VorigeDe Canninefaten / Cananefaten en KennemerlandVolgende

1. Inleiding

Inhoud van deze pagina

  1. Inleiding
  2. De grond voor de mythe
  3. Een postume volksverhuizing
    Noten

«Ik pleeg dikwijls de sombere wolken van het moment te verdrijven in de weider der historie, want ik verlang gretig de daden van onze voorvaderen uit het duister op te diepen. Onze annalen zijn immers zó onbetrouwbaar, dat gebeurtenissen van het grootste belang, die in fabels en leugens ingekapseld zijn, vaak de hersens van velen tot zwetens toe schijnen te hebben gepijnigd; niettemin zou ik wensen die met behulp van authentieke bronnen te reconstrueren en met dagelijks onderzoek weer aan het licht te brengen.»

Aernout van Buchel ofwel Arnoldus Buchelius (1565-1641) (1)

«Aan de monding der rivieren
Woonden onze Batavieren.
Hun gebiedsgrens is de lijn
Van de Maas en van de Rijn.
In de duinen daarentegen,
Was een ander volk gelegen :
Dit waren de Kaninefaten,
Die zo graag konijnen aten,
Verder in het hoge noorden,
Meestal karig met hun woorden,
Maar gewapend met hun spiezen,
Woonde het grote volk der Friezen.
Aan de Oostelijke kanten
Vindt men dan nog de Tubanten.
Dit is dus, in zijn verband,
De bevolking van ons land.»

Bertus Aafjes (1914-1993), De vrolijke vaderlandse geschiedenis. Deel I. Van de Batavieren tot de Gouden Eeuw, 1958.

1. Inleiding

In 1517 schreef Cornelius Aurelius, ofwel Cornelis van Gouda in zijn Die cronycke van Hollandt, Zeelandt ende Vrieslant, beter bekend als Divisiekroniek :

«Ende hebben daerof ghemaect een lustich ende suverlick lant om te bewonen, d’welck nu eens deels bewoent wert van den Vriesen, Frisiabonen [dat sijn Waterlanders], Catten [dat sijn Catwijckers], ende Rijnlanders, Canenefaten [dat sijn Kenemers]; eens deels oeck van den Bataviers, dat sijn Hollanders, ende Batavoduers, dat sijn Betouwers, dye welcke landen nu allegader tesamen onder enen naem “Hollant” ghenoemt werden; ende plach hier voermaels in ouden gesten te hieten Batavia, hoewel dat men noch in sommighe oude brieven van den graven ghegheven bescreven vint “Holtlant”, mer Plinius ende dye Romeinen noemen ’t “Batavia” ende heeft sijnen naem van der hoecheit of diepheyt; want Batavia is soe vele te segghen als “bassa terra”, dat ’s laechlant of hoollant, want het plach hier voermaels, eer ’t bedijct worde, mitten wateren ebbende ende vloeyende bedect te legghen ende overvloyet te wesen.» (2).

De Canninefaten of ‘konijnevangers’ zijn sindsdien traditionalistisch in verband gebracht met Kennemerland. De Utrechtse kanunnik Willem Heda (ca. 1460-1525) nam het rond 1521 over in zijn Historia episcoporum Trajectensium, waarbij hij van Alkmaar gelijk maar de “oppidum atque provincia Canenfatum (Kenemeros vocant)”, de hoofdstad van de provincie der Canninefaten, maakte (3). Tot dan had nog niemand van Kennemerse Canninefaten gehoord. Dat werk werd in 1612 uitgegeven door een goedgelovige Bernardus Furmerius (1542-1616). Zonder kritische vragen te stellen bestelde de Staten General nog datzelfde jaar een serie prenten met Bataven en Canninefaten bij Antonio Tempesta (1555–1630) en Otto van Veen (1557-1629) om de beroemde voorvaderlijke daden aanschouwelijk te maken. Otto van Veen zou er ook een serie schilderijen aan wijden, en ook Ferdinand Bols en Rembrandt van Rijn maakten schilderijen over het onderwerp. Het werk van Willem Heda werd in 1643 nogmaals uitgegeven door de iets kritischer Utrechtse kanunnik Arnoldus Buchelius. De denkwaardige bewering was daaraan voorafgaand al gretig overgenomen in de nooit gedrukte Vita Engelmundus uit 1564 (4). Vervolgens verschijnt hij in de Opera historica omnia van de zeer vrome en koningsgezinde katholiek Pontus Heutenis (Ponte De Huyter, 1535-1602), in een werk dat eveneens in 1643 in drie delen te Leuven verscheen en dat in 1649 en 1651 werd herdrukt.

Momenteel worden de Canninefaten ook niet meer zo vaak genoemd in verband met de omgeving van de Schepelenberg, waar Brinno op het schild zou zijn geheven, maar waar de grond geweigerd heeft om ook maar iets van ze prijs te geven toen Heemskerk, net als de omliggende plaatsen, zo ongeveer in zijn geheel werd vergraven voor woningbouw terwijl de rest al door tuinders was omgespit, en daaronder is vervolgens ook niets gevonden.

De Caninefaten werden naar zuidelijker streken verschoven, eerst ongeveer ter hoogte van Katwijk waar er ook al zonder enig goed gevolg naarstig naar ze is gezocht. Tegenwoordig worden ze eerder geplaatst bij Rijswijk, Voorburg (5) en de verdere omgeving van Den Haag, dicht bij de Nederlandse regering en ze zijn – althans voor sommige archeologen (we zullen ze de ‘cananefanaten’ noemen) – bijna een zaak van nationale veiligheid geworden.

Onder zachte drang van geschiedschrijvers en archeologen hebben de Canninefaten zich in de historische verbeelding geleidelijk naar het zuiden teruggetrokken, alleen nog lang niet ver genoeg.

2. De grond voor de mythe

De grond voor de mythe was tweeledig :

  • de Canninefaten uit de Romeinse bronnen bewoonden het westelijk deel van het Eiland der Bataven dat met de Betuwe dan wel de Zuid-Hollandse eilanden werd vereenzelvigd;
  • de namen ‘Canninefaten’ en ‘Kennemerland’ beginnen allebei met een k-klank.

Daarover valt onmiddellijk op te merken :

  • de Batavieren-mythe stamt uit 1517; daarvoor had nog niemand deze stam met Nederland in verband gebracht of er zelfs maar van gehoord, en men zal dan ook vergeefs naar ze zoeken in de oudste Hollandse kronieken, wat dan vanzelfsprekend ook geldt voor de Canninefaten die in 1521 werden ontdekt;
  • geen taalkundige heeft ooit serieus geprobeerd om de naam ‘Kennemerland’ uit ‘Canninefaten’ af te leiden, hoewel er wel een paar voorzetten zijn gedaan.

Zo gemakkelijk ontstonden mythen, maar ze ontstonden vooral doordat ze zo lekker in het gehoor lagen : het streelde chauvinistische vooringenomenheden en kittelde de historische verbeeldingskracht. In een tijd waarin de ‘natie’ het zwaar te verduren heeft wordt graag een beroep gedaan op zo roemrucht mogelijke voorvaderen.

3. Een postume volksverhuizing

Vijfhonderd jaar geleden was het Hollandse Canninefaten-verhaal al flinterdun maar het wordt nog altijd met liefde doorverteld. Om de zaken goed uit elkaar te houden en geen misverstanden te laten ontstaan dient er een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen de mythologische Canninefaten, de traditionalistische Canninefaten, de klassieke Canninefaten, de historische Canninefaten, de archeologische Canninefaten en de taalkundige Canninefaten, waarbij de muzikale Canninefaten een toegift vormen. Deze dienen elk op hun eigen merites te worden beoordeeld.

Als de geschiedschrijvers en archeologen Kennemerland laten vallen als woonplaats van de Canninefaten krijgen ze er een aanzienlijk probleem bij omdat er dan in Nederland geen enkele naam is die nog met de Canninefaten in verband kan worden gebracht. Daar tegen kan natuurlijk worden ingebracht dat de naam verdwenen kan zijn – in de derde eeuw verdween immers de bewoning uit Holland en de hele verdere Noordzeekust. Dat is juist, maar dan stelt zich onmiddellijk een ander en nog veel groter probleem : wanneer om die reden de naam Canninefaten verdween, dan kunnen andere namen uit Romeinse bronnen ook niet meer in verband worden gebracht met nu bestaande Hollandse en Friese namen, en kan bijvoorbeeld Flevum ook niet meer worden opgehangen aan het Vlie, of Renus aan de Rijn, noch de Bataven aan de Betuwe.

Zonder naamkundig relict van de Canninefaten bestaat er geen enkele andere reden meer om archeologische vondsten van het etiket ‘Canninefaats’ te voorzien dan de loutere gewoonte van de archeologen die met alle geweld een historisch gedocumenteerde naam op hun vondsten willen plakken (6). Een modern archeoloog kan zelfs zonder van kleur te verschieten schrijven :

«Alle betrokkenen worstelen met het probleem, wat te doen met de interpretatie van het in grote aantallen gevonden Late IJzertijd-repectievelijk inheems-Romeinse materiaal. Altijd maar weer klinken de gebruikelijke dooddoeners “omtrent het einde van de Late IJzertijd en de Vroeg-Romeinse tijd”, “het lijkt toch wel erg op Fries” en “noem het maar Cananefaats”

Beetje ontluisterend, niet ? Het hele verhaal van de Canninefaten is een raar, vaag verhaal, dat van de vraagtekens en aanhalingstekens aan elkaar hangt en waarin er bij ontstentenis van duidelijke vondsten en historische bewijzen vooral van alles en nog wat wordt ‘gesuggereerd’ :

«En er valt nog meer te suggereren. Hoe zou de in 1996 nabij Castricum (Noord-Holland) aangetroffen gouden stater daar verzeild kunnen zijn geraakt? Ging het misschien om een, conform Keltische mores, bij wijze van prestigegoed aan iemand overhandigde munt? Ook het in het kustgebied vinden van grote aantallen paardengraven stemt tot nadenken, ten minste voor zover te dateren van voor de concrete Romeinse aanwezigheid. Men ziet al enige tijd een nadrukkelijke overeenkomst tussen het klaarblijkelijke belang van het paard als rijdier en zijn functie als statussymbool in West-Nederland, en het belang dat daaraan in de kerngebieden van de Keltische cultuur is toegekend. De vondst op Rijswijk de Bult – onder de rook van Voorburg en Forum Hadriani – van een aantal moeilijk interpreteerbare palissadegreppels, alsmede een aantal rechthoekige structuren in de directe omgeving van wat men in 1978 bestempelde als een tempelcomplex (mét aanhalingstekens), doen een door de Keltische cultuur geïnspireerd grafveldje vermoeden. Dat grafveldje zelf is dan overigens zeker niet opgemerkt. Uit Vlaanderen kennen we de situatie van beenderpak- en brandrestengraven, die omgeven waren door een rechthoekige greppelstructuur en soms ook door palissaden. Is er bij de opgravingen in Rijswijk en Voorburg misschien iets gemist?» (7).

Het zou toch allemaal kunnen, of ook niet natuurlijk, wie weet ? Wanneer blijkt dat zulk gezwam en geleuter – waarbij er vooral wordt geschermd met wat er allemaal niet is gevonden en de rest schromelijk wordt overdreven (‘grote aantallen paardengraven’) – weinig indruk maakt dan wordt het hele probleem bij voorkeur met één klap van tafel geveegd :

«De historische en archeologische werkelijkheid is moeilijk kenbaar, een reconstructie kost tijd en nog veel toekomstig onderzoek, en een al te gemakkelijke samenvatting in etiketten leidt tot grote misverstanden.» (8).

Goed, maar dan is het beter om het etiket ‘Canninefaats’ helemaal niet meer te plakken en zich tot de vondsten te beperken. De schrijvers zeggen niets over de aard van de ‘grote misverstanden’ die ze zien opdoemen. Ze wilden hun lezers blijkbaar niet vermoeien met citaten, met literatuuropgaven of zelfs maar simpele feiten waarbij deze zich iets kunnen voorstellen, en ze hebben zichzelf duidelijk ook niet uitgeput in het maken van een iets ingewikkelder samenvatting van de wetenschappelijke stand van zaken. We vernemen slechts dat ‘de wetenschap’ tot een zeker inzicht is gekomen en dat ‘men’ in ‘de taalwetenschap’ bepaalde dingen naar voren heeft gebracht. We worden er niet eens over ingelicht hoe we ons verder in het onderwerp kunnen verdiepen.

We zullen hier op zoek gaan naar wie ‘men’ is en wat er nu eigenlijk precies bekend is. Daarom wordt er eerst ingegaan op de mythe en op de traditionalistisch opvatting van de geschiedenis om over te gaan naar de historische bronnen en de archeologie en te eindigen met de historische Canninefaten en de taalkunde. Daarom volgen er hier veel Canninefaten-citaten.


Noten

1. Aangehaald in : Geschiedenis als ambacht : oudheidkunde in de Gouden Eeuw : Arnoldus Buchelius en Petrus Scriverius / Sandra Langereis. – Hilversum : Uitgeverij Verloren, 2001. – p. 27.

2. Cornelis van Gouda, Divisiekroniek, 1517, eerste divisie (gedrukt in 1517 door Jan Seversz.), zie : Die Chronyk van Hollandt, Zeelandt ende Vriesland, beghinnende van Adams tyden, tot die geboerte ons Heren Jhesu, voortgaende tot den jare M CCCCC ende xvij. Met den rechten oerspronc, hoe Hollandt eerst begrepen ende bewoent is gheweest van den Troyanen, transciptie Karin Tilmans. Batavia zou hetzelfde betekenen als Holland; het was de esoterische naamkunde die het ‘bewijs’ leverde voor de vereenzelviging, en zo zou het eeuwen blijven.

3. Zie ook : Alkmaar. Historia Guilhelmi Hedæ Præpositi Arnhemensis auctoris nunquam editi / Wilhelmus Heda; opgenomen in : Historiæ Veterum Episcoporum Ultraiectinæ / Suffridus Petrus en Bernardus Furmerius. – Franequeræ [=Franeker] : Rombertus Doyema, 1612. – p. 305. Volgens Aernout van Buchel vormden Bernardus Furmerius, diens leermeester Suffridus Petrus, en ‘Hunibaldus’ (een fictieve Frankische geschiedschrijving met Trojaanse afstamming gefabriceerd door Johannes Trithemius), een “triumviraat ter vervalsing van de geschiedenis, of tenminste ter bevordering van vervalste geschiedenis” (Geschiedenis als ambacht, t.a.p., p. 101).

4. Zie : Engelmundus van Velsen.

5. Voor de bronnen van oude en nieuwe Voorburgse mythen, zie : Koning Eseloor.

6. Zie : Friezen, Romeinen, Cananefaten / H. Sarfatij. – Amersfoort : Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek, 1971. – (nr. 33); Van Romeinse soldaten en Cananefaten : gebruiksvoorwerpen van de Scheveningseweg / door J.A. Waasdorp ; onder red. van V.L.C. Kersing. – Den Haag : Gemeente Den Haag, Dienst Stadsbeheer, [1999]. – 176 p. – (VOM-reeks ; 1999, nr. 2); Rijswijk (Z.-H.) ‘de Bult’, een nederzetting van de Cananefaten / J.H.F. Bloemers ; [uitg. van de Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek], 1979. – 31 p. – (Archeologische monumenten in Nederland ; 7).

7. De Cananefaten : Bataafs, Fries... of wat eigenlijk ? Op zoek naar de oorsprong van een West-Nederlandse bevolkingsgroep / Wilco de Jonge. – In : SEMafoor, 5e jaargang, nr. 1, februari 2004, p. 2-10. Later verscheen : Forum Hadriani; van Romeinse stad tot monument / redactie Wilco de Jonge, Jos Bazelmans en Dick de Jager. – Utrecht : Uitgeverij Matrijs, 2006. – 504 p. In die uitgave wordt – heel knap – om de controverse heergegaan. Een bespreking van dit boek : Cananafatia – Land van de Lookmeesters / Gerrit Hekstra. In : SEMafoor, 8e jaargang, nr. 2, mei 2007, p. 10-15. In het boek zijn de archeologische gegevens interessant, maar ze bewijzen niets ten gunste van de Zuid-Hollandse Caninefaten-mythe; het is een oud verhaaltje dat opnieuw wordt opgedist. Men vergelijke de pagina alhier over De archeologische Caninefaten.

8. De Cananefaten in tien vragen en een onbestemd aantal antwoorden / Wilco de Jonge en Lauran Toorians. – In : SEMafoor, 5e jaargang, nr. 2, mei 2004, p. 24-26.


Start : 22 november 2003 | Laatst bijgewerkt : 23 september 2010

Canninefaten

De geboorteakte van Alkmaar als hoofdstad van de Canninefaten; Willem Heda, 1521, uitgegeven 1612, twaalf regels van onder
Bron : Historiæ Veterum Episcoporum Ultraiectinæ
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster)

Canninefaten

Kaart van het oude Bataafse gebied, met de Caninefates in Noord-Holland, volgens de Utrechtse kanunnik Arnoldus Buchelius, posthuum uitgegeven in 1643
Bron : Geschiedenis Magazine, nr. 8, november 2007, p. 48.
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster)

Canninefaten

Canninefaten

Twee schilderijen van Otto van Veen over de Bataafse opstand, 1613
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster)