VorigePlaatsen in KennemerlandVolgende

Heiloo

Inhoud van deze pagina

  1. De archeologie van Heiloo
  2. Het vroeg-middeleeuwse Heliglo
  3. De eerste vermeldingen van Heiloo
  4. De naamsverklaringen
  5. Willibrordusputjes
    Noten

1. De archeologie van Heiloo

De oudste tufstenen delen van het kerkje van Heiloo worden gedateerd op de twaalfde eeuw en niet op de zevende. Niet zonder reden werd er voor de bouw in de twaalfde eeuw eerst een terp opgeworpen. Het op grond van een paar paalgaten veronderstellen dat er ter plekke maar liefst vierhonderd jaar lang een eerdere houten kerk heeft gestaan (was het wel een kerk, of waren het bouwsteigers ?) vraagt wel érg veel van de goedgelovigheid altemeer omdat er verder in de omgeving in het geheel niets uit dat tijdvak is gevonden (1).

De kerk van Heiloo werd in 1573 geheel verwoest en de resten ervan werden in 1630 aan de gereformeerden toegewezen; de ruïne van het oorspronkelijke koor werd in de achttiende eeuw afgebroken waarbij de stenen werden verkocht. In 1822 werd de kerk opgeknapt, bepleisterd en wit geschilderd waardoor het de naam ‘witte kerkje’ kreeg. Van de oorspronkelijke kerk was niet veel meer over.

Met de smoes van de houten voorgangers worden overal eeuwen overbrugd. De ‘karolingische vondsten’ onder de kerk (een paar losse potscherven uit waarschijnlijk de elfde eeuw) bewijzen niets : ze kunnen heel goed in de terp terecht zijn gekomen bij het opwerpen ervan. Niemand beweert dat er nooit een karolingisch potje is gebroken in de omgeving, maar wat aangetoond dient te worden is dat er ter plaatse een doorlopende bewoning is geweest. In Heiloo spreekt de archeologie de traditie juist categorisch tegen :

«In de directe omgeving van het Witte Kerkje zijn geen vondsten uit de merovingische of karolingische tijd aangetroffen. Waarnemingen in een groot aantal bouwputten en sleuven op diverse plaatsen rondom dit gebouw hebben ondubbelzinnig aangetoond dat het gebied rondom het kerkje eerst tegen het eind 11de/begin 12e eeuw in gebruik werd genomen.».

Maar in plaats van hieruit te concluderen dat er blijkbaar iets schort aan de traditie, wordt het ‘oorspronkelijke’ Heiloo gewoon ergens anders gezocht : namelijk in het bos, meer in het bijzonder in het Heiloërbos, dat, zo weten we allemaal, ooit een heilig bos was :

«Dit werpt een interessant licht op de overlevering die wil dat de kerk van Heiloo gebouwd werd op een open plek in het bos, waar eerder reeds een heidens heiligdom stond. Ook de naam Heiloo, die nog tot het midden van de 15e eeuw als “Heyligheloe” werd geschreven, ondersteund deze overlevering.» (2).

2. Het vroeg-middeleeuwse Heliglo

Het vroeg-middeleeuwse Heliglo (of Hleliglo, Leliglo), gelegen in de Batua was niet Heiloo, maar, volgens Albert Delahaye, Helfaut in Frans-Vlaanderen (3), in een bosrijke omgeving zes kilometer ten zuidwesten van St.-Omaars :

«HELFAUT < Helefelt (1132): germ. FELDU=terre inculte, champ, peut être le champ incliné, (HALU = incliné), mais peut être aussi le champ de l'enfer (HELLE=enfer), lieu de culte païen.» (4).

Vertaald :

«Helfaut, in 1132 Helefelt, germaans van feldu=braakliggende grond, veld, wellicht hellend veld (Halu=hellend), maar misschien ook helleveld, plaats van heidense cultus.»

Een andere bron geeft :

«Plus de 300 ans après, en l’an 275, la première église chrétienne de la Gaule du Nord est construite sur le plateau d’Helfaut par Saint Fuscien et Saint Victoric. Leurs talents d’orateurs remplirent très vite la petite église, aussi Saint Fuscien s’adressait-il aux fidèles de la Morinie dans un champ situé à proximité, dénommé “locus ecclestae”, terme qui désignera longtemps le village qui prendra ensuite les noms de Helofelt en 1139, Hellefaut, et enfin Helfaut. En langue germanique Hellig Folt signifie “champ sacré”.» (5).

Vertaald :

«Meer dan 300 jaar later, in het jaar 275, wordt de eerste christelijke kerk in het noorden van Gallië gebouwd op de hoogvlakte van Helfaut, door Sint Fuscien en Sint Victoric. Door hun gaven als sprekers wordt de kleine kerk snel gevuld, en Sint Fuscien richt zich tot de gelovigen van Morenië in een nabijgelegen veld dat “locus ecclestae” wordt genoemd, een begrip waarmee lange tijd het dorp zal worden aangeduid dat vervolgens in 1139 de naam Helofelt aanneemt, en uiteindelijk Helfaut. In de Germaanse taal betekent Hellig Folt “heilig veld”.»

Het meeste daarvan zal ook legende zijn. Wat wel vaststaat is dat in Helfaut in de zevende eeuw een kerk wordt ingewijd door Omaar, de bisschop van Terwaan (Frans Thérouanne), naar wie het nabijgelegen St.-Omaars (Frans St.-Omer) is genoemd. In 891 vallen de Noormannen het gebied binnen maar Helfaut houdt stand. Op slechts twee kilometer afstand ligt Hallines, dat we nog tegen zullen komen onder Egmond.

3. De eerste vermeldingen van Heiloo

In een document van Echternach, gedateerd 28 december 1063, wordt Heligelo vermeld, alwaar de graven van Holland de kerk onrechtmatig in bezit zouden hebben genomen. Het document is op zijn vroegst samengesteld in 1156 (6). De aanspraak kan niet zijn gebaseerd op enige eerdere vermelding omdat Echternach en Utrecht in 1156 daarvoor niets hebben overlegd. Heliglo komt niet voor in het Cartularium van Radboud. Pas in 1420 wordt Heiloo weer vermeld, als ‘Heyloe’. De oudste plaatselijke akte van Heiloo is uit 1560. Dit komt heel nauwkeurig overeen met de archeologische bevindingen. Naamkundigen en geschiedschrijvers hebben het vroeg-middeleeuwse Heiloo van vóór de elfde eeuw al lang opgegeven, maar daar valt nog verder wat af te dingen.

In de oorkonden van de graven van Holland, in een later vervalst afschrift van een document dat uit 1108 zou zijn wordt aan de inwoners van Heilo vrijdom van begraafgeld verleent op voorwaarde dat zij de tienden betalen (7). In 1254, in een originele oorkonde, bepaalt Willem II in overleg met Simon van Haarlem dat ingezetenen van Haarlem en van Heilo zich niet te te Alkmaar mogen vestigen (8). Dat is de eerste officiële vermelding van Heiloo.

4. De naamsverklaringen

In 1722 wordt de volgende naamsverklaring gegeven :

«Heilo of Heiliglo is zooveel te zeggen als een heilige hoogte, welke benaaming aan deze plaats gegeeven is, omdat de eerste geloofsverkondigers en vooral de heilige Willibrordus dezelve plaats dikwijls bewandelt en er veel gepreekt en gearbeidt en groote wonderwerken gedaan hebben.» (9).

In 1796 volgt een andere :

«Dit ambacht is weleer en wel reeds in den jare 980 en 1063 onder de naam Heilichloe of Heiligelo bekend geweest; sommige willen dat die naam zoude betekenen, dat de plaats van heilige leeg gemaakt zoude weezen (onder anderen door Willebrordus) en dat haar daarom denzelven naam zoude gegeven weezen.» (10).

In Noordhollandse plaatsnamen (Karsten, 1951) is er al geen Heiloo-mythe meer :

«HEILOO.
Oude vormen: Heilegelo (1063); Heilgalo (1083); Heilghelo, tussen 1083 en 1120; Heylichloe (1182-1206); Heiligheloe (1251), Okb. I, no. 85, 89, 105, 204, 541. De plaatsnaam betekent letterlijk “heilig bos”; deze naam bezat het dorp zeer waarschijnIijk reeds vóór de kerstening van deze streken.
Tot de gemeente behoren de buurtschappen Kapel, aldus genoemd naar de bedevaartskapel ter plaatse. Vier Staten, dat zijn naam ontleent aan een herberg, [noot : Zie V.d. Aa, Aardrijksk. Wdb. i. v.] Zevenhuizen, oorspronkelijk genoemd naar de 7 eerste huizen. Nieuwpoort, dat voor zich zelf spreekt, Schoonoord, naar de schone. bos- en bloemrijke omgeving, Bollendorp, dat zijn naam ontleent aan de bloembollenteelt, en Oosterzij, genoemd naar zijn ligging ter plaatse.»
 (11).

Het Heiloërbos werd aangelegd in de zeventiende eeuw, duizend jaar na Willibrord. Oostendorp steunt de betekenis ‘Heilige Hoogte’ wat door Pannekeet wordt verworpen. De Alkmaarse archivaris drs. W.A. Fasel houdt het op “hellend bos” (haluga lauha) (12).

Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (De Vries, 1962) :

«Heilo, N[ederland]-N[oord]H[olland], heette in 1063 Heilegelo; men mag vermoeden dat het in de heidense tijd een aan een god geheiligd bos was.» (13).

Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200 (Künzel et al., 1988/1989) :

«Heilo
(Noordholland)
1e helft 11e e[euw]. aut[ograaf]. naar een oudere bron : nomina ecclesiarum de Fresia : Velison. Heilingloh. Northungon (LijstParKlEchternach FontEgm, p. 255) || 1e helft 11e e[euw]. aut[ograaf]. : Heileginlo mater. Almere. Misna. Skirmere – ecclesię quas Theodericus habet: nomina ęcclesiarum de Fresia : ... Ascmanedelf. Heilegenlo mater. Skirmere (ibid.) || 1063 cop[ie]. 12e e[euw]. : mediam partem ęcclesiarum quę infra nominate sunt ... Heligelo (DHIV 116; Koch, OBHZ I 84; Wampach, Echt 192) cop[ie]. 2e helft 12e e[euw]. : Heilegelo || <1108> vervalst cop[ie]. ca. 1420: civibus Heilgonlensibus ... perdonamus (Koch, OBHZ I 94) || 1147-1148 cop[ie]. begin 13e e[euw]. : ecclesias ... que in pago Hollensi ... tradite sunt ... Heligelo (Koch, OBHZ I 125; Wampach, Echt 205) || <1064> falsum 1e helft 12e e[euw]. cop[ie]. 2e helft 12e e[euw]. : Heligelo cum capellis (DHIV 129; Koch, OBHZ I 86) || <1083> falsum 1125 – ca. 1150: ęcclesiam Heilgalo (Koch, OBHZ I 88) || 1156 or[igineel]. : in ęcclesiis ... quarum heę nomina sunt ... Helichelo (Koch, OBHZ I 139; Wampach, Echt 206) || 1156 cop[ie]. begin 13e e[euw].: in ecclesiis ... quarum hec nomina sunt ... Helichelo (Koch, OBHZ I 140; Wampach, Echt 207) || 1182-1206 cop[ie]. ca. 1420 : pro terra ... que iacet in Heylichloe (LibStAdalb c. XIII I FontEgm, p. 91)
voor de datering van LijstParKlEchternach zie : Blok (1974), p. 167-184; zie over de vervalsing van [sic!] Koch, OBHZ I 86 de daar geciteerde literatuur, nadere datering van de vervalsing lijkt niet mogelijk; voor de datering van het LibStAdalb zie : Meilink (1939), p. 70-73
o[oud]n[eder]l[ands]. lo “bos e[n].d[erglijke].” met heilig “heilig”»
 (14).

De (mogelijke) betekenis van alle Noordhollandse plaatsnamen van Aagtdorp tot Zwanenburg (Pannekeet, 1988) :

«HEILOO
Oude vormen: o.a. Heilingloh (le helft 11e eeuw); Heilegelo (1063); Helgalo (1083); Heilighelo (± 1100); Heylichloe (± 1359).
Mogelijk duiden de oudste vormen op een samenst. van de fri. geslachtsnaam Heilinga (variant: Hellinga), te omschrijven als ‘Heile (mogelijk < Heilwig) en de zijnen’ en loo = open bosplek, bosweide.
Dat de plaatsnaam lett. ‘heilig bos’ betekent en zou herinneren aan een in de heisende [waarschijnlijk bedoeld heidense] tijd aan een god geheiligd bos (zie > Karsten), staat geenszins vast. Ook Blok vat het 1e element op als ‘heilig’. Zie > Lex. blz. 171.
Dat Heiloo de betekenis zou hebben van ‘heilige hoogte’ (zie > Oostendorp), is – althans wat het element ‘hoogte’ betreft – in strijd met de betekenis (en betekenisvarianten) van ‘lo(o)’. Zie over lo(o) > hfdst. I.»
 (15).

Nederlandse plaatsnamen (Van Berkel en Samplonius, 1995) :

«Heiloo [gem[eente]. : Heiloo, NH] 1e h[elft]. 11e E[eeuw] Heiliginlo; 1063 cop[ie]. 12e E Heligelo; ca. 1420 Heyloe; bet. het heilige lo ‘bos’, mogelijk naar een voorchristelijk heiligdom.» (16).

Voor de katholieke Heiloënaren was er na de reformatie vanaf rond 1681 een schuilkerk. Deze werd in 1868 door een nieuwe kerk vervangen en in 1927 door de huidige kerk. Deze nieuwe parochie van Heiloo van ná de reformatie kreeg Willibrordus als patroon. Het verhaal gaat dat de kerk van Heiloo oorspronkelijk aan St. Maarten was gewijd (17).

In een akte van 719 met een schenking van Karel Martel worden bezittingen in de plaats Bollunvilla of Bollunthorp genoemd; die akte is nog niet op Bollendorp van toepassing verklaard; het was dan ook Boulogne.

5. Willibrordusputjes

Het Willibrordusputje in Heiloo is een produkt van de veertiende eeuw toen Willibrord al vele eeuwen dood was. Willibrordus-putjes zijn er vele in Vlaanderen en Brabant terwijl ze zeldzaam zijn in Holland. Het oudste Willibrordus-putje staat te Wulpen bij Veurne (18). De cultuur van ‘heiligenputjes’ bewijst niets omdat die pas in de twaalfde eeuw ontstond.

Weggestoken in een voetnoot vinden we daarover in Frieslands oudheid :

«Verbist, Saint Willibrord (1939) 216-217. De auteur legt de nadruk op Willibrords optreden tegen de ‘culte des sources’ met hun bronnen, bronnymphen, nikkers, etc. In het bisdom Utrecht waren de Willibrordusputten – in Friesland ‘dobben’ geheten – echter overwegens gegraven en niet ouder dan de in de nabijheid staande Willibrordskerken, zoals dit te Heiloo kon worden aangetoond.» (19).

Noten

1. Over de oudste kerk van Heiloo en de verspreiding van het christelijk geloof langs de kuststreken / E.H.P. Cordfunke. – In : Kennemer contouren. Uit de geschiedenis van Alkmaar en omgeving. – Zutphen : De Walburg Pers, 1979. – p. 37-52. – (Alkmaarse historische reeks), en : Grepen uit de ontginnningsgeschiedenis van Heiloo / Dr. J.K. de Cock. – In : Alkmaar silhouetten. Uit de geschiedenis van Alkmaar en omgeving. – Zutphen : De Walburg Pers, 1982. – p. 36-38. – (Alkmaarse historische reeks). Zie ook : Heiloo. Geschiedenis en verklaring van de straatnamen / H.E. Oostendorp. – [Heiloo] : [s.n.], [1987]. – 144 p. Oostendorp voert als motto het gezegde van Cicero : «De eerste wet der geschiedschrijving is, geen onwaarheid te zeggen, noch enige waarheid te verzwijgen.»

2. Over de oudste kerk van Heiloo, t.a.p., p. 47. Aldaar ook, nog duidelijker : «Het oorspronkelijke houten kerkje van Willibrord heeft geen enkel spoor in de geschiedenis nagelaten» (t.a.p., p. 43). Zo worden bewijzen geconstrueerd : met beroep op een ‘overlevering’, die zelf het gevolg is van een contra-reformatorische mythe, wordt deze traditionalistisch versterkt op het moment dat die door de archeologie wordt weerlegd.

3. Zie : De ware kijk op..., deel 1, t.a.p., p. 413-421, en deel 2, t.a.p., p. 498, en : Willibrord, Apostel van Noord-Frankrijk, t.a.p., p. 20-22, waar tevens een afzonderlijke uitgave van deze lijst in het vooruitzicht wordt gesteld. De naam Heiloo is naamkundig ook identiek aan Heiligerlee in Groningen (De ware kijk op..., deel 1, t.a.p., p. 453). Ook kan worden gewezen op La Hellebronne, een zijstroompje van de Slack bij Marquise, dat langs de plaats Hellebronne stroomt, en dat in 867 vermeld werd als Helicbrunna en in 1286 als Heligeborne, een naam die wordt afgeleid van heilig + bron (Toponymie générale de la France, tome II, t.a.p., p. 1028).

4. Zie : Helfaut; als bron wordt opgegeven : Toponymie du Haut-Pays et de ses alentours. «Helfaut, Pas de Cal[ais]. villa Locus ecclesiae, IXe s. (VTF 331), Helefelt, 1124, Helefaut, 1192, Erlefaut, 1223 (TWB); = fl. adj. [Vlaams bijvoegelijk naamwoord] heilig «saint, d'Eglise» + veld «champ»: autre expl.: TWB» (Toponomie générale de la France, vol. II, t.a.p., p. 1029).

5. Zie : Historique.

6. De ware kijk op..., deel 2, t.a.p., p 439, 569-572.

7. Oorkondenboek van Holland en Zeeland, t.a.p., nr. 94.

8. De oorkonden van de graven van Holland tot 1299, t.a.p., nr. 294.

9. Oudtheden en gestichten van Amstelland, Noordholland en Westvriesland / H.V.R. [= Heussen van Rijn]. – 2 dln. – Leiden, 1722.

10. De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver / L. van Ollefen en Rs. Bakker. – Amsteldam : H.A. Banse, 1796.

11. Noordhollandse plaatsnamen (Karsten), t.a.p., p. 53-54. G. Karsten kent het verschijnsel van verplaatste geografische namen, die hij ‘migratienamen’ noemt, maar als enige voorbeelden van gemigreerde plaatsnamen voor Noord-Holland noemt hij : Elba onder de gemeente Venhuizen, Fnidsen te Alkmaar en de Krim op Texel.

12. Heiloo, geschiedenis en verklaring van de straatnamen / H.E. Oostendorp. – Heiloo : [s.n.], 1987. – 144 p. – p. 14; De mythe van St. Willibrord, t.a.p., p. 17, zie : Willibrord in Heiloo. Vergelijk : «helle is in Oost-Nederland het woord voor een helling, maar kan zowel een hoogte als een laagte betekenen, vgl. in Overijsel namen als Ter Helle, die Helle e.d.» (Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (De Vries), t.a.p., p. 74)

13. Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen (De Vries), t.a.p., p. 74.

14. Lexicon van nederlandse toponiemen (Künzel et al.), t.a.p., p. 171.

15. De (mogelijke) betekenis van alle Noordhollandse plaatsnamen (Pannekeet), t.a.p., p. 70.

16. Nederlandse plaatsnamen (Van Berkel en Samplonius), t.a.p., p. 240.

17. Over de oudste kerk van Heiloo, t.a.p., p. 43; waarvoor verwezen wordt naar : H.J. Kok, Enige patrocinia in het middeleeuwse bisdom Utrecht, Assen, 1958. Dit is de traditionalistische methode ten voeten uit : om een bewering te staven wordt beroep gedaan op een moeilijk toegankelijk werk van een andere schrijver die niet wordt aangehaald en die als regel niet geheel hetzelfde beweerde. Het gaat om : Proeve van een onderzoek van de patrocinia in het middeleeuwse bisdom Utrecht / door Henricus Josephus Kok. – Assen : Van Gorcum, Hak & Prakke, [1958]. –[ix], 241 p. – (Ook verschenen als: Van Gorcums historische bibliotheek ; 57. Proefschrift Universiteit van Amsterdam).

18. Andere Willibrordus-putjes (niet-uitputtende lijst) te : Aldeneyck, Asten, Bakel, Berkel, Deurne, Diessen, Eersel, Geysteren, Kasterlee, Meyel, Munsterbilsen, Neeroeteren, Oss, Poppel, Reppel, Ruimel, Stamproy, Vessem en Viersel.

19. Frieslands oudheid, t.a.p., p. 347, noot 5. Het boek van Gabriel M. Verbist werd in 1939 uitgegeven te Leuven (Frans Louvain); zie : De gebeenten van Willibrord.


Start : 22 november 2003 | Laatst bijgewerkt : 26 januari 2007