerijen het den Roomschen zoo lastig mogelijk te maken ten opzichte van hun bedevaarten naar deze aloude pelgrimsplaats.
Van 1795 tot 1807 hebben de Roomschen onder inwerking der nieuwe leuze : Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, naar het schijnt volle vrijheid gehad tot het houden van bedevaarten. Maar van 1807-1810 bleek de Vrijheid te zijn opgeheven : de Hooge Regeering nam tenminste een dreigende houding aan ten opzichte der pelgrimages naar Runxputte.
In het archief van Limmen (gelegen in de onmiddellijke nabijheid van „Capelle”) vond ik eene aanwijzing van bedevaartsbemoeilijking in 1807, en wel bij de notuleering van een Vroedschapsvergadering op 17 September van dat jaar. Die geringe bijdrage tot de geschiedenis dezer aloude bedevaartsplaats wil ik hier mededeelen.
Het te boek gestelde kan tot toelichting dienen van de volgende regels uit het bekende „Bedevaartboekje naar Onze Lieve Vrouw ter Nood te Heiloo” :
„En al kwamen ook in den aanvang der 19de eeuw, ondanks de vrijzinnige begrippen, de Minister van Justitie en Politie in de jaren 1807-1810 hunne aanschrijvingen en dreigementen sturen (*) : zoo lieten toch de beevaartgangers niet af naar Heilo en „Capelle” te komen. Eerst in 1830-1840 is de bedevaart vervallen.”
Hier volgen de oude notulen :
„Vroetschap te Limmen, 17 Sept. 1807.
De officier en Gandarmens welke den 4en dezer alhier in cantonnement zijn gekomen nog alhier in contonnement zijnde, en de gerugte gelopen hebbende, dat deselve Gandarmens alhier soude gelegd zijn om de Processie naar en aan Capel onder Heyloo indien deselve mogte hervat werden, desnoods tegen te gaan en te beletten, welke hervatting van de processie die op 15 augustus l.l. naar Capel heeft plaats gehad volgens gerugte op den 8 of den 12 of 13 dezer soude plaats hebben. Is geresolveert hier van een missive aan den Heer Landdrost te schrijven en daar bij te versoeken om desselfs vermogen te willen gebruiken ter verlegging der voorn. Gandarmes van hier, alsoo de gemelde 8, 12 en 13 dezer zijn gepasseert Sonder dat daarop nog hier nog te Heyloo iets buitengewoons heeft plaats gehad en sonder dat andere dagen tot het houden van Processie werden genoemt, werdende de Secretaris gequalificeert soodanige missive te concipiceren cii[?] te versenden.
In kennisse van mij
Jb. Laarman
secr.”
Zeer waarschijnlijk heeft deze militaire maatregel als dreigement moeten dienen.
Eene korte beschouwing over de af te zenden missive moge hier nog volgen :
De bedoeling, die de Vroedschap er mee had, is duidelijk gezegd : verwijdering der militairen. Maar niet wordt medegedeeld waarom die verwijdering zoo dringend gewenscht werd. Er kunnen twee redenen voor bestaan hebben, waartusschen men heeft te kiezen.
De missive kan als een bedekt protest bedoeld zijn tegen de vrijheidsberooving der Roomschen. Van de 435 inwoners waren 368 katholiek; de vroedschap zal dus ook wel overwegend roomsch geweest zijn. Dit lichaam was dan m.i. tot een dergelijk protest als aangewezen. Maar vreemd mag het dan genoemd worden, dat hiervan met geen enkel woord melding wordt gemaakt.
Kan de reden tot afzending der missive aan den Landdrost ook een andere zijn geweest ?
Al vele jaren achtereen was Limmen (ook andere plaatsen in den omtrek) lastig gevallen met inkwartiering. En ten zeerste was het dorp verarmd door den inval der Engelschen en Russen in 1799, waarbij de „Fransche Broeders” in het plunderen „lang niet links waren”. En nu kreeg het verarmde dorp weer inkwartiering ! De bezorgde Vroedschap zal daarom denkelijk op louter economische gronden het vertrek der gendarmes gevraagd hebben.
Hiervan wordt in de vermelde notulen evenmin iets vernomen. Zeker, dat is ook zoo. Maar in het oude notulenboek komen vóór en na deze Vroedschapsvergadering herhaaldelijk klachten voor over de lasten en nadeelen, die Limmen door den laatsten oorlog had geleden.
Of de brief goed gevolg had ? Ze is ... nooit verzonden ! Eén dag na het besluit tot schrijven aan den Landdrost vertrokken de gendarmes (18 Sept.). De onrustbarende datums waren voorbij.
In het oude notulenboek wordt dit volgenderwijze vermeld :
„De officier en Gendarms den 18 Sept. 1807 van hier vertrokken sijnde, Is het onnoodig en ondienstig geworden de missive ter verkrijging van het vertrek te consipieeren en te verzenden.”
Uit dit vertrek na de gevreesde Septemberdagen zou men kunnen afleiden, dat dit mihtaire „cantonnement” tegen de bedevaarten naar „Capelle” was gericht.
Amsterdam, M. Kramer.»
*) Wel zonderling. Juist tijdens de regeering van den Roomschen Koning van Holland.
«Een soortgelijke ontwikkeling [van rite verbonden met leven en dood van de gemeenschap tot overgangsrite voor individuen] heeft de cultus rond Runxputte en Onze Lieve Vrouw van Oesdom bij Heilo doorgemaakt. In de eerste helft van de zeventiende eeuw werd, hoewel de kapel al tot een ruïne was vervallen, de oude bedevaartspraktijk van de collectieve drievoudige rondgang rond het heiligdom nog intensief voortgezet. Na de afbraak van de ruïne in 1637 is er een voor ons nauwelijks meer na te speuren ontwikkeling geweest, waarvan het resultaat echter duidelijk aan de dag treedt wanneer in 1713, tijdens een runderprest, ineens weer water uit de gewijde put opborrelt en de Noordhollandse boeren, katholiek zowel als protestant, massaal toestromen omdat aan dat water een geneeskrachtige werking wordt toegeschreven. Op beide afbeeldingen [hiernaast weergegeven] komt op haast karikaturale wijze de betekenisverschuiving van de riten naar voren : waar eerst de groepsgewijze bedevaartrite van een gemeenschap plaatsvond, zien we nu nog slechts sporen van strikt individuele genezingsriten, die slechts bij toeval mensen samenbrengen, omdat het water nu eenmaal te Runxputte moet worden gehaald – maar de commercialisering van de waterverkoop, hier gesymboliseerd door de dragers en de boerenwagen, snijdt ook de laatste band van de genezingsrite met de bedevaartsplaats zelf, en daarmee met de collectieve bedevaartspraktijk door.» (61).
«EENE BLADZIJDE VOOR DE GESCHIEDENIS VAN ONZE LIEVE VROUW TER NOOD TE HEILO,

Reeds is door Prof. de Rijk in deze Bijdragen en later door Pater Kronenburg met geschiedkundige bewijzen aangetoond, dat de devotie tot Onze Lieve Vrouw Ter Nood onder de katholieken, vooral in Kennemerland in de 17e en 18e eeuw, niettegenstaande de meest strenge en sluwe maatregelen, steeds is blijven voortleven. (1) 1) En het lag voor de hand, dat op het einde der 18e eeuw, toen de leuze van vrijheid, gelijkheid en broederschap was aangeheven, en later onder de regeering van den katholieken koning Lodewijk Napoleon, deze weder oplevende godsvrucht op uiterlijke, zelfs op luidruchtige wijze zich openbaren zou. Te meer, wijl deze optochten naar Heilo door de katholieken op eigen gelegenheid, zonder de leiding der geestelijkheid, ondernomen werden. Zij gaven aanleiding tot opspraak, en wijl zij strijdig waren »met de constitutie van het rijk« richtte de staatsraad Cambier den 2en Sept. 1807 een schrijven tot den aartspriester Ten Hulscher, waarin »op zijnen veel vermogenden invloed« een beroep gedaan werd om deze optochten te doen ophouden.
Dat aan deze optochten iets haperde, schijnt inderdaad het geval geweest te zijn; want eerstens beriep de staatsraad tegenover den aartspriester zich op den bisschop van Roermond, »die zodanig een optocht ten sterkste afkeurde«, maar ook ten andere wordt in het antwoord van den aartspriester aan den staatsraad van »ongepaste godvrugtigheden« en van »onberadene menschen« gewag gemaakt.
Deze brief van den aartspriester, gedagteekend den 6en September 1807, en berustend in het bisschoppelijk oud-archief te Haarlem, was noch aan Prof. de Rijk noch aan Pater Kronenburg bekend. Hij moge hier in zijn geheel volgen:

»Copie van het antwoord gezonden 6 Sept. 1807.
Een dag of twee voor het ontvangen van uwer Excellenties hoogst geëerde missive de dato 2 deeser, had ik eerst bij gerugte gehoort van den optocht, die sommige overdrevene en waarschijnlijk eenvouidige R[oomsch]. C[atholieken]. in de vorige maand in de gebuurte van Limmen en Heiloo gedaan hadden. Schoon ik niet wist, en tot nog toe niet weet, vanwaar die eerste beleggers van voormelden optocht vandaan gekomen waren: heb ik niettemin terstond mijnen weerzin daarvan ten hoogsten te kennen gegeeven aan die van mijne onderhorige pastoors, die ik meende in staat te zijn zulke ondernemingen voor het vervolg te kunnen keeren. Ik heb dit sedert het ontvangen van Uwer Excellentie boven gemelde des te meer gedaan met aan alle pastoors van die geheele buurt, en wel inzonderheid aan die van Limmen en Heiloo aan te schrijven, dat zij dog ter weering van zulke ongepaste godvrugtigheden, al wat in hun vermogen was, aanwenden zouden; en daar ik van de sentimenten dier mannen seer wel overtuygt ben; hoedanig sij over dit stuk denken, vlije ik mij, dat zulke onberadene menschen althans in hunne Eerwaardens geene beschermers maar billijke tegenweerders vinden zullen.
Hiermede aan het verzoek van Uwe Excellentie, zo ik mij vlije, voldaan te hebben, heb ik de eer mij hierbij met hoogachting te noemen«.
Nieuwerkerk a. d. IJsel, J. C. VAN DER Loos. 7 Nov. 1917.«
 (62)
a. Bijdr. V. H.: dl. I, blz. 230—311.
b. Maria’s heerlijkheid m Nederland: dl. VI, blz. 96—129.

Het wereldwijde web, 30 januari 2011, waar Hagatessa haar gevoelens met ons deelt, heel stemmig-holistisch, en met verwijzing naar deze pagina :

«En dan is er natuurlijk de put zelf. Er zijn allerlei legenden over hoe oud die wel niet is, maar verder terug dan de 18e eeuw is niets te bewijzen. Is dat belangrijk? Wel voor mensen die ouderdom als legitimatie voor echtheid zien.
Voor mij is het bijzondere dat de plek er is, dat de kracht er is, en zich op deze manier wil manifesteren en mensen wil blijven helpen. Je kunt water putten om mee te nemen. Het is duinwater, maar qua energie absoluut niet te vergelijken met wat er uit de kraan komt. Het is bezield water. Van een bezielde, heel bijzondere plek.

Wie degene ook was die er in het Heilig Bos bij Heiloo vereerd werd, en of het dezelfde is als degene die zich nu manifesteert in het katholieke heiligdom, voor mij is het putje van Heiloo een plek waar de zichtbare en de onzichtbare wereld elkaar kunnen ontmoeten.
Het is een plek die bewijst dat er krachten zijn die niet-menselijk zijn, natuurkrachten, grote krachten die ons mensen goed gezind kunnen zijn. Die ons willen helpen en bijstaan in moeilijke tijden. Heil aan de vrouwe van Heiloo, onder welke namen zij ook vereerd wil worden.
 (63).

Een reactie om erg stil van te worden...


Noten

1. Een bedevaart naar Heiloo, zoals aangehaald in : De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood, t.a.p., p. 4. Een smakelijk detail is het volgende : “Wat er nu eigenlijk precies in Heiloo te vereren was, daar ben ik nooit helemaal achter gekomen. Men had daar natuurlijk het ‘heilig putje’, door Sint Jeroen persoonlijk gegraven en van geneeskrachtig water voorzien, maar wij werden door de paters niet aangemoedigd het te bekijken en ik heb het ook nooit bezocht. Na het Marialied had ik zo’n razende honger, dat deze devotie er eenvoudig niet meer bijkon. Niemand ging er trouwens heen. Vermoedelijk zat de zaak zo, dat de augustijnen, die nogal vooruitstrevend waren, een bedevaart nog juist geoorloofd vonden, maar het putje zelf als verdacht beschouwden. Na de oorlog kregen zij hierin gelijk, want de paus schrapte Sint Jeroen van de lijst der heiligen en het putje raakte verstopt. Intussen was de situatie enigszins dubieus. We pelgrimeerden wel, maar waarheen, dat wist geen sterveling.” Voor de slechte verstaanders : Sint Jeroen wordt gewoonlijk, hoewel valselijk, te Noordwijk en niet te Heiloo geplaatst. Een grappenmaker (“Pjotr”) blogde 19 november 2007, onder verwijzing naar deze pagina, op de site van de Volkskrant over dit citaat, zie : Runcxputte en de Roomsche en Heiloosche Ketterij; zie ook : St. Jeroen, de Lijst van Heiligen en het ongeloof der parochianen. Een andere bekende Rooms-Katholieke schrijver vereerde de Runxputte op 21 december 1997 met een bezoek in het gezelschap van fotograaf Klaas Koppe (Gerard Reve, 63 foto’s) en liet zich fotograferen onder het adagio : “Als ge mij gaat eren – zal de wind gaan keren”. Zie ook : Portret: Gerard Reve, katholiek. Tenslotte (sinds 2009) : Onze Lieve Vrouw ter Nood, Historische Vereniging Oud-Heiloo, verplaatst naar Onze Lieve Vrouw ter Nood; interessant daar is de vermelding van een notariële acte uit 1575 waarin “in den banne van Oesdom bewesten onze vrouwen capelle te Roomputte” zou zijn vermeld (opgegeven bron : Regionaal Archief Alkmaar, Oud-Archief Heiloo, inventarisnummer 70). Nog niet gevonden : Iets over de Kapel van O.L. Vrouw ter Nood (De Runxputte) te Heiloo / Johan Belonje. – In : Haarlemse bijdragen. Bouwstoffen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem, Jaargang 60, 1948. – p. 235 e.v.

2. De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood. Een bekend bedevaartsoort te Heiloo / Drs. Joan Bertrand [van 1960 tot 1989 beheerder van het Putje]. – Tweede druk. – Schoorl : Uitgeverij Pirola, 1990. – 108 p. – (Oorspronkelijke uitgave 1980). – p. 9. De belangrijkste bronnen voor dit boek zijn :

  • De bedevaartsplaats Heilo in de winter van 1713 op 1714 / Mère Marie-José van Dun O.S.U.. – In : Archief voor de Geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland. – Tweede jaargang, aflevering III, oktober 1960, p. 245-298; drs. J.P.H. Bertrand geeft deze bron als volgt weer : Wondergenezingen bij de Mariabron te Heiloo, naar documenten uit het fonds Nunziatura di Flandra van het Vaticaans Archief, naar een verslag van pater Egidius de Glabbais (1651-1722) / M.J. van Dun OSU. – In : Archief voor de geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland. – 1960, p. 245-298.
  • Oudste gedrukte bron : Antiquitates Belgicae, of Nederlandsche oudtheden. Zijnde d’eerste opkomst van Holland, Zeeland, ’t Sticht Utrecht, Overyzel, Vriesland, Braband, Vlaanderen, enz., beneffens dier landaarts oorspronk, voortgang, eerste christendom en wonderlijke geschichten, te dier tijden, zo in deze, als in andere landen voorgevallen / [door Jacob van Royen, met aanteekeningen van Maternus Harwich, R. van Loven [et al.], bewerkt naar Richard Verstegen ; met konstprinten verciert. – t’Amsterdam : by Jacob van Royen, 1701. - xiv, 224, xvi p. – (Titel op titelgravure: De Nederlandsche oudtheden). – p. 189-190. Opgepast, er is een tweede druk uit 1715.
  • Van Heussen, Batavia sacrs, 1714
  • Bruins, Noord Hollandsche Arkadia, 1732
  • J.A. de Rijk, Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom Haarlem, deel 1, Heilige plaatsen in het bisdom Haarlem, Haarlem, 1873
  • Allard, De ommegangen en Bedevaarten naar Heiloo en Oesdom in 1713 en 1714. Studiën op godsdienstig, wetenschappelijk en letterkundig gebied. Utrecht, 1889
  • W. Nolet, Onze Lieve Vrouw ter Nood te Osdom. ’s-Hertogenbosch, 1922
  • A. Oeverhaus, Onze Lieve Vrouw ter Nood voorheen en thans. Heemstede, 1947
  • H. Schoorl, De kruip- en Kruisbergen onder Heiloo in 1768. Alkmaars Jaarboekje, 9, 1973

Zie ook : Onze Lieve Vrouw ter Nood; voor meer bibliografische gegevens : Heiloo, O.L. Vrouw ter Nood (Meertens-Instituut). Voor een wel erg vrome versie van de kapelgeschiedenis, zie : Kapel Evenementen; Evenementen en bedevaarten rondom de Onze Lieve Vrouw Ter Nood kapel te Heiloo / door Herma Out-de Waard; de site verscheen in juli 2009.

3. Verering (Meertens-Instituut). Voor ansichtkaarten en videobeelden : Onze Lieve Vrouw ter Nood. Zie ook : Wikipedia.

4. Zie hieronder, Ottie Thiers, ’t Putje van Heiloo, 2005. De bewering is al eerder gedaan, wat nog een afzonderlijk onderzoek waard is.

5. Zie : Adelbert van Egmond.

6. Fontes Egmundenses, t.a.p., p. 12.

7. De Vita Sancti Adalberti Confessoris / G.N.M. Vis. – In : Egmond en Berne. Twee verhalende historische bronnen uit de middeleeuwen / onder redactie van P.H.D. Leupen et al. – Den Haag, Martinus Nijhoff, 1987. – p. 55-57.
In de Vita Sancti Adalberti Confessoris [Abbreviatio] luidt het :
«Toen Rorik, de koning van de barbaren, zag dat de kapel van de heilige door zand was ondergestoven, beval hij zijn gevolg dit de volgende dag te verwijderen. ’s Nachts echter werd die zandhoop door de verdiensten van de heilige helemaal verwijderd.» (idem, p. 77-79).
In zijn Kronyk van Egmond maakte Jan van Leiden er van :
«Als ook op eenen anderen tyt Rôrik Koning van Noorwegen, by die Kerke aangeland was, en zyne onderhoorigen gelast had den naastgelegen Duyn van die Kerke te verplaatzen, hebben zy alle den volgenden morgen, om den Konings bevel uit te voeren by en gekomen zijnde, bevonden dat de Duyn een steen worp verder dan hy te vooren gelegen had, van de Kerk af lag.» (Kronyk van Egmond, p. 6-7); “barbaren” vertaald hij gelijk maar met Noorwegen en sindsdien wordt dat overgeschreven.

8. De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 289. De band is waarschijnlijk gelegd doordat in de Evangelieaantekeningen van de Egmondse abdij een Osdem voorkomt, dat natuurlijk op Oesdom zowel als op Osdenne lijkt, zie : Uit het Egmonds Evangelieboek (vijftiende eeuws afschrift). Omdat de legende zo moeilijk te Oesdom kan worden geplaatst is er ook geprobeerd om van Osdenne Huisduinen te maken, zie : Huisduinen.

9. Ex miraculis S. Donatiani Brugensibus; geschreven onder Boudewijn V van Vlaanderen tussen 1080 en 1089. In : Monvmenta Germaniae Historica. Scriptorum. [Folio] Tomi XV. Pars II. – Hannoverae : Impensis Bibliopolii Hahniani, 1888. – p. 856, zie : MGH.

10. Geciteerd naar : De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood, t.a.p., p. 21-22.

11. De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood, t.a.p., p. 22.

12. Kapel Evenementen neemt het argument over : «Even dacht men aan Ostende, maar het zou toch wel vreemd zijn als iemand uit Ostende nooit van Brugge heeft gehoord.»; maar voegt daar dan op eigen kracht aan toe : «De vrouw die naar Brugge ging, wist schijnbaar niets van de Maria verering van Heiloo.»

13. Zie : Meertens-Instituut, ongedateerd, 2005. Ook dr. M. Schönfeld verwierp de vereenzelviging van de naam Rorik met de Runxputte (Directe en indirecte Wikingerinvloeden op onze naamgeving. – In : Nagelaten opstellen / dr. M. Schönfeld. – Amsterdam : Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschapij, 1959. – p.37-38). Rorik treffen we wel aan als de naam van de elfde eeuwse bisschop van Amiens (Robert Ier le Frison, t.a.p., p. 16, noot 2, en p. 121). Merkwaardigerwijs bestaat er ook een Heilige Runtz in het département Haute-Rhin in Frankrijk, bij Bréchaumont, dat in 1460 Helgen Runs heette (Dictionnaire étymologique des noms de rivières et de montagnes en France, t.a.p.).
Er was een tijd dat geen enkele zichzelf respecterende plaats het zich kon veroorloven niet door de Noormannen te zijn geplunderd, waarbij er al snel legendevorming plaatsvond – afhankelijk van in wiens belang er geschreven werd – over een heldhaftig zich teweerstellende bevolking (de wereldlijke versie) dan wel een plaatselijke heilige die de Noormannen met wonderen op een afstand hield en de slachtofferbevolking beschermde (de geestelijke versie); vergelijk : Aagtenkerk (voor een aardbevingen veroorzakende anonieme Velsense maagd te Beverwijk).
Er zijn er die het met betrekking tot de Runxputte nog bonter maken, zoals Inge Cohen Rohleder in haar blog van 2 november 2008: «Ook in het Nederlandse Heiloo, waar het bedevaartsoord Maria ter Nood al honderden jaren gelovigen en nieuwsgierigen trekt om het “heilige water” uit de Runxput op te diepen en te drinken of in flesjes mee naar huis te nemen, waren de Canninefaten er eerder dan de Moederkerk. De Runxput dateert van ver vóór Christus en heeft kennelijk altijd geneeskrachtig water bevat – ook vóórdat de Moeder Gods haar glans erover liet schijnen. De brave Bonifatius, die uit Engeland kwam gevaren en ter hoogte van Egmond voet aan wal zette in het moerassige duinlandschap, stelde zich, zoals dat heet, flexibel op en maakte geen grote problemen over de verering van de Runxput. Zo werd een zeker respect betoond voor de religie van de Noordeuropese natuurvolken, die zich op hun beurt wel wilden verdiepen in Vader, Zoon, Geest en Moeder Gods. De laatste was eigenlijk heel vertrouwd, als moeder- en vruchtbaarheidsgodin. Gaia, Aarde.» (Mijn Denemarken).

14. Geciteerd naar : Maria’s heerlijkheid in Nederland, t.a.p., p. 100, daaruit overgenomen in : De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood, t.a.p., p. 11; zonder bronopggave. De bron is : Leenbrief van Harper van Foreest / P.M. Grijpink. – In : Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem. – 31ste jaargang, 1908, p. 126.

15. Een bedevaart naar Heiloo, aangehaald in : De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood, t.a.p., p. 14.

16. De bedevaartsplaats Heiloo in de winter van 1713 op 1714, t.a.p., p. 258.

17. De bedevaartsplaats Heiloo in de winter van 1713 op 1714, t.a.p., p. 264.

18. Dit schilderij schijnt in 1909 nog in het Bisschoppelijk museum te Haarlem te hebben gehangen, zie : Maria’s heerlijkheid in Nederland, t.a.p., p. 104, noot 2. Momenteel hangt in het Museum Catharijneconvent te Utrecht, zie : Een religieuze picknick in Heiloo (aanwezig in 2007 op de site van de omroep AVRO, nu nog op de site van het bisdom Haarlem, zie ook : Beeldenstorm : close-ups van kunst uit Nederlandse musea / Henk van Os. – Amsterdam : Amsterdam University Press, 1998. – 190 p. – p. 111). Een Gerrit de Jongh was in 1636 lid van het Lucasgilde te Alkmaar (De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood, t.a.p., p. 11, zonder bronopgave). Gerrit de Jongh wordt vermeld als schilder die in 1631 lid was van het gilde te Alkmaar, zie : Niederländisches Künster Lexicon / Dr. Alfred von Wurzbach. Erster Band, A-K. – Wien und Leipzig : Verlag von Halm und Goldmann, 1906. – kolom 761. Aldaar wordt verwezen naar : De groote Schouburgh der Nederlantsche Konstschilders en Schilderessen / Arn. Houbraken. – 3 delen. Amsterdam, 1718-1729, ook vertaald in het Duits door Alfred Wurzbach, Wien, 1880, en naar : Archief voor Nederlandsche Kunstgeschiedenis. Deel I-VII / Obreen. – 1877-1887.

19. Volgens Kapel Evenementen gaat het om de familie Maquette uit Heemskerk. Bedoeld zijn waarschijnlijk de bewoners van het huis Marquette te Heemskerk; een bron ontbreekt. Kasteel Marquette was in 1630 eigendom van de protestantse Hendrik de Hertaing, dus die zal het niet zijn.

20. De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood, t.a.p., p. 13. Het gaat niet om het midden van de zeventiende eeuw, maar om 1672, zie verderop.

21. Studiën op godsdienstig, wetenschappelijk en letterkundig gebied, t.a.p., p. 152-153.

22. Maria’s heerlijkheid in Nederland, t.a.p., p. 104.

23. Maria’s heerlijkheid in Nederland, t.a.p., p. 105.

24. De ommegangen en Bedevaarten naar Heiloo en Oesdom in 1713 en 1714, t.a.p., p. 151-152.

25. De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood, t.a.p., p. 13.

26. Maria’s heerlijkheid in Nederland, t.a.p., p.  6-7.

27. Maria’s heerlijkheid in Nederland, t.a.p., p.  125.

28. Maria’s heerlijkheid in Nederland, t.a.p., p.  104. En de volgorde wordt door J.A.F. Kronenburg weer omgekeerd : «Een schilderstuk van 1630 veraanschouwelijkte dat gerucht»; zo wordt de suggestie gewekt dat het schilderij in plaats van oorzaak juist gevolg van het gerucht zou zijn. J.A.F. Kronenburg had ongetwijfeld het verkeerde schilderij voor ogen.

29. In 1837 werd de kerk vervangen door het huidige gebouw aan de Jodenbreestraat, zie : De Mozes & Aäronkerk. Het bestaan van de kerk wordt aangevoerd als bewijs dat er ‘niet enkel’ joden in deze wijk woonden. Het lijkt er meer op dat katholieken hier bescherming van joden genoten.

30. Zie : Meertens-Instituut, ongedateerd, 2005.

31. Mogelijk gaat het om R.H. Schellius, die in 1666 te Amsterdam Libertas Publica uitgaf, ook in vertaling als De gemene Vryheit.

32. Omdat niet de oorspronkelijke prent wordt weergegeven is het ook mogelijk dat de naam van de drukker oorspronkelijk op de plaats van de inzet of het gedicht stond en dat zowel inzet als gedicht pas later zijn ingevoegd, bijvoorbeeld na 1697, toen de naam ‘Runxput’ elders voor het eerst in schrift verscheen. In dat geval zou drs. Joan P.H. Bertrand zich schuldig hebben gemaakt aan een culpa levi door met de jaartallen te stoeien van twee verschillende drukken van een prent.

33. De (mogelijke) betekenis van alle Noordhollandse plaatsnamen van Aagtdorp tot Zwanenburg, t.a.p., p. 106. Voor Osdenne en Rorik wordt geen bron opgegeven.

34. De bedevaartsplaats Heiloo in de winter van 1713 op 1714, t.a.p., p. 265. Verbazingwekkend is de vaststelling : “Het duurt dan waarschijnlijk tot het eind der 17e eeuw voor men de naam van de put in geschriften weer terugvindt”, omdat de naam dan nieuw verschijnt.

35. De bedevaartsplaats Heiloo in de winter van 1713 op 1714, t.a.p., p. 265. Wat betekent dat de naam eerst in 1713 ontstaan kan zijn. “Van Eden” is Frederik Willem van Eeden, vader van de schrijver Frederik van Eeden.

36. Heilige plaatsen in het bisdom van Haarlem, I, St. Willibrordsput en de preekstoel te Heilo / J.A. de Rijk, pr, in : Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem, dl. 1. – Haarlem : A.B. van den Heuvel, 1873, p. 230.

37. De genoemde bron uit het eind der zeventiende eeuw is : Litaniae ad beatam virginem Mariam / Authore Paul Estoras [Fürst Paul Esterhazy von Galantha]. – Wien : L. Voigt, 1697. – 101 p. De passage is te vinden op p. 47.

38. Heiloo, geschiedenis en verklaring van de straatnamen, t.a.p., p. 64; bron : Universiteitsbibliotheek Leiden, Collectie Badel Nijenhuis, de naam van de krant wordt niet gegeven. De twee putgravers verdienen natuurlijk een bescheiden standbeeldje – met schoppen in de hand – op het perron van de N.S.-halte Kapelweg.

39. Naar : Studiën op godsdienstig, wetenschappelijk en letterkundig gebied, t.a.p., p. 125-126, bron : Europische Mercurius, XXVe stuk, Tweede deel, p. 100; hetzelfde met enige spellingsafwijkingen hieruit overgenomen in : Maria’s heerlijkheid in Nederland, t.a.p., p. 107-108. In : De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood, t.a.p., p. 22-23, en naar deze in : De Runxputte, t.a.p., p.  22-23, staat een bewerkte versie : "In onze aflevering van vandaag treft u een bericht aan over de grote sterfte onder het rundvee.
Wij kunnen bij deze gelegenheid niet verzuimen hier een verhaal af te drukken, dat door de ‘papen’ verzonnen is. ’t Zou zich afgespeeld hebben op de zogenaamde ‘heilige grond’ tussen Heiloo en Limmen, twee bekende dorpen in de buurt van Alkmaar. Op deze plek stond voor vele jaren terug een kapel, berucht door haar zogenaamde mirakelen.
Het grootste wonder was wel dat de Moeder Gods daar tussen de muurbrokken van de ruïne verschenen zou zijn. Aldaar is plotseling – aldus het paapse verhaal – in de nacht van de Onbevlekte Ontvangenis de oude Runxputte tot leven gekomen. Dat ging gepaard, zo menen enige simpele zielen, met geluid van hemelse stemmen, die de plaats van de springbron aangaven.
Rond vermelde plek staan enkel drie of vier huizen, die als herbergen zijn ingericht voor de bedevaart-gangers die hier van alle kanten heen komen om te bidden.
De bewoners van deze huizen, hebben ’s nachts in het donker, deze waterfontein die met felle stralen omhoogspoot, ontdekt en dit als wonder verder verteld. Ze voegden er aan toe dat dit water heilig was en een voortreffelijk geneesmiddel tegen de heersende runderpest.
Eén der kasteleins hield dit zodanig ‘met stijve kaken’ vol, dat zijn verzinsel bij de eenvoudige roomsen geloof vond en overal verspreid werd. Tengevolge hiervan begaven de boeren zich van heinde en verre met kannen en kruiken naar de Runxputte om het heilige water te gaan halen dat hun zieke beesten zou genezen.
De toeloop van deze onnozelaars is de eerste dagen na het voorgewende mirakel ongewoon groot geweest. Doch de toeloop hield welhaast op toen het water geen effect bleek te hebben en verstandige lieden, ofschoon ze rooms waren, duidelijk inzagen dat dit zogenaamde wonder een slimme zet van de kastelein en zijn vrouw was om hun slappe nering wat op te voeren.”

40. De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood, t.a.p., p. 9-10.

41. De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood, t.a.p., p. 27. Kapel Evenementen meldt het bestaan van een publicatie Genezend bronwater met geuzenbloed / door Bob de Mon, journalist van het Noordhollands Dagblad.

42. Maria’s heerlijkheid in Nederland, t.a.p., p. 112.

43. Studiën op godsdienstig, wetenschappelijk en letterkundig gebied, t.a.p., p. 144.

44. Maria’s heerlijkheid in Nederland, t.a.p., p. 115-118.

45. Maria’s heerlijkheid in Nederland, t.a.p., p. 118.

46. Hartjesdag, “de eerste maandag na 15 augustus, vanouds voor de kleine burgerij te Amsterdam en Haarlem een dag van allerlei meer of minder losbandig vermaak” (Van Dale, 12de druk).

47. De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood, t.a.p., p. 35. De belangrijkste bron voor de gebeurtenissen van 1751-1754 is : Gedenkschriften / Jan de Boer. – Handschrift in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, als bron opgegeven in De bedevaartsplaats Heiloo en De Runxputte.

48. Maria’s heerlijkheid in Nederland, t.a.p., p. 99.

49. ’t Putje van Heiloo / Ottie Thiers. – Hilversum : Uitgeverij Verloren, 2005. – 231 p. – p. 11 (Ter inleiding).

50. ’t Putje van Heiloo, t.a.p., p. 18.

51. ’t Putje van Heiloo, t.a.p., p. 18.

52. ’t Putje van Heiloo, t.a.p., p. 197, noot 26. Vergelijk : Onze Lieve Vrouw ter Nood, voorheen en thans / W. Nolet. – Alkmaar : Van Putten & Oostmeyer, 1933. – p. 9-13; en : De willibrordusput te Heiloo, opgravingen en historische achtergronden / H. Halbertsma. – In : Alkmaars Jaarboekje, jaargang 3, 1967, p. 42-63, aldaar p. 58-61. In 2008 verscheen ook de site : Onze Lieve Vrouw ter Nood, met als rector dr. M.A.L. Wagemaker en verantwoordelijk voor het secretariaat zuster Humilia, met getemperde aanspraken, want het begint niet langer vóór 1409, en van een Maria-verschijning in 1630 wordt geen gewag meer gemaakt.

53. De Navorscher. – Amsterdam : Fredrik Muller. – Twaalfde jaargang, nieuwe reeks, 2de jaargang, 1862. – p. 294-295. In De Navorscher, dl. XII, verscheen nog een artikel over de Runksputte van de hand van C.W. Bruinvis,

54. Stad- en dorpbeschrijver van Nederland / door L. van Ollefen. – heruitgave. – Zaltbommel : Europese Bibliotheek, 1976. – 366 p. – (Zaltbommelsche herdrukken). – (Oorspronkelijke uitgave: Amsterdam : H.A. Banse, 1796).

55. Ons voorgeslacht, deel 1, t.a.p., p. 50.

56. Twaalf eeuwen Kennemer Historiën / H.C. Prinsen Geerlings. – Alkmaar, 1939. – 95 p. – p. 11-12. Zonder bronopgave.

57. Oude ansichten van Heiloo / red. Henk Jellema en Alphons F.J. Leusen. – Tweede druk. – Schoorl : Uitgeverij Pirola, 1986. – 159 p. – p. 72, 149, 151 en 153

58. Heiloo, geschiedenis en verklaring van de straatnamen, t.a.p., p. 108.

59. Heiloo, geschiedenis en verklaring van de straatnamen, t.a.p., p. 108.

60. Bijdragen geschiedenis bisdom van Haarlem, 36e dl., Leiden, 1915, p. 46-49

61. Vraagtekens bij het vroegmoderne kersteningsoffensief / Willem Frijthof. – p. 91. Het is nogal vergezocht allemaal : er zijn altijd gezamenlijke zowel als individuele bedevaarten, en bedevaarten en handel horen nu eenmaal bij elkaar.

62. Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom van Haarlem, Utrecht : Wed. J.R. van Rossum, 1918. – p. 319-320.

63. Praktijk Hagetessa. Video-clips openen nieuwe mogelijkheden : Healing from Runxputte Music, waar het produkt beter verkoopt door het homeopathisch in hindoeisme te verdunnen. Heiloo-kraanwater in Cola-flessen, waarom ook niet ? Onder muzikale begeleiding van de Volendamse rockers The Cats wordt het natuurlijk nog beter : Magical Mystery Morning (by Dion de Kraker) Runxputte 2. Heel geestverruimend, die devotionele innovatie !


Start : 22 november 2003 | Laatst bijgewerkt : 26 februari 2012

Schilderij Runxputte

Gerrit de Jongh, De Capel van Ons Lieve Vrouwe te Runcxputte te Heyloe in Oesdom, 1630; niets dat op een Maria-verschijning lijkt
(Utrecht, Museum Catharijneconvent, inv. nr. BHM s473b)
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Prent

«Afbeeldinge vande Capelle van ons Lie-Vravw te rvncx-pvtten anders genaemt ter noot tot heylo in oesdvm»
Uitgegeven in 1690 te Amsterdam door Frederik de Wit, bewerkte afdruk van ná 1690
(Werkgroep Oud-Heiloo, in bruikleen van de gemeente Heiloo)
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Later schilderij

Een veel later schilderij, nu wél met een vage Maria tussen de muren, naar bovenstaande prent, is voor het schilderij van Gerrit de Jongh uit 1630 gehouden
De schilder wordt niet vermeld en ook een jaartal wordt niet gegeven (achttiende eeuw)
(Collectie Rectoraat O.L. Vrouw ter Nood), overgenomen van Kapel Evenementen; zie ook : Meertens Instituut
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Schilderij

Latere afbeelding, nu wel met Maria-verschijning
Bron onbekend, achttiende eeuw, overgenomen van Kapel Evenementen
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Prent

Een variant met Willibrord, die toch een heel andere put had
Uit : Antiquitates Belgica, of Nederlandsche Outheden...met konstprinten verrijkt. – Amsterdam : Jacob van Royen, 1700, tegenover p. 189. De kapel der L. Vrouw ter Nood, tot Heiloo.
Bijschrift : Willibrord, met op de achtergrond de kapel van de Lieve Vrouwe ter Nood in Heiloo. Collectie Provinciale Atlas Noord-Holland (Aanvraagnummer NL-HlmNHA_359_001503_K)
Bron : Canon van de Noordkop
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Devotieplaatje

Mensen komen water halen, 1713
Overgenomen van Kapel Evenementen
Het Meertens Instituut geeft de volgende beschrijving (zonder afbeelding) : «1 devotiegravure na 1713 gemaakt door Paulus van de Sande van de kapelruïne met Maria, de ontsprongen bron en de bedevaartgangers op het terrein, met twee inzettekeningetjes van de kapel in 1573 en de fundamenten van de kapel in 1637; de tekst onder de afbeelding luidt: ‘Afbeldinge vande capelle van ons lie vrouw te Runcx putten anders genae[m]t ter noot tot Heylo in Oesdun. Dit pulic [sic] is weder ontspronge op de nagt van ons lieve vrouwe ontfanckenis int jaer 1713’; de prent was te koop bij Willem van Bloemen in de Kalverstraat te Amsterdam (Museum Catharijneconvent (MCC), BMH dp 3490; 16,6 x 21,4 cm); van deze prent zijn verschillende latere versies gedrukt, ook op kleiner formaat en op (ingekleurd) perkament (vgl. MCC, BMH dp 2207, 3489, 3494; ABM 1913)»
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Devotieplaatje

Devotieplaatje

Devotieplaatje, 1934
(Archief IJpelaan)
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Devotieplaatje

Omstr. Alkmaar – Heilo, Runxputte en – een welvarend – café St. Willibrordus te Oesdom, ansichtkaart
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)