VorigePlaatsen in KennemerlandVolgende

Egmondse bronnen : Inleiding

Inhoud van deze pagina

  1. De monniken die Holland een verleden gaven
  2. De “bella diplomatica” uit het interbellum
    1. Prof. dr. Johan Huizinga (1872-1945)
    2. Dr. M. de Jong Hz. (?-?)
    3. Prof. dr. Coenraad Dirk Jan Brandt (1897-1966)
    4. Dr. Petrus Anne Meilink (1880-1956)
  3. De uitgave van de Annalen uit 2007
    1. Het wegmoffelen van de bronnen
    2. Het negeren van de strijdschriften
    3. De vergeten terminus ante quem of hoe alles ouder en echter wordt gemaakt
  4. Bijlagen
    1. De vroeg-middeleeuwse geschiedenis van het klooster volgens de huidige Adelbertusabdij
    2. Dr. J.K. de Cock, De goederen van de Egmondse kerk in 922
    Noten

1. De monniken die Holland een verleden gaven

Voor het ontrafelen van de Egmondse mythe kan hier enkel materiaal worden aangedragen. De documentatie van het bisdom Trajectum (Tournehem) komt na de invallen van de Noormannen meest waarschijnlijk terecht in de St.-Bertijnsabdij te St. Omaars. Een deel van de documentatie wordt vandaar naar Gent overgebracht. De ‘Hollandse graven’, tot dan graven in Fresia (het gebied ten noorden van Artesië) genaamd, komen vanuit dezelfde omgeving naar Gent. In het tweede kwart van de twaalfde eeuw wordt de abdij van Egmond vanuit Gent gesticht en het krijgt de documentatie van Trajectum mee die nog weer later geleidelijk op Holland en Utrecht wordt betrokken (1), feitelijk echter pas nadat Echternach in 1156 via Utrecht in Holland aanspraak maakte op ‘voormalig bezit’ (2).

Van de Egmondse abdij is ooit aangenomen dat deze al vóór 640 zou zijn gesticht; de Annalen van Egmond beginnen immers met een bericht uit dat jaar (3). Het gaat daarbij aantoonbaar om overschrijfsels uit annalen afkomstig vanuit veel zuidelijker streken, met name bronnen uit Gent en St.-Omaars (vooral afschriften van Sigebert van Gembloux en Regino von Prüm). Momenteel wordt algemeen aangenomen dat de stichting niet eerder dan rond 940 plaatsvond – de periode waarin graaf Dirk I schenkingen zou hebben gedaan, althans volgens beweringen van honderden jaren later. Toch gaf de abdij geen teken van leven vóór 1130, het werkelijke jaar van de stichting waarna de kerk eerst in 1143 werd ingewijd. Vóór die tijd kan aan het schrijven van heiligenlevens en dodenboekjes, laat staan aan ware Annalen en een heus Gravenregisters door het handjevol monniken dat wel wat anders te doen had nauwelijks veel aandacht zijn besteed (4). Het is uit veel latere ‘afschriften’ – wanneer niet nieuw opgesteld dan toch in ieder geval vervalst – dat we ons een beeld moeten vormen van het werkelijke ontstaan en de ontwikkeling van de abdij. Daarbij dient een werkelijkheid waarvan de juistheid enigszins kan worden nagegaan te worden onderscheiden van allerlei latere loutere beweringen.

Laten we beginnen met het algemene oordeel van een moderne Egmondse monnik :

«De oudste Egmondse geschiedbronnen zijn niet zozeer van belang voor de kloostergeschiedenis als wel voor die van het graafschap Holland. Ze bevatten de weinige beschikbare personalia over de eerste graven en gunnen ons een blik op de verschillende ontwikkelingsstadia van het graafschap. Dit verklaart de belangstelling voor deze geschiedbronnen. Tal van publicaties, zowel tekstuitgaven als studies, hebben het licht gezien en getracht duidelijkheid te scheppen in de onoverzichtelijke chaos die het voorhanden materiaal bood. Ik zeg hier uitdrukkelijk ‘getracht’ want het resultaat, is, om de woorden van de laatste onderzoeker te gebruiken, ‘vrij teleurstellend geweest’ (a1). Een overzicht van deze uitgaven en studies vindt men in de uitgave van Oppermann, Fontes Egmundenses. Dit laatste werk heeft een serie reacties ontketend, voor en tegen, die haar voorlopige afsluiting gevonden heeft in een reeks artikelen van Meilink. Hierop kunnen we steunen als voorlopig eindresultaat van het werk door Oppermann aangevangen (a2). Tegenwoordig wordt wel algemeen aangenomen dat de eindconclusies van Meilink een gematigde rectificatie betekenen van Oppermanns wat al te voortvarende kritiek.» (5).
a1. Meilink, Geschiedbronnen p. 1
a2. Met Romein-Bruch p. 10.

Otto Opperman gaf de Egmondse bronnen in 1933 uit in een eerste moderne tekst-kritische editie die onovertroffen is maar die wel toe is aan een nieuwe uitgave met daarin opgenomen nog verdergaande gevolgtrekkingen. Hij betwijfelde de echtheid van vele documenten en kwam met dateringen die veel jonger waren dan de ontstaanstijd die tot dan toe voor de documenten was aangenomen. Het was vervolgens aan dr. P.A. Meilink om – in plaats van deze weg ten einde te lopen – op de “al te voortvarende” – en vooral ongewenste – kritiek ervan zoveel mogelijk af te dingen; vooral in een poging om een aantal documenten over de kritische grens van wat omstreden datums heen te helpen (“een gematigde rectificatie”), vooral met betrekking tot het jaar waarin de Egmondse abdij volgens de eigen documentatie was gesticht. Voor eerdere perioden ontbreekt in de documentatie van de Egmondse abdij zélf namelijk iedere verwijzing naar een bestaand hebbend klooster en oorspronkelijke documenten van vóór die tijd zijn er niet.

Hieronder volgt – ter inleiding, opdat we nauwkeurig weten met welke mythe we van doen hebben – eerst de vroeg-middeleeuwse geschiedenis van de Egmondse abdij in de versie die het huidige klooster nog altijd aan de bezoekende gelovigen voorhoudt. Daarin worden niet weinig ‘zekerheden’ opgevoerd die als zodanig niet te vinden zijn in de ‘wetenschappelijke’ geschiedenis, geschreven door één van de moderne kloosterlingen – van een nieuwe abdij die geen historische samenhang heeft met de eerdere –, maar waarin wél in allerlei bespiegelende beschouwingen over ‘mogelijkheden’ (of wensdromen) in de openbaarheid worden gebracht. Het is allemaal ouderwets-traditionalistisch; nieuw is alleen de aanspraak op moderne wetenschappelijkheid met in het voorwoord de benedictie van de Utrechtse prof. dr. F.W.N. Hugenholtz.

Daarop volgt een tekst die een goed voorbeeld geeft van de traditionalistische werkwijze. Er wordt uitgegaan van de echtheid van de ‘koningsoorkonde’ van 922, onder verwijzing naar Otto Oppermann, maar zonder te vermelden dat deze de ‘oorkonde’ als een vervalsing had gebrandmerkt, en naar A.C.F. Koch die dat zoveel mogeljk afzwakte (6). Vervolgens wordt de lijst nagegaan van schenkingen aan het klooster door de verschillende Hollandse graven, een lijst die pas in de vijftiende eeuw tot stand kwam en die eveneens een vervalsing is gebleken (7). Dan worden bezittingen opgesomd uit 1225 die niet in die lijsten voorkomen en wordt er verondersteld dat die “zeer goed” van vóór 922 zouden kunnen dateren. Zo is er geen enkel respect voor de chronologie van de documenten en wordt er veronderstellenderwijs de ouderdom van het klooster speculatief met eeuwen opgerekt, zelfs tot vóór de aangenomen stichting rond 940; met op de achtergrond het verlangen de geschiedenis geleidelijk nog verder te kunnen terugvoeren tot... 640, het jaar waarin de Annalen van Egmond beginnen. De archeologie, die in het artikel zo goed als afwezig is, weerspreekt een dergelijke ‘reconstructie’ terwijl er geen documenten van vóór de twaalfde eeuw bestaan; de meesten zijn zelfs alleen uit veel latere bewerkte ‘afschriften’ bekend die traditionalistisch kritiekloos worden benaderd alsof het om originelen zou gaan.

2. De “bella diplomatica” uit het interbellum

De Utrechtse rijksarchivaris, geschiedschrijver en museumdirecteur Samuel Muller Fzn. (1848-1922), grondlegger van de Nederlandse archiefwetenschap, haalde Otto Oppermann in 1904 naar Utrecht om de oorkondenleer te beoefenen en te onderwijzen, een tot dan in Nederland onbekende discipline. Tussen de twee kwam het vervolgens tot onenigheid vooral omdat Muller het Utrechtse Oorkondenboek (verschenen 1920) zo snel mogelijk wilde laten verschijnen (eerst uitgave, dan kritiek) terwijl Oppermann meende dat er een kritische en meer definitieve uitgave diende te komen met beoordeling van onder andere de echtheid van de oorkonden. Oppermann protesteerde eveneens en op dezelfde grond tegen de uitgave van het Oorkondenboek van Holland en Zeeland door Obreen in 1937 : «De gebruiker wordt daardoor op ergerlijke wijze misleid.», en wel met «noodlottige gevolgen» (8).

Het is niet nodig alle pogingen tot weerlegging van de conclusies van Otto Oppermann en de reacties daarop hier in hun geheel weer te geven omdat ze, in tegenstelling tot zijn belangrijkste bevindingen, al op het web zijn te vinden (9).

Het probleem is niet dat Otto Oppermann “hyperkritisch” was – kortom, roet in het eten gooide en de pret bedierf –, maar dat hij maar half door had wat er aan de hand was. Hij gaat niet tot het einde voor de Gentse achtergrond van de graven en monniken, en allerlei mythes die net buiten zijn onderzoeksterrein lagen werden door hem onverkort overgenomen; zo doorzag hij de valsheid niet van de Echternachse aanspraken die pas in 1156 begonnen en handhaafde hij wat kleinere mythen (10).

a. Prof. dr. Johan Huizinga (1872-1945)

Bij verschijnen van Untersuchungen (1919-1921) kwam er nauwelijk enige schriftelijke reaktie; de uitgave werd in de tijdschriften medegedeeld, punt uit. Vervolgens is het niemand minder dan prof. dr. Johan Huizinga die in 1923 reageert – niet op de conclusies van Otto Oppermann zélf, maar op het proefschrift van één van diens leerlingen : C.D.J. Brandt :

«Het is reeds meer dan een jaar geleden, dat de Heer Brandt op de hierboven vermelde dissertatie te Utrecht den doctorsgraad verwierf. Zij verscheen tevens als deel VI der Bijdragen van het Instituut voor Middeleeuwsche Geschiedenis der Rijksuniversiteit te Utrecht, uitgegeven door Prof. Dr. O. Oppermann. Nu tot dusver geen onzer mediaevisten zich geroepen schijnt te hebben gevoeld, de hier geboden resultaten te beproeven, zie ik mij genoodzaakt, die taak op mij te nemen. Ik doe dat ongaarne, want het moet den schijn hebben, alsof het er mij om te doen is, eigen conclusiën, die ik zeventien jaar geleden in dit tijdschrift openbaar maakte, en die thans door den schrijver van dit proefschrift worden aangetast, tegenover zijn kritiek te handhaven. Toch zou ik het vellen van een oordeel in dezen rustig aan het gezond verstand der Nederlandsche historici hebben overgelaten, wanneer ik het niet als een plicht tegenover de vaderlandsche wetenschap had beschouwd, om te verhoeden, dat men op haar het : wie zwijgt, stemt toe, zou toepassen. Aan het eind van deze beschouwingen moge de lezer oordeelen, of er reden was, hier van een noodwendig vertoog te spreken.» (11)

Kortom, Johan Huizinga waagt het niet zich te vergrijpen aan de conclusies van Otto Oppermann, maar hij keert zich wel tegen diens “school”, verder schrijft hij :

«De methode is formeel zeer streng. Uitgaande van de palaeografische kritiek worden telkens de resultaten samengevat en de conclusiën getrokken, alvorens verder te gaan. Teneinde aan te toonen, dat de methode in werkelijkheid buitengewoon zwak is, zal het noodig zijn, het geheele betoog van den schrijver, zoo niet op den voet te volgen, dan toch in al zijn deelen na te gaan.» (12)

Opvallend is ook de volgende zin, omdat het argument later – geheel ten onrechte – ook tegen Oppermann zélf zal worden gekeerd :

«Het is de fatale fout der hypercritici, dat zij, in de analyse schijnbaar exact en inductief, in de synthese aan de wildste veronderstellingen ten prooi moeten vallen.» (13)

Hier valt de term “hypercritisch” voor het eerst, maar zonder nog betrekking te hebben op het werk van Otto Oppermann. Dat er aan de “wildste veronderstellingen ten prooi” zou zijn gevallen is onbeschaamd en onbehoorlijk, want heel het traditionalisme komt voort uit opeengestapelde “veronderstellingen” die door prof. dr. Johan Huizinga zelf aan geen enkel serieus kritisch onderzoek zijn onderworpen.

Maar dan volgt toch nog een serieus verwijt (dreigement ?) aan Otto Oppermann :

«De blaam daarvoor treft niet den schrijver van deze dissertatie. Dat een jong en onervaren historicus, die, ook blijkens zijn gebrekkig ontwikkeld taalgevoel, nog niet de man is voor fijne, psychologische conclusiën, de methode zijns leermeesters overdrijft en talrijke fouten maakt, is vergefelijk. Ergerlijk echter is het, dat zulk werk wordt uitgelokt, aangemoedigd en goedgekeurd door een zeer geleerd en ervaren geschiedvorscher als Dr. Oppermann.» (14)

Zo worden in twee zinnen twee mensen en een hele ‘school’ academisch naar de verdoemenis gecomplimenteerd. Kortom, Johan Huizinga aanvaardt (wellicht met tegenzin, dat weten we niet, maar de traditionalisten kunnen zich niet op Huizinga beroepen) de ‘conclusiën’ van Otto Oppermann zélf, maar hij verwijt deze ongeveer dat hij zijn leerlingen de verkeerde kant op stuurt. Als we goed lezen, dan speelt Johan Huizinga ondertussen heel hoog op : C.D.J. Brandt verdient eigenlijk zijn titel niet, en Otto Oppermann vermag dergelijke titels niet te verstrekken.

Dan vervolgt Johan Huizinga met wat schijnwijsheid :

«De kritiek op het werkje van Dr. Brandt is vrij gemakkelijk; hij legt het er al te dik op. Men zou hem het enfant terrible uit Oppermann’s school kunnen noemen. Er zijn werken uit die school, in de eerste plaats die van Oppermann zelf, welke veel hooger staan door omvang van geleerdheid en scherpzinnigheid van combinatie. Zij dragen echter alle het grondeuvel van de stelselmatige hyperkritiek, verbonden met de neiging tot fantastische constructie, die daarvan zoo goed als onafscheidelijk is. De heilzame twijfel, die op het veld der middeleeuwsche oorkondengeschiedenis zooveel onkruid heeft uitgewied, is bij ons te lande te laat ontwaakt. Het is ons ongeluk geweest, dat die twijfel, eenmaal hier doordringend, dat deed als twijfelzucht, tot leidend beginsel verheven in plaats van te dienen als methodisch controlemiddel. Voor de toekomst der vaderlandsche geschiedbeoefening is dit een ernstige schade. Al wie in het vervolg dit toch al zoo schrale terrein onzer middeleeuwen wil bewerken, moet eerst al de steenen des aanstoots opruimen, die Oppermann’s school op dat veld heeft gestrooid. Dat wil zeggen : hij zal zich voor elk détail het moeizame werk moeten getroosten, zelf opnieuw te onderzoeken, waar in dit alles de gezonde kritiek ophoudt en de ongegronde ergdenkendheid en willekeurige constructie beginnen. Menigeen zal daardoor worden afgeschrikt.
Het bedroevende is vooral, dat deze methode met haar schijnbare exactheid zich, als het wisselkind van het volksgeloof, in de plaats dringt van den echten historischen zin, die aanvang en einde moet zijn van alle geschiedvorsching.»
 (15)

O ja, prof. dr. Johan Huizinga verdedigde dat “den echte historische zin” een zekere “dichterlijke intuïtie” niet mocht ontberen; wat, als je daar wat langer over nadenkt, natuurlijk heel romantisch is, maar waarmee toch ook niet echt veel problemen van historiciteit met enige zekerheid worden opgelost. Voor zijn Herfsttij der Middeleeuwen (1919) gebruikte Johan Huizinga juist géén archiefstukken, maar uitsluitend kronieken en literatuur, en schreef hij tamelijk gemaniëreerd plechtstatig-lyrisch in de geest van de Tachtigers.

Daarop komt een uitvoerig antwoord van een kritische leerling van Otto Oppermann, de zachtmoedige dr. Nicolaas Bernardus Tenhaeff (16), die Johan Huizinga verwijt via de leerling de meester te willen treffen (toch niet heel gek, maar het is geen eersterangs argument), een verwijt dat hij later – in een voetnoot – afzwakt.

«Ik zou nu achteraf over Huizinga’s “aanval” anders willen schrijven, dan ik hier en in het Archievenblad deed. De scherpte van Huizinga’s toon deed mij voorbijzien, dat zijn veroordeeling even goed een zakelijk uitgangspunt had. Maar wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven. Die scherpte van toon had mij trouwens dieper geraakt dan alleen in mijn “wetenschappelijke overtuiging”. Onverkwikkelijke en onvruchtbare bezigheid, dat polemiseeren .... Zelden bevredigend.» (17)

Ten Haeff voegt zich vervolgens netjes in de academische pikorde en laat het verder op z’n beloop. Van verdere reacties van Johan Huizinga is verder ook niets bekend, zodat de kwestie vervolgens jarenlang hangende bleef.

De polemiek Huizinga-Ten Haeff ontbreekt vanzelfsprekend in de literatuuropgaven van de nieuwste uitgave van de Egmondse annalen uit 2007.

b. Dr. M. de Jong Hz. (?-?)

Na het verschijnen van de Fontes Egmundenses is de Amsterdamse dr. M. de Jong Hz. de eerste die in 1932-1933 reageert (18). Geheel anders dan Johan Huizinga richt hij zijn pijlen niet op de leerlingen van Otto Opperman, of diens “school”, maar op het werk van Otto Oppermann zélf. In zijn kritiek wordt vooral een tamelijk hopeloze verdediging van de echtheid van het charter van 1083 ondernomen (Johan Huizinga heeft dat zelfs nooit geprobeerd, en hij is dr. M. de Jong Hz. ook niet bijgevallen), in twee hoofdstukken wordt eerdere discussie weergegeven, vanaf hoofdstuk III wordt geprobeerd de paleografische en diplomatieke bewijslast van Otto Oppermann te ondergraven, verder wordt vooral diens methode onder vuur genomen, net als de historische reconstructie waarvan Otto Oppermann zich bedient om de onechtheid van stukken te verklaren. Maar De Jong begint met allerlei –  onbewijsbare – traditionalistische beweringen die hij nu juist eerst diende te onderbouwen.

«Prof. Oppermann is een diplomaticus, van wien streng rekenschap gevraagd mag worden. Wanneer zijn kritiek juist is – voor drie-kwart juist kan ze niet zijn, omdat, wanneer ook maar een tiende onjuist zou blijken, zijn heele systeem in elkaar zakt –, dan is het gedaan met onze Middeleeuwse geschiedenis. Waar Oppermann’s kritiek gewoed heeft, daar groeit geen geschiedenis meer; daar is alle zekerheid, alle waarschijnlijkheid voor den doorsnee-onderzoeker opgeheven; daar tast men blind in den chaos rond en kan men slechts hopeloos stamelen : Hoe zou Oppermann er over denken?» (19)
«Wij hopen aangetoond te hebben, dat de methoden, die Oppermann over ons gebracht heeft, in plaats van exactheid en vertrouwenwekkende zekerheid te schenken, slechts verwarring gesticht hebben, hoopeloze verwarring ook in dit vraagstuk. Wij hebben iets te verdedigen tegen deze lapilli-regen : onze historische traditiën.» (20)
«Een zuiver palaeografisch-diplomatische methode is in de meeste gevallen niet mogelijk, getuige zelfs ook Oppermann, die op een weergalooze manier de historie verknippen en verwringen moet, omdat hij de diplomatiek, in haar gewaande exactheid, de leiding laat. Zij is bij hem geen hulpwetenschap meer, zij tyranniseert de historie, zooals de vorst tyranniseert, wien heerschersgaven ontbreken. Ten aanzien van de vraag, of een zekere oorkonde echt is of niet, behoort de historie dus haar rechten te hernemen. De geschiedkundige wetenschap heeft meer hulpwetenschappen tot haar beschikking dan palaeografie en diplomatiek alleen, zoo onder meer de filologie, toegepast als tekstkritiek. Maar zelve is zij de synthese van alle factoren, die invloed kunnen hebben op de beoordeeling van de echtheidsvraag. Zij omvat alles en zij staat er boven.» (21)
«Om tot ons charter terug te keeren: Wanneer we verder willen en verder kunnen, dan is dat alleen mogelijk door, met opzij zetting van Oppermann's eenzijdig formalistisch criticisme, aan te sluiten bij Kappeyne en Pols en, rekening houdende met historische werkelijkheid en psychologische mogelijkheid, te trachten door verstaande tekstkritiek nog een en ander aan de bronnen te ontpersen.» (22)

Met zijn “verstaande tekstkritiek” die rekening houdt met “psychologische mogelijkheden” en de traditionalistische werkelijkheid betoont dr. M. de Jong Hz. zich al net zo’n romanticus als Johan Huizinga. Hij vervolgt het jaar daarna met vreemde welwillendheid (23) :

«Niettemin zullen wij dankbaar zijn, wanneer een inderdaad valsch stuk, mits na onwederlegbaar bewijs, uitgeschift kan worden. Het mag ons eenig vertrouwen ontnemen, het bevordert de juistheid van onze kennis en verhoogt aan den anderen kant het vertrouwen in onze kritiek.
Wanneer evenwel een echt document van beteekenis, tengevolge van dwaling, voor vervalscht doorgaat, dan grijpt dit zeer diep in onze historische voorstellingen en begrippenwereld in, veel dieper dan wanneer men een valsch stuk voor echt houdt.»
 (24)

Een antwoord van Otto Oppermann op zoveel vooringenomenheid (een combinatie van grofheden, chauvinisme en onbenul) is niet bekend, maar academisch moet het artikel van Dr. M. de Jong Hz. met lede ogen zijn aangezien. Zijn werk wordt later niet meer aangehaald, en het ontbreekt vanzelfsprekend heel discreet in de literatuuropgave van de uitgave van de Egmondse annalen uit 2007. Dr. M. de Jong Hz. heeft ook weinig respect van zijn collega-traditionalisten ondervonden zodat zelfs zijn geboorte- en overlijdensjaar tamelijk onvindbaar zijn. Het is aan traditionalisten van het laatste uur, zoals Marco Mostert en Jurjen Vis, om deze ongerechtigheid ongedaan te maken.

c. Prof. dr. Coenraad Dirk Jan Brandt (1897-1966)

C.D.J. Brandt, de volgende criticus, was de oud-leerling van Otto Oppermann waarvan de doctoraalscriptie een schrobering kreeg van Johan Huizinga. Oppermann antwoord in Opmerkingen over de Hollandse stadsrechten der XIIIe eeuw (25). Brandt komt in 1923 in het Nederlandsch Archievenblad met relativeringen, en trekt sommige resultaten van Otto Oppermann voor afzonderljke oorkonden in twijfel (26), waarop Otto Oppermann onmiddellijk nauwgezet, eerlijk en zorgvuldig antwoordt (27). Otto Oppermann corrigeert het werkstuk in andere zin dan Johan Huizinga het eerdere.

Vervolgens blijft het een decenium stil, maar in 1934 volgt een tweede (28), waarop Otto Oppermann weer nauwgezet en tot in details antwoordt (29), en waarop weer een naschrift van Brandt volgt (30).

En dan volgt een derde (31), waarop Otto Oppermann opnieuw tot punt-voor-punt antwoordt (32), maar dat ook eindigt met :

«Men zal het, naar ik hoop, begrijpelijk vinden, dat ik na dergelijke ondervindingen opgedaan te hebben mijn discussie met Brandt voorgoed als geëindigd beschouw.»

Nu de discussie in het Nederlandsch Archievenblad ongelukkig is beëindigd, krijgt C.D.J. Brandt nog een platformpje in de Bijdragen voor Geschiedenis en Oudheidkunde (33) :

«Een oorkonde onecht te verklaren is heel wat eenvoudiger werk dan de echtheid ervan te bewijzen. In de meeste gevallen is het zelfs ondoenlik het volledig bewijs der echtheid te leveren, gewoonlik moet men zich beperken tot het omverwerpen van de argumenten, die tot de onechtverklaring hebben geleid. Daarmee is trouwens al veel gewonnen, want terecht heeft De Jong nadrukkelik gekonstateerd, dat de bewijslast steeds en onder alle omstandigheden rust op degene, die een stuk voor onecht houdt, zodat een van ouds overgeleverd charter voor echt moet doorgaan, zolang zijn onechtheid niet op overtuigende wijze is aangetoond.»  (34)

De redenering is bizar, en overgenomen van de tamelijk uit zijn bol gaande dr. M. de Jong Hz. Een schilderij van Rembrandt kan pas verkocht worden voor de prijs van een echte Rembrandt als verschillende deskundigen de echtheid verklaren; er is geen enkele reden om met middeleeuwse teksten anders om te gaan. Bij de veilingmeester kan je moeilijk zeggen : het is niet bewezen dat hij onecht is, dus is hij echt! We hebben hier te maken met een ommekeer van C.D.J. Brandt naar de klassieke traditionalistische omkering van de bewijstlast.

«Het resultaat van deze studie is dus, dat ik, na verwerping der argumenten van Oppermann, al deze oudste privaat oorkonden uit het Egmondse archief voor diplomaties en juridies volkomen onverdacht moet houden, met dien verstande, dat de bekende gravenoorkonde no. 5 niet in 1083, maar eerst onder abt Adallard ontstaan is. Een resultaat, dat voor de beoefenaar van Hollands oudste geschiedenis zeker niet zonder betekenis moet heten. Dat hierdoor ook Oppermanns bevindingen en beschouwingen over de verdere Fontes Egmundenses worden getroffen, spreekt wel vanzelf. Het zal nodig zijn deze alle nog eens in het licht van het hier gevonden resultaat te bezien en wellicht te herzien.» (35)

Kortom, middels details stelt hij het hoofdwerk van Otto Oppermann in zijn geheel ter discussie. Otto Oppermann corrigeerde punt voor punt ook dit werkstuk (36), terwijl de redactie concludeert :

«Naschrift van de Redactie: de verdediging van prof. Oppermann tegen den aanval van dr. Brandt verdiende hier even goed een plaats als de laatste gevonden heeft. Op de uitgave der Fontes Egmundenses is thans in dit tijdschrift in zeer voldoende mate de aandacht gevestigd. De Redactie meent alleen nog te moeten zeggen, dat dr. Brandt's kritiek slechts één onderdeel betreft. Over de uitgave als geheel zal ieder deskundige geen ander oordeel mogen uitspreken dan dat zij aan zeer hooge eischen voldoet en met de grootste zorg is bewerkt.» (37)

Een heel andere reactie kwam van een andere oud-leerling van Otto Oppermann : R.R. Post, die het voor de stellingen van Oppermann opneemt (38).

Tot een aangekondigd vervolgartikel door dr. C.D.J. Brandt is het niet meer gekomen (hoe zeg je dat netjes ?); zijn werk ontbreekt eveneens in de literatuurlijst van de uitgave van de Egmondse annalen uit 2007 – net als de antwoorden van R.R. Post en O. Oppermann zèlf.

d. Dr. Petrus Anne Meilink (1880-1956)

Eveneens in 1938 schrijft dr. N.B. Tenhaeff, eveneens oud-leerling van Otto Oppermann :

«Oppermann’s uitgave der Fontes Egmundenses is bijna vier jaren oud. Het wordt tijd, de door den uitgever in breede inleiding neergelegde beschouwingen nader te bezien en, als het kan bij deze gecompliceerde materie, te komen tot een communis opinio over de Egmondsche geschiedbronnen en hun waarde. Aan geïsoleerde meeningen van dezen of genen geleerde heeft de wetenschap weinig. Bestrijding van dit of dat detail los van den grooten samenhang, waarin het verondersteld is, brengt ons weinig verder. Dit alles voert tot steriele bella diplomatica, die geen recht doen aan het enorme werk, dat is volbracht door deze uitgave.» (39)

Rijksarchivaris Meilink schrijft in 1938 parallel een serie van drie lange artikelen, die in 1939 tevens als boek verschijnen (40).

In een nawoord gaat dr. N.B. Tenhaeff hierop in :

«Wanneer men zich tot de hoofdzaken beperkt, dan lost men misschien niet het geheele raadsel van de Egmondsche historiographie op, maar men zal zeker, op het voetspoor van Bakhuizen van den Brink, Pijnacker Hordijk en Oppermann, nieuw inzicht tegemoet gaan. Dit naschrift beoogt geenszins een “weerlegging” van Meilinks ernstige werk te zijn. Mediaevistische problemen zijn niet zo eenvoudig, dat deze of gene auteur den lezer zoo maar de prompte waarheid voorzetten kan. Ik wilde èn tegenover Opperrnann èn tegenover Meilink de stelling verdedigen, dat geschiedenis noch philologie noch wiskunde is. Uit den aard der zaak zal ik in het vervolg van mijn beschouwingen Meilinks bevindingen mede zoo veel mogelijk betrekken.» (41)

Daarop volgt eerst een recensie (42) en vervolgens een uitgebreid antwoord van opnieuw R.R. Post (43), en dan van Otto Oppermann zelf (44), waarop Meilink weer antwoordt (45). Volgt hier eerst, in al zijn beknoptheid, de recensie van R. Post :

«P.A. Meilink: De Egmondsche Geschiedbronnen. ’s Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1939, viii, 153 blz. 8°.
Dit onderzoek, gewijd aan alle in het klooster Egmond opgestelde of overgeleverde geschiedbronnen, die tevens de oudste van het graafschap Holland zijn, is als van zelf uitgeloopen op een critische toetsing van Oppermann’s conclusies, zooals deze ze in de inleiding op de Fontes Egmundenses van 1933 het laatst heeft uiteengezet. Meilink gaat ten deele met Oppermann mee en erkent, dat vijf van de zeven door Oppermann voor onecht gehouden privaatoorkonden, inderdaad als zoodanig moeten worden beschouwd. Daarentegen houdt hij de oorkonde van 28 Aug. 1162 voor Floris III voor geheel onverdacht en deze opvatting biedt hem voor het falsum van 1083 een terminus ante quem deze moest vervaardigd zijn. Dit aldus gevonden jaartal wordt voor hem verder de reden om een groot deel van de verhalende bronnen (Annales, Vitae’s Adalberti en S. Hieronis) en ook de verschillende lijsten op een ander en wel ouderen datum te stellen dan Oppermann gedaan heeft. Daardoor zou dan tevens de historische betrouwbaarheid van deze bronnen zijn gestegen.
Naar mijn meening is hij echter niet geslaagd Oppermann’s bedenkingen tegen de genoemde oorkonde van 28 Aug. 1162 ingebracht te ontzenuwen, terwijl hij zich bovendien vergist heeft bij het behandelen van den inhoud daarvan. Bovendien verzetten zich tegen het aannemen van het jaar 1162 als terminus ante quem twee bepalingen van het falsum van 1083 zelf. Vandaar schijnt mij het boek een een ondeugdelijken grondslag gebouwd, zoodat ook de conclusies geen waarde hebben.»

Uit het antwoord van R. Post :

«Uit al hetgeen hier gezegd is moet de conclusie worden getrokken, dat de aanval van Meilink op de uiteenzettingen van Oppermann geheel is mislukt, ook al heeft hij het onderzoek misschien iets verder gebracht door zijn beschouwing over de Domannalen en de Sigeberthandschriften. Deze kwesties raken den tijd van de samenstelling en de betrouwbaarheid der Egmondsche geschiedbronnen nauwelijks. Derhalve wanneer een historieschrijver de feiten van de oudste Hollandsche geschiedenis uit de Egmondsche bronnen wil putten, heeft hij zich bij de waardeering der gegevens aan de conclusies van Oppermann te houden.» (46)

Een belangrijk element in het antwoord van Oppermann is :

«De vele tegenstrijdigheden, die de vita bevat, tracht Meilink weg te redeneren. Over dergelijke inspanningen, een hagiografisch bron niet naar haar inhoud van historische gegevens te onderzoeken, maar tot elken prijs te harmoniseeren, is naar ik vrees geen vruchtbare gedachtenwisseling mogelijk.» (47)

P.A. Meilink wijst die vooringenomenheid van de hand en beroept zich op een andere beoordeling (48). Volgt in 1940 nog een bijdrage van zijn hand (49); in 1941 reageert hij bovendien op R.R. Post (50), wat niet onbeantwoord blijft (51).

Het debat wordt beëindigd door de oorlog. Oppermann wordt gedwongen naar Duitsland gerepatrieërd en overlijdt in kommervolle omstandigheden in 1946. Tenhaeff en Post komen op de kwestie niet meer terug, ze hadden toen ongetwijfeld belangrijker bezigheden. P.A. Meilink blijft over.

In 1952 verschijnt er nog een studie van P.A. Meilink (52), waarnaar in de uitgave van de Egmondse annalen uit 2007 wordt verwezen, geheel in tegenstelling tot de polemiek van P.A. Meilink, die in de literatuuropgave aldaar ontbreekt.

P.A. Meilink overlijdt in 1956 zonder overtuigd te hebben. Daarna blijft het heel lang erg stil in afwezigheid van ter zake kundigen of zelfs maar belangstelling, vervolgens geeft de Egmondse abdij na jaren studie uit : De abdij van Egmond van de aanvang tot 1573 / Pater Jan Hof. – ’s-Gravenhage, Haarlem : Historische Vereniging voor Zuid-Holland, 1973. – 527 p. – (Hollandse Studiën ; 5); daarin wordt de oude mythe weer opgevoerd zonder veel verwijzing naar bella diplomatica en ook vooral zonder erg veel kritische kennis van zaken.

3. De uitgave van de Annalen uit 2007

Beweging in de zaak komt er pas weer nadat de Alkmaarse archivaris drs. W.A. Fasel het in 1984, zo’n veertig jaar na P.A. Meilink, waagt om de Egmondse Adelbertus-traditie ter discussie te stellen (53). Dat versterkt omgekeerd de duidelijk monastiek geïnspireerde behoefte om de “traditie” te herstellen, met hooghartig voorbijgaan aan de kritische vragen van de Alkmaarse stadsarchivaris. Het begon in de jaren 1980 ook deel uit te maken van een hele tegenbeweging van katholieke “devotionele innovatie” (prachtige uitdrukking van Peter Jan Margry van het Meertens Instituut).

Het literaire hoogtepunt van deze “restauratie” is ongetwijfeld de uitgave van de Annalen van Egmond uit 2007 (54).

Die geeft even ongetwijfeld een zeer geleerde en deskundige tekstredactie, waarbij gesteund kon worden op het werk van Otto Oppermann en Georg Heinrich Pertz vóór hem, zodat er eigenlijk niet zo veel meer te doen was. Er ontbreekt echter helaas een register waar verwijzingen kunnen worden gevonden naar Otto Oppermann om de afwijkingen terug te vinden. In de voetnoeten worden correcties – zo die er al zijn – niet verantwoord; alleen op p. 160 wordt extraxissent gewijzigd in extinxissent; tenminste, «Dit meen ik te lezen», waaruit we kunnen afleiden dat in de rest in het geheel niets belangrijks gewijzigd is. Enige verdere vergelijking van de twee onderscheiden transcripties leert dat de correctie ten opzichte van de versie van Otto Oppermann zo ongeveer nul is. De belangrijkste “innovatie” bestaat er uit dat de Middeleeuwse hoofdlettering en interpunctie wel heel puristisch wordt gevolgd. Dat is natuurlijk een uitstekend idee, maar wellicht is dat ook ingegeven om Oppermann’s geannoteerde transcriptie wat meer naar de achtergrond te dringen.

In de wél ‘genormaliseerde’ vertaling verdwijnt dat allemaal, waardoor het ook wel een beetje gevit lijkt, zoals in de transcriptie van de jaartallen; wat hoofdletters zijn kleine letters geworden en verder zijn er wat willekeurige middeleeuwse punten ingevoegd, waarvan het nut niet wordt uitgelegd. J.W.J. Burgers past datzelfde ook niet toe voor het in hetzelfde boek gedeeltelijk gepubliceerde Chronicon Egmundanum. En het gaat toch ook wel ten koste gaat van de leesbaarheid van het Latijn. Verder gaat het commentaar over heel weinig, en veel had ook kunnen worden opgelost door eindelijk een facsimile van alle bladzijden openbaar te maken, wat, anders dan in de tijd van Oppermann, geen grote en kostbare inspanning meer is, dan kan iedereen het zelf zien.

De even ongetwijfeld buitengewoon correcte, zij het wat stijve en letterlijke vertaling (waar wetenschappelijk gezien op zichzelf natuurlijk niets op tegen is) uit het Latijn naar het Nederlands draagt ook niet bij tot het voor een breder publiek toegankelijk en aantrekkelijk maken van de Annalen.

De uitgave is opvallend weinig gerecenseerd (55), en dan ook nog opvallend weinig kritisch, ten minst voor wat het belangrijkste betreft. Alsof, tegenover de traditionalisten, niemand nog het risico wil lopen zijn vingers te branden aan de Middeleeuwen. Voor de meer serieuze geschiedschrijvers lijkt het hele onderwerp opgegeven.

En dan blijft het grote probleem van de traditionalistische ‘uitleg’.

a. Het wegmoffelen van de bronnen

Dat er voor ontbrekende tekstgedeelten meer gesteund is op het Kopenhaagse afschrift, ter vervanging van de vier afschriften die Otto Oppermann in navolging van Georg Heinrich Pertz gebruikte, heeft waarschijnlijk niet veel belang. Maar er zijn nog andere ingrepen gedaan : de handschriften zijn niet uitgegeven zoals ze zijn, maar zoals ze uiteindelijk verondersteld worden door de Egmondse monniken bedoeld te zijn geweest, en daarin krijgt het Kopenhaagse afschrift enig belang. Onvergelijkbare teksten (van Sigebert van Gembloux, Regino von Prüm, de Gentse, Egmondse en nog andere aantekeningen) zijn verder in elkaar geschoven, terwijl het toch wenselijk was geweest deze eindelijk eens afzonderlijk te zien, juist om de eigen Egmondse inbreng beter te kunnen waarderen. Nu geldt dat verwijt ook al enigszins Otto Oppermann (die beslist niet ‘hypercritisch’ was), maar in beperkter zin.

Heel wat erger is dat – heel anders dan in de uitgave door Otto Oppermann, die alleen daardoor al onmisbaar blijft – de bron van de afzonderlijke berichten niet meer wordt weergegeven; alles lijkt weer een authentiek Egmonds produkt te zijn. Laten we het anders – en wat minder “diplomatisch” – zeggen : die bronnen van de Annalen zijn, behalve zo héél af en toe in voetnoten – vooral als er iets goed te praten viel – netjes weggemoffeld, en dat is niet minder dan wetenschappelijke oplichterij.

b. Het negeren van de strijdschriften

Het eerste dat daarna toch wel erg sterk opvalt, is dat de geschiedenis van de bella diplomata sinds de publicatie van Otto Oppermann in 1919-1921 afwezig is, of beter gezegd : straal wordt genegeerd. Niet alleen wordt er niet ingegaan op de argumenten van Otto Oppermann zélf, maar zelfs de argumentatie van P.A. Meilink komt niet aan bod. Goed beschouwd is P.A. Meilink een groter probleem voor de post-kritische benadering van emeritus prof. dr. J.P. Gumbert omdat P.A. Meilink weliswaar heeft geprobeerd de datums van Otto Oppermann wat meer naar het verleden op te rekken en de documenten nét een ietsje minder vals te maken; maar P.A. Meilink aanvaardde toch ook het algemene raamwerk van Otto Oppermann’s conclusies, althans, hij stelde die niet ter discussie. J.P. Gumbert daarentegen wil dat nu juist geheel en al uit de weg hebben. De replieken van N.B. Tenhaeff, R.R. Post en Otto Oppermann zélf bestaan voor dit boek net zo min als de mislukte, en toch ook wel wat beschamende “aanvallen” van Johan Huizinga, M. de Jong Hz., C.D.J. Brandt en P.A. Meilink.

Dat laat zich wellicht als volgt verklaren : de enige die in het interbellum de hele studie van de oorkondenleer van Otto Oppermann uit de weg wilde hebben was M. de Jong Hz., en die voelde zich aan het eind van zijn nauwelijks verholen woedeuitbarsting er nu juist toe genoodzaakt de “oorkondenleer” als hulpwetenschap toe te juichen... zolang die maar niet overdreef. Op de replieken van N.B. Tenhaeff, R.R. Post en Otto Oppermann zélf zijn nooit overtuigende antwoorden gekomen, en ze zijn er nog steeds niet. Vandaar dat we met enige verbazing in de nieuwe uitgave lezen :

«In 1904 verscheen Otto Oppermann (1873-1946) in Nederland, en begon de achterlijke Nederlandse historici eens te leren hoe men mediævistiek bedrijft. Hij verstond dat vak, en zijn editie van de Annalen is uitstekend; maar hij was overtuigd dat bijna alle oorkonden en kronieken vals waren (waarin hij soms gelijk had), en onderbouwde deze opvatting met een enorm netwerk van deels juiste, deels gewoonweg verkeerde observaties en argumentaties. Ook het Annalenhandschrift onderging zijn kritiek (hij concludeerde dat C tot 1173 had gewerkt, en F rond 1214). Pas langzaamaan waagden enkelen tegen te spreken, vooral P.A. Meilink (1880-1957); en stilzwijgend is Meilink’s visie (dat veel toch echt was, en dat C rond 1150 werkte) aanvaard en die van Oppermann verlaten (hoewel onderdelen ervan, en ook de ondeugdelijke argumentaties waar zij op berusten, nog altijd her en der opduiken). ()
Een nieuwe stap werd, als ik het goed zie, pas gezet door A.C.F. Koch (1923-1990), die in de kopnoot bij OHZ 88 (de vermaarde oorkonde van ‘1083’) stelde ‘dat het werk van de Egmondse annalist C dagtekent uit de allereerste jaren van de 12e eeuw’ (OHZ I, 1970, p. 177). () Zijn belofte ‘ik kom hierop elders terug’ heeft hij helaas niet waargemaakt; maar de weg naar beter begrip van het Annalenhandschrift was hiermee gewezen.»
 (56).
†) Zie P.H.D. Leupen, ‘Egmond en zijn bronnen’, in : G.N.M. Vis e.a, (ed), Heiligenlevens, Annalen en Kronieken, Hilversum 1990 [= Egmondse Studiën, I], pp. .23-34.
‡) Ook in zijn ‘Namen van ‘Monaten’ (1965), p. 142, sprak hij al van de ‘um 1106 geschriebene Egmonder Annalen’. Maar die datum was wel weer iets te vroeg.

Men proeve een beetje het Hollandse chauvinisme tegenover de Duitse Otto Oppermann, die niettemin geprezen wordt vanwege zijn vakkundigheid, afgezien dan van ... zijn conclusies. Welke observaties en argumentaties juist of verkeerd waren wordt niet nader toegelicht. De verdere tegensprekers – waarmee we boven al kennis hebben gemaakt – blijven onbesproken. Wie P.A. Meilink’s conclusies precies aanvaardden blijft onduidelijk en wie Otto Oppermann’s conclusies verlieten eveneens. Daaruit volgt dat later iemand nog een hele studie kan gaan doen om die anonimiteit wat op te heffen en de wederzijdse argumenten verder in kaart te brengen en te evalueren, waarvoor hierboven een bescheiden aanzet is gedaan.

Kortom, er wordt enig beroep gedaan op P.A. Meilink, die weliswaar had tegengesproken, maar niets weerlegd, en op A.C.F. Koch, die niet eens heeft geprobeerd in deze kwestie iets te weerleggen of aan te tonen, dan wel er – bij nader inzien – toch maar van af heeft gezien.

c. De vergeten terminus ante quem of hoe alles ouder en echter wordt gemaakt

De bekende “methode Cordfunke” volgend, is, om de boel nóg ouder en échter te maken dan zelfs P.A. Meilink maar wilde, in 1993 een balletje opgegooid (in navolging van pater Jan Hof, die hetzelfde balletje al in 1973 had opgeworpen) :

«Enkele jaren geleden poneerde ik dat de vermaarde Annalist C niet, met Meilink, in het midden van de 12e eeuw gedateerd moest worden maar in het begin van die eeuw, ‘rond 1120’. Ik had hierin Koch aan mijn zijde, maar de communis opinio niet. In het manuscript van zijn bijdrage reageerde Georges Declercq dan ook afwijzend : “Deze vroege datering, waarvoor overigens geen enkel argument (ook niet paleografisch) wordt opgegeven, is m.i. onmogelijk.” Inderdaad, er waren bij mijn lezing geen argumenten gevoegd. Jurjen Vis was zo vriendelijk mij de gelegenheid te geven tot een reactie, maar ik heb Declercq daarmee niet weten te overtuigen. Toch wil ik hier, wederom op verzoek van Jurjen Vis, mijn argumenten kort herhalen.» (57)

Die Jurjen Vis toch, die gelooft zowat alles, maar hij hoort ook graag argumenten ten gunste van zijn persoonlijke vooringenomenheden.

Omdat J.P. Gumbert zelf niet beweert dat hij in zijn eerdere bijdrage meer deed dan iets te beweren, kunnen we die bron overslaan (58). Van iets meer belang is wellicht dat hij zich beroept op A.C.F. Koch; maar dat beroep is wat vreemd, want bij J.P. Gumbert lezen we :

«A.C.F. Koch, ‘Namen von Monaten ...’, in R. Schützeichel - M. Zender (eds), Namenforschung, Festschrift A. Bach, Heidelberg 1965, p. 440-443, op p. 442: “um 1106 geschriebene Egmonder Annalen"; id., Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299 I, ’s-Gravenhage 1970, p. 177: “een onderzoek van de autograaf te Londen heeft mij geleerd (en ik kom hierop elders terug), dat het werk van de Egmondse annalist C dagtekent uit de allereerste jaren van de 12e eeuw.” Helaas heeft hij zijn belofte, op de datering terug te komen, nooit waargemaakt. In feite is zijn datering ‘rond 1106’ iets te vroeg, enerzijds omdat C kennelijk de kroniek van Sigebert van Gembloers (gepubliceerd 1111) gebruikt heeft, anderzijds om een reden die beneden ter sprake zal komen; maar ik sta dichter bij Koch dan bij Meilink, en heb het kleinere resterende verschil in mijn betoog gemeend te mogen verwaarlozen (59)

J.P. Gumbert beroept zich op de authoriteit van A.C.F. Koch die aan een onderbouwde bewering niet toekwam, en die volgens J.P. Gumbert (inderdaad) ook onjuist was, omdat hij te vroeg dateerde, waarmee hij zichzelf beroepshalve buitenspel zette. J.P. Gumbert kon hier ook heel vrijgevig best wat jaartjes cadeau doen, als het maar ruim vóór 1130 bleef, want dáár ging het tenslotte allemaal om. We dienen ons ook af te vragen of de kroniek van Sigebert uit 1111 al in 1120 in Gent in afschrift bekend was, laat staan in Egmond.

Kijken we dan verder naar de nieuwe uitgave van de Annalen van Egmond, dan lezen we, onder verwijzing naar de boven aangehaalde tekst, over teksten die “geassocieërd” met Egmond uit de tijd zouden zijn van (de Gentse, en veel later verondersteld ook Egmondse) abt Steven :

«Hoewel deze handen niet allen hetzelfde aspect hebben, zijn zij door een netwerk van overeenkomsten in schrift, en met name ook in sierletters, verbonden tot een groep, die men met een gerust hart aan Egmond op het eind van de elfde en het begin van de twaalfde eeuw mag toeschrijven. (60)

Huh ? Deze teksten komen helemaal niet ter sprake in het eerdere opstel waarin het alleen gaat over “Hand C” en van die hand zijn ze niet. Bovendien dateert Otto Oppermann deze vroegste teksten op de tiende eeuw. J.P. Gumbert daarentegen – die alles zoveel mogelijk naar het verleden probeert op te rekken – plaatst deze teksten dus, zonder opgaaf van redenen, willekeurig een eeuw later dan Otto Oppermann; dat geeft toch een raar probleem. Meest waarschijnlijk doet hij dat (hij kon het zelf zeggen, maar hij heeft daar, voor zover bekend, van afgezien) om ze ergens met “Hand C” in verband te kunnen brengen; erg duidelijk wordt het allemaal niet. Toen het Egmondse klooster werd gesticht (1130-1143) is er ongetwijfeld ouder liturgisch materiaal, afgedankt of voor de gelegenheid nieuw samengesteld, meegekomen (een klooster is nauwelijks denkbaar zonder liturgisch materiaal) terwijl de behoefte aan meer geschiedkundig materiaal pas ná de affaire Echternach uit 1156 ontstond.

Bepaald onthutsend is de voetnoot daarbij :

«Zie Gumbert, ‘Wanneer werkte C?’. Voor uitvoerige adstructie, met vele afbeeldingen, is hier evenmin gelegenheid als in dat artikel. (61)

Juist, nog altijd geen schijn van paleografisch bewijs, en enkel een tekstkritisch argument dat geen stand houdt.

Om de annalen te dateren zijn er echter aanwijzingen te vinden in de handschriften. Otto Oppermann onderscheidt als belangrijkste schrijvers “Hand C” en “Hand F” (de anderen zijn hier van weinig belang). Van “Hand C” zijn direct overgeleverd de annalen tot 1221, waarop nog een deel moet zijn gevolgd, en dat herwerkt is door “Hand F”. Van “Hand F” zijn de annalen van 1121 tot 1173 bewaard. Volgens Otto Oppermann staan er in de tekst van “Hand F” allerlei formuleringen die kenmerkend zijn voor de stijl van “Hand C”, maar juist niet voor die van “Hand F” zélf; en die dus blijkbaar onbewerkt zijn overgenomen van “Hand C”. Bovendien lopen de bronnen van “Hand C” door tot 1173. Daardoor het kan worden uitgesloten dat “Hand C” vroeger dan 1173 werkte, en dus alles tot 1173 oorspronkelijk door hem is geschreven. De bewerker, “Hand F”, die geen gegevens gaf recenter dan die van “Hand C”, zou gewerkt hebben rond 1215 (62).

J.P. Gumbert probeert dit niet te bestrijden; hij beroept zich op P.A. Meilink’s mislukte poging om die hobbel te nemen (63). Maar P.A. Meilink zélf handhaaft een andere hobbel van Otto Oppermann : in de annalen staat een bericht dat bekend is uit een Gentse bron uit 1148, dus P.A. Meilink sluit uit dat “Hand C” vóór die tijd schreef.

Om over de hobbel van 1148 te komen maakt J.P. Gumbert een onderscheid tussen “verwant met” en “overgeschreven uit” (64). In de mediëvistiek kan er inderdaad een dwingende reden bestaan om aan te nemen dat twee teksten een gemeenschappelijke oudere bron moeten hebben gehad zonder dat de éne tekst direct uit de ándere is afgeschreven. Maar de enige reden voor die aanname hier is dat J.P. Gumbert over de hobbel wil komen, tekstkritische of andere argumenten blijven achterwege.

De verstrooide folkloristisch-traditionalistische professor redeneert anders : het handschrift van “Hand C” breekt af in 1121, dus is het uit dat jaar; het handschrift van “Hand F” breekt af in 1173, en dus is het uit dat jaar. J.P. Gumbert weerlegt niets en toont niets aan; het komt er op neer dat hij ons slechts mededeelt dat hij het –  toch behoorlijk scheidsrechterlijk, maar toch ook vooral wel heel erg professoraal – zo heeft besloten. En de indruk ontstaat toch ook wel dat J.P. Gumbert het werk van Otto Oppermann niet alleen zoveel mogelijk genegeerd heeft, maar het zelfs niet eens serieus tot zich heeft genomen, of zelfs maar gelezen.

Hier zien we de immer onhebbellijke neiging die alle waarachtig-folkloristische traditionalisten gemeen schijnen te hebben om alles zo oud – en echt – mogelijk te maken – wat de het ancien régime verdedigende Willem Bilderdijk zo mooi de “jeukerigheid naar oude stukken” noemde –; er wordt niet gezocht naar een enigszins redelijke datering, maar stelselmatig naar de oudst mogelijke. Om te spreken in de zo geleerde taal van de zo gewichtige mediëvistiek : op een terminus post quem (de vroegst mogelijke datum) dient een terminus ante quem (de laatst mogelijke) te volgen (65). Wel, laten we het maar duidelijk zeggen, de terminus ante quem ligt ergens in de vijftiende eeuw, want die beslist niet achterlijke monniken beheersten meerdere schriften en konden oude ook uitstekend nabootsen op oude perkamenten.

We kunnen tot de gevolgtrekking komen dat bezwaarlijk tegen emeritus prof. dr. J.P. Gumbert kan worden ingebracht dat hij in staat is gebleken enig samenhangend, begrijpelijk, en ook voor leken en liefhebbers, overtuigend betoog te hebben geschreven om de documenten over een paar kritische datums heen te helpen. Hij kan er daarentegen wél van worden verdacht dat hij – heel ‘academisch’ – voor de dateringen toch wel behoorlijk uit zijn mystiek-professorale nekharen stond te kletsen; en dat hij bovendien voor de transcriptie plagiaat heeft gepleegd omdat hij hoegenaamd niets wist te verbeteren aan het werk van Otto Oppermann, maar het toch op zijn eigen naam schreef.

4. Bijlagen

a. De vroeg-middeleeuwse geschiedenis van het klooster volgens de huidige Adelbertusabdij

«In de rij van grote en kleine dorpen aan de duinrand van Holland ligt halverwege Egmond. Het is daar een oude streek, want de duinrand vormde een der weinige bewoonbare plaatsen in het wadden- en moerasachtige landschap van de dagen van het begin onzer jaartelling. De vroegste bewoners, bijeenwonend in kleine gehuchten, hielden zich in leven met het houden van wat vee op de ’s zomers droogvallende moerassige weiden, het verbouwen van wat levensmiddelen op de hogere droge gronden, of zij waagden zich ook op het water van de meren en de zee om daar in een gevaarlijk bestaan hun karig voedsel te vinden.
“Egmond”, zo zeggen oude schrijvers, “was de naam van de monding van een riviertje de Eg, Egge of Ey”
 (66). In latere tijden en nog niet zo lang geleden, werd daar door de moderne schrijvers de spot mee gedreven. Het was een echt middeleeuwse manier, zo zei men, om met wat fantasie een plaatsnaam te verklaren.
Maar de wetenschap staat niet stil en geologen hebben een tiental jaren geleden ontdekt, dat er rond het begin van onze jaartelling te Egmond werkelijk een uitmonding bestaan heeft van een riviertje dat via de tegenwoordige Vecht en het IJ vanaf de oude Rijn naar het noorden stroomde. Hulde dus aan onze oudste beschrijvers van Egmond.
In de tijd van de grote volksverhuizing, 400 na Christus, is de bevolking hier waarschijnlijk voor enige tijd tot een uiterst miniem aantal teruggelopen. Pas rond 600 vinden we de eerste scherven die wijzen op nieuwe bewoning, natuurlijk Friezen, die intussen het gehele westelijk deel van Noord-Nederland bewoonden. Het is wel in deze tijd dat we de oorsprong van de latere vorstelijke, koninklijke of keizerlijke villa’s of hoven moeten zoeken.
We stellen ons voor dat de Friese vorsten zich de verlaten gronden aan de zeekust hebben toegeëigend, wat hun oud recht was, deze in cultuur hebben gebracht, er hoven hebben gesticht, vanwaar zij hun levensmiddelen betrokken en waar zij nu en dan, een tijdlang vertoefden tot de voorraad was uitgeput en een volgende hoeve aan de beurt was.
Na de verovering van deze gebieden door de Franken na 600 vervielen deze vorstelijke eigendommen automatisch aan de nieuwe heersers, die ze door hun graven lieten beheren. In het tegenwoordige Egmond lagen drie van zulke hoven : die van Arem, dat is Noord-Bakkum en Egmond-Binnen, die van Rinnegom en die van Wimmenum.
De Frankische keizers hebben niet lang plezier gehad van hun bezittingen aan de verre kusten. In de negende eeuw verscheen als een donkere wolk de plaag van de Noormannen. De Scandinaviërs en vooral de Denen waren van oudsher een ondernemend volk – Engeland en zelfs Amerika weten er van mee te praten – dat niet tegen een zeetochtje opzag als er winst ofbuit te behalen was
 (67).
De grootste plaag van dat land was de regeling van de troonopvolging. Een overleden vorst werd namelijk niet opgevolgd door zijn zoon maar door het oudste lid van de familie. Gevolg was dat de betreffende zoon met een aantal kornuiten de biezen pakte en op avontuur uitging. Onze streken werden daar ook de dupe van. De verre Frankische koning of keizer kon er niet veel tegen doen en hij mocht al blij zijn als hij het met de aanvallers op een akkoordje kon gooien en een verbond met hen kon sluiten. Dat schijnt in het toenmalige Friesland nog wel eens gelukt te zijn. We horen van Deense vorsten Rorik en later Godfried
 (68), die genegen waren de handelsplaats Dorestad en ook keizerlijke goederen in Kennemerland te beschermen.
 
De kerk van Egmond
 
In een oud verhaal lezen wij hoe de Denenvorst Rorik op zekere dag per schip langs het kerkje van Egmond voer en zag hoe het door een zandverstuiving werd bedreigd. Hij had er belang bij, want het kerkje was het centrum van Arem, een van de landgoederen die hij van de keizer te leen had. Er werden maatregelen getroffen om de dreigende ramp te weren. Maar toen men de volgende morgen aantrad om het stuifzand te verwijderen, bleek de wind gekeerd en het gevaar alweer een steenworp ver verwijderd te zijn.
Het verhaal is typerend voor het belang dat Rorik bij het kerkje scheen te hebben. Ook later toen men de goederen vermeldde die de eerste Hollandse graven van de keizer in leen hielden, werd er steeds melding gemaakt van de kerk van Egmond.
Meer over de kerk lezen wij in ‘Het leven en de wonderen van Sint-Adelbert’. Adelbert, een der gezellen van de geloofsverkondiger-bisschop Willibrord, heeft in het begin van de achtste eeuw in deze streken gewerkt en werd na zijn dood aan de voet van de duinen begraven. Al spoedig werd er boven het graf een kerkje gebouwd dat uitgroeide tot bedevaartsoord en centrum van de streek. In deze hoedanigheid werd het dan ook enige malen de prooi van de aanvallen der Noormannen. Maar een houten kerkje was spoedig herbouwd en het graf van Adelbert bleef in ere. Een andere bedreiging voor het kerkje, we zagen het reeds, was het opdringende stuifzand van de duinen.
De bewoners rondom hebben zich langzamerhand teruggetrokken naar het oosten, een verschijnsel dat ook elders geconstateerd is. Als de akkers en weiden overstoven werden, week men terug en zocht andere cultuurgronden. Zo kan men verklaren dat het centrum van de villa Arem zich verplaatst heeft van Egmond bij het kerkje naar het oostelijker gelegen Hallem
 (69), de plaats van de latere abdij.
We hadden het over Rorik. Rorik had niet alleen goederen in Kennemerland maar ook en voornamelijk in Dorestad, het tegenwoordige Wijk bij Duurstede. Zijn opvolger Godfried had zelfs macht in de Betuwe bij Spijk en Lobith. Het is hem wel naar het hoofd gestegen. Hij werd steeds lastiger en de keizer zal dan ook dankbaar geweest zijn dat Godfried het slachtoffer werd van een verraderlijke samenzwering bij Spijk. Een belangrijk aandeel in deze aanslag werd geleverd door de Friese graaf Gerulf. Deze kreeg de koningsgoederen van Godfried in zijn bezit en werd onder andere heer in Egmond en Kennemerland. Er ging een nieuwe fase in de geschiedenis van onze streken beginnen.
 
Het graafschap Holland en de abdij van Egmond
 
Gerulf stierf in het begin van de tiende eeuw. Hij liet twee zonen na, Dirk en Waldger. Misschien moet de volgorde van deze namen anders zijn, want bij de verdeling der vaderlijke goederen kreeg Waldger de voorrang met de goederen in de Betuwe, waartoe onder andere de kerk van Tiel behoorde. Dit was de grafkerk waar ook reeds Gerulf en misschien nog voorvaderen van hem waren begraven. Dus een dynastieke grafkerk.
Dirk (onze graaf Dirk I) werd in 922 met de andere helft van de goederen, namelijk die in Kennemerland, beleend. Hij miste dus de grafkerk te Tiel. Naar gewoonte van zijn tijd en volgens aloude familietraditie, wenste hij ook een dynastieke grafkerk te hebben. Hij besloot te Egmond, het centrum van zijn nieuwverworven goederen, een klooster te stichten. Hierbij kwam misschien ook het feit dat de oude Adelbertskerk steeds meer afgelegen kwam te liggen en hij de oude bedevaartskerk door een nieuwe wenste te vervangen. Zijn oog viel op een duinrug in het oude Hallem ten oosten van de oude kerk, waar ook de bevolking steeds meer naar toe trok.
Het lichaam van Sint-Adelbert werd in een plechtige processie naar de nieuwe kloosterkerk overgebracht waar kloosterzusters het met gepaste eerbied zouden omringen. Uit het lege graf ontsprong een bron die de oude bedevaartsplaats een nieuwe impuls gaf.
Het nieuwe kloostertje was van hout, ook de kerk. Hoe kon het ook anders midden in een land waar geen stuk natuursteen te vinden was. Maar de tijden gaan voort en de mensen rusten niet. Rond het midden van de tiende eeuw, toen graaf Dirk I zijn goederen naliet aan zijn zoon Dirk II, had deze reeds zoveel connecties in het buitenland, in Vlaanderen en Duitsland, dat hij, zij het met veel moeite en kosten, steen kon bemachtigen om minstens een kerk van steen te kunnen bouwen.
Dit was een belangrijke verbetering, ook op politiek gebied. De kerk moest immers tevens als burcht kunnen dienen in tijden van nood. Dirk en zijn beginnend graafschap leefden als het ware op een eiland tussen de omringende onbeschaafde bevolking die de oude Friese tradities van onafhankelijkheid en vechtlust van tijd tot tijd weer deed herleven.
Dit bleek voor Egmond nog steeds risico’s in te houden. Was het gevaar groter geworden dan ten tijde van Dirk I ? We weten het niet. In ieder geval trok de zoon de consequenties en verving de nonnen door monniken, uit de Sint-Pietersabdij te Gent. De eerste abt was Wonobold.
De jonge abdij mocht zich al spoedig in een grote belangstelling verheugen, met name in die van Egbert, zoon van Dirk II, rijkskanselier van het Duitse rijk en aartsbisschop van Trier. Deze was opgevoed in de kloosterschool te Egmond en heeft zijn eerste leermeesters niet vergeten. Vele kostbare kerksieraden en boeken werden als gift van deze bisschop vermeld.
Dit was ook het geval met de eerste graven van Holland. Uit de aard der zaak was het hun plicht te zorgen dat de nonnen en later de monniken een redelijk levensonderhoud hadden. Het klooster werd dan ook zo goed mogelijk van goederen en land voorzien, waaruit het de inkomsten kon trekken die het nodig had. Praktisch werd de hele grafelijke villa Arem en die van Rinnegom hiertoe bestemd. De graaf droeg zijn heerlijke rechten aan de abten over, die in zijn naam en met behoud van de civiele constitutie deze rechten uitoefenden. Latere schenkingen hebben deze rechten beter gespecificeerd en ook het grondbezit steeds meer uitgebreid.
We mogen aannemen dat de jonge abdij een belangrijke rol heeft gespeeld bij de wording van het graafschap Holland. We behoeven ons alleen maar voor te stellen wat in een heel primitieve en onderontwikkelde omgeving een klooster met een aantal goed onderlegde mannen betekend moet hebben. Als grondbezitters hebben de kloosterlingen er op toegezien dat hun grond zo nuttig mogelijk werd bewerkt, dat de verhuurde gronden niet verwaarloosd werden, dat de waterhuishouding degelijk werd gevoerd. Maar ook op geestelijk gebied konden de monniken, door de hun toevertrouwde parochies van goede geestelijken te voorzien, invloed uitoefenen.
Tenslotte werden in de kloosterschool en in de school van het dorp kinderen onderwezen in de kunst van lezen en schrijven. Maar ook in het bestuur van het graafschap zelf hebben de monniken een beslissende rol gespeeld. Het is bijvoorbeeld helemaal niet zeker dat de graaf zelf lezen en schrijven kon. Voor dergelijke dingen moest hij een beroep op klerken doen en in dit geval op de kloosterlingen van zijn abdij. Dezen stelden dan ook de oudste geschiedenis van het graafschap te boek, al was het dan altijd gezien vanuit het gezichtspunt van de abdij. Maar als men de rol van de abdij in die eerste tijden beziet, lijkt dat ook niet al te ongewoon.
Met de tijden is de abdij en haar invloed gegroeid. In de twaalfde eeuw werd de kerk opnieuw in steen opgetrokken en de 7de oktober 1143 plechtig ingewijd. Dit feit wordt in de tegenwoordige abdij nog steeds herdacht doordat ook de huidige kloosterkerk op 7 oktober, en wel van het jaar 1954, is ingewijd. Niet lang daarna werden ook de woongebouwen van de oude abdij in steen herbouwd en langzamerhand nam de abdij de vormen aan waarvan de latere afbeeldingen van ‘De abdij in welstand’ getuigen.
Ook haar geestelijke en culturele invloed groeide. Meer dan vijfentwintig parochiekerken waarvan de pastoor door de abt benoemd of voorgedragen werd, maakten de abdij tot geestelijk centrum in het bisdom Utrecht. De vele opdrachten aan kunstenaars en bouwmeesters om kerk en klooster te verfraaien bevorderden het cultuurleven in de wijde omgeving. De algemeen geroemde bibliotheek was een middelpunt van studie en wetenschap, vooral toen in de zestiende eeuw bij de opkomst van het humanisme de klassieke schtijvers weer in het middelpunt van de belangstelling kwamen te staan. Hun werken vond men in de abdijbibliotheek.
Tenslotte maakten de bijna 3000 hectaren grond die de abdij bezat en waarvan de pachters en leenmannen afhankelijk waren van de abdij, deze tot de voornaamste grootgrondbezitster in Holland. Heel wat ontginningen, dijkaanleg en grondverbetering zijn er op instigatie of minstens met medeweten en goedkeuting van de abten tot stand gebracht.»
 (70).

b. Dr. J.K. de Cock, De goederen van de Egmondse kerk in 922

«IN 922 SCHONK koning Karel de Eenvoudige aan graaf Dirk I de kerk te Egmond met alle daarbij behorende goederen gelegen tussen Suuithardeshaga, Fortrapa en Kinnem. (b1) Koch heeft op goede gronden aannemelijk gemaakt, dat inderdaad de kerk met de bijbehorende goederen is geschonken en niet zoals Oppermann veronderstelde alleen de goederen tussen de genoemde grenzen. (b2)
De kerk te Egmond moet wel het godshuis zijn, dat op de zogenaamde Adelbertusakker was gelegen. (b3) Hier bij deze plek heeft de nederzetting Egmond gelegen, een onderdeel van het grotere Arem. Omstreeks 925 heeft Dirk I ten oosten van Egmond op korte afstand daarvan te Hallum een nonnenklooster gesticht. (b4) Naar dit klooster, oorspronkelijk gewijd aan St. Petrus (b5), liet deze graaf de relieken van St. Adelbert overbrengen. Laatstgenoemde heilige was oorspronkelijk (ca. 740) te Egmond begraven en men had boven zijn graf een gedachtenis kerk opgericht. Door deze overbrenging kreeg het klooster de naam Egmond en is de abdij, mogelijk ter gelegenheid van de bouw van de tweede kloosterkerk omstreeks 950, gewijd aan St. Adelbert. De naam Egmond heeft zich verder uitgebreid. Het dorp bij het kasteel van “de advokaten” van het klooster kreeg de naam Egmond op den Hoef en in de 12de/13de eeuw ontstond op de inmiddels gevormde nieuwe duinen de vissersplaats Egmond aan Zee. De naam Egmond heeft zo op den duur de oudere naam Arem verdrongen. (b6) Hallum vormde een onderdeel van Arem.
Egmond. Dirk I zal de in 922 verkregen kerk met goederen ter beschikking van het nieuwe klooster gesteld hebben. (b7) Het oorspronkelijke Egmond bij de Adelbertusakker lag in de 8ste/9deeeuw zeer gunstig. Hier stroomde de hoofdrivier, van Kennemerland, de Kene (?) (b8), in zee. Op korte afstand voegden zich twee grote zijrivieren, de Schermer en de Beemster, ten zuiden van Limmen bij deze hoofdrivier. Bij de oude kustgouwen doet zich namelijk het verschijnsel voor, dat het gebied hiervan samenvalt met het stroomgebied, of een deel hiervan, van een rivier met zijn zijtakken. Bij de Rijn bijvoorbeeld is het uiteraard een deel hiervan. Later is wat Kennemerland betreft door een inbraak van de zee bij de Zijpe de Rekere aangetapt en heeft de stroomrichting zich hier omgekeerd. De Rekere was aanvankelijk een zijrivier van de Schermer. (b9) Bij een dergelijk strategisch punt als Egmond was, verwacht men, zoals Blok elders geconstateerd heeft (b10), veel koningsgoed. Deze bezittingen zullen voor een deel in handen geraakt zijn van de graven, indertijd aangesteld als zetbazen van de Karolingers. De belangrijkheid van de omgeving van Egmond in vroeger tijden wordt onderstreept door herinneringen aan de heiligen Willibrord en Adelbert en aan Rorik de Noorman (b11), ja mogelijk zelfs aan Radboud. (b12)
Het is een opmerkelijk feit, dat van een schenking te Egmond door Dirk I van landerijen aan het door hem gestichte klooster niets bekend is. Pas Dirk II, Geldulf en anderen (b13) doen schenkingen hier. Maar dit is bij lange na niet genoeg om, zoals later blijkt, het gehele gebied tussen Wimmenum en Zuid-Arem te bezitten, d.w.z. Rinnegom en Noord-Arem. (b14) De konklusie moet dan ook zijn, dat één van de grootste bezittingen van de kerk van Egmond bij deze kerk in de buurt lag, wat trouwens wel voor de hand ligt.
Buren. Een van de genoemde grenzen is Kinnem. Met Oppermann (b15) ben ik van mening, dat hierin Kinnum op Terschelling gezocht moet worden. Naar deze plaats is één van de acht hemmerikken, de op één na westelijkste op het eiland genoemd. De noordelijkste bezitting van de Egmondse kerk tussen de genoemde drie grenzen moet dus gezocht worden in Westerschelling, daar anders het Vlie of een zuidelijker gelegen scheiding wel als grens genoemd zou zijn. In het dorp Westerschelling komt de naam Buren (Grote Buren) voor, terwijl Kinnum ook wel Kleine Buren heette. (b16) In dit Buren gaf Geldulf een hoeve aan het klooster Egmond. Hatto, een broer van Geldulf, heeft zich hiervan meester gemaakt. Ook de door Dirk I geschonken hoeve over het Vlie gelegen, waarschijnlijk dus in Buren, is aan de macht van het klooster onttrokken. Dirk II geeft voor deze laatste hoeve compensatie in de vorm van land te (Oude) Niedorp. (b17) De schenkingen van Dirk I en Geldulf waren vermoedelijk een uitbreiding van het Egmondse bezit te Buren. Hatto heeft zich waarschijnlijk meester gemaakt van het familiebezit op Terschelling. (b18)
Wieringen. Ook voor Fortrapa ga ik nu met Oppermann (b19) mee, die Vartrop op Wieringen hiermede gelijk stelde. Een aanwijzing, dat het klooster Egmond hier in de buurt land bezat, zie ik in de mededeling, dat zekere Wiro uit Wiringheest 13 ons uitbetaalde (b20), om daarmee een deel van het kloosterland te kopen. Van een schenking is niets bekend., zodat dit land mogelijk bij het bezit uit 922 behoorde. Volgens Blok (b21) is Wiringheest gelijk te stellen met Oud Gest bij Vartrop, maar de gronden hiervoor zijn m.i. zwak. Wiringheest kan de geest (het bouwland) van de villa (buurschap) Wiron zijn, die omstreeks 842 genoemd wordt. (b22) Het eiland Wieringen kan genoemd zijn naar de villa Wiron, zoals het landschap Tokingen naar Dokkum. Daar de hoofdkerk van Wieringen te Hippolytushoef stond, ben ik geneigd Wiron-Wiringheest hier te plaatsen en wel in de buurschap Burch, een onderdeel van Hippolytushoef. (b23) Gezien de naam was hier mogelijk een vluchtburcht evenals in Den Burg op Texel. Deze buurschap Burch ligt dichtbij Vartrop, maar aan de Egmondse kant.
Suuithardeshaga. Over de derde grens Suuithardeshaga is veel te doen geweest. Koch (b24) geeft hier een uitvoerig relaas over. Deze naam wordt ook genoemd in een oorkonde van 889. (b25) Gerulf, de vader van Dirk I, krijgt in dat jaar onder andere tussen de Rijn en Suuithardeshaga, in zijn graafschap, in de plaatsen, “Nordcha et Osprehteshem” genoemd, een bos en een stuk bouwland. Nordcha is Noordwijk. Dit wordt versterkt door het noemen van Osprehteshem, want deze plaats komt ook voor in het zogenaamde St. Maartensregister, waarin plaatsnamen uit 800 n. Chr. of vroeger genoemd worden. (b26) Hier ligt Osprehteshem, gezien de geografische volgorde van de plaatsnamen in het register, ook dicht bij Noordwijk. In een lijst van huren uit ca. 1225 van het klooster Egmond, worden Noordwijk en Soperinghova in een adem genoemd. (b27) Taalkundig zouden de namen Osprehteshem en Soperinghova wel eens iets met elkaar te maken kunnen hebben. De schenking omvat waarschijnlijk een deel van de geest van Noordwijk (het bouwland) en het daarbij behorende aandeel in het bos, de Noordwijker hout. Suuithardeshaga moet als grens gezien min of meer evenwijdig aan de Rijn gelopen hebben, daar er anders niets “tussen” kon liggen. Een gouwgrens was het niet, want dan had men Kennemerland zelf kunnen noemen. De “haga” moet ten zuiden van dit land gelegen hebben, daar het niet waarschijnlijk is, dat bij Noordwijk behorend gebied in twee gouwen lag. Zijn er nu bezittingen van Egmond aan te wijzen op korte afstand ten noorden van Suuithardeshaga ? Volgens de overlevering heeft Dirk II de nonnen van Egmond overgebracht naar Bennebroek en monniken in het klooster geplaatst. (b28) Dit vraagt als het ware om landbezit bij Bennebroek. (b29) Omstreeks 1150 stelt graaf Dirk de abdij land te Bennebroek, afkomstig van Wilhelmus Kinnebacke, ter beschikking in ruil voor gronden te Velsen. (b30) Was dit land te Bennebroek vroeger bezit van het nonnenklooster ? Te Sassenheim verhuurde de abdij land voor ongeveer 3 pond. Het bezit van dit land is niet uit een bekende schenking te verklaren. (b31) Het is theoretisch mogelijk, dat deze gronden tussen Suuithardeshaga en Kennemerland lagen, daar Lisse vroeger onder Sassenheim ressorteerde. (b32)
Zo heb ik getracht aan de Egmondse kant van de drie genoemde grenzen enig abdijbezit aan te wijzen, welk bezit dan van vóór 922 kan dateren. De plaats Egmond ligt daarbij ongeveer in het midden, hetgeen voor mij een aanwijzing is, dat het “goed zit” met de interpretatie van genoemde grenzen.
 
Uit ca. 1225 dateert een lijst van landhuren, die de pachters van de abdijgronden opbrachten. (b33) Trekt men de bekende schenkingen hiervan af en houdt men rekening met vervreemding, dan blijft er “een residu” over, wat zeer goed een deel van het bezit uit 922 kan aanduiden. Gaan wij dit nu aan de hand van deze lijst na :
Oude Niedorp. Huur van bezittingen uit Oude Niedorp komt niet in genoemde lijst voor, maar voor de volledigheid moet deze plaats toch behandeld worden. Graaf Dirk II geeft compensatie voor het landverlies van een door zijn vader geschonken hoeve te Buren in de vorm van 1 1/2 hoeve te Nienthorp. Met nog een halve hoeve bracht dit land een huur op van 3 pond. (b34) Egmond bezat derhalve in Oude Niedorp al een halve hoeve, waarvan geen verder bericht is overgeleverd.
Oudorp. Een zeer belangrijke huursom van 18 pond en 12 hoed kreeg de abdij uit Oudorp. Een hoed had een waarde van ongeveer 1/2 ons, zoals blijkt uit landhuur te Schermer. De opbrengst te Oudorp kwam dus overeen met ongeveer 18 pond 6 ons. Een schenking van enig land hier door “domnus Gherbrandus” staat tegenover de verkoop onder abt Walter (1129-1161) van land met een huuropbrengst van een pond en onder abt Franco (1182-1206) met dezelfde opbrengst. (b35) Blijft over een belangrijk bezit, dat ongeveer 20 pond opbracht, goed voor een bezit van 10 hoeven, zo niet meer. Hierbij heb ik de huuropbrengst van hoeven te Vronen als maatstaf genomen. (b36)
Mijzen. Uit deze plaats kreeg de abdij een landhuur van 16 ons en 10 hoed, dat wil zeggen ongeveer 21 ons. Door abt Walter werd land verkocht met een opbrengst van 7 ons. (b37) Het oorspronkelijke bezit bracht dus een huur op van 28 ons. Hier bezat het klooster ongeveer 1 à 2 hoeven.
Schermer. Hier bedroeg de huur 22 ons en 15 hoed, wat gelijk stond aan 62 hoed. Abt Adalard (1105-1120) verruilde in deze plaats land met een opbrengst van 16 ons tegen land te Alkmaar en Limmen gelegen, terwijl abt Walter land met een huuropbrengst van 3 ons verkocht. (b38) Vóór deze transakties was de huur 29 + 16 + 3 = 48 ons = 4 pond 8 ons. Het Egmondse bezit te Schermer besloeg naar schatting 3 hoeven.
Graft. Abt Adalard verruilde hier 53/4 hoeve met een opbrengst van 11 pond 2 1/2 ons. (b39) Er bleef nog land over, dat 3 ons huur gaf. Het totale bezit bedroeg hier ongeveer 6 hoeven.
Oosthuizen. Graaf Dirk II schonk ten oosten van de rivier Bamestra een hoeve, die een pond aan landhuur per jaar opbracht. (b40) Uit latere mededelingen blijkt, dat deze hoeve te Oosthuizen gelegen was. (b41) De huur die hier opgebracht werd in het begin van de 13de eeuw was veel hoger : 11 pond en 15 ons. Dit land hier is verruild tegen gebieden in Akersloot en Uitgeest. Verminderen wij de huur met die van de hoeve van Dirk II, waarbij aangenomen is, dat de huren gelijk gebleven zijn, dan blijft er 1 1/2 pond over. Gezien de huur van de grafelijke hoeve kan dit de pacht geweest zijn voor eveneens 1 1/2 hoeven, een zeer belangrijk bezit.
Kwadijk. Dit dorp heette vroeger Drei naar de bovenloop van de veenrivier de Purmer Ee. (b42) Aanvankelijk kreeg de abdij hier een huur van 10 pond, later teruggebracht tot 6 pond per jaar. Houden wij hier dezelfde norm aan als bij Oosthuizen, dan is deze pacht goed voor een bezit van 10 hoeven !
Heiloo-Limmen. Er volgen nu enige niet geïdentificeerde landerijen, die mijns inziens onder Heiloo of Limmen thuishoren. Het zijn Gestichin, Athelhilt, Brochingelant, Magchanchelant en Tietgerdemade, met respektievelijk huren van 10 ons, 10 ons, 7 ons, 8 ons en 3 ons, samen 3 pond 8 ons. Dit kan de opbrengst zijn van een gebied van ongeveer 4 hoeven.
Dorregeest. In Dorregeest, ten noorden van Uitgeest gelegen, werd een huur opgebracht van 3 ons 9 d., mogelijk voor een halve hoeve.
Schoorl. De lijst van opbrengsten vermeldt voor Schoorl 6 ons. Nu ruilt abt Lubbert (1206-1226) grond te Schoorl en Aagtdorp met huren respektievelijk van 6 ons en 7 ons tegen grond te Assendelft. Aangezien de pacht van Aagtdorp niet in de lijst voorkomt, lijkt mij de 6 ons van Schoorl afkomstig van een andere bezitting. In de tijd van abt Walter (1129-1169) is sprake van goed te Schoorl ook met een opbrengst van 6 ons. (b43) Mogelijk slaat de huur van de lijst op dit gebied van omstreeks een hoeve. De huren op de geestgronden zijn vaak lager dan die op de veengronden, waarbij de variaties tussen voedselrijke en voedsel arme veengronden aanzienlijk kunnen zijn.
Bergen. Uit Bergen kreeg de abdij een opbrengst van 1 pond. Bekend is alleen een schenking van Ratther en zijn vrouw van land met een opbrengst van 6 d., een in dit kader te verwaarlozen donatie. In dit dorp was het Egmondse bezit toch wel een hoeve groot.
 
Hiermede is de vergelijking tussen de lijst van 13de-eeuwse landhuren en de bekende schenkingen voltooid, wat betreft het gebied binnen de in de oorkonde van 922 genoemde grenzen. Koch maakt mijns inziens de zeer juiste opmerking : “Men moet dit ook minder zien als een begrenzing van het kerk- subs. kloosterbezit van Egmond dan wel als een begrenzing van het gebied waarbinnen dit bezit aan Diederik I werd toegewezen”. (b44) Bezittingen van Egmond buiten genoemde grenzen, waarvan geen schenkingen bekend zijn, lagen te Maasland (9 hoeven), Westerlee (3 hoeven) (b45), Schipluiden (opbrengst 20 pond) (b46) en Ruiven (opbrengst 16 pond). (b47) Al deze landerijen kunnen ook zeer wel tot het bezit van de Egmondse kerk in 922 behoord hebben. Mogelijk zijn ze in of na 985, toen Dirk II goederen tussen de rivieren de Lier en de Hollandse IJssel in handen kreeg (b48), door deze aan de abdij gerestitueerd. Het blijft niettemin vreemd, dat dit feit dan niet gememoreerd is.
Verwaarlozen wij de kleine gebieden, dan blijven behalve bij de in de oorkonde genoemde grenzen toch altijd nog belangrijke bezittingen over te Egmond, Oudorp, Limmen-Heiloo, Graft, Oosthuizen en Kwadijk en verder eventueel bij Maasland, Westerlee, Schipluiden en Ruiven. De eerste vier plaatsen liggen op geestgrond en kunnen daarom oude nederzettingen zijn, maar de andere liggen in het veen. Kunnen nu deze “veenkoloniën”; reeds in de 8ste/9de eeuw bestaan hebben ?
In de Dreyster wouden (Kwadijk) zijn vondsten gedaan uit de 9de en 10de eeuw. (b49) Dicht hierbij ligt Oosthuizen, waar in 1324 vroonlanden worden genoemd. (b50) Het woord vroon kan op koningsgoed wijzen (b51), hetgeen op de Karolingers zou duiden. Deze kunnen de goederen verkregen hebben bij de ontginning rechtens het wildernisregaal, maar ik wil de mogelijkheid van confiscatie van het bezit van Radboud (na 719) niet uitsluiten. Dit zou er op kunnen duiden, dat sommige ontginningen hier uit de 7de/8ste eeuw zouden stammen. Bij Texel zijn dergelijke oude ontginningen wel aanwijsbaar. (b52) Niedorp bestond reeds, zoals wij boven gezien hebben, in de 10de eeuw. De naam wijst er op, dat er oudere plaatsen in de buurt waren : Moerbeek en wat er onder de klei van Barsingerhorn gezeten heeft. De overlevering, dat Werenfried hier in deze buurt gepredikt zou hebben, zou dan wel eens op waarheid kunnen berusten (b53), evenals de overlevering, dat Radboud iets met Medemblik te maken had. Archeologisch zijn deze veenstreken met uitzondering van de Zaanstreek helaas nog zeer slecht onderzocht.
De mogelijkheid, dat enkele van de genoemde gebieden toch na 922 verkregen zijn, is natuurlijk niet uitgesloten, evenals het feit, dat diverse gebieden vervreemd zijn zonder een spoor na te laten. Maar, dat het bezit van de Egmondse kerk reeds in 922 vrij belangrijk was, lijkt mij wel zeker.»
 (71).
 
Noten
 
b1. A.C.F. Koch, Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot I299, dl. I, ’s-Gravenhage (1970), p. 44 e.v.
b2. O. Oppermann, Fontes Egmundenses. Utrecht (1933), p. 104* e.v.
b3. J. Hof, De abdij van Egmond van de aanvang tot I573. ’s-Gravenhage (1973), p. 22.
H. Halbertsma, De Willibrordsput te Heiloo, opgravingen en historische achtergronden. Alkmaars Jaarboekje, III (1967), p. 41-64, hier p. 54.
J. Hof, De Buurkerk te Egmond. Alkmaars Jaarboekje. IV (1968), p. 119-128, hier p. 119.
b4. J. Hof, Abdij, p. 22.
b5. I.H. Gosses, De vorming van het graafschap Holland, in Verspreide Geschriften. ’s-Gravenhage (1946), p. 239-345, hier p. 286.
b6. J.K. de Cock, Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag. Groningen (1965), p. 167.
b7. A.C.F. Koch, Oorkondenboek, p. 48.
b8. J.K. de Cock, Kennemerland, krt. achter p. 288.
Een aanwijzing, dat deze rivier, waarvan de resten nu Die genoemd worden, Kene heette, zie ik in de poldernaam Sien bij Assum onder Uitgeest. Sien kan een gepalatiseerde vorm zijn van Kien, Keen. Zie H.J. Moerman, Nederlandse Plaatsnamen, een overzicht. Leiden (1956), p. 123. De uitmonding bij Egmond heb ik nu aanvaard op gezag van Zagwijn; zie W.H. Zagwijn, De ontwikkeling van het “Oer IJ” estuarium en zijn omgeving. Westerheem, XX (1971), p. 11-19, hier p. 17.
J.K. de Cock, De wateren rond Egmond van de Romeinse tijd tot omstreeks 1300. Alkmaars Jaarboekje, III (1967), p. 124-129.
b9. L.J. Pons en en M.F. van Oosten, De bodem van Noordholland. Wageningen (1974), p. 28 en p. 49, fig. 22A.
b10. D.P. Blok, De Franken in Nederland. Bussum (1974), p. 78.
b11. H. Halbertsma, Willibrordsput.
b12. P.S.A. Kikkert, Het Radboudskerkhof. Westerheem, VI (1957), p. 80-83.
b13. O. Oppermann, Fontes, p. 61, 63.
b14. J.K. de Cock, Kennemerland, p. 168.
b15. O. Oppermann, Fontes, p. 105*.
b16. A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, dl. II, Gorinchem (1840), p.829.
b17. O. Oppermann, Fontes, p. 61, 63.
b18. Mogelijk is Hatto de in het midden van de 10de eeuw uit Nifterlake en Teisterbant verdreven graaf Hatto, die mogelijk een zoon was van graaf Waldger, de oudere broer van Dirk I. Geldulf was dan een neef van Dirk II. Vergelijkt men de bezittingen van Geldulf met die van Dirk I, dan valt op, dat die van eerstgenoemde liggen in plaatsen, waar ook Dirk bezittingen had. Ook dit wijst op familiebetrekkingen. Hatto heeft dan na zijn vlucht waarschijnlijk beslag gelegd op het familiegoed te Buren.
Zie voor Hatto :
P.G.F. Vermast, De Heeren van Goye. Ned[erlandsche]. Leeuw, 66 (1949), p. 259-313.
D.P. Blok, Iets over de geschiedenis van Nifterlake. Jaarboekje van het Oudheidk[undig]. Gen[ootschap]. “Nifterlake” (1962), p. 1-21.
De juistheid van de veronderstelling van Blok, dat Hatto geen zoon van Waldger was, betwijfel ik. Omstreeks 1000 komt ook nog een Geldulf voor met zijn zoon Walker (A.C.F. Koch, Oorkondenboek, nr. 65).
b19. O. Oppermann, Fontes, p. 105*.
b20. Ibidem, p. 81.
b21. D.P. Blok, De oude namen van Wieringen. West-Frieslands Oud en Nieuw XXIX (1962), p. 86-97, hier p. 93.
b22. A.C.F. Koch, Oorkondenboek, nr. 17.
b23. J.K. de Cock, Beverhem-Beverwijk ? Med[edelingen]. van de Ver[eniging]. voor Naamkunde, XXXV (1959), p.31-33.
b24. A.C.F. Koch, Oorkondenboek, nr. 21 en 28.
b25. Ibidem, nr. 21.
b26. D.P. Blok, Het goederenregister van de St. Maartenskerk te Utrecht. Med[edelingen]. van de Ver[eniging]. voor Naamkunde, XXXIII (1957), p. 89-105.
b27. O. Oppermann, Fontes, p. 74.
b28. J. Hof, Abdij, p. 24.
b29. J.W. Groesbeek, De geschiedenis van Bennebroek, Bennebroek-Vogelenzang, Bijdragen tot de geschiedenis en volkskunde van een voormalig Blekersdorp (red. van Tj.W.R. de Haan). Neerlands Volksleven, nr. 4, jrg. XV (1965), p. 7-40.
b30. O. Oppermann, Fontes, p. 88.
b31. Ibidem, p. 75.
b32. J.K. de Cock, Kennemerland, p. 59.
b33. O. Oppermann, Fontes, p. 74.
b34. Ibidem, p. 63, 64.
b35. Ibidem, p. 65, 74, 86,91.
b36. Ibidem, p. 61.
b37. Ibidem, p. 85.
b38. Ibidem, p. 76, 85.
b39. Ibidem, p. 76.
b40. Ibidem, p. 62.
b41. J. K. de Cock, Kennemerland, p. 192.
b42. Ibidem, p. 194.
b43. O. Oppermann, Fontes, p. 88.
b44. A.C.F. Koch, Oorkondenboek, p. 48.
b45. O. Oppermann, Fontes, p. 223.
b46. Ibidem, p. 75.
b47. Ibidem.
b48. A.C.F. Koch, Oorkondenboek, nr. 55.
b49. P.S.A. Kikkert, Raadselen rondom "Oud-Raefeldam". Westerheem, XI (1962), p. 109-117.
b50. J.K. de Cock, Kennemerland, p. 194.
b51. D.P. Blok, De Franken, p. 76.
b52. J.K. de Cock, Beverhem.
b53. J.K. de Cock, Veenontginningen in West-Friesland. West-Frieslands Oud en Nieuw, XXXVI (1969), p. 154-172, hier p. 160.

Noten

1. Zie onder andere : Van Dorestadum to Waderlo, t.a.p., p. 65-66. De Egmondse historische documentatie is meest waarschijnijk pas opgebouwd ná 1156, in reactie op de Echternachse aanspraken en tevens antwoord op de oudere aanspraken van de Utrechtse bisschop die de Hollandse graaf aanvankelijk enkel als leenman wenste te aanvaarden.

2. Zie : Willibrord. Na de investituurstijd tussen kerk en staat (1075-1122) gingen vooral Benediktijnse kloosters – min of meer samenvallend met de Cluny-hervorming van die kloosters vanuit St.-Omaars – over tot fabuleuze aanspraken op verloren gegaan ‘voormalig bezit’ in een poging de teloor gegane wereldlijke macht van bisschoppen goed te maken met het niet minder wereldlijk ‘voormalig bezit’ van allerlei oude en vooral ook betrekkelijk nieuwe abdijen. De historische documentatie (in tegenstelling tot de geestelijke) zal pas ná de Echternachse aanspraken van 1156 vanuit Gent zijn aangevoerd en onder bisschop Boudewijn van Holland (1178-1196) in Utrecht in kopie bechikbaar zijn gekomen.

3. Zie : De Annalen van Egmond, samengesteld te Gent.

4. Ter vergelijking :
«Op 23 augustus 1935 vestigden zich na drie en halve eeuw opnieuw benedictijner monniken op de oude abdij gronden van Egmond. Wat men onder meer van hen verwachtte, was dat zij de bestudering van de abdijgeschiedenis ter hand zouden nemen. Enige maanden vóór deze gedenkwaardige dag had professor W. Nolet van het groot-seminarie te Warmond deze verwachting uitgesproken op het zestiende Nederlandse filologen congres te Groningen. Hij hield daar een voordracht over het schrijven van een geschiedenis der abdij. Hij memoreerde het vele wat er al over dit onderwerp geschreven was [Oppermann wordt helaas niet vermeld] en ging uitvoerig in op wat er nog te doen stond op dit gebied. De spreker eindigde zijn betoog met de opmerking, dat de definitieve geschiedenis [jawel !] van de Egmonder abdij nog wel enige jaren op zich zou laten wachten.»
(De abdij van Egmond van de aanvang tot 1573 / Pater Jan Hof. – ’s-Gravenhage, Haarlem : Historische Vereniging voor Zuid-Holland, 1973. – 527 p. – (Hollandse Studiën ; 5). – p. xiii).
Het duurde maar liefst tot 1973, dat wil zeggen veertig jaar, en het was – maar dit terzijde – ook zeker geen “definitieve geschiedenis”. Dat er nu hogere eisen worden gesteld dan in de middeleeuwen is geen enkele verontschuldiging; er staan ook veel meer ter beschikking staande middelen tegenover.
Dat alles in overweging genomen hebbende kunnen de Egmondse bronnen nauwelijks van vóór 1188 (1148+40 jaar) stammen, hoewel de middeleeuwse monniken door de ‘affaire Echternach’ vanaf 1156 wellicht wat meer haast hadden dan hun twintigste eeuwse navolgers.

5. De abdij van Egmond van de aanvang tot 1573, t.a.p., p. 3. Dat komt er op neer dat men zich voor een kritiek van het werk veilig kan baseren op Meilink; maar Meilink zélf moet eigenlijk ook voor de bijl; want die is in zijn ‘rectificatie’ veel te ‘gematigd’. Zoals we onder zullen zien, bestaat “tegenwoordig wordt wel algemeen aangenomen” vooral uit de persoon voor de van oorsprong Nijmeegse emeritus prof. dr. J.P. Gumbert (1936-), tot 2001 Leids palaeograaf en codicoloog, leerling en opvolger van G.I. Lieftinck (1902-1994), een in de paleografie mystieke autodidact. Verwezen wordt als leermeesters ook naar toch wel wat eigenaardige figuren als prof. dr. Wytze Gerbens Hellinga (1908-1985), hoogleraar te Amsterdam sinds 1946; pater dr. Franciscus Josephus Kruitwagen OFM (kloosternaam Bonaventura, 1874-1954); en de Gentse prof. dr. Willem Lodewijk De Vreese (1869-1938) die na de Eerste Wereldoorlog naar Nederland uitweek.

6. Zie : De oorkonden van Holland en Zeeland tot 1101, tekst 28.

7. Zie : 1083, Een Egmondse vervalsing uit de dertiende eeuw.

8. «De uitgave van een OB. mag dus heden niet meer ondernomen worden voordat de in aanmerking komende stukken systematisch op hun echtheid onderzocht zijn.» Boekbespreking / O. Oppermann. – In Nederlandsch Archievenblad. – 45ste jaargang, 1937-1938, p. 138-150. – p. 142-143. De conclusie is vernietigend : «Dit alles, de oudste geschiedenis van het graafschap Holland, van het klooster Egmond en de Westfriesch-Hollandsche gravenoorkonde, is in het nieuwe OB. onder een dikke laag van radelooze en niet eens onpartijdige onzekerheid bedolven, waar doorheen slechts zeer weinig gebruikers tot inzicht in den feitelijke toestand der overlevering zullen dringen. Voor sloopende kritiek bewaard wordt de overlevering der Hollandsche Middeleeuwen daardoor allerminst; geen enkele der vele vervalschte oorkonden, die evenals in andere streken ook hier te vinden zijn, wordt daardoor in eer hersteld. Wel echter wordt een dieper begrip der oudere Noord-Nederlandsche geschiedenis daardoor tegengehouden. Alleen hierom, en niet om persoonlijke redenen, heb ik gemeend, mijn bezwaren met duidelijke woorden te moeten uiten. Het spijt mij, dat zij zich tegen het werk van een gestorvene moeten richten; of hij, reeds in den zomer van 1937 overleden, voor zijn werk in alle opzichten verantwoordelijk dient gemaakt te worden, is mij overigens niet bekend.» (p. 149-150). Dit bleef onbeantwoord met aanzienlijke gevolgen want het werk moet telkens worden overgedaan, en ondertussen deugen die oorkondenboeken nog steeds niet, zie : De oorkonden van Holland en Zeeland tot 1101.

9. Zie vooral :

Over Otto Opperman, zie : Oppermann, Otto [Alexander] (1873-1946) (Resources Huygens ING).
Kort overzicht met vooringenomen beoordeling van het debat : Herschreven Historie. Schetsen en Studiën op het gebied der Middeleeuwse Geschiedenis / Dr. B.H. Slicher van Bath. – Leiden : E.J. Brill, 1949. – 319 p.
Vergelijk ook : Oorkondenvervalsing in Holland? De rehabilitatie van het 12de- en 13de eeuwse Hollandse oorkondenwezen / Jan Burgers en Marco Mostert. – In : Holland, historisch tijdschrift, Jaargang 35 nr. 3, 2003 [Themanummer Vervalsen in Holland]. – p. 134-151 :
«Achteraf, en na veel gerichte studie, kunnen we zeggen dat Oppermann in de meeste gevallen gewoonweg ongelijk had, en dat hij zijn resultaten vooral bereikte op grond van een onoordeelkundige toepassing van de diplomatische methode, die in zijn handen werd misvormd door vooringenomenheid en gebrek aan kennis, en dat niet alleen wat betreft historische achtergronden maar ook op paleografisch en diplomatische terrein. Juist bij de toepassing van deze laatste disciplines blijkt Oppermann in wezen willekeurige en vooringenomen aanpak.» (p. 41) Jammer dat dit nergens gedocumenteerd is; gelukkig is daar wel een mooie foto van de zo geplaagde Otto Oppermann te vinden; er wordt nagedacht over een nawoord onder de titel : De Bluffende Blaaskaken die in 2009/2010 allebei een professoraat kregen, de één in Amsterdam, de ánder in Utrecht.

10. Bijvoorbeeld de noormannenmythe van de Roriksberg/Runxputte, zie : De Runxputte te Heiloo, die toch niet moeilijk te doorzien was.

11. Noodwendig vertoog / Dr. J. Huizinga. – In : Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO), 5e reeks, 10e deel, 1923. – p. 1-14. – p. 1

12. Ibidem, p. 2.

13. Ibidem, p. 11. Door te schrijven dat de methode “schijnbaar exact en inductief” is, wordt Otto Oppermann iets toegedicht dat hij niet voorwendt en waaraan – voorzover bekend – niemand in de oorkondenleer ooit een beroep heeft gedaan. Het gaat om een vergelijkende methode die meer of minder redelijke interpretaties oplevert die altijd kunnen worden aangevochten op formele (schrijfmateriaal, taalgebruik, afmetingen, handschriftkunde, zegelkunde), inhoudelijk tekstkritische, chronologische en historische gronden.
De oorkondenleer ontstaat in 1643 bij de Bollandistische jezuïeten (naar Jean Bolland, 1596-1665) die met name de authenticiteit van Benediktijnse heiligenlevens in twijfel trekken en feiten van legendes proberen te scheiden, met als reactie De re diplomatica (1681) van de Benediktijn Jean Mabillon uit 1668-1672, waarin echtheidscriteria worden ontwikkeld. De jezuïeten houden vooral schoonmaak in eigen kring in reactie op protestantse aanvallen op de echtheid van katholieke bronnen en vooral de “superstitiën”, het katholieke bijgeloof aan wonderen van heiligen. Van een protestantse, of later liberale, meer systematische tekstkritiek is verder niet veel bekend.
Aan de Nederlandse universiteiten werd dit vak tot aan Oppermann’s verschijnen nergens onderwezen; het bleef vooral een intern-katholieke aangelegenheid waarbij de slager zijn eigen vlees keurde, het meest opzichtig rotte er uit werd gehaald om de rest des te beter te kunnen verkopen.

14. Ibidem, p. 13.

15. Ibidem, p. 14.

16. Dr. N.B. Tenhaeff (1885-1943) had een lastig probleem : iedereen tevreden te stellen.

  • Oorkondenkritiek en Vaderlandsche Geschiedenis (I-IV) / N.B. Tenhaeff. – In : Nederlandsch Archievenblad, 1923, p. 133-150.
  • Oorkondenkritiek en Vaderlandsche Geschiedenis (V-VII) / N.B. Tenhaeff. – In : Nederlandsch Archievenblad, 1924, p. 79-97.
  • Oorkondenkritiek en Vaderlandsche Geschiedenis (VIII-X, Slot) / N.B. Tenhaeff. – In : Nederlandsch Archievenblad, 1924, p. 168-182.

17. Diplomatiek, geschiedschrijving der vaderlandsche middeleeuwen en de Utrechtsche school / T. [= N.B. Tenhaeff] – In : Tijdschrift voor Geschiedenis, 39e jaargang, 1924, p. 250-256.

18. Om een graven-oorkonde. / Dr. M. de Jong Hz. – In : Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO), 7e reeks, 2e deel, 1932. – p. 243-280. Dr. M. de Jong Hz. was tevens de auteur van Het geheim van het Oera-Linda-Boek (1929), waarin hij Eelco Verwijs, waarschijnlijk onterecht, als de vervalser aanwees, wat hem niet in dank is afgenomen. Deze geschiedkundige is weinig in gedachtenis genomen door zijn collega’s; zelf een in memoriam is van hem niet gevonden, laat staan bio- en bibliografische gegevens.

19. Ibidem, p. 252.

20. Ibidem, p. 266. Voorwaar ! Een “lapilli-regen”, bedoeld een stenen-regen, veroorzaakt door een vulkaan.

21. Ibidem, p. 267.

22. Ibidem, p. 267.

23. Om een graven-oorkonde / Dr. M. de Jong Hzn. – In : Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO), 7e reeks, 3e deel, 1933 – p. 95-130.

24. Ibidem, p. 122.

25. Opmerkingen over Hollandse stadsrecht der XIIIe eeuw. Met een aanhangsel over de wording der Legende van St. Jeroen. – Utrecht, 1923. – (Bijdragen van het Instituut voor Middeleeuwse Geschiedenis der Rijks-Universiteit te Utrecht, Dl. 6, no. 2).

26. Een bijdrage tot de kennis der privaatoorkonde / C.D.J. Brandt. – In : Nederlandsch Archievenblad, 1923/1924, nr. 1. – p. 19-26. Over de auteur : Prof. dr. C.D.J. Brandt (1897-1966), hoogleraar geschiedenis twintigste eeuw.

27. Over de verhouding der Annales Rodenses tot de vervalschte oorkonden uit Kloosterrade / O. Oppermann. – In : Nederlandsch Archievenblad, 1923/1924, nr. 2. – p. 97-99.

28. Een gewichtige oorkonde voor de geschiedenis van de stad Utrecht / C.D.J. Brandt. – In : Nederlandsch Archievenblad, 1933/1934, nr. 1. – p. 76-81.

29. De onechtheid van bisschop Godebolds oorkonde van 1127 / O. Oppermann. – In : Nederlandsch Archievenblad, 1934, nr. 1. – p. 182-190.

30. Naschrift / C.D.J. Brandt. – In : Nederlandsch Archievenblad, 1934, nr. 1. – p. 190-193.

31. Bisschop Godfrieds testament en een charter voor St. Maarten te Emmerik / C.D.J. Brandt. – In : Nederlandsch Archievenblad, 1933/1934, nr. 2-3. – p. 173-182.

32. Bella diplomatica Brandtiana und kein Ende / O. Oppermann. – In : Nederlandsch Archievenblad, 1933/1934, nr. 4. – p. 254-260.

33. De oudste privaatoorkonden van de abdij van Egmond / Dr. C.D.J. Brandt. – In : Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO), 7e reeks, 4e deel, 1934. – p. 129-142.

34. Ibidem, p. 129.

35. Ibidem, p. 141.

36. De uitgave der Fontes Egmundenses en haar jongste criticus / Dr. O. Oppermann. – In : Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO), 7e reeks, 5e deel, 1935. – p. 33-54.

37. Ibidem, p. 54.

38. R.R. Post, in : Historisch tijdschrift, 13e jaargang, 1934. – p. 113-133. Over de auteur : Regnerus Richardus Post (1894-1968) / A.G. Weiler (Jawel !); hier wordt naar meerdere artikelen verwezen van R.R. Post over de Egmondse abdij en de Egmondse geschiedbronnen (1934, 1936, 1939, 1940, 1941), maar een bibliografie ontbreekt.

39. Fontes Egmundenses I / Dr. N.B. Tenhaeff. – In : Tijdschrift voor Geschiedenis, 53e jaargang, 1938. – p. 123-159.

40. De Egmondsche geschiedbronnen. – Dr. P.A. Meilink. – In : Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO), 7e reeks, 9e deel (1938). – p. 1-54, 181-210, en : 7e reeks, 9e deel, 1938. – p. 1-50. Iets uitgebreider in boekvorm : De Egmondse Geschiedbronnen / P.A. Meilink. – ’s Gravenhage, Nijhoff, 1939. – viii, 153 p. De Koninklijke Bibliotheek te Brussel beschikt niet over een exemplaar.

41. Naschrift tot Fontes Egmundenses I / Dr. N.B. Tenhaeff. – In : Tijdschrift voor Geschiedenis, 53e jaargang, 1938. – p. 287-289. Er wordt voor de verandering eens verwezen naar twee liberalen : de rijksarchivaris Reinier Cornelis Bakhuizen van den Brink (1810-1865) : Hecmundensia. – In : Nederlandsch Rijks-Archief, I, 1857, p. 171-234 (een aangekondigd vervolg is niet verschenen); en de rechtskundige Cornelis Pijnacker Hordijk (1847-1908) : Opgaven omtrent inkomsten, goederen, hoorigen, dienstmannen en rechten der abdij Egmond uit den tijd van abt Walter (7 September 1130-28 November 1161). – In : Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 21, 1900, p.161-185.

42. Historisch Tijdschrift, 20e jaargang, 1941, nr. 1, p. 53.

43. De Egmondsche geschiedbronnen / R. Post. – In : Nederlandsche Historiebladen, 2, 1939. – p. 229-241.

44. Nogmaals de Egmondsche geschiedbronnen. – Dr. O. Oppermann. – p.  In : Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO), 8e reeks, 1e deel (1940). – p. 101-110.

45. Antwoord op het voorgaande  / Dr. P.A. Meilink, t.a.p., p. 111-122.

46. Post, t.a.p., p. 242.

47. Ibidem, p. 103.

48. Ibidem, p. 117.

49. Het zoogenaamde necrologium van Beka / door dr. P.A. Meilink. – In : Tijdschrift voor Geschiedenis, Bd. 55, 1940. – p. 278-284.

50. R. Post en de Egmondsche geschiedbronnen / P.A. Meilink. – In : Nederlandsche historiebladen : driemaandelijks tijdschrift voor de geschiedenis en de kunstgeschiedenis van de Nederlanden, vol. 3 (jan 1941), afl. 2, pag. 97-114.

51. Antwoord van dr. R. Post, t.a.p., p. 112-114.

52. Het archief van de abdij van Egmond / door P.A. Meilink. – ’s-Gravenhage : Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, 1951. –158, 244, 245 p.

53. Zie :  Adelbert van Egmond.

54. Annalen van Egmond. De Annales Egmundenses en het Chronicon Egmundanum / Uitgegeven en vertaald door Marijke Gumbert-Hepp, J.P. Gumbert en J.W.J. Burgers. – Hilversum : Uitgeverij Verloren, 2007 – 416 p. – (Middeleeuwse studies en bronnen ; 107). Zie ook: J.P. Gumbert  (Wikipedia (en)).

55. Annalen van Egmond / Antheun Janse. Deze recensie stelt de kwestie van de dateringen niets eens; als bron wordt opgegeven : Queeste. Tijdschrift over middeleeuwse letterkunde in de Nederlanden. Jaargang 15. – Hilversum : Uitgeverij Verloren, 2008. Dus geen historisch, maar een literair tijdschrift. De hypotheek van Oppermann op Egmonds vroegste historiografie definitief gelicht / Janick Appelmans (Contactgroep Signum), met een titel die ietwat voorbarig lijkt.

56. Annalen van Egmond, t.a.p, p. xxxix.

57. Wanneer werkte C? Over een Egmonds annalist en het Auctarium van Affligem / J.P. Gumbert. – In : Egmond tussen kerk en wereld. – Hilversum : Uitgeverij Verloren, 1993. – p. 183-191, vet hier toegevoegd.

58. Opgegeven bron : «J.P. Gumbert, ‘Een en ander over het handschrift van de Egmondse Annalen’, in : G.N.M. Vis e.a. (eds.), Heiligenlevens, Annalen en Kronieken, Hilversum, 1990, p. 55-69, op p. 64». – «De nog latere datering die Oppermann voorstelde laat ik nu maar buiten beschouwing.» Ja, zo zijn we snel klaar !

59. Wanneer werkte C?, t.a.p., p. 183, vet hier toegevoegd.

60. Annalen van Egmond, t.a.p., p. xiii-xiv.

61. Ibidem, p. xiv, noot 10.

62. Annales Egmundenses, t.a.p., Hoofdstuk 3.

63. Zie de polemiek Meilink-Post hierboven.

64. Nogmaals in Annalen van Egmond, 2007, t.a.p., p. xxi, noot 38.

65. Voor de terminologie, zie : Terminus post quem (Wikipedia, Engelstalig).

66. Zie : Egmond.

67. Hier worden de vroeg-middeleeuwse Noormannen verwart met de laat-middeleeuwse Vikingen.

68. Voor de Kennemerse Rorik-legende, zie : De Runxputte te Heiloo.

69. Voor Hallem, zie : Adelbert van Egmond.

70. Egmond en zijn abdij / door J. Hof, monnik van Egmond. – In : De abdij van Egmond / Pater Jan Hof en Catharina Visser. – [Egmond] : Sint-Adelbertusabdij, november 1995. – 48 p. – p. 6-13.

71. De goederen van de Egmondse kerk in 922 / J.K. de Cock (1918-1991). – In : Alkmaar in veelvoud. Tussen archeologie en actualiteit. – Zutphen : De Walburg Pers, 1977. – p. 139-146. – (Alkmaarse historische reeks).


Start : 22 november 2003 | Laatst bijgewerkt : 1 juli 2015

Foto Otto Oppermann

Veronachtzaamd, verguisd, vergeten : het werk van prof. dr. Otto Alexander Oppermann (1873-1946)
Bron : Burschenschaft Alemannia zu Bonn seit 1844.


Untersuchungen zur nordniederländischen Geschichte des 10. bis 13. Jahrhunderts
(Klik op de afbeelding om het pdf-bestand te openen)


Erster Teil. Die Egmonder Fälschungen / O. Opperman. – Utrecht : A. Oosthoek, 1919. – 266 p.

Oppermann Omslag, voorwerkOppermann Hoofdstuk III (1)Oppermann Hoofdstuk V
Oppermann Hoofdstuk I (1)Oppermann Hoofdstuk III (2)Oppermann Hoofdstuk VI
Oppermann Hoofdstuk I (2)Oppermann Hoofdstuk III (3)Oppermann Hoofdstuk VII (1)
Oppermann Hoofdstuk I (3)Oppermann Hoofdstuk IV (1)Oppermann Hoofdstuk VII (2)
Oppermann Hoofdstuk IIOppermann Hoofdstuk IV (2)Oppermann Hoofdstuk VII (3) + bijlagen

Zweiter Teil. Die Grafschaft Holland und das Reich bis 1256 / O. Opperman. – Utrecht : A. Oosthoek, 1921. – 183 p.

Oppermann Omslag, voorwerk, hoofdstuk IOppermann Hoofdstuk VI-VIIOppermann Hoofdstuk VIII(3)
Oppermann Hoofdstuk II-IIIOppermann Hoofdstuk VIII (1)Oppermann Hoofdstuk VIII (4)
Oppermann Hoofdstuk IV-VOppermann Hoofdstuk VIII (2) 

Dritter Teil. Faksimiles zum ersten und zweiten Teil / O. Opperman. – Utrecht : A. Oosthoek, 1920. – [15 facs.]

Oppermann Facsimiles


Späte Ernte / von Otto Oppermann. – Düsseldorf : Druck von L. Schwann, Mai 1926. – 32 S.

Oppermann Dichtbundel

Gedrukt in 200 exemplaren, dit exemplaar opgedragen aan Dr. Rudolf J. Ziel (1880-1964) te Berlijn