VorigeDe Canninefaten / Cananefaten en KennemerlandVolgende

2. De mythologische Canninefaten

Inhoud van deze pagina

  1. De Batavierenmythe in de Gouden Eeuw
  2. Batavieren en Canninefaten in de achttiende eeuw
  3. De Canninefatenmythe in de negentiende en twintigste eeuw
    Noten

1. De Batavierenmythe in de Gouden Eeuw

In de Gouden Eeuw wordt de ‘historische verbeeldingskracht’ voornamelijk gericht op de Batavieren. Voor de Canninefaten, die tenslotte alleen het westelijk deel van het ‘Eiland der Bataven’ bewoonden en die voor het overige van de Bataven nauwelijks waren te onderscheiden, bleef niet veel meer over dan de zo onvruchtbare duinen alwaar ze op de bekende wijze in hun levensonderhoud voorzagen : met het vangen van konijnen. Vandaar dat de Canninefaten niet veel meer waren dan een aanhangsel van de Batavieren-geschiedenis waarop bijgevolg eerst moet worden ingegaan.

«Holland, binnen de jonge Republiek de belangrijkste provincie die als eerste succesvol was geweest in de vrijheidsstrijd tegen Spanje, had in het bijzonder behoefte aan versterking van haar ‘vaderlands profiel’. Hollandse historici benutten diverse bronnen om de geschiedenis van de voorouders te beschrijven.» (1).
«Behalve de connecties met fransche, engelsche en italiaanse geleerden, hebben vooral de Duitschers invloed geoefend op onze historieschrijvers van die dagen, een invloed, die we duidelijk kunnen waarnemen in hun werken. Juist het Germaansch verwantschapsgevoel drong hen er toe één lijn te trekken met hun oostelijke collega’s, waar het gold zich te verweren tegen den aanmatigenden trots der Italianen.» (2).

Niet dat de Hollandse geschiedschrijvers van aanmatigende Italianen ook maar iets te vrezen hadden. Het ging veeleer om sommige Spanjaarden die aanspraak maakten op een zeker grondgebied en belastingen hieven waarvan de vaderlandse oversten het geld liever anders en vooral elders dan aan het Spaanse Hof zagen besteed.

Maar in de vijftiende eeuw zijn het wel Italiaanse geleerden die de klassieke schrijvers herontdekken en in druk brengen. Ze moeten veel genoegen hebben beleefd aan het onophoudelijk gekrakeel van al die noorderlingen die een paar Germaanse krenten uit hun Romeinse pap probeerden te vissen en elkaar daarbij het licht niet in de ogen gunden. In de noordelijke landen start de zoektocht naar de eigen oude geschiedenis. De Leuvense Raymundus Marlianus vermeldt de Bataven al in 1478, als ‘Bactani’, maar zonder daarbij nog een bijzonder geografisch gebied voor ze in gedachten te hebben.

In de invloedrijke laat-middeleeuwse Divisiekroniek (3) van Cornelius Aurelius (1460-1531) uit 1517 daarentegen, geschreven in de landstaal in plaats van in het Latijn, worden de beschrijvingen van de Germanen en vooral Bataven door de klassieke schrijvers voor het eerst aangehaald bij het samenstellen van een glorieuze Hollandse nationale geschiedenis en wordt er voor het eerst een directe verband gelegd tussen Germaanse stammen uit de Romeinse periode en een ‘vaderlandse geschiedenis’ die bij gebrek aan bronnen niet verder terug reikte dan een paar honderd jaar. Daarbij kwam plotseling een veel oudere geschiedenis, hoewel met een gat van duizend jaar tussen dat verhaal en wat volgde.

«Behalve voor de verwerkte bronnen is de Divisiekroniek van belang omdat zij bedoeld was om het Hollands ‘nationaal’ besef te stimuleren tegenover het centrale Habsburgse gezag. In deze opzet speelde de Bataafse voorgeschiedenis van Holland, die Aurelius als eerste in de volkstaal beschreef, een essentiële rol. Aurelius legde een rechtstreeks verband tussen de vrije en dappere Bataven, de speciale bondgenoten van de Romeinse keizers, en de Hollanders uit zijn tijd, onderdanen van keizer Karel V. Deze zg. Bataafse mythe, onder meer bedoeld om de aanspraken op eigen privileges te legitimeren, had belangrijke politieke invloed.» (4).

Of ook :

«In het begin van de zestiende eeuw suggereerde de Hollandse humanist Cornelius Aurelius in Die cronycke van Hollandt, Zeelandt ende Vrieslant (1517) dat de door Tacitus genoemde Bataven directe voorlopers waren van de Hollanders. Deze zogenaamde ‘Bataafsche mythe’ kon aanvankelijk op weinig instemming onder andere geleerden rekenen, maar werd later verder ontwikkeld door Hollandse intellectuelen als Hugo de Groot en Pieter Comelisz. Hooft. De mythe legitimeerde de opstand tegen de koning van Spanje en bevestigde de grootsheid van de Hollandse beschaving. Tot diep in de achttiende eeuw debiteerden Hollandse geschiedschrijvers de Bataafse mythe in allerlei varianten, maar de afbrokkeling van Hollands dominante positie binnen de Republiek en de strengere eisen die aan geschiedbeoefening werden gesteld, ondergroeven de geloofwaardigheid ervan.» (5).

Aurelius’ leerling Erasmus van Rotterdam twijfelde of de Bataven zonder meer met de Hollanders vereenzelvigd konden worden :

«Of ik Bataaf ben, staat voor mij nog onvoldoende vast, maar dat ik Hollander ben, kan ik niet ontkennen» (6).

Het ging niet zozeer om het vormen van een werkelijk begrip van het verleden alswel om het scheppen van een zo oud en respectabel mogelijk, in zijn grondtrekken vooropgezet verhaal van een zelfstandig Holland. Er werden wat losse stukken uit de klassieke geschriften op Holland begrepen. Het verleden diende als grondstoffenleverancier ter versterking van de lopende maatschappelijke strijd en de aanspraken voor de toekomst. Omdat er verder niets was werden de verbanden met volkeren uit de bijbel aangevuld met dan wel vervangen door verbanden met de volkeren genoemd bij Romeinse schrijvers (7).

«Volgens de voorstelling van menige middeleeuwse kroniekschrijver was Nederland in de oudste tijden een onherbergzaam land, een ‘Woud zonder Genade’. Dichte wildernissen en gebieden die noch water, noch land genoemd konden worden, lieten slechts weinig bestaansmogelijkheden over voor een schamele bevolking van jagers en vissers – halve wilden. De meeste kronieken meldden dat aan die armzalige tijd in de negende eeuw een eind was gekomen, toen deze streken werden opgenomen in het rijk van keizer Karel. De denkbeelden gingen terug op de Cosmographia, een geschrift uit de vierde eeuw na Chr. dat via de kerkvader Hiëronymus was overgeleverd en dat het noorden van Europa als een oord van barbaarsheid beschreef.
Kort na het jaar 1500 moesten deze overleveringen wijken voor nieuwe inzichten. De aanleiding voor de reconstructie van het vaderlandse verleden was dat in 1470 elders in Europa werken van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus waren opgedoken en in druk beschikbaar kwamen. Ze onthulden het bestaan van een groot en dapper volk dat in de Romeinse tijd een groot deel van Europa bewoonde, het Germaanse. Deze naam was een verzamelnaam voor een volkerenfamilie die West-, Midden- en Noord-Europa besloeg. In de streek die later als het Duitse Hessen kon worden geïdentificeerd, woonden aldus Tacitus de Chatten. Bij een intern conflict verjoegen ze een groep stamgenoten, die de Rijn afzakte en zich langs de benedenloop van de rivier vestigde, tussen Nijmegen en de Noordzee. De vluchtelingen noemden zich Bataven.
Veel verder ging Tacitus niet. Zijn mededelingen werden echter weldra door onze geschiedschrijvers aangevuld. Ze schreven dat de verdreven Chatten een aanvoerder met de naam Bato gehad hadden, en onder diens leiding ‘Bato’s have’ hadden gesticht. Daaraan hadden ze hun naam ontleend: Baathavers of Betouwers; in de namen Betuwe, Batenburg en Batenstein leefde hun aanwezigheid nog voort. Het territoir van deze Baathavers werd omspoeld door de Waal, de Rijn (die in die dagen nog bij Katwijk in zee stroomde) en de Noordzee: het Bataafse Eiland.»
 (8).

Het oude beeld van de geschiedenis – beschamende barbaarsheid gevolgd door het geluk van de kerstening onder Karel de Grote – wordt vervangen door het beeld van een ver en groots verleden waarop men trots kan zijn; dan komen de donkere middeleeuwen met hun achteruitgang waarin eerdere kunde en kennis verloren gaan, met vervolgens een nieuwe opgang aansluitend bij het roemrijke verleden – zo is de cirkel weer rond en het is pas later dat de vooruitgangsgedachte opgang maakt. De beschaafde Romein komt voor de trotse Hollandse koopman, en in zijn gevolg de protestantse dominee, als voorbeeld te staan tegenover de boerse adel en katholieke geestelijkheid.

Aan het ‘gemene volk’ gingen die subtiliteiten waarschijnlijk voorbij; daar waren vooral heel andere zorgen.

Romeinse bodemvondsten van hier en van elders krijgen dan – doorgaans ongedocumenteerd – een plaats in de rariteitenkabinetten waar ze bewondering en verbazing wekken en waar ze dienen als materiële aanvulling op de uitleg van de klassieke schrijvers die begin- en eindpunt bleven vormen. Wat later het ‘bodemarchief’ is genoemd werd zo geplunderd en om aan de vraag naar ‘oudheden’ te voldoen duiken er in de handel al spoedig namaaksels op. Het zijn de weemoedige herinneringen aan vergane pracht en praal van een teloorgegaan Arcadië dat als voorbeeld gaan dienen.

Het Eiland der Bataven wordt al snel aan de borst gedrukt door het te vereenzelvigen met de Betuwe of met Holland :

  • De Bataven worden geplaatst in het Maas-Waal-gebied en bij de Rijn, kortom in Holland zonder meer, dat is ongeveer het gebied van de huidige provincie Zuid-Holland; dat alles is gebaseerd op de vereenzelviging van Renus (de Schelde) met Rijn en Vahalis (de Lys) met Waal.
  • Was het ‘Eiland der Bataven’ bij de Romeinse schrijvers niet meer dan een geografische aanduiding met de ‘Bataven’ als bewoners, in de Hollandse geschiedschrijving wordt al snel gesproken van ‘Batavia’, een natie met bestuurlijke samenhang en waarvan Holland de regelrechte voortzetter zou zijn; Wilhelmus Heda (midden vijftiende eeuw-1525) probeerde zelfs te bewijzen dat de woorden ‘Bataven’ en ‘Hollanders’ feitelijk hetzelfde betekende (9) terwijl er ook druk werd gespeculeerd rond de overeenkomsten in ‘volksaard’.

Tekenend voor de stemming waarin de moderne nationale geschiedenis wordt samengesteld is dat wanneer Gelderse schrijvers, meer in het bijzonder de Nijmeegse Gerardus Noviomagus (Gerard Geldenhauer, 1482-1542), de Bataven opeisen er onmiddellijk strijd ontstaat. Aurelius schreef namelijk in reactie op Geldenhauer, die de Bataven als eerste in de Betuwe plaatste, terwijl Aurelius ze zelf bij Katwijk en Leiden neerzette :

«Het is de wederzijdsche naijver en vijandschap tussen Holland en Gelre die zich aldus manifesteert. Men kon niet dulden, dat een Gelderschman zich de eer aanmatigde onder de nakomelingen der Bataven gerekend te worden.» (10).

Ter ondersteuning van de argumentatie ontleend aan de klassieke schrijvers werd er in die strijd niet geschroomd onmiddellijk bodemvondsten te vervalsen : in reaktie op al het Romeins dat bij Nijmegen was gevonden wordt kort na 1500 een eerste ‘Batavensteen’ bij Zoeterwoude ontdekt; de ontmaskering van de vervalsing nam niet weg dat Leiden zich nog honderden jaren met de naam Lugdunum Batavorum bleef tooien. De oostgrens van het edele Batavia wordt door de Hollandse schrijvers gelegd op de lijn Gorinchem – Wijk bij Duurstede, terwijl de Geldersen zich maar moesten behelpen met de stam van de Sicambri, die door de Romeinen werd verguisd.

De mythe van het bij Tacitus vermelde Oppidum Batavorum daarentegen, dat door de Nijmeegse predikant en oudheidkundige Johannes Smetius in 1645 nog eens uitdrukkelijk als Nijmegen werd aangewezen, bleef veel langer in stand (11). Dat neemt niet weg dat Geldenhauer in de zestiende eeuw, hoewel hij wat betreft de Bataven op een even verkeerd spoor zat als de Hollanders, blijk gaf van veel meer historisch inzicht en begrip van de historische methode dan zijn huidige literaire nazaten – hij redeneert bijvoorbeeld aan de hand van letterlijke citaten van de klassieke schrijvers, die hij volledig weergeeft in plaats van alleen eigen gekleurde interpretaties te geven van uit hun verband gerukte fragmenten.

Aurelius was desalniettemin niet geheel kritiekloos, en te zijner verdediging moet worden vermeld dat hij tegenover de middeleeuwse geschiedschrijving opmerkte :

«Soe is alle outheit, oft gesten ende geschienissen der outheit ghemenget mit fabulen, want die coninghen, vorsten ende steden lichtlijck gheloven alle dingen ende gesten die men van haer scrivet, als si luyden ende spreken tot horen lof ende eerlicheyt.»

Ook waarschuwt hij tegen schrijvers die zich niet strikt aan de klassieke teksten houden maar er zelf van alles bij verzinnen :

«[…] van den welcken hi selver niet en roert noch scrijft die machmen houden over fabulen ende visierde dichten, als die scriver der croniken van Sassen.»

Hij verwerpt bijvoorbeeld de met een beroep op de bijbel geopperde Aziatische afkomst van de Bataven, maar vliegt tegelijk met open ogen in een fantasterij uit 1498, volgens welke de Duitsers direct afstamden van ‘Tuyscon’, een zoon van Noach, en hij achtte het ook mogelijk dat het verhaal juist was volgens hetwelk de Trojaanse Brutus de ‘Reuzen’ uit Engeland verdreef, waarna deze hun toevlucht in Holland hadden gezocht (12).

Midden in deze mengelmoes van laat-middeleeuwse fantasterij en een begin van historische kritiek wordt er in alle euforie over de ontdekking van een buitengewoon oud Holland ook al snel besloten tot een ietwat ruimere interpretatie van de klassieke schrijvers. Batavia krijgt daarbij de neiging steeds groter te worden, meer in overeenstemming te geraken met de politieke doeleinden van dat moment. Naast het ‘Eiland der Bataven’ wordt tevens met terugwerkende kracht een Groot-Batavië in het leven geroepen, dat een historisch gezien verdachte gestalte aanneemt :

«Het was verleidelijk om in dit Batavia, dat bestond uit zeven volken, waaraan één als hoofdnatie den naam geschonken had, het prototype te zien van de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden.» (13).

Een heikel punt wordt gevormd door de vraag of Batavia nu tot Gallia dan wel tot Germania behoorde. Zo wordt door sommigen de Gelderse IJssel opgevat als de noordelijke tak van de Renus en zou Batavia zelfstandigheid hebben gehad ten opzichte van zowel Gallië als Germanië. Anderen plaatsen de grens elders en laten Batavia liever deel uitmaken van Germanië, weer anderen geven de voorkeur aan Gallië. Deze vraag is nog immer een gewild onderwerp voor steriel academisch dispuut. De mythe van de ‘Noordzeevolken’ waarin een ‘Groot-Friesland’ – hoe zich dat ook verhield tot het veronderstelde ‘Groot-Batavië’ – deel uitmaakt van de Britse invloedssfeer (of liever nog zélf het centrum van een invloedssfeer was) moet dan nog worden geschapen.

De hele geschiedenis zou haast eindeloos worden (14) :

«From the l580s onwards a spate of learned history books and tracts were printed or reprinted in which the Batavians received due attention. Historians like Hadrianus Junius, Bockenberg and Janus Dousa (father and son) rewrote the full story of the Batavi in their Latin histories of Holland or of Utrecht. Soon the old manuscripts and prints of the early humanists like Aurelius, Geldenhauer, Snoyus and Heda were collected and reprinted with or without new comment. The first anthology was edited by Vulcanius in 1586, the second by Scriverius in 1609 – Batavia lllustrata, the storehouse from which most references and quotations would come during the seventeenth century and after. Nor did the exemplary history of the rebellion of Claudius Civilis escape the notice of a wider public. It was not long before Claudius Civilis and William of Orange were brought together in illustrations and poems; Brinio, Claudius’ commander-in-chief, was to be compared with Prince Maurice, the Roman commander Vitellius with the duke of Alva. Archaeological finds were now more fully described and seen as relics of that glorious Batavian past. The old ‘burcht’ of Leiden, in reality a motte (mound) castle built in the tenth century, was considered to have been a Batavian stronghold; and a stone found near Leiden with the inscription ‘Batavi amici et fratres Rom. Imp.’, today recognized as an unmistakable forgery, was accepted as firm proof of the existence of that alliance between equals, Romans and Batavians, which had only once been disturbed (*). The term ‘Bataafsch’, the name for the Hollanders as ‘Bataven’ or even ‘Batavieren’, like the designation of Holland as the new ‘Batavia’, became quite fashionable. In 1575 Leiden, for instance, received its Latin name ‘Lugdunum Batavorum’ (**). Djakarta in Java, conquered by Jan Pieterszoon Coen and soon to become the centre of commercial and military operations in South-East Asia, had to change its name into Batavia in 1619 in compliance with explicit instructions from the East India Company’s Directors at home ().
It was only to be expected that an emotionally loaded interest in the Batavian past would undergo some process of stylization and dramatization needed by the elite of regents and merchants, rulers of a proud and independent province. This process did not require rapid estrangement from, let alone a clash with, the solid scholarship of those times. Of course, in minor matters there would develop differences between the orthodox public story and scholarly interpretations. Scientific knowledge of the Batavians had to be pruned of the all too fanciful accretions which sixteenth-century history-writing had indulged. Baeto, the eponymous hero, for example, who had been awarded full honours by such historians as Bockenberg and Junius in the eighties, received his scientific deathblow from the Dousas and Scriverius, who indignantly threw poor Baeto on the dustheap to which in their opinion other heroes like Brabo (of Brabant), Friso (of Friesland) and our dear Heer Lem (of Haarlem) belonged.
But their surgery did not frighten public opinion from cherishing Baeto as the father of Holland. In 1617, a decade or two after Dousa and Scriverius had been disparaging them, Piter Cornelisz. Hooft, the famous gentleman poet, wrote his Baeto. Untroubled by scholarly criticism, he composed his tragic hymn about a wise prince who preferred peace to civil war and founded the Batavian nation, whose glory would be everlasting.»
 (15).
(*) Bijvanck (ed.), op. cit., II, nos. 335 and 336. Both inscriptions are forgeries. No. 335 was made in the sixteenth century, no. 336 was copied from no. 335, no. 335 is lost, no. 336 is preserved in the Rijksmuseum of Oudheden in Leiden.
(**) P.J. Blok, ‘Lugdunum Batavorum’, Leidsch Jaarboekje, I (1904), 1-31 and 27-31, to be placed in the traditional line of discussion (this time with Blok’s collegue in Leiden, the archeologist Holwerda) started by Geldenhauer and Aurelius. Blok proved convincingly that the connection between the fortress Lugdunum, to be found on the old Peutinger map, and the city of Leiden was first made by Dutch humanists of the ‘second generation’, like Ortelius (1566 in a letter) and Janus Dousa the father (1575 in a published poem), but based on false onomastic, geographical and archaeological suppositions.
(†) J.W. Muller, ‘Batavia’, Nomina Geographica Neerlandica, VIII (Leiden, 1923), 112-4.

Traditionalistische ‘nevelhelden’, zelf-gefabriceerde stenen ‘bewijzen’, opgeklopte gevoelens; alles is er al. Maar het verst van allen in a-historische Batavieren-fantasmes ging Hugo de Groot (1583-1645), die in 1610 voor het ontwikkelde internationale publiek zijn Liber de antiquitate reipublicae Batavicae uitgeeft, een titel die hij in hetzelfde jaar voor het vaderlandse volk, voorzover dat de leeskunst machtig was, vertaald uitgeeft als : Tractaet vande oudheyt vande Batavische nu Hollandsche Republique. Daarin verdedigt hij het ooitmalige bestaan van een Groot-Batavië als onafhankelijke staat; een republiek met aristocratische regeringswijze waarin niet de koningen maar de standen over de souvereiniteit beschikten, compleet met een soort van Eerste Kamer van oversten en een Tweede Kamer van verkorenen uit het gemene volk. Het koningschap bestond daarin als macht alleen tijdelijk en kon niet erfelijk zijn. Die nimmer volledig onderworpen souvereine staat, niet gehinderd door de aanwezigheid van Romeinse magistraten, zou op voet van gelijkheid betrekkingen zijn aangegaan en hebben onderhouden met het Romeinse Rijk (16).

Cluverius (Philipp Cluver, 1580-1622) geeft vervolgens in 1611 te Leiden als eerste een kaart uit van ‘Romeins Nederland’ en in 1612 verschijnt in Antwerpen Batavorum cum Romanis bellum, een boek over de Bataafse Opstand met 36 prenten van Antonio Tempesta naar ontwerpen van Otto Vaenius (Otto van Veen, 1556-1629), die ook een hele serie schilderijen over de Bataafse opstand maakt (17). In 1617 schrijft P.C. Hooft zijn toneelstuk Baeto, uitgegeven in 1626, met in de hoofdrol een Bataafse leider die door de geschiedkundigen al van het toneel was verwijderd (18). In 1637 verschijnt in dialoogvorm een eerste versie van de herdersroman Batavische Arcadia, Waer in, onder ’t Loof-werck van Liefkooserytjes, gehandelt werdt, van den oorspronck van ’t oud Batavien, Vryheydt der Bataviers, Vrye Zee, Zee-vonden, Vinders van verburgen Schatten, Verbeurt-maecken van Goederen, Uyt-perssen der waerheydt door pynigen, Onheyl van de lanck-wyligheydt der Rechts-plegingen, en andere diergelycke ernstige saken meer, van Johan van Heemskerk (1597-1656), dat herdrukt wordt in 1647, 1657, 1662, 1678, 1708, 1729, 1751, 1756, 1765, 1851, 1864, 1869, 1925, 1935 en 1982.

De zeventiende eeuw vormt een eerste apotheose van de roemrijke voorvaderlijke Batavieren, over wie in hoogdravende bewoordingen de loftrompet wordt gestoken.

«Het gangbare beeld van een barbaarse oertijd werd er met behulp van Tacitus krachtig gecorrigeerd. Holland begon zijn geschiedenis voortaan als een welvarend landsdeel met dappere inwoners. Sterker nog, via de Bataven maakte Holland nu deel uit van de geschiedenis van het Romeinse rijk en had het deel aan de Romeinse beschaving, die sedert het begin van de Renaissance de hoogste norm voor alle beschaving was. Zo ontstond de langdurige en ingewikkelde verhouding van Holland met zijn Bataafse verleden, een verhouding waarin niet alleen de politiek en de wetenschap maar ook het heden en het verleden zich vermengden. Dit in elkaar vloeien van feiten en fictie staat in de hedendaagse geschiedschrijving bekend als de ‘Bataafse mythe’.» (19).

Het beeld van de botte Batavieren die in dierenvellen gekleed bier dronken uit de schedels van hun overwonnen vijanden terwijl ze zich onledig hielden met het verdobbelen van vrouwen en kinderen (dit in tegenstelling tot het beeld van de ‘nobele wilde’ die nog niet was verpest door de ‘beschaving’), hoewel het ook al vroeg aanwezig was aansluitend op de eerdere visie over barbaarse voor-christelijke heidenen, of over ontaarde wilden in schril contrast tot de beschaafde Romeinen, maakte een nieuwe opgang in een latere periode toen de Londense beurs werd verkozen boven grote nationale projecten en het gemene volk daarbij in armoede werd gedompeld.

In 1658 schildert Ferdinand Bol de Vredesonderhandelingen op de brug tussen Julius Civilis and Cerialis en in 1659 schetst Govert Flinck een studie van Brinio op het schild geheven. Als Rembrandt van Rijn in 1661 De samenzwering van Claudius Civilis schildert, wordt dat door schout en schepenen van Amsterdam afgekeurd omdat het locale pattiotisme daarin niet voldoende tot uiting kwam en de classicistische beginselen niet waren gerespecteerd. Een jaar later komt het drama Batavische gebroeders uit van Joost van den Vondel, dat evenwel maar drie keer wordt opgevoerd, en waarin de namen van Claudius en Julius Civilis zijn vertaald als ‘Nikolaes’ en ‘Julius Burgerhart’; Brinno wordt ‘Duinheer Bruin’ :

«De duinheer Bruin bemint mijn zoons, gelijck zijn hart.
Die trotse vryheer steunt op zijn Konijnevatters,
Noit slaven onder ’t juck. dat zijn oprechte schatters
Van ’t pant der vryheit, by Romainen snoot ontwijdt.
Zy kroppen vast hun leedt, doch schelden ’t hun niet quijt.
Een duinman waer getroost, al stondt gy dicht gesloten
Van lijftrouwanten, dy een priem in ’t hart te stooten,
En zijn bebloede ziel te mengen met uw bloet.»
 (20).

De Leidse emeritus hoogleraar algemene geschiedenis Peter W. Klein komt tot de volgende slotsom :

«De middeleeuwse bewoners van het land hadden zelf geen notie van toekomstig nationaal Nederland. Hun voorportaal van de eigen geschiedenis was het legendarische ‘Woud zonder Genade’ uit de verre oertijd. (a) Daar in het schemerduister lag een onchristelijk, huiveringwekkend oord; onherbergzaam; ondoordringbaar; wind- en waterduivels gierden rond boven sompige moerasgronden die verraderlijk op het trage getij meedeinden. Spoorloos verdween mens en dier. Een armetierig handvol jagers en vissers sleet er een angstig, kommervol bestaan. Voorouders?
Toch niet. In de latere Middeleeuwen zocht en vond de plaatselijke adel zijn nobele afkomst althans elders. Men kwam terecht bij de Heren van Troje, Alexander de Grote of desnoods Karel de Grote. Zodoende lagen Nederland en de Nederlander destijds even ver buiten zicht als de legendarische Priester Johannes. Die heerste volgens de deskundigen van toen over het land achter Perzië en Armenië.

Pas bij het begin van de Nieuwe Tijd omstreeks 1500 is het ‘Woud zonder Genade’ verdwenen. Op zijn plaats kwam het Bataafse eiland te liggen. In de Betuwe ergens tussen Rijn en Waal, woonden de Bataven. Tot in de jaren veertig van de twintigste eeuw leerde de onderwijzer dat dit Germaanse volk twaalf jaar voor Christus in uitgeholde boomstammen de Rijn afzakte om bij Lobith ons land binnen te komen. De Katten vestigden zich in diezelfde tijd in Katwijk en het Amsterdamse Kattenburg, voor zover ze althans niet op doortocht waren naar Chatham waar admiraal Michiel de Ruyter in 1667 de Engelsen mores leerde. Ach, vaderlandse geschiedenis…
De verrijzenis van de Insula Batavorum was te danken aan de oude Tacitus die er een kleine anderhalve millennium eerder over bericht had. Tijdens de Middeleeuwen sluimerde hij met zijn verhaal in de vergetelheid. Pas de Renaissance – tijd immers van wedergeboorte – wekte ook de Bataven tot nieuw leven. De Tachtigjarige Oorlog, de opstand tegen Spanje, de nationale vrijheidsstrijd, de kamp om de ware religie, de burgeroorlog, de kapitalistische triomf over het feodalisme – of hoe men het Grote Vaderlandse Gebeuren ook wil noemen – bracht het Batavische Arcadië terug in herinnering. Kwam de verdrijving van de Spaanse tirannie immers niet op hetzelfde neer als de heldhaftige strijd van de fiere Bataaf Julius Civilis? Of heette die Claudius? Hoe dat ook zij, door te proberen het Romeinse juk af te werpen had hij destijds als vaderlander het goede voorbeeld gegeven. Hugo de Groot, Pieter Cornelisz Hooft en Rembrandt behoorden naast vele anderen tot de geïnspireerde elite van politici, geleerden en kunstenaars die zich heeft ingespannen om vorm en inhoud te geven aan de desbetreffende geschiedvervalsing. Jan Pietersz Coen voegde er het zijne aan toe door in het verre Indië Batavia neer te zetten op de puinhoop die hij van Jakatra had gemaakt. Met verve verdedigde Huizinga nog in 1924 de opvatting dat de Nederlandse natie in de strijd tegen Spanje was ontstaan. (b)
Maar vooralsnog lukte het destijds toch niet de mythe op te blazen tot nationale dimensies. Waar de Bataven precies hadden gewoond bleef een twistpunt. En elke provinciaal ging prat op zijn eigen, heel singuliere afstamming. De ondermaatse Drent herleidde de zijne tot de ‘grouwzame Barbarische en wreede Reusen’ die de hunebedden hadden nagelaten. De Fries herinnerde zich zijn stamvader Friso. Hij was ooit uit Jeruzalem, Abessinië, Indië of Troje naar Stavoren getrokken om daar een tempel voor god Stavo te bouwen. In Groningen ontbrak elk spoor van de Bataaf; ‘Stad en lande’ was een ongemakkelijk mengsel van Friezen en Saksen. Hoorden Brabant, Gelderland en Utrecht wel bij het Bataafse eiland? De een zei zus, de ander zei zo. Met de Zeeuwen wisten alleen de Zeeuwen raad. De Limburgers telden niet mee. Flevoland was er nog niet.

Het duurde tot de Bataafse Republiek van 1796 voor de Bataafse mythe zijn hoogtepunt bereikte. Pas in die tijd begon het Nederlandse nationale vaderland zich uit de baarmoeder van de geschiedenis te persen. De unitaristische Patriot Willem Anthonie Ockerse trad in de jaren 1780 op als revolutionair vroedmeester. (c) Als een der eersten schreef hij zijn landgenoten een nationaal volkskarakter toe. Zo uitzonderlijk was dat toen overigens niet. Een hele stoet Europese volken maakte in diezelfde tijd aanspraak op een eigen nationale identiteit. Ockerse dacht te weten dat de Nederlander zich als gevolg van de heersende omstandigheden en zijn bijzondere geschiedenis onderscheidde als koel en bedaard flegmaticus. Zijn bloed was koud en met waterdelen ruim bezet; zijn spieren taai, week en gerekt; zijn vochten dikslijmig; zijn zenuwen slap en zonder veerkrachtige spanning. De Nederlander was dus onverschillig, bedachtzaam, geduldig, volhardend, eenvoudig en matig.
Ockerse had zijn vrijheidslievende burger ontdekt! Eigenaardig genoeg noemde hij de Nederlander ook fantasieloos. Was het daaraan te wijten dat zijn denkbeelden zijn medeburgers maar kort konden bekoren? Nog geen twintig jaar nadat Ockerse de pen had neergelegd, was de Bataafse mythe als bron van inspiratie verdroogd. Erger nog. Tijdens de geschiedenisles op school hield de twistzieke Batavier omstreeks 1820 zijn intree als in beestenvel gehulde barbaarse dronkenlap die zijn vrouw bij het dobbelen verspeelde. De republikeinse Bataafse revolutie van 1795 had in de monarchie van toen zijn glans verloren. In de nieuwe monarchie had de republikeinse held Julius Civilis – of was het Claudius? – afgedaan. Oranje boven! Ach, vaderlandse geschiedenis…
In de Tweede Wereldoorlog probeerde de landverraderlijke professor Jan de Vries het lelijke beeld van de Bataafs-Germaanse voorouders op te poetsen! (d) Daarna was het natuurlijk helemaal gedaan. De Bataafse mythe was nu goed fout en dus volstrekt ongewenst. De professor zag zich voor straf als leraar Duits naar Zeeland verbannen. Nu weten dus alleen nog de ouderen van vóór de oorlog dat de Batavieren bij Lobith waren binnengekomen. Waarom? Waar kwamen ze vandaan? De meester had het niet verteld. Het vaderlandse culturele erfgoed beperkte zich tot de reeks jaartallen die de kinderen in de klas unisono galmend opdreunden. Dat waren de feiten en verder geen gezeur. Het is waar dat bijzondere scholen als dat zo uitkwam wat andere jaartallen in de hoofdjes stampten dan de openbare. Ach, vaderlandse geschiedenis…

Los van de Bataafse mythe kwam het nationale volkskarakter later in de negentiende eeuw tot wasdom. Het begon nog tijdens de vernederende Franse overheersing om zich daarna voort te zetten in de roemloze tijden van stilstand en onbeduidendheid. Het ondoorzichtige mengelmoes van Verlichting en Romantiek fungeerde, evenals in andere landen, ook in Nederland als vruchtbare voedingsbodem. Wat hier ogenschijnlijk onder voornamelijk Franse invloed was begonnen als staatkundige vernieuwing met als gevolg de nationale eenheidsstaat, maakte in feite deel uit van een veel bredere beweging. De desbetreffende fundamentele, gecompliceerde en veelomvattende omwenteling voltrok zich in een veelheid van vormen over heel Europa. School en universiteit, kunst en cultuur, fiscaliteit en defensie, godsdienstleven, wetenschap en technologie, sociale verhoudingen en economisch leven, macht, machtsdenken en politiek-staatkundige inrichting vonden in de loop van de negentiende eeuw steeds meer hun inbedding in de veelomvattende maatschappelijke vernieuwing van de hele Europese samenleving.
Terwijl Nederland bezig was zich zijn bijzondere nationale identiteit aan te meten, sloot het zich zodoende juist nauwer aan bij de algemene gang van zaken in Europa. (e) Er waren – toen en later – maar weinigen die dat beseften. In 1817 kreeg het land zijn eerste nationaal volkslied, geschreven door de dichter-verffabrikant Hendrik Tollens. ‘Wien Neêrlands bloed door d’aadren stroomt van vreemde smetten vrij’, zong al wat zich nationaal Nederlands voelde. De afscheiding van muitziek België in 1830, waartegen koning en volk niet waren opgewassen, voerde de nationale trots op tot hartstochtelijke hoogte. Nederland ontdekte zijn ‘Gouden Eeuw’ en daarmee zijn fiere grootsheid. Vooruit dus naar vroeger! Zo had Nederland dan toch eindelijk zijn identiteit gewonnen. Zo kon het althans schijnen. Maar zo was het toch niet.»
 (21).
(a) A. van der Woud, De Bataafse hut. Verschuivingen in het beeld van de geschiedenis (1750-1850) (Amsterdam 1990); N.C.F. van Sas, ‘Nederland; een historisch fenomeen’, in D. Fokkema en F. Grijzenhout (red.), Rekenschap 1650-2000 (Den Haag 2001) hfdst. 2.
(b) 'How Holland became a nation', in Huizinga, a.w. [Verzamelde Werken, II Nederland], 266-284.
(c) N.C.F. van Sas, Talen van het vaderland. Over patriottisme en nationalisme (Amsterdam 1996).
(d) A.D. Kylstra, Het naoorlogse beeld van de oud-germanist Jan de Vries (Groningen 1999). De brochure van De Vries was in 1943 verschenen.
(e) J.Th.M. Bank, Het roemrijk vaderland. Cultureel nationalisme in Nederland in de negentiende eeuw (’s-Gravenhage 1990).

2. Batavieren en Canninefaten in de achttiende eeuw

Zelfs Voltaire bemoeide zich met de Bataven in een lofdicht op Willem van Haren (1710-1768, de oudere broer van Onno Zwier van Haren), de auteur van het heldendicht in twaalf delen De Gevallen van Friso (1741 en uitgebreid 1746, Van Haren vertaalde het zelf in het Latijn en het Frans), waarin een mythologische Friesche geschiedenis werd bijeengedicht :

«Demosthène au conseil, et Pindare au Parnasse,
L’auguste liberté marche devant tes pas,
Tyrtée a dans ton sein répandu son audace,
Et tu tiens sa trompette au milieu des combats.

Je ne peux t’imiter, mais j’aime ton courage,
Né pour la liberté, tu penses en héros;
Mais qui naquit sujet ne doit penser qu’en sage,
Et vivre obscurément, s’il veut vivre en repos.

Notre esprit est conforme aux lieux qui l’ont vu naître
A Rome on est esclave, à Londres citoyen,
La grandeur d’un Batave est de vivre sans maître,
Et mon premier devoir est de servir le mien.»
 (22).

Willem van Haren, nu de opstand tegen Spanje achter de rug is, waarschuwt echter :

«Een wettige overheid is, als de Godheid, heilig!
Regeert ze boos, is ’t recht niet in haar handen veilig,
De Hemel hield voor zich de straf van dat gedrag,
En zonder dat het volk zich daarin mengen mag.»
 (23).

Tot dusverre viel de opstand tegen de vreemde bezettingsmacht samen met de opstand tegen onderdrukking in het algemeen. In de achttiende eeuw begint dat geleidelijk te veranderen. Halverwege de achttiende eeuw verschuift in de geschiedschrijving de nadruk van dynastieke vorstengeschiedenis naar republikeinse volksgeschiedenis; de mythe van de ‘edele’ of ‘nobele wilde’ komt geleidelijk tot stand en J. Wagenaar kan in zijn Vaderlandsche Historie (1749-1759), dat lang standaard zou blijven, optekenen :

«Wij hebben ruim zo veel belang bij de Historie van het Volk als bij die der Vorsten. De Historie der Vorsten is ons ten deele vreemd: de Historie des Volks is onze eigen’ Historie.» (24).

Korte tijd later verschijnen ’t Bataafsche Athene, in drie herderskouten (1760, bedoeld is de woonplaats Leiden van de schrijver) en het treurspel Claudius Civilis, hersteller der Bataafsche vrijheid (1764) van de zeer prinsgezinde Johannes le Francq van Berkhey (1729-1812). Lucretia Wilhelmina van Merken doet het werk van Vondel dunnetjes over :

«Zo sprak ik, als ’t geluid van schild en zwaard en speer
Van alle zyden klonk, en toonde hoe rechtschapen
De Batavier zich uitt’, door ’t kletteren van ’t geweer :
Hij stemt het eerlykst die zyn stem geeft door zijn wapen.
’t Caninefaatsch Gewest had naauw’ die maar’ verstaan,
Of ’t breekt, met ons veréénd, terstond den slaafschen vrede;
Stelt duinheer Brinio tot zynen Veldheer aan,
En heft hem op het schild, naar de ouderlyke zede.»
 (25).

In 1774 verschijnt in Amsterdam het ‘neutrale’ heldendicht Klaudius Civilis van Frans van Steenwijk (?-1788) waarin Tacitus nauwkeurig wordt gevolgd. Maar al snel krijgt het historische vraagstuk van de Bataven vooral een andere politieke wending :

«Bij de politieke belangstelling voor het oude Batavië ging het nog altijd om het vraagstuk van de politieke legitimatie. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog was de Bataafse vrijheid naar voren gebracht om de opstand tegen Philips II te helpen rechtvaardigen, nu werd ze argument in de strijd van de ‘Patriotten’, de aanhangers van de soevereiniteit van de Staten, tegen de Oranjepartij, de verdedigers van de positie van de stadhouder. De geschiedenis speelde zoals steeds een centrale rol: alleen wanneer de historische wortels van de macht waren blootgelegd, kon worden vastgesteld of de bestaande machtsverhoudingen rechtmatig waren of niet. Sinds de zeventiende eeuw was gediscussieerd over de oorsprong van de macht der Staten en van de graaf, meestal werden de Bataven in het geding betrokken, zoals P. van der Schelling deed met zijn De Aloude Vrijheid, Staatsregeering en wetten der Batavieren; vergeleeken met die van laater tyden (1746). In de aanloop tot de Bataafse Revolutie werd een nieuw element aan de polemiek toegevoegd. Radicale patriotten interesseerde het niet of nu de Staten of de stadhouder de dienst moesten uitmaken, ze streden voor de soevereiniteit van het volk en de afschaffing van de aristocratie. Weer stond de Bataafse vrijheid model. Joan Derk van der Capellen, edelman uit Overijssel en de Nederlandse vader van de democratische theorie beriep zich in zijn Aan het Volk van Nederland (1781) op de Bataven: ‘Zy lieten zig […] niet regeeren door Lieden die zig zelfs verkooren of door een ander, naar zyn goedvinden, verkooren wierden; […] neen! zy hielden het hegt zelfs in handen. De voornaamste zaaken van hun Land deeden zy zelven af in hunne algemeene Vergaderingen, daar het geheele Volk gewapend by een kwam en elk Batavier even veel te zeggen had.’» (26).

Vóór de Franse inval, toen ‘Kezen’ (patriotten) tegenover ‘Bijltjes’ (prinsgezinden) stonden, hadden de toneel- en poezij-schrijvers zich niet onbetuigd gelaten :

«De Bataviesche Liederen voor de vrye Nederlanders en de Vaderlandsche Liederen, die in 1785 het licht zagen, behelzen in hoofdzaak rijmelaarswerk: tot lof van den ‘onwaardeerbren Heldenstoet’ te Amsterdam; een ‘Lofzang voor de helden van dezen tijd’; een danklied aan ‘De Donatrices der Vaendels’; een lied ‘Aan de Wapenen’ met dezen aanhef:
Lust der braven! - schrik dier vuigen,
In wier hart de moordzucht brandt.
Bellamy, dat zien wij wel, was niet de eenige Tyrtaeus dier dagen. Het blijkt ons op nieuw uit een gedicht van zekeren J. ’t Hooft Jz. ‘aen Leydens Schuttery by derzelver afvuuring op het exercitie-veld der burgerye uitgesprooken’ (1784).
Van het aandeel der vrouwen in de Patriotsche beweging, spreekt een stukje uit een bundel Bataafsche Volks-liedjens, die geopend wordt door een ‘Vrijheids-lied, wijs: allons enfans de la patrie, Marsch der Marseillaanen’ en waarin men ook een lied aantreft onder den titel ‘De Nederlandsche Minnaar’; het meisje van dezen minnaar wordt ons aldus geschetst:
Mijn Mietje is ook een Vaderlander,
Ze is patriotsch met heel haar hart,
’k Nam anders waarlijk nog een ander,
Al koste ’t mij dan ook wat smart;
Geen vrouw kan mij behaagen,
Die ketenen wil draagen,
Wijl zij gewis
In huis heerschzuchtig is.
[…]

Meerder in omvang, doch niet in letterkundige waarde, is het dramatisch werk. Liefde tot de vrijheid bracht stukken voort als Berkhey’s Claudius Civilis (1764) in vijf bedrijven en alexandrijnen en een treurspel van Willem Haverkorn den Jongen onder denzelfden titel (1779). De slotverzen van dat laatste stuk:
Schroomt nooit om alles voor de Vrijheid op te zetten.
....................
Het wenschelykste aardsch geluk is de onafhanglykheid –
uiting der vrijheidsliefde van den dichter en van dien tijd, bevatten tevens de algemeene strekking van het stuk. Verwant met deze beide is het treurspel van den tooneelspeler Simon Rivier: Bato. Eerste Patriot. Vader der Batavieren en balling voor de Vrijheid (1786), een omwerking van Hooft’s tragedie in patriotschen geest. Dezelfde Rivier vervaardigde een ‘Eeuwspel’ ter gelegenheid van De Tweede Jubel der Unie van Utrecht (1780) en warmde Besteben’s Vlissinge Geus nog eens op (1783).
Een triomf der vrijheid: de afschaffing der slavernij, werd gevierd in De verlossing der Slaven door de Franschen (1794) met het motto:
Men kenne dan den slaaf, den prooi der dwinglandij,
Die van de Franschen hoorde: omhels ons! gij zijt vrij!»
 (27).

Als de Republiek der Nederlanden aan het eind van de achttiende eeuw in grote problemen komt wordt er weer een beroep gedaan op de dappere, inmiddels vervolkste Batavieren om het moreel op te vijzelen. De gevoelens waren niet onverdeeld : enerzijds was een omwenteling nodig, anderzijds werd een Franse bezetting gevreesd. Om dat laatste te voorkomen wordt er in 1795 een halfhartige poging gedaan dan zelf maar een ‘revolutie’ op gang te brengen; Willem V van Oranje, de dwingeland tegen wie opstand gerechtvaardigd was, vertrekt naar Engeland en de patriotten die de regering overnemen noemen zich Bataven en brengen de dubbele boodschap :

«[…] Het is in de macht der Fransen u met alle uwe landgenoten te verpletteren: zo verre hebben uwe hatelijke dwingelandijen het gebracht. En echter willen de Fransen u vrij, u allen gelukkig zien […] Joden! Christenen! het is zonder uitzondering uwer aller belang het Vaderland voor overheersing te hoeden, te beletten dat de Fransen niet genoodzaakt zijn u als een overwonnen volk te behandelen.» (28).

De Bataafsche Republiek wordt uitgeroepen, wat bezetting in 1795 niet voorkomt. Het Frans wordt voertaal ten gemeentehuize, maar de Franse overheid richt zich in de volkstaal tot de burgerij :

«[…] Bataven, wij konden niet denken dat gij aan dit gruwelijk bestaan medeplichtig waart. […] Het bloed der stichters van de Republiek der Verenigde Nederlanden vloeit nog in uwe aderen en in ’t midden der gruwelen des oorlogs hielden wij niet op ulieden aan te merken als onze vrienden en bondgenoten […] Wij komen niet om u onder ’t juk te brengen: de Franse natie zal uwe onafhankelijkheid eerbiedigen. ’t Bataafse volk, gebruik makende van zijn souvereiniteit, zal alleen kunnen veranderen of verbeteren de inrichting van zijn regering.» (29).

In 1796 geeft de Stad- en dorpbeschrijver van Kennemerland, minder bevlogen :

«KORTE BESCHRIJVING VAN KENNEMERLAND.
IN ’T ALGEMEEN.
Men kan van dit gedeelte van ons vaderland met reden zeggen dat het een voornaam deel van ’t Noorderquartier van Holland, en behalven dat een klein gedeelte van het zuider-quartier beslaat : in den uitgebreidsten zin, bestaat Kennemerland, uit het Hoogbailluwschap van dien naam; het Bailluwschap van Brederode, dat van Blois en Wijk, dat van Nieuwburgen, en het Bailluwschap van de Egmonden; doch wij bepaalen ons in het tegenwoordig deel van ons werk afzonderlijk bij ’t Hoogbailluwschap van Kennemerland.
Verscheide hebben gewild dat Kennemerland voorheen tot het eigenlijk Batavia, of ’t Land der Batavieren zoude behoord hebben; doch van sommeren, in zijne beschrijving van Batavia, wederlegt zulks; zeggende :
Sommigen willen geheel Kennemerland, daar de stad Haarlem, (dewelke de Rijmcronijk al over de drie honderd jaaren Haarlem in Kennemerland noemt,) de hoofdstad van is, onder dit eiland der Batavieren brengen, en dat om dat tacitus, lib. 4 Histor. geschreven hebbende, dat claudius civilis, den Batavischen vorst, hebbende zijne Landluiden de Batavieren tegen den Romeinen opgestookt, mede van gelijken gezocht heeft, hetzelve bij de Caninefaten, (de Kennemers) ten wege te brengen; daarbij voegt : Deeze volken bewoonen een gedeelte des zelfden eilands, en zijn den Batavieren in oorsprong, taale en vroomigheid gelijk; doch de Batavieren zijn in getal veel meer, en om dat plinius het gemelde Eiland noemt : ’T alleredelste Eiland der Batavieren en Canninefaters.
Doch, gaat dezelfde Schrijver voord, dat Kennemerland onder het Eiland der Batavieren niet kan gebragt worden, brengen dunkt ons, de volgende redenen mede : om dat Kennemerland nooit, noch in het Wereldlijke noch in het Geestlijke, de minste gemeenschap met het eiland der Batavieren gehad heeft : Kennemerland en heeft in het Wereldlijke niet gestaan onder het gemelde Eiland; want het blijkt klaar uit de Historiën en oude stukken, dat het een Graaffchap op zig zelf geweest is, naar het getuigenis van hugo de groot; welk getuigenis ook versterkt wordt, door jacob eyndius in zijne beschrijving van Zeeland–Kennemerland heeft ook in het geestelijke niet gestaan onder het Eiland der Batavieren, gelijk blijkt uit alle de oude regeeringen van de Geestlijken, voor zo ver als die nog bekend zijn : te Utrecht, vervolgt van someren, is een oud boek, met de hand op parkement geschreven, waarin eene hugo vuyfelingh heeft aangetekend, wat ieder Land-deken aan de Archieven van de Cathedrale Kerk moest opbrengen; in dat boek wordt gelezen : “De Land-deken van Kennemerland, zal op St. Andriesdag, betaalen 8 ponden, die eertijds betaalde 10 ponden”; daar wordt derhalven Kennemerland, als een Land op zig zelve staande geschat, hetwelk niet zoude geschied zijn, zo dat Land elders anders onder gehoord hadde, maar moest dan daarmede gequotiseerd zijn geweest; te meer, alzo dit was eene schatling die ging over landen en plaatsen die bij zig zelven bestonden, en die men dan eenen Land-deken toevoegde, om in de geestlijke regeering onder den Bisschop het opperste opzicht te hebben.
En genomen dat die Caninefaten (boven bedoeld,) eertijds een gedeelte van Batavia bewoond hadden, dat maakt geen gevolg, dat Kennemerland onder het eiland der Batavieren gelegen heeft; het tegendeel blijkt uit tacitus, want deeze verklaart de Caninefaten genoegzaam te weezen, de naastgelegene nabuuren van de Batavieren, daar hij zegt dat zij de Buitenlandsche vloot, welken den Romeinen tegen claudius civilis te hulp was gekomen, hebben aangetast, en een gedeelte van dezelve verbrand en genomen.
Nog een nader bewijs van het bovengestelde, vindt men daarin, dat toen claudius civilis, in het Heilige Bosch de Batavieren tot eenen oorlog tegen de Romeinen aangemoedigd, en men zig daartoe met eeden verbonden hadt, terstondt boden naar de Caninefaten of Kennemers geschikt werden, om hun niet alleen deezen aanslag bekend te maaken, maar ook om hen in het bondgenootschap (met de Duitsers en Franschen, toen geallieerden van de Batavieren,) te trekken.»
 (30).

En :

«BEWOONERS.
De bewooners van Kennemerland, (ingevolge den naam huns Lands Kennemers genoemd,) droegen ook den naam van Caninefaten; deeze naam willen sommigen dat zij zouden gekregen hebben van de konijnen, die in menigte, gelijk men weet, in de Kennemerlandsche duinen gevonden worden, en die zij veel opvingen en aten, waarom hun, door hunne nabuuren, als met verachting, den naam van Conijnenvreeters zoude gegeven weezen; of wel begeert men dat hun naam afgeleid zoude zijn van Konijnen vangers, dat in het Friesch met een F, fatten, fangen wordt uitgesprooken, en da dit koppelwoord door de Romeinen in hunne taal, tot Caninefaten zoude verbogen weezen; het geen zelfs geleerde mannen voor niet onaanneemelijk hebben gehouden – De Caninefaten, of Kennemers, ging van ouds den lof na, dat zij de Batavieren in afkomst, taal en dapperheid evennaartten; hunne zeden en gewoonten kwamen ook met die der Batavieren volmaaktlijk overeen – en wat hunne dapperheid betreft desaangaande vindt men de bewijzen op verscheide plaatsen van dit ons deel, als ook in ’t art. geschiedenis van deeze inleiding
 (31).

Willem Bilderdijk, verklaard tegenstander van de Bataafsche republiek – hij moest zelfs het land verlaten – vat de toenmalige geschiedkundige en woordafleidkundige kennis over de Canninefaten samen :

«Gallie was als een nieuwe verovering en nog niet aan het juk gewend, zoo wel als om de strijdbaarheid van zijne manschap, in dien tijd, dat Wingewest van het Romeinsche Rijk, dat het meest belang inboezemde. Men wil dat hij de Kaninefaten te onderbracht. Dit maakt zeer waarschijnlijk, dat de Kaninefaten niet bepaald waren tot het kleine hoekje Duinlands, op ’t eiland tusschen Rhijn en Waal, maar zich hun naam over de geheele konijn- of duinstreek uitbreidde.»
«Kaninefati. Duin- of Holland : Weststrookland op ’t eiland der Batavieren»
«De Kaninefaten bij Pontus Heuterus de Kennemerlanders. Hadrianus Junius heeft dit reeds weêrlegd. Daarom verkiest hij Konijnefretters, dit is eters. (en Usipeters, Ulst-eters, p. 57).»
«Kaninefate, schijnt wel Kenheim-zaten, en Kenheim Kanijn, waarvan Kanijndier, holdier, zoo als moldier, aarddier, eikhorndier, enz., nu met de bloote adjectieven, Kanijn, mol, en inkhoorn genoemd.
De kanijnezaten eigenlijk Hollanders, duinlanders. De Batavieren, – bet-ouwers; ’t zij dan wadlanders of beter-landers. Ik denk wadlanders, want vóór de bedijking was het wadland.»

Zijn redacteur, Tydeman, voegt daaraan toe :

«Bild. bladz. 30 Kaninefate. – Bladz. 231 Kaninesati.
Duinzaten. Zie B.’s aanteekeningen op de Gedigten van Joh. Antonides v.d. Goes; Leiden, 1836, bl. 14).»
 (32).

Meer dan dat was er nog altijd niet bekend en veel meer zou er ook niet komen.

3. De Canninefatenmythe in de negentiende en twintigste eeuw

In de negentiende eeuw wordt het gefantaseer steeds meer gescheiden van de wetenschap, die zich beperkt tot de werkelijke kennis waarover wordt beschikt. Wetenschappers beginnen in hun vakgebied ook hun zelfstandigheid op te eisen om niet te worden gehinderd door vooropgezette voorstellingen vanuit ‘wereldbeschouwingen’. Als de mythe wordt gehandhaafd raakt deze in groeiende mate in conflict met de historische wetenschap hoewel hij tegelijkertijd de wetenschap blijft doordringen (33).

«Het is frappant dat de eeuwenoude Batavencultus kort voor het jaar 1800 het hoogtepunt bereikte en enkele jaren later vrijwel spoorloos was uitgewist. Er ontbrak een klimaat waarin het steeds zo politiek gekleurde Batavenconcept verder kon gedijen. […] Dat Batavië ook in wetenschappelijk opzicht volstrekt was uitgeput, is zichtbaar in de manier waarop H. van Wijn, in 1802 Nederlands eerste rijksarchivaris, het thema in 1800 behandelde. Na een betrekkelijk korte uiteenzetting over het dagelijks leven van de voorouders (ook in de vorm van een samenspraak) volstond hij verder met de integrale vertaling te geven van Tacitus’ werk De moribus Germanorum (Over de zeden van de Germanen), dit werk was steeds de hoofdbron voor de ideeën over de Batavencultuur geweest: de lezers moesten blijkbaar zelf maar hun conclusies trekken.» (34).

De Batavierenmythe, het opblazen van het weinige dat bij de klassieke schrijvers over de Bataven was te vinden en het opeisen ervan door Holland en Gelderen, raakt zo aan het begin van de negentiende eeuw in het slop. De aandacht verschuift bovendien van de van buiten komende Romeinse beschaving naar de plaatselijke geschiedenis, die van de Germanen zélf, waarbij hun (anti-Franse) ‘volkseigenheid’ in de belangstelling kwam te staan, en in Nederland ging het daarbij vooral om de ‘Friezen’. De Romeinse oudheidkunde, die tegen de prinsgezinden was gekeerd, wordt opgevolgd door de Germaanse oudheidkunde om afstand te nemen van de voormalige bezetter. Dat leidt tot nieuwe conflicten omdat de ‘Friese geschiedenis’ al evenzeer van mythologie vergeven was als de Bataafse.

«De Germaanse oudheidkunde vulde het gat op dat het imploderende Batavenconcept had doen ontstaan.» (35).

Zo schreef de Utrechtse hoogleraar in de kerk- en dogmageschiedenis H.J. Royaards :

«Van waar mag het toch zijn, vraagt de Geschiedvorscher, dat de Nederlanders zich zoo vaak op de Batavieren beroepen, als op hunne Voorvaders, uit wier bloed zij zeggen gesproten te zijn, daar zulks historisch betwistbaar is? Wel waren zij de vroegste en meest beroemde bewoners van een voornaam gedeelte des lands, maar onze eigenlijke voorvaderen waren zij niet. – De Batavieren verdwenen uit de Geschiedenis. – Zoodanig was het niet met de Friezen. Boven veele andere Europesche volken hebben zij dit vooruit, dat zij niet zijn ondergegaan bij die geweldige omkeering der volken. […] Meer dan Batavieren en Kaninefaten noemen wij, Nederlanders, daarom de Friezen eigenlijk onze vaderen.» (36).

Dr. Karl Freiherr von Richthofen schrijft daarentegen in 1886 :

«Der Name des Gaues Kinnem, Kinnin und des späteren Kennemerlands wird anzuschliessen sein an den Namen der alten Bewohner der Gegend, die uns die Römer als Canninefates und Canennufates nennen. (Tacitus: “Canninefates”, Vellejus: “Caninefates”, Plinius: “Cannenufates”, Inscriptionen: “Cananivati, Cannanefates, Cafanates”) s. Zeuss, Die Deutschen, p. 102. Der Name des Volkes und des späteren Gaues in derselben Gegend lässt mich von ihrer Identität überzeugt sein. Die römische Benennung ist ein Compositum, wie bereits von Zeuss und Grimm vermuthet worden ist. Zeuss dachte an das goth. faths, das in bruthfaths für brutigomo und als phadus in der lex Wisigothorum vorkommt. Hinzuzufügen sind die gothischen Worte hundafaths, thusundifaths, synagogafaths”, Schulze, Goth. Glossar p. 84. Darnach sind die römischen Caninefates als Caninemänner zu erklären und das Wort "Canine-" ist umgelautet in Kennin, Kinnin, vgl. Grimms Erörterung über Umlaut des a vor i in Grammatik I, p. 74. Das Wort “Kinnin” halte ich für eine Bildung aus “Kien” in “Kienbaum”. Es heisst der Kienbaum, pinus, ahd. ken, kin, chien, Graff, ahd. Sprsch. 4, p. 451; mbd. kienboum, kienast, kienlîte, Benecke I, p. 228; niederdeutsch bei Kilian I, p. 292 “Kien-boom, Kien-hout”. Danach würde Kinnem eine mit Kienwald oder Nadelholz besetzte Gegend bezeichnen, was mir näher zu liegen scheint als verschiedene künstliche Deutungen, die von Zeuss, p. 102 und Grimm, Gesch. d. d. Spr., p. 586 vorgeschlagen worden. Im Gau wird in frühester Zeit ein Ort Kinlose, d. i. “frei von Kienholz”, “eine Blösse im Kienwald” bezeichnet, s. §. 3, Nr. 42.» (37).

Ondanks dat er twijfel bestond, of wellicht juist daardoor, komt het tot een opbloei van de Canninefaten-mythe in het midden van de negentiende eeuw, niet meer zozeer op het nationale alswel juist op het lokale vlak, en waarin de noodzaak van een sterk maar vrijheidsrespecterend gezag de boventoon voert. De fantasie wordt geleidelijk uit de geschiedschrijving geweerd en krijgt een eigen medium in de vorm van de historische roman. Jacob van Lennep publiceert in 1838-1845 zijn roman Brinio, W.J. Hofdijk in 1850-1852 zijn ballade Kennemerland en G.P. Booms in 1887 zijn Batavieren, Caninefaten en Friezen onder en tegen Rome (38). Dat was in de periode van de strijd rond de leerplicht die een halve eeuw zou duren en er een zekere behoefte bestond aan stichtende boekjes voor het geschiedenisonderwijs (39). In geaffecteerd taalgebruik en een belachelijke spelling worden heel dweperig oude achttiende eeuwse mythen verder aangedikt en nieuwe uit de duim gezogen. Zo werd van kasteel Kronenburg bij Castricum meteen maar een Romeins castrum gemaakt :

«Wederom ongeveer een uur verder treft ge aan uwe andere zijde een in deze streken niet minder merkwaardige plek. Eigendlyk is het o o k een verblijf – maar het allerlaatste, waarin geen bewoner ooit vrijwillig binnentreedt: ’t is een ronde, door menschenhanden opgeworpen hoogte, een grafheuvel. [noot : De Stoppelberg, of het zoogenaamde Huldtoneel, te N o o r d d o r p] Het stof dat daar rust, in eene urne saamgebracht, sluimert er reeds zoo lang, dat er alle herinnering van verloren is gegaan; toch houdt het volk de plaats in hooge eere, en men verhaalt elkander, dat daar de Germaan Bruno op het schild verheven, en tot Hertog van zijnen stam, den stam der Kaninefaten benoemd werd.
Nogmaals een weinig verder, en thands weder ter rechterhand, moogt ge ook wel een blik zijwaarts werpen. Daar ligt der Kinheimeren mallum of heemstede, waar zy ten ding komen, en waar de jaarlyksche vergadering wordt gehouden naar oude zede en recht.
Achter gintsch hoog-opgaand hout, noordelyker, denk ik my de bouwvallen van het oude castra [noot : Thands de hofstede K r o n e n b u r g , in de middeleeuwen weder een burcht, onder C a s t r i c u m] door de Romeinen weleer in Kinhem opgehaald, maar wellicht reeds in Brunoos dagen door diens Kaninefaten weder neêrgeworpen, en thands een begroeide puinhoop : waar de nachtuil nestelt onder de hooge kanteelen, en de marder zijn hairigen kop door de lage welfselgaten steekt, er zijn roof van klein wild in veiligheid brengende.»
 (40).

Zoals het bij mythen hoort, werden er door pastoors, dominees en schoolmeesters steeds meer gegevens aan opgehangen, leukst van alles in de Kennemerse volksetymologie :

«In het duin woonden de Kanninefaten, waarvan de zeden en gewoonten nog niet erg verfijnd waren, en die zo heetten omdat het konijnevangers waren. Ze hadden O-benen, en als een konijn tussen hun benen door sprong sloegen ze snel hun knieën tegen elkaar. Op zekere dag riep een Canninefaat, toen hij een konijn zag, naar zijn vrouw Ka : “Ka, strik hem”, en ze sloeg haar knieën tegen elkaar. Even verderop riep hij : “Bak hem !”

Dit werd ooit onderwezen aan de St.-Augustinus lagere school te Castricum. Dat was enige tijd nadat in 1947 Uit het verleden van Midden-Kennemerland was uitgegeven :

«De veronderstelling, dat deze streek oorspronkelijk is bewoond door de Kanninefaten, steunt niet op voldoende bewijzen. Dr. J.H. Holwerda maant dan ook aan om zich te bepalen tot de werkelijke gegevens, waarover kan worden beschikt. Slechts staat het vast, dat de Kanninefaten nauw verwant waren aan de Batavieren. Zij hadden zeer waarschijnlijk vrijwel dezelfde vorm van beschaving en dezelfde wijze van wonen. Dit maakt het reeds ondoenlijk om de grenzen tussen deze verschillende zo verwante stammen ook maar bij benadering te trekken. En om, zoals men vroeger met vrijmoedigheid heeft gedaan, het latere Kennemerland aan te wijzen als woonstreek der Kanninefaten, omdat er enige gelijkenis van klank is tussen beide namen, is, van wetenschappelijk standpunt gezien, verwerpelijk. In populaire verhandelingen pleegt men deze veronderstelling nog aannemelijker te maken door de uitleg, dat de naam Kanninefaten zou wijzen op het vangen van duinkonijnen.» (41).

Twijfel was er al vroeg. Johan Winkler, zelf toch ook niet voor een kleintje vervaard, had in 1874 door dat de Canninefaten en de Fresonen elkaar in de weg zaten :

«Dat gedeelte van Noord-Holland dat zich langs de duinreeks en langs het strand van de Noordzee uitstrekt, van de zuidhollandsche grenzen tot aan het dorpje Petten, en dat de steden Haarlem en Alkmaar, met de westelijke omstreken daarvan, even als de Beverwijk, de Egmonden, Bergen, enz. bevat, draagt den naam van Kennemerland. Of deze naam van de oude Caninefaten afkomstig is, zoo als wel beweerd wordt, en of de Kennemers afstammelingen van dien ouden volkstam zijn, die hier en ook langs den zuidhollandschen duinzoom, bewesten Leiden en ’s Gravenhage gezeteld was, wil ik hier in ’t midden laten. Ongetwijfeld waren de oude Caninefaten of Konijnevangers echte Friezen, die zich misschien door eenige bijzonderheden, wellicht in hun levenswijze, kleeding of wapening of in hun tongval, van de andere Friezen bewesten Flie eenigszins onderscheidden, en dus een afzonderlijken stam van ’t friesche volk vormden. Dan wil ik de afstamming der Kennemers van de Caninefaten laten gelden, want de Kennemers zijn ongetwijfeld van oorsprong Friezen.» (42).

Het is een ietwat mysterieuze formulering waarbij de Canninefaten bovendien uit hun Bataafse stamverband worden losgerukt en bij de Fresonen ingelijfd. Maar er is alle reden voor twijfel want het Historisch Museum Zuid-Kennemerland in Haarlem, de Kennemer Oudheidkamer in Beverwijk, het Stedelijk Museum in Alkmaar en het Stedelijk Museum De Lakenhal in Leiden zijn allemaal volkomen blanco op het gebied van de Canninefaten. In de streek tussen Leiden en Alkmaar is weliswaar wat ‘Romeins’ gevonden en er zijn uit de Romeinse periode, net als elders in Holland, tijdelijke geïsoleerde woonplaatsen gevonden uit de periode tot ongeveer 270 na Chr. Maar niet genoeg om ter plekke het bestaan van een hele ‘stam’ te verantwoorden die een ruiterregiment met 500 paarden leverde aan het Romeinse leger en die rond 270 na Chr. – spoorslags? – in zijn geheel uit de geschiedenis verdween zonder in Holland zelfs maar één naamkundig relikt na te laten.

J. te Winkel in 1907 kende geen twijfel :

«Voor den oudsten tijd moeten wij ons tevreden stellen met betrekkelijk korte mededeelingen, die wij uit de werken van Latijnsche schrijvers als Caesar, Plinius en vooral Tacitus kunnen samenlezen en die het ons mogelijk maken, tot de eerste eeuw vóór Christus op te klimmen, toen de Romeinen voor het eerst, onder leiding van Julius Caesar, met een deel der bewoners van ons land kennis maakten. Het waren behalve Keltische en enkele Germaansche volkstammen in België, zooals de Tungri, voornamelijk de Bataven, die ongeveer 100 jaar vóór Christus hun vaderland, het door de Chatti bewoonde en naar hen nog ‘Hessen’ genoemde Hercynische woud hadden verlaten en als Chattuarii (oudere vorm van het latere Hatweren) bezit hadden genomen van het eiland tusschen de Noordzee en de beide Rijnarmen, waarvan de Zuidelijkste den naam van Vahalis (Waal) droeg en de Noordelijkste bij het tegenwoordige Katwijk in zee viel. Aan dat eiland, Batawia (nu de Betuwe), waarvan Lugdunum Batavorum (niet Leiden, maar misschien Loosduinen) de hoofdplaats was, ontleenden zij zelf den naam van Bataven, waaronder zij in de Romeinsche geschiedenis beroemd zijn geworden. Wat later, vooral door Germanicus en Drusus, Corbulo en Cerialis, leerden de Romeinen ook de aan hen nauw verwante Cannenefaten kennen en spoedig ook hunne Noorddelijke buren, de Friezen. Wat door de Latijnsche schrijvers van de Germanen in het algemeen wordt meegedeeld, zullen deze wel grootendeels vernomen hebben door hun verkeer met de bij hen het best bekende bewoners der Rijnoevers en Noordzeekust, zoodat wij wel het meeste van hetgeen zij ons aangaande de Germanen berichten op onze voorouders van toepassing mogen achten.» (43).

Dat de uitleg van de naam Canninefaten in verband met de duinen nog altijd niet geheel is verdwenen bewijst voorburg.org, die in 2004 informatie ter beschikking stelt over de sinds 1960 bestaande naam Brinnolaan :

«Brinno was stamhoofd der Kaninefaten, een volksstam verwant aan de Batavieren. De betekenis van het woord Kaninefaten (of zoals het tegenwoordig wel wordt geschreven: Kananefaten) is niet zoals vaak wordt aangenomen ‘konijnenvangers’, maar ‘duinland-bewoners’. Brinno was een van de toonaangevende figuren bij de opstand tegen de Romeinen in 69-70 na Chr. en liet alle hier in de omgeving gelegen castella van de Romeinen verwoesten. Voor deze heldendaad werd hij naar oud gebruik door zijn soldaten op het schild geheven en tot aanvoerder verkozen.» (44).

Brinno werd niet achteraf op het schild geheven, maar voorafgaand aan de opstand ter bevestiging van zijn leiderschap, en hier is al sprake van een hele reeks van castella. Voor de rest zal iemand in Voorburg aan een archeoloog hebben gevraagd hoe het nu eigenlijk zat en het antwoord netjes hebben opgeschreven. Laten we nu liever zien over welke gegevens de traditionalistische wetenschap inmiddels beschikt.


Noten

1. Geciteerd naar : d.b.n.l.; vergelijk : «De traditie van de Batavieren komt in Nederland pas op in de 17e eeuw, namelijk wat helemaal niet merkwaardig is, na de eerste editie van de Peutinger-kaart door Moretus te Antwerpen in 1598. De traditie valt zo haarscherp te dateren, dat men zonder bezwaar van oorzaak en gevolg kan spreken. (Holle boomstammen, t.a.p., p. 88). Het hele debat over de ‘Bataafse mythe’ heeft mede tot gevolg dat de veel fundamenteler vraag van Albert Delahaye of de Bataven wel in Nederland thuishoren naar de achtergrond wordt gedrongen. Als de Nijmeegse I.P. Bejczy er in 1966 over begon was dat niet zonder toeval kort na het verschijnen van Vraagstukken van de historische geografie van Albert Delahaye uit 1965. De ‘feiten’ werden ontdaan van de al te absurde aspecten van de mythe, maar de ‘harde feiten’ zelf leken er sterker uit te voorschijn te komen. Het was een vooruitblikkende methode om de totale ontmaskering bij voorbaat af te wenden en die methode werkt beter dan de redenering waarmee de ‘inhoud’ van een als vervalsing ontmaskerde oorkonde achteraf tóch nog voor authentiek versleten blijft worden, wat alteveel als een smoes klinkt.

2. De opvattingen over onze oudere vaderlandsche geschiedenis bij de Hollandsche historici der XVIe en XVIIe eeuw / door Herman Kampinga. – Herdruk. – Utrecht : HES Publishers, 1980. – 207 p. – (Oorspr. uitg. ’s-Gravenhage : Martinus Nijhoff, 1917). – p. 6.

3. Die cronycke van Hollandt Zeelandt ende Vrieslant, Leiden, 1517, ook bekend als de Divisiekroniek, werd later door Fruin toegeschreven aan Cornelius Aurelius, ±1460-na 1532; deze kroniek werd in 1620 door Wouter van Gouthoeven als schoolboek omgewerkt en ingekort en als zodanig voor het laatst gedrukt in 1802. De Bataven worden genoemd in verband met de Chatten (omgeving Katsberg ten oosten van Cassel, Nederlands Kassel), waarbij er wordt verondersteld dat die iets met Katwijk te maken hadden hoewel ze ook in verband werden gebracht met Kattendijk op Zuid-Beveland, Kattenbroek bij Woerden, Kattenburg in Amsterdam, Katwijk bij Delft en Kattendijke bij Goes; in die periode begonnen er ook op veel plaatsen ‘kattenbergen’ te ontstaan, zoals in Heiloo, tegenover Nijenburg.

4. Zie : Aurelius, Cornelius Gerardi (1460-1531) / C.P.H.M. Tilmans, in : Biografisch woordenboek van Nederland. Met de ‘Bataafse mythe’ wordt bedoeld dat een werkelijke geschiedenis tot mythische proporties is opgeblazen; wat onderscheiden moet worden van de vraag waar de werkelijke geschiedenis zich afspeelde.

5. Geschiedenis van Holland, (Deel I, tot 1572). – p. 10-11.

6. Brief van Erasmus vanuit Leuven, 1 oktober 1520, aangehaald in : Erasmus en Egmond / Jan van Herwaarden. – In : Het klooster Egmond: hortusconclusus / ed. G.N.M. Vis. – Hilversum : Verloren, 2008. – p. 295-320, zie : Erasmus en Egmond.

7. «Voor het tijdvak dat voorafging aan de middeleeuwse kronieken was men aangewezen op de teksten van de klassieken, wier gezag zeker in de zestiende, maar ook nog in de zeventiende eeuw niet werd betwist. Voor het nog verdere verleden waarover ook de klassieke auteurs zwegen, kon men de onfeilbare Heilige Schrift laten spreken; het kwam er slechts op aan deze bronnen zo goed mogelijk aan elkaar te hechten. […] Er is geen fundamenteel verschil tussen zulke exegetische speculaties over een cryptische bijbeltekst en de interpretaties van de woorden van de klassieken. […] De Kaninefaten – waren dat Konijnevangers en dus duinbewoners? – woonden in het westelijke deel van het Bataafse Eiland, maar Kennemerland was als woonplaats niet uitgesloten, hoewel dat strijdig was met de aanname dat Kennemerland de lokatie van de Frisiabonen was geweest, terwijl sommige geleerden volhielden dat die nu juist in Brabant woonden. De Toxanders of Taxanders woonden in Zeeland of in Brabant, of in allebei – of werd Zeeland daarentegen door Menapiërs bewoond, of door Sueven (Zeeuwen < Sueven)? Amsivariërs of Ansivariërs woonden bij de Eems, Tubanten en Chamaven in Overijssel en Gelderland, maar van de Bructeren, Tenkteren, Chattuariërs en Usipeten kon hoogstens worden vastgesteld dat ze ergens in het oosten van het land leefden. Slaven en Wilten bevolkten naar sommigen beweerden het kustland, anderen hielden het op Utrecht.» (De Bataafse hut, t.a.p., p. 16-17. Veel is er niet veranderd, na vijfhonderd jaar onderzoek is dat een stevig bewijs dat de gegevens op Holland niet passen.

8. De Bataafse hut, t.a.p., p. 11-12. Voor een uitvoerige bespreking van de klassieke teksten over de Bataven, zie : Paulys Realencyclopädie der classischen Altertumswissenschaft, Bd. III.1, p. 177-118, in : Wikipedia (Duitstalig) Batavi.

9. De opvattingen over onze oudere vaderlandsche geschiedenis, t.a.p., p. 61.

10. De opvattingen over onze oudere vaderlandsche geschiedenis, t.a.p., p. 59.

11. Zie : Nijmegen, stad der Bataven / Johannes Smetius, vertaald en ingeleid door A. Bastiaensen, S. Langereis en L. Nellissen. – Nijmegen : SUN, 1999. – 80, 240 p. : Oppidum Batavorum / Nijmegen, stad der Bataven. «2000 jaar Nijmegen» – zo bluft in 2005 de middenstand van de keizer-Karel-stad nog altijd met een beroep op zestiende eeuwse schrijvers die dagdroomden over wat zich daar anderhalf millennium eerder zou hebben kunnen afgespeeld. Deze historische dievenstad heeft zich niet alleen onrechtmatig de geschiedenis van Noyon (Noviomagus) toegeëigend, maar ook die van Béthune, dat het oppidum Batavorum was.

12. De opvattingen over onze oudere vaderlandsche geschiedenis, t.a.p., p. 8-10. Aldaar ook : «Johannes Annius van Viterbo had in 1498 een geslachtsboom vervaardigd, te beginnen met Tuyscon [doeldend op ‘Duits’], zoon van Noach, welke aan de Duitschers een reeks oude stamvaders moest leveren, en die op naam ging van den Chaldaeer Berosus. Deze vervalsching maakte grooten opgang, vooral bij de duitsche humanisten, hoewel de kritiek niet lang uitbleef.» Zie ook : Geschiedenis als ambacht: oudheidkunde in de Gouden Eeuw : Arnoldus Buchelius en Petrus Scriverius / Sandra Langereis. – Hilversum : Uitgeverij Verloren, 2001. – 368 p.

13. De opvattingen over onze oudere vaderlandsche geschiedenis, t.a.p., p. 67.

14. Zie verder :

  • Drie humanisten en een mythe. De betekenis van Erasmus, Aurelius en Geldenhouwer voor de Bataafse kwestie / I.P. Bejczy. – In : Tijdschrift voor geschiedenis, nr. 109, 1966, p. 467-484;
  • The Batavian Myth during the Sixteenth and Seventeenth Centuries / I. Schöffer. – In : Geschiedschrijving in Nederland. Deel II: Geschiedbeoefening / samengesteld door P.A.M. Geurts en A.E.M. Janssen. – Den Haag : Martinus Nijhoff, 1981. – 275 p. – p. 78-101. Oorspronkelijk in : Britain and the Netherlands V: Some political mythologies. Papers delivered to the fifth Anglo-Dutch historical conference / J.S. Bromley, E.H. Kossmann. – Den Haag, 1975. – p. 78-101;
  • Aurelius en de Divisiekroniek van 1517. Historiografie en humanisme in Holland en de tijd van Erasmus / Karin Tilmans. – Hilversum : Verloren, 1988. – 228 p. – (Hollandse Studiën ; 21);
  • De Bataafse hut. Verschuivingen in het beeld van de geschiedenis (1750-1850) / Auke van der Woud. – Amsterdam : Meulenhoff, 1990. – 215 p.;
  • De Bataafse mythe opnieuw bekeken / E.O.G. Haitsma Mulier. – In : Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, nr. 111, 1996, p. 344-367;
  • De opstand der ‘Bataven’ / Hans Teitler. – Hilversum : Verloren, 1998. – 86 p. – (Verloren verleden ; 1);
  • De Bataven – Verhalen van een verdwenen volk / onder redactie van L. Swinkels, A. Koster en R. Meijer. – Amsterdam : De Bataafsche Leeuw, 2004. – (Uitgave van Museum Het Valkhof te Nijmegen).

15. The Batavian Myth during the Sixteenth and Seventeenth Centuries, t.a.p., p.  – p. 85-109.

16. «De Divisiekroniek van 1517 werd geschreven in een tijd waarin het gewest Holland werd geplaagd door plunderende Gelderse troepen. Deze omstandigheid verklaart waarom er een geleerde polemiek was (waarin de Divisiekroniek ook een rol speelde) over de vraag of het oude Batavië in Gelderland of in Holland had gelegen – met andere woorden waar in de oudheid de grens tussen beschaving en barbarij had gelopen. Later sleten de scherpe kanten van het conflict af, en de nauwkeuriger bestudering van de klassieke teksten bepaalde bovendien dat het Bataafse Eiland in beide gewesten had gelegen. Maar toch werd de Batavenstaat onstuitbaar een Hollandse aangelegenheid, zie wat Hugo de Groot in 1610 schreef: de Batavische, nu Hollandse Republiek. De provincie Holland had de beste geleerden, kunstenaars en bestuurders, de rijkste ondernemers en de machtigste plaats in de Unie – waarom zou Holland niet de machtigste geschiedenis hebben?» (De Bataafse hut, t.a.p., p. 14). Zie ook : Tractaet vande oudtheyt vande Batavische nu Hollandsche republique / Hugo de Groot, editie G.C. Molewijk (d.b.n.l.)

17. Veel illustraties over de in Holland geplaatste Bataafse opstand zijn te vinden bij : The Batavian Revolt.

18. Zie : P.C. Hóófts Baeto Oft Oórspong der Hóllanderen. Trevrspel.

19. De Betaafse hut, t.a.p., p. 13.

20. Joost van den Vondel (1587-1679), Batavische gebroeders, 1662; zie ook : d.b.n.l.

21. 1000 jaar vaderlandse geschiedenis / Peter W. Klein. – Amsterdam : Uitgeverij Balans, 2004. – 222 p. – (In vogelvlucht). – p. 14-18.

22. Zie : d.b.n.l. Het werk van Willem van Haren is mogelijk een inspiratiebron geweest voor het latere Oera-Linda Bok.

23. Zie : d.b.n.l.

24. Aangehaald naar : De Bataafse hut, t.a.p., p. 24.

25. Het nut der tegenspoeden, brieven en andere gedichten / Lucretia Wilhelmina van Merken. – Tweede druk. – Te Amsterdam, By Pieter Meijer, 1768. – p. 120. – (Oorspronkelijke uitgave 1762).

26. De Bataafse hut, t.a.p., p. 26-27.

27. Bron : d.b.n.l. Bato, eerste patriot, vader der Batavieren en balling voor de vrijheid / Simon Rivier. – Rotterdam : Jan Meyer, 1786 («een groot schrijver en dichter was hij ook maar alleen in zijn eigen oog en in dat van schouwburgdirecties», d.b.n.l.; en : «Deze talrijke tooneelstukken, wier onderwerpen meestal uit de vaderlandsche geschiedenis zijn genomen, kunnen naauwelijks aanspraak maken op middelmatigheid, en zijn genoegzaam met hunnen opsteller vergeten.», d.b.n.l.).

28. Aangehaald in : Geschiedenis van de Nederlandse stam, t.a.p., p. 1518.

29. Aangehaald in : Geschiedenis van de Nederlandse stam, t.a.p., p. 1524.

30. Stad- en dorpbeschrijver van Kennemerland / L. van Ollefen. – heruitgave. – Zaltbommel : Europese Bibliotheek, 1976. – 366 p. – (Zaltbommelsche herdrukken; oorspronkelijke uitgave: De Nederlandsche stad- en dorp-beschryver. IV. Deel (Kennemerland) / door L. van Ollefen  : Amsterdam : H.A. Banse, 1796. – p. i-iv.

31. Stad- en dorpbeschrijver van Kennemerland, t.a.p., p. vii-viii.

32. Geschiedenis des vaderlandsch, t.a.p., eerste deel, p. 30, 231, 233, en dertiende deel, eerste stuk, p. 163-164

33. «Even als een oud en gebrekkig staatsgebouw, wanneer de noodzakelijkheid van hervorming wordt ingezien, geheel of gedeeltelijk vervalt, en daarna dikwerf eenen tijd lang overal woeste wanorde heerst; tot dat eindelijk, na onderscheidene daartoe aangewende pogingen, een nieuw en vaster staatsgebouw oprijst; even zoo heeft zulks ook plaats, wanneer deze of gene wetenschap eene omwenteling ondergaat. Wanneer de gebreken van dezelve te zeer in het oog loopen […] dan zal ook het oude leerstelsel […] meer of minder instorten, en men zal, langs onderscheidene wegen, trachten hetzelve door een ander te doen vervangen» (J.B. Wildbrand, Verhandeling ter beantwoording der vrage: “Zijn de vorderingen in de Natuurlijke Historie der dieren thans reeds genoegzaam, om een ander Systeem dan dat van Linnaeus in te voeren”, in : Natuurkundige verhandelingen van de Maatschappij der Wetenschappen, VI, 1812, 2e stuk, 4, aangehaald in : De Bataafse hut, t.a.p., p. 72). Zo nieuw was het begrip ‘paradigma’ van Thomas Kuhn dus ook niet (The Structure of Scientific Revolutions. – Chicago : The University of Chicago, 1962; Nederlandse vertaling : De structuur van wetenschappelijke revoluties).

34. De Bataafse hut, t.a.p., p. 31-32.

35. De Bataafse hut, t.a.p., p. 57.

36. Aangehaald naar : De Bataafse hut, t.a.p., p. 18-19.

37. Untersuchungen über Friesische Rechtsgeschichte. Theil III. Abschnitt I. Das Gau Kinnem oder Kennemerland. Mit einer Karte des Gau Kinnem / von Dr. Karl Freiherr von Richthofen, professor. – Berlin : Verlag von Wilhelm Hertz (Bessersche Buchhandlung), 1866. – 114 p. – p. 2. Voor Von Richthofen zie ook : De vroeg-middeleeuwse Kinhem-teksten.

38. Ons voorgeslacht, in zijn dagelyksch leven geschilderd. Tweede deel / W.J. Hofdijk. – Tweede druk. – Leiden : Van den Heuvell & Van Santen, 1874. – 316 p. – p. 49.

39. Van de Canninefaten zijn zelfs zeevaarders gemaakt : «Het eiland van de Bataven was van groot gewicht voor de Romeinen, omdat het de monden bevatte van de groote rivieren van Noordelijk Gallië en van daar dus vloten konden uitvaren naar de kust van Germanië, terwijl er aan zeevolk geen gebrek was, daar de Kanifaten [sic !] en Friezen als goede zeevaarders bekend stonden.» (Kollewijn’s Vaderlandsche en Algemeene Geschiedenis in Schetsen en Verhalen voor huis en school. De oudste bewoners tot Karel V / [Anthonie Marius Kollewijn Nz.]. – 4e dr. – Amsterdam : Gebr. E. & M. Cohen, [s.d.]. – 500 p. – (Oorspronkelijke uitgave 1899). – p. 9.

40. Brinio / Jacob van Lennep. – Amsterdam : Warners, 1838-1845. – (Onze voorouders, in verschillende tafereelen geschetst. 1. deel. Deze roman werd ook in het Duits vertaald : Die Caninefaten : ein historischer Roman / Jacob van Lennep. – Deutsche Übersetzung von J.H.F. Lenz. – Aachen, Leipzig : Mayer, 1840. – 2 Bände. – (Holland’s romantische Geschichte ; Bd. 1-2). Kennemerland. Balladen / door W.J. Hofdijk. – 2e vermeerderde druk – Maassluis : Van der Endt, [1876]. – xviii, 434 p.; de eerste uitgave verscheen te Haarlem bij Van Brederode in vijf delen in 1850-1852. Batavieren, Caninefaten en Friezen onder en tegen Rome / Gerardus Petrus Booms. – ’s-Gravenhage, Van Cleef, 1887. – vii, 250 p. Brinno is zelfs terug te vinden in een DDR-kinderboek :: Brinno, Sohn des Geächteten / Manfred Weiner (1934-). – Weimar : Gebr. Knabe Verlag, 1984. – 103 p.

41. Uit het verleden van Midden-Kennemerland / door Mr. H.J.J. Scholtens. – Den Haag : W.P. van Stockum & Zn, 1946. – 314 p. – p. 14-15.

42. Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon / door Johan Winkler. – Tweede deel. – ’s-Gravehage : Martinus Nijhoff, 1874. – zie : d.b.n.l..

43. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd / door J. te Winkel. – Haarlem : De Erven F. Bohn, 1922. – 518, 520 p. – (De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde ; 1-2). – Eerste druk 1907. – Deel 1, p. 110; zie : d.b.n.l..

44. Zie : Voorburg.org (verdwenen).


Start : 22 november 2003 | Laatst bijgewerkt : 22 september 2008
















































Canninefaten

Antonio Tempesta, Civilis stuurt boden naar de Caninefaten om zich bij hen aan te sluiten. Zij kiezen Brinio tot hun aanvoerder.
Bron : Cultuurnetwerk Nederland

Canninefaten

Ferdinand Bol, De vredesonderhandelingen tussen Claudius Civilis en Cerealis, ca. 1660-1670
Bron : Rijksmuseum, Amsterdam