VorigePlaatsen in KennemerlandVolgende

‘Felison’ en ‘Velisana’

Inhoud van deze pagina

  1. De traditionalistische mythe
  2. De mythe en de archeologie
  3. De bron van de mythe
  4. Kennemerland : 719-739
  5. De ‘Velisana’-tekst bij Theofried van Echternach
  6. De ‘Felison’-tekst volgens Camillus Wampach
  7. De teksten in het ‘Oorkondenboek van Holland en Zeeland’
  8. Teksten en commentaar bij Albert Delahaye
  9. Conclusies voor de ‘Felison’ en ‘Velisana’-teksten
  10. Dr. D.P. Blok over ‘Felisa’
  11. Velesan in 870
    Noten

1. De traditionalistische mythe

De Historische Kring Velsen meldt nog immer :

«De naam van het jaarboek, Velisena, komt voor het eerst voor in een schenkingsakte van omstreeks 722 van Karel Martel (689-741). Met die niet bewaard gebleven akte bevestigt Karel Martel de schenking van Adrichem in Kennemerland aan Willibrord. In de akte wordt de fluvius (rivier) Velisena genoemd. De plaats Velsen wordt daarin Felison genoemd.» (1).

J.K. de Cock schreef in 1965 :

«De oudste vermelding van de naam Kennemerland komt voor in een oorkonde die tussen 715 en 739 gedateerd wordt en waarin Karel Martel goederen, gelegen in “villa Felison nominata, in pago Kinnehim” en “om Fresia in pago Kinheim”, schenkt aan de heilige Willebrord. De combinatie van Felison (Velsen) en Kinnehim en die van Fresia en Kinheim maakt duidelijk, dat hier met Kinnehim Kennemerland bedoeld is. Velsen lag in Kennemerland en dit was weer een onderdeel van Friesland.» (2).

De naam Velisana is hier door J.K. de Cock overgeslagen. Mr. H.J.J. Scholtens vemeldt die wél, maar hij slaat in 1946 juist Felison over :

«Omstreeks het jaar 722 heeft de hofmeier Karel Martel aan de onder de aartsbisschop Willibrord staande kerk te Velsen geschonken de gehele landhoeve Adrichem, gelegen in Friesland in de gouw Kinhem tussen de rivier Velsena en de zee. Daaronder waren begrepen de bijbehorende landerijen, horigen en vee en het tiende gedeelte van de daar gelegen bossen. Na Willibrords dood is de kerk te Velsen met haar eigendommen overgegaan in het bezit van het door hem gestichte klooster Echternach in Luxemburg. Het houten kerkgebouw was aan de H. Paulus, de apostel der heidenen, toegewijd» (3).

2. De mythe en de archeologie

Van de confrontatie tussen traditionalisme en archeologie is verslag gedaan door Herre Halbertsma :

«In een omstreeks het jaar 1000 daterend Echternachs kerkenlijstje wordt Velsen Velisinburch genoemd in overeenstemming met twee eveneens nog ter sprake komende, uit het jaar 1063 daterende Utrechtse oorkonden: Velsereburc, Velsereburg. Het is een aanwijzing dat kerk en kerkhof binnen een omwald of ommuurd, verdedigbaar terrein lagen. Wij zullen ons nog met deze dochterstichtingen bezig houden.
Gelijk al opgemerkt, het Wurssing toegekende beneficium kan eerst in of kort na het jaar 719 bij de Frankische kroondomeinen zijn gevoegd. Gesteld dat het inderdaad hier is geweest, dat Bonifatius zijn Velser zendingspost vestigde, zo worden wij daar nader over ingelicht door een onvolledig overgeleverde oorkonde, waarin Karel Martel tijdens een verblijf te Trier Willibrord een hele villa schonk, Adrichaim nuncupatam, sitam in Fresia in pago Kinheim super jluvium Velisena, zulks met goedkeuring van de koning. De summiere inhoud van de oorkonde is ons overgeleverd in een bericht van Thiodfried van Echternach in diens tussen 1102 en 1115 geschreven Vita Willibrordi. De datum wordt ons onthouden. Omdat wij niet weten in welk jaar Karel Martel Trier bezocht, moeten wij genoegen nemen met een marge tussen 719, vóór welk jaar Karel zeker nog niet in Kennemerland was doorgedrongen, en 739, het sterfjaar van Willibrord. De schenking heeft betrekking op een landgoed te Adrichem bij Velsen, toentertijd aan de westélijke oever van de Velser stroom gelegen. Deze waterweg volgde met grote slingers de bedding van de zeeboezem, die in de Romeinse keizertijd het Egmonder zeegat met de grote meren in het achterland der Friezen verbond en van de Rijn uit via een van de beddingen van de Utrechtse Vecht te bereiken viel.
Behalve de villa te Adrichem bezat Echternach uit Willibrords Friese nalatenschap de kerk van het naburige Velsen dat zijn naam ontleende aan de stroom, waaraan het gelegen was. Volgens een vermoedelijk in de 12e eeuw opgesteld falsum – de inhoud was aan Thiodfried, die van 1083-1110 het bewind over Echternach voerde, in ieder geval niet bekend – zou Willibrord ook deze kerk van Karel ontvangen hebben. De handeling zelf kan zeer wel hebben plaatsgevonden. Het falsum omschrijft de kerk als volgt: ecclesia(m), que est constructa in villa Felison, in pago Kinnehim, in honore sancti Pauli apostoli dedicata.
Opgravingen tijdens de restauratie van de huidige, deels uit tufsteen opgetrokken en voorheen St. Engelmund gewijde Nederlands Hervormde kerk te Velsen-Zuid in 1968 door leden van de AWN verricht en door ons begeleid, toonden aan dat de tufstenen zaalkerk ter plaatste geen voorgangster had gekend. Blijkens het voorkomen van bepaalde soorten aardewerkscherven, tijdens het dichten van de oudste graven rondom de kerk in de grafkuilen beland, kan dit bouwwerk moeilijk ouder zijn dan de tweede helft van de 12e eeuw. De voorafgaande kerken dienen derhalve elders te worden gezocht. Het zou kunnen zijn dat de verplaatsing naar de huidige kerkstede, stroomopwaarts de Velserbeek aan de oostrand van de geestgrond, dezelfde oorzaak had als het overstromen en gedeeltelijk wegspoelen van Germanicus’ vlootbasis, binnen de resten waarvan, zo vermoeden wij, Bonifatius tussen de jaren 719-722 een kerk had gebouwd.
Het verloren gaan van de oorspronkelijke kerkstede aan de fluvius Velisena kan hebben samengehangen met de ingrijpende gevolgen van de beruchte Allerheiligenvloed van het jaar 1170. De noodzaak elders een nieuwe kerk te bouwen vormde wellicht de aanleiding tot het opstellen van het falsum, wegens een geschil over de eigendom van de kerkgoederen en inkomsten. In andere samenhang zullen de twisten over de Velser, maar ook andere Echternachse kerken binnen het graafschap Holland nog aan de orde komen. Tevens vragen wij ons af of ook de wijziging van het patronaat in het licht van de verplaatsing moet worden gezien. Het St. Pauluspatronaat past volkomen bij het optreden van Willibrord en Bonifatius. De gedachteniskerk, kort na het jaar 754 boven het martelveld te Dokkum verrezen, had deze apostel eveneens tot patroon. Deze beschermheilige kan te Velsen op de achtergrond gedrongen zijn na de verplaatsing van de kerspelkerk naar de huidige kerkstede. Tot in de 18e eeuw wees men niet ver van de bestaande kerk aan de Velserbeek een puinhoop aan, welke het ‘huis van Engelmund’ heette en waar water werd geput ter genezing van oogkwalen.
Na het overlijden van Wurssing werden niet Nothgrim of Thiadgrim met het beneficium in confinio Fresonum beleend, doch schijnt dit door koning Theuderik IV (721-737) te zijn ingetrokken om vervolgens, tezamen met de vermoedelijk door Bonifatius gestichte, Velser St. Pauluskerk aan Willibrord te worden geschonken. Uit diens handen ging het Velser bezit na zijn overlijden weer over op de abdij te Echtemach.»
 (4).

Als de archeologie de traditionalistische mythe tegenspreekt en er niets wordt gevonden, dan worden er geen twijfels geuit over de traditionalistische mythe, maar dan wordt er verondersteld dat het gezochte zich elders moet bevinden; hetzelfde zien we ook in Heiloo. De veronderstelling dat de Allerheiligenvloed van 1170 de kracht van een tsunami heeft gehad en dat alles zou zijn weggespoeld is een smoes die ook wordt opgehangen voor bijvoorbeeld het vroeg-middeleeuwse Utrecht.

3. De bron van de mythe

Het is nog niet uitgemaakt wanneer de vereenzelviging van Felison en Velisana met Velsen voor het eerst plaatsvond. Het moet echter laat zijn gebeurd. In 1792, teruggrijpend op een oudere naamverklaring, lag de verklaring van de naam Velsen uit Felle Soen – een moeizame verzoening tussen graaf Dirk I ‘van Holland’ en Karel de Kale, koning van Frankrijk – al te wachten om in verband te worden gebracht met de Felison-tekst uit Echternach. De Echternach-tekst wordt dan echter nog niet genoemd (5). Ook Willem Bilderdijk vermeldt in 1832 nóch een vroeg-middeleeuws Velsen nóch Felison nóch Velisana nóch Adrichem (6). In 1874 werd de vereenzelviging in ieder geval al wél gemaakt in de Monumenta Germaniae (7) en kort daarvoor waarschijnlijk ook in het Oorkondenboek van H.G.A. Obreen uit 1866-1873. W.J. Hofdijk schrijft namelijk rond 1860 al :

«Op den hoogen zandweg nevens de lagere landen, langs de steeds versmalde tong van het groote meir, gaat ge voort, nu eens door bosch, dan eens door struiken en kreupelhout, dan weder tusschen wei- en bouwlanden door – terwijl het geele, in de schaduw naar het paersch trekkende duin van tijd tot tijd aan uwe rechterzijde schilderachtig door het woudgroen breekt – naar de reeds sinds lang allengs bebouwde heîstreek, die de oude bewoners, van Saxische herkomst, Feltseton of heî-erf noemden, en waarvan het bewoonde en met hoeven bezette gedeelte thands den daaruit verbasterden naam van F e l i s u n of V e l s e n e [in noot : Thands V e l z e n] draagt. Of ge te midden dier hoeven aan de beek van St. Engelmond ook eene kerk zult aantreffen? Reeds eene parochiale; en dat zal u niet verbazen, wanneer ik u zeg, dat in het begin der vorige eeuw een der yverigste geloofsverkondigers hier tijdelyk zijn zetel gevestigd had: dat was wederom Bonifacius, die er drie jaren lang verbleef, om te dichter in de nabyheid der nog onbekeerde heidenen te zijn. Karel Marteel schonk er vervolgends de kerk aan Willebrord, die ze der abdy van Echternach besprak ; verschillende landerijen behooren hier bovendien aan St. Maarten [bedoeld : het bisdom Utrecht] in eigendom.
Een uur verder steeds noordwaart in de ruwe, wilde, maar toch vruchtbare streek, waar cierlyke kreupelboschjens, kleurig houtgewas en rijk en statig geboomte aan de lustige bloemrijke grasvelden de meerderheid betwisten, zult ge van verre, ter rechterhand, de hooge abeelengroep zien oprijzen, die de kerkelyke hoeve A d r i c h a i m [in noot : Later een kasteel, en thands nog de hofstede A d r i c h e m, onder W ij k  a a n  D u i n] met vriendelyke schaduwen omhuift. Uit handen der Frankische Koningen waarschijnlyk ging zy in die des Hofmeiers over. In 730 werd zy ten minste bezeten door Karel Marteel, maar deze schonk haar in de Meimaand van dat jaar aan Bisschop Willebrord, na wiens dood ze het eigendom van St. Maarten [Utrecht] werd. De eigenhoorigen zullen het er waarschijnlyk niet slechter om hebben.»
 (8).

Zo werd iets, dat waarschijnlijk nog maar net was geopperd, er meteen als populaire mythe ingegoten.

4. Kennemerland : 719-739

Kennemerland zou voor het eerst vermeld zijn in 719-739, het gaat om twee teksten die uit dezelfde periode zouden stammen en die komen uit de abdij van Echternach. Verderop volgen de volledige teksten, hier eerst alvast de belangrijkste gedeelten.

De eerste tekst, uit de Vita S. Willibrordi van Theofried van Echternach, geschreven tussen 1102 en 1105, luidt : “gelegen in Fresia in de landstreek Kinheim boven de rivier Velisana, waar aan de overkant de zee is, het gehele dorp genaamd Adrichaim”. De tweede tekst, uit een ongedateerde afzonderlijke oorkonde die we kennen uit een afschrift van tussen het begin van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw, luidt : “aldaar de kerk die werd gebouwd in de genoemde plaats Felison, in de pagus Kinnehim, aan de nagedachtenis van de apostel Paulus gewijd”

Het is de samenstelling van namen waardoor de uitleg Kennemerland – Adrichem – Velsen onaantastbaar leek. Er zijn echter goede redenen om te betwijfelen of deze teksten op Kennemerland betrekking hebben :

  • Adrichem bij Beverwijk was geen dorp maar een kasteel, dat kasteel werd pas in de veertiende eeuw gebouwd en er is geen enkele andere oudere tekst bekend waaruit blijkt dat de naam in de omgeving van Beverwijk al eerder bestaan zou hebben; Adrichem kan bijgevolg nóch in de achtste, nóch in de twaalfde eeuw zijn bedoeld (9);
  • in de verre omgeving is er geen rivier, en er is ook geen water waarvan de naam op Velisana lijkt;
  • door het ontbreken van een doorlopende bewoning in de streek kan een naam uit de achtste eeuw ter plekke niet hebben voortbestaan tot in een latere periode;
  • Velsen heeft voorzover bekend nooit een Apostel Pauluskerk gehad;
  • er bestaan ernstige vragen rond de aard van de documenten waarin de namen voorkomen, van welke historisch-geografische samenhang deze deel uitmaken, zowel als over hun authenticiteit en de periode waarin ze zijn samengesteld;
  • er bestaan andere plaatsen waar de namen Kinheim en Kinnehim kunnen thuishoren, er is een ander Adrichaim, de naam Velisana komt in geen enkele andere bron voor maar kan elders wel worden verklaard, er is een ander Felison; er zijn andere streken waarin de namen historisch kunnen samenhangen;
  • toen Echternach in 1156 de 24 Hollandse kerken opeiste zijn deze teksten niet ter sprake gekomen zodat het duidelijk is dat Echternach zelf ze nooit met Kennemerland in verband heeft gebracht.

De verschillen tussen de twee teksten kunnen niet worden weggepoetst door uit te gaan van kopieerfouten. Minstens één van de twee moet een vervalsing zijn. De algemene conclusie over de twee teksten, waarin het Oorkondenboek gevolgd kan worden, moet luiden dat aan de eerste tekst inderdaad een oorspronkelijk document uit de achtste eeuw ten grondslag kan hebben gelegen, maar dat de tweede tekst een complete vervalsing is. Daaraan moet echter onmiddellijk worden toegevoegd dat de monikken van Echternach met de tweede tekst een geheel andere streek op het oog hadden dan de streek die bedoeld werd in de eerste tekst, wat overeenstemt met de conclusie van Albert Delahaye.

Camillus Wampach, die er in de jaren 1920 van uit ging dat het twee verschillende afschriften betrof van eenzelfde tekst, schoof in zijn referaat de eerste tekst in de tweede en kwam zo tot de ‘reconstructie’ van een ‘oorspronkelijke tekst’ waarin het ging om een plaats tussen Velze (wat hij van de rivier Velisana maakte) en de zee, in de gouw Kinhem (een naamvorm die hijzelf bedacht omdat er in de eerste tekst Kinheim staat en in de tweede Kinnehim), de kerk Velzen (Felison) en de plaats Adrichem (Adrichaim). Uit de eerste tekst voegde hij Adrichaim aan de tweede tekst toe. Ondanks dat hij datzelfde niet doet in zijn weergave van de tekst zelf, leidde deze hele fantasie-interpretatie in het referaat natuurlijk tot grote verwarring, want weinigen lezen verder dan het referaat, en het is vooral dit referaat dat wordt aangehaald.

In het Oorkondenboek wordt er als volgt geoordeeld over de interpretatie van Camillus Wampach :

«De poging van Wampach om deze oorkonde door een grondige ingreep in de dispositio aan authenticiteit te doen winnen, kan als mislukt worden beschouwd. Er is geen reden, om de huidige oorkondetekst niet te beschouwen als het maaksel van een falsaris. Misschien bestond deze tekst nog niet ten tijde van abt Theofried (1083-1110).» (10).

Bestond deze tekst toen Theofried schreef, dan moet dat diens bron zijn geweest en zat hij bijgevolg aan de tekst van een vervalsing te sleutelen waarbij hij er het toen nog niet bestaande ‘Adrichaim’ aan de tekst toevoegde en de plaats ‘Felison’ veranderde in de nergens anders genoemde rivier ‘Velisana’; een tamelijk ondenkbaar scenario, juist en vooral als hij Velsen op het oog had, wat overigens niet het geval was.

Omgekeerd is het waarschijnlijk dat de ‘Felison’-tekst een vervalsing is van de tekst bij Theofried : ‘Adrichaim’ verdween en de rivier werd een plaats. Bijgevolg kon ook hier Velsen niet zijn bedoeld omdat we er niet van kunnen uitgaan dat een naam werd verwijderd van iets omdat het nog niet bestond, en als het wel bestond was er geen enkele reden om die naam weg te laten.

Een laatste opmerking hier is dat het woord ‘pagus’ traditionalistisch veel te breed wordt vertaald met ‘gouw’ in de betekenis van bestuurlijk gewest, ook als er niets blijkt van enige rechtelijke of bestuurlijke samenhang. Zo werd ook van Kennemerland een bestuurlijke ‘gouw’ gemaakt die het nooit is geweest. ‘Pagus’ kan zowel ‘landstreek’ betekenen als ‘dorp’. Vaak wordt het woord gebruikt in tegenstelling tot ‘villa’ (plaats groter dan een dorp, eigenlijk landgoed) en betekent dan eerder ‘platteland’, de omgeving van een bepaald dorp of gehucht, ‘in pago’ betekent meestal gewoon : ‘in het land van’, en datzelfde geldt ook voor ‘gouw’, dat niet noodzakelijkerwijs een bestuurlijke eenheid is.

Felci aan de Scarpe

Uit : M. Harbaville, Département du Pas-de-Calais, Dictionnaire des Communes (11) :

FEUCHY.
Ce village, situé près de la Scarpe (rive droite), est compris sous le nom de Felci dans la donation faite en 673 à l’abbaye de St.-Vaast par le roi Thierry III. Lambert, évêque d’Arras, accorda en 1098 à cette abbaye l’autel de Feuchy : le pape Paschal II confirma cette cession en 1102. (Mirrœus. Dip. belg. – Locrius.) Ce lieu est la patrie de Jean de Fœucy, abbé de St.-Éloi et d’Hénin-Liétard, conseiller de l'empereur Charles-Quint, auteur d’une chronique de Flandre.

Vertaald :

FEUCHY.
Dit dorp, gelegen dichtbij de Scarpe (rechteroever), komt onder de naam Felci voor in de gift die koning Thierry [= Dirk] III in 673 deed aan de abdij van St.-Vaast. Lambert, bisschop van Atrecht, verleende het altaar van Feuchy in 1098 aan deze abdij : paus Paschalis II bevestigde deze overdracht in 1102. (Mirrœus. Dip. belg. – Locrius.) Deze plaats is het vaderland van Jean de Fœucy, abt van St.-Eloi en van Hénin-Liétard, raadgever van keizer Karel de Vijfde, schrijver van een kroniek van Vlaanderen.


Felicia in het jaar 792

Uit : Annales Laurissenses (11a) :

«792.
Haeresis Feliciana primo ibi condemnata est, quem Anghilbertus, ad praesentiam Adriani apostoloci adduxit, et confessione facta suam haeresim iterum abdicavit. Coniuratio contra regem a filio eius Pippino facta, detecta et conpressa est. Eodem anno nullum iter exercitale factum est. Pons super navigia flumina transeuntia factus est, anchoris et funibus ita cohaerens, ut iungi et dissolvi possit. Et celebravit domnus rex natalem Domoni ibi, similiter pascha celebratum est. Et inmutavit se numerus annorum in [breekt af].»

Hieronder volgen de volledige teksten van Theofried van Echternach, de reconstructies door Camillus Wampach en in het Oorkondenboek, en alle relevante teksten bij Albert Delahaye.

5. De ‘Velisana’-tekst bij Theofried van Echternach

In de Vita S. Willibrordi van Theofried van Echternach vinden we :

«Aeterne vero memorie Karolus, prelibati ducisfilius, maiordomus, Magni Karoli avus, III. idus mai in urbe Treverica dedit ei sitam in Fresia in pago Kinheim super fluvium Velisana, ubi mare fluit in parte altera, integram villam, Adrichaim nuncupatam, et regalis testamenti confirmavit pagina.» (12).

Vertaald :

«Te zijner eeuwige nagedachtenis schonk Karel [Martel], zoon van de voornoemde vorst [Pepijn], hofmeier, en grootvader van Karel de Grote, hem op de 3e der Iden van mei [= 13 mei] in de stad Trier een goed gelegen in Fresia, in de pagus (te vertalen als landstreek, of dorp, of platteland) Kinheim, op de oever van de rivier Velisana, waar aan de andere kant de zee ligt, namelijk het gehele dorp Adrichaim, bij akte die de koninklijke wilsbeschikking bevestigt.»

6. De ‘Felison’-tekst volgens Camillus Wampach

Camillus Wampach geeft van de tweede tekst de volgende weergave :

«41.
Der Hausmeier Karl Martell schenkt der im Gau Kinhem zwischen der Velze und dem Meer erbauten und Erzbischof Willibrord unterstehenden Kirche Velzen (Felison) die villa Adrichem (Adricheim) mit den dazu gehörigen Ländereien, Hörigen und dem Zehntteil der dortigen Wälder; zugleich bestätigt er die Schenkung der Kirche von Wesel.
[Trier, Mai 12 zwischen 719-739 November].

Originalkunde verloren.»
 (13).

Vertaald :

«41.
De hofmeier Karel Martel schenkt de in de gouw Kinhem tussen Velze en de zee gebouwde en onder aartsbisschop Willibrord staande kerk Velzen (Felison) de plaats Adrichem (Adricheim) met de daartoe behorende landerijen, horigen en tienden van de bossen aldaar; tegelijk bevestigt hij de schenking van de kerk van Wesel
[Trier, 12 mei tussen 719-739 november].

Oorspronkelijke akte verloren gegaan.»

Camillus Wampach bespreekt verschillende mogelijkheden over de betrekkingen tussen de twee teksten die hij hier in elkaar geschoven heeft, waaronder die waarbij er een akte moet zijn geweest waarop zowel de versie van Theofried als de andere kopie zijn gebaseerd, en waarbij het mogelijk is dat beide fouten bevatten. In dat geval zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn dat de kerk van Felison niet aan Echternach werd geschonken, maar dat de plaats Adrichaim aan de kerk van Felison werd vermaakt. Kortom, hij zet de deur wijd open voor allerhande uitleg.

Het verdwijnen van het oorspronkelijke document verklaart Camillus Wampach (hier vertaald) als volgt :

«Door de grote kloosterbrand in het jaar 1016, wellicht ook door de vele politieke woelingen werd het kloosterarchief zwaar geteisterd; vele bezitstitels kunnen toen verdwenen zijn; om deze te vervangen verschaften de monniken zichzelf recht [haben die Mönche zur Selbsthilfe gegriffen].» (14).

Kortom: het klooster, dat in 973 van Eperlecques naar Echternach was overgebracht en aldaar een nieuwe stichting vormde met nieuwe monniken (maar dat wilde Camillus Wampach niet zien), begon in de twaalfde eeuw delen van authentiek achtste eeuwse akten te ‘reconstrueren’, meer dan tachtig jaar nadat ze verloren waren gegaan en er dus niemand meer in leven kon zijn die de oorspronkelijke documenten had gezien, laat staan uit z’n hoofd geleerd. Geen enkele verzekeringsmaatschappij zou tot uitkering overgaan op grond van een dergelijk brandschadeverhaal (15).

Echternach beschikte niet over enige oude documentatie. Theofried van Echternach (1093-1110) vermeldde allerlei voormalig bezit in zijn Vita S. Willibrordi. Daarna is het proost Theoderic van Echternach die eind twaalfde eeuw daarover van her en der 175 stukken verzamelt voor zijn Liber Aureus (1190-1222).

Een zeventiende eeuwse hand schrijft ‘Kinheym’ naast het woord ‘Kinnehim’, daarmee kennnelijk doelend op het Luxemburgse Kinheim, zodat het duidelijk is dat er geen moment aan Velsen werd gedacht. Omdat het Luxemburgse Kinheim pas voor het eerst wordt vermeld in 1163 heeft Theofried van Echternach vóór 1110 deze plaats onwaarschijnlijk op het oog gehad voor de achtste eeuw.

Het is ook al duidelijk dat Velsen hier onmogelijk kan zijn bedoeld om de simpele reden dat de oorkonde nooit ter sprake is gekomen toen Echternach eisen begon te stellen in Holland, onder andere nota bene juist met betrekking tot de kerk van Velsen. De vereenzelviging van Felison met Velsen werd toen niet, maar zelfs ook in de zeventiende en achttiende eeuw nog altijd door niemand gemaakt.

Voor de interpretatie Kennemerland – Adrichem – Velsen beroept Camillus Wampach zich op Von Richthofen en Mühlbacker en voegt daar aan toe dat professor Oppermann uit Utrecht hem meedeelde dat Adrichem en Velsen, nu gescheiden door de in de middeleeuwen niet bestaande plaats Beverwijk, vroeger één gemeenschap vormden, waarbij hij tevens naar de Geschiedkundige Atlas van Nederland, ’s-Gravenhage, 1916, Hollands Noorderkwartier in 1300 verwijst. Wel, dat klopt niet; Adrichem is nog jonger dan Beverwijk en kan dus niet voorafgaand aan het bestaan van Beverwijk één gemeenschap met Velsen hebben gevormd.

Volgt hier de ‘reconstructie’ van de tweede tekst door Camillus Wampach. De niet-vetgezette gedeelten zijn volgens hem in de stijl van echte oorkonden van Karel Martel; de vetgezette gedeelten zijn latere tussenvoegingen; de gedeelten tussen accolades kunnen volgens Camillus Wampach niet in het oorspronkelijke document hebben gestaan; tussen rechte haken staan de opmerkingen van Camillus Wampach :

«Ego in Dei nomine illuster vir Karolus, maior domus, filius Pippini quondam, cogitans casum human fragilitatis, qualiter peccata nostra possimus abluere et donante Domino ad eterna gaudia pervenire.
Idcirco [Icirco] donamus a die presente per hanc paginam testamenti nostri donatumque in perpetuum esse volumes {fratribus in Epternaco Deo et sancto Willibrordo famulantibus}, hoc est ecclesiam que est constructa in villa Felison nominata, in pago Kinnehim [Kinheym am Rande in Cursive von Hand des 16. Jahrhunderts.], in honere sancti Pauli apostoli dedicata, ubi vir apostolicus domnus et in Christo pater noster Willibrordus archiepiscopus pastor preesse videtur [aus pidetur von derselben Hand verbessert.]; hoc est cassatus septem, qui ad ipsam villam aspicere vel deservire videntur, cum omnibus mansuris et omni peculiare et omnibus eorum quicquid habere dinoscuntur. Similiter terram arabilem [erstes a aus h von derselben Hand verbessert.] bonarios XXX; etiam de silva totam decimam partem integram. Hec omnia superius intimata ad {mensam fratrum Deo et sancto Willibrordo in Epternaco servientum} tradimus atque delegamus perpetualiter in Dei nomine ad possidendum, et quicquid supradicti fratres vel {illorum ministeriales} elegerint, liberam et firmissimam in omnibus faciendi habeant potestatem.
Si quis hanc traditionem a {santo Willibrordo et a fratibus eodem sancto servientibus} abstrahere vel emutare voluerit, inprimis iram Dei et sancte Marie genitricis Dei {et sancti Willibrordi} omniumque sanctorum Dei incurrat, et cum Iude traditore paciatur supplicium eternum, et a liminibus regni celestis alienatus expellatur, nec ulla Dei super eum misericordia veniat.
{De
[Von De bis Schluß am Rand von derselben Hand] ecclesia Wesele, in eodem pago sita, eadem firmamus et anuli nostri sigillo signamus}.»

7. De teksten in het ‘Oorkondenboek van Holland en Zeeland’

In het Oorkondenboek van Holland en Zeeland (16) komen de twee teksten afzonderlijk voor.

De eerste (‘Velisana’-) tekst wordt voor echt gehouden :

«[719-739]
3
mei 12
Trier
Hofmeier Karel (Martel) schenkt de villa Adrichem aan Willibrord.
Origineel noch afschrift voorhanden.
Thiofried, abt van Echternach van 1083 tot 1110, schijnt de tekst, althans de inhoud, van deze regalis testamenti pagina nog te hebben gekend. Hij schrijft immers in caput 12 van zijn Vita sancti Willibrordi: Aeternae vero memoriae Karolus, prelibati ducis (= Pippijn de Middelste) filius, major domus, magni Karoli avus, IV idus mai in urbe Treverica dedit ei (= Willibrord) sitam in Fresia in pago Kinheim super fluvium Velisena, ubi mare fluit in parte altera, integram villam, Adrichaim nuncupatam, et regalis testamenti confirmavit pagina (uitg. van deze vita o.m. door L. Weiland, in MGH, SS, XXIII, p. 23, en door A. Poncelet, in AASS Boll., nov. III, p. 467; dit fragment vindt men bovendien bij Van den Bergh, OHZ, I, p. 1, nr. 2, ad [7 . .] mei 12; bij Muller en Bouman, OSU, I, p. 22, nr. 29, ad [719-739] mei 12; en bij Obreen, OHZ, p. 2-3, nr. 3B, dezelfde datum. – Regesten: K.A.F. Pertz, in: MGH, DD Karol., I, p. 97, dipl. maiorum domus e stirpe Arnulforum nr. 8, datum naar Van den Bergh; Böhmer-Mühlbacher-Lechner, Reg. 751-718, p. 18, nr. 40, ad [720-738] mei 12; Brom, Reg. sticht Utrecht, I, p. 5, nr. 23, zelfde datum).
C. Camillus Wampach (Echternach, 1-2, p. 100) heeft gemeend, dat de bovenstaande optekening betrekking heeft op de Echternachse oorkonde die hierna onder nr. 4 is gedrukt. Zij zou meer in het bijzonder een passage uit deze oorkonde samenvatten, die, steeds volgens Wampach, door de ingreep van een falsaris uit de tekst van oorkonde nr. 4 zou zijn verdwenen. De notitie van Thiofried van Echternach zou ons dus, steeds volgens Wampach, in staat stellen om de tekst van nr. 4 te completeren. Obreen (t.a.p.) heeft deze mening overgenomen. Wij van onze kant kunnen haar onmogelijk accepteren (zie de kopnoot bij nr. 4). Wij geloven, dat achter de korte mededeling van abt Thiofried een afzonderlijke, thans verdwenen, schenkingsoorkonde van de villa Adrichem heeft gestaan. Maar er zijn weer geen gronden aanwezig om met F. Patetta te geloven dat deze oorkonde een falsum zou zijn geweest (mening terloops uitgesproken in La 'Lex Frisionum', studi sulla sua origine e sulla critica del testa, in: Memorie della Reale Accademia delle Scienze di Torino, 2e serie, XLIII (1893), afd. Scienze morali, storiche e filologiche, p. 8).
In Böhmer-Mühlbacher-Lechner, t.a.p., is de schenking van Adrichem geplaatst tussen 720 en 738. Karel Martel, in 717 aan de macht gekomen, zal immers eerst na de dood van de Friezenkoning Radbod (719) in de gelegenheid zijn gekomen, om te beschikken over landgoederen in het noord-westen. Mühlbacher stelt de schenking van Adrichem bij voorkeur in 722 (lees 723) en neemt 738 als datum ad quem, omdat Karel Martel in 739, het laatste levensjaar van Willibrord, alleen in meer zuidelijke streken wordt gesignaleerd. Onze kennis van het itinerarium van Karel Martel in dat jaar is echter te gering om het voor uitgesloten te houden, dat deze op 12 mei 739 in Trier zou zijn geweest.
Het formulier van de onderhavige verloren oorkonde is, althans voor een deel, waarschijnlijk terug te vinden in dat van hierna nr. 4. Men heeft evenwel aan het formulier van deze laatste oorkonde en aan dat van bijvoorbeeld de oorkonde van Karel Martel van 726 juni 9 (uitg. Gysseling en Koch, DD Belgica, I, p. 306-308, nr. 174) net te weinig houvast om te komen tot een reconstructie van althans een deel van de tekst van nr. 3.»

In vertaling :

«Te eeuwiger gedachtenis heeft Karel, zoon van de opperhertog [Pippijn II], hofmeier, grootvader van Karel de Grote, op de vierde van de idus van mei [12 mei] in de stad Trier aan hem [Willibrord] een gehele villa geschonken, genaamd Adrichaim, welke gelegen is in Fresia, in de gouw Kinheim aan de stroom Velisena, waar zich aan de andere kant de zee uitstrekt, en een oorkonde van koninklijke wilsbeschikking heeft dit bekrachtigd.» (17).

De tweede (‘Felison’)-tekst wordt daarentegen voor een vervalsing aangezien; de opmerkingen van de tekstbezorger zijn hier tussen rechte haken geplaatst :

«[719-739 nov.7]
4
<Hofmeier Karel (Martel) schenkt de kerk van Velzen met toebehoren aan de kloostergemeenschap van Echternach.>
Schijnbaar origineel (tussen begin 12e e. en begin 13e e.?) niet voorhanden. Het is trouwens onzeker of aan deze tekst de uiterlijke vorm van een oorkonde is gegeven.
Afschriften: B (1e kwart 13e e.) Hertogelijke Bibliotheek, thans Thüringische Landesbibliothek, te Gotha, hs. nr. I, 71 = liber aureus Epternacensis, fol. 44 v. – C (begin 16e e.) Groothertogelijk Instituut te Luxemburg, Historische sectie, hs. nr. 15/265 = codex (uit het bezit van A.) Neyen, fol. 37, naar B. – D (1529) Ibidem, hs. nr. 15/264, fol. 65, naar B.
[...]
Drukken: a. Beyer, Eltester en Goerz, UB Mittelrhein, II, Nachtrag zum I. Theil, p. 3, nr. 4, ad [715-739], naar C. – b. Van den Bergh, OHZ, I, p. 1, nr. 1, zelfde datering, naar B. – c. F.X. Wurth-Paquet, Table analytique des chartes et documents concernant la ville d’Echternach et ses établissements, I, Luxembourg 1867, p. 64-66, nr. 42, naar C. – d. J. Heidemann, Die villa Wiselensis und ihr Verhältnisz zu den Grafen van Cleve bis 1241, in: Zeitschrift des Bergischen Geschichtsvereins, V, Bonn 1868, p. 199-200, onvoll. naar B. – e. K.A.F. Pertz, in: MGH, DD Karol., I, p. 100-101, diplomata maiorum domus e stirpe Arnulforum nr. 13, ad [714 dec.-739 nov. 6], naar B. – f. Muller en Bouman, OSU, I, p. 21, nr. 28, ad [719-739], naar B. – g. Wampach, Echternach, I-2, p. 98-102, nr. 41, ad [719-739] mei 12, naar BC. – h. Obrien, OHZ, p. 2, nr. 3A, ad [7I9-739], ?mei 12, naar g.
Regesten: Wurth-Paquet, Liber aureus, p. 8, nr. 33, ad [715-739]. – Beyer, Eltester en Goerz, a.w., II, p. 574, nr. 13, zelfde datering. – Wauters, Table, I, p. 627, circa 739. – Böhmer-Mühlbacher-Lechner, Reg. 751-918, p. 18, nr. 41, waarschijnlijk gelijktijdig met de oorkonde (hiervóór) nr. 3. – Brom, Reg. sticht Utrecht, I, p. 5, nr. 24, ad [729-738?].
Reeds L.Ph.C. van den Bergh (zie onder b) heeft opgemerkt, dat de woorden Domino et sancto Willibrordo famulantibus ‘van een nog levend persoon gebezigd en de ira s. Willibrordi, waarmede vervolgens gedreigd wordt, doen vermoeden dat het stuk door eenen afschrijver ietwat geïnterpoleerd is’. Radikaler in zijn veroordeling was Th. Sickel (Die Urkunden der Karolinger, II, Wien 1867, p. 220), die deze oorkonde, overigens zonder nadere verklaring, bestempelde als een falsum. Iets uitvoeriger in zijn veroordeling was F. Patetta (La 'Lex Frisionum', aangehaald in nr. 3, t.z.p.). Ook voor hem was deze oorkonde, met haar dubbele verwijzing naar Willibrord als heilige, ‘un’evidente falsificazione’, en hij vervolgt: ‘L’unica parte, che sembrerebbe autentica, cioè l’arenga, corrisponde letteralmente a quella della donazione del 722’. U. Stutz (Geschichte des kirchlichen Benefizialwesens van seinen Anfängen bis auf die Zeit Alexanders III., Berlin 18951 en 19612, p. 156 noot 22) achtte het bewijs nog niet geleverd, dat deze oorkonde als geheel te verwerpen is. W. Levison van zijn kant (Vita Willibrordi archiepiscopi auctore Alcuino, in: MGH, SS rerum Merov., VII-I, p. 90 noot 13) nam de ongunstige mening van Patetta over, en voegde daar aan toe, dat ook het zinsdeel quicquid supradicti fratres vel illorum ministeriales elegerint niet uit de 8e eeuw, maar uit een veel latere tijd dateert. Hij is bij deze mening gebleven (Die Quellen zur Geschichte des hl. Willibrord, verschenen in 1940 en herdrukt in: Aus rheinischer und fränkischer Frühzeit, Düsseldorf 1948, p. 306), ook nadat C. Wampach (a.w., p. ,99-101) gemeend had de verdediging van de in discrediet geraakte oorkonde nog eens op zich te moeten nemen. Wampach had betoogd, dat, ook al is de oorkondetekst in de (enig overgebleven) versie B niet geheel authentiek, de schenking zelf aan Willibrord wel historisch juist is. Hij vergat echter, dat niet dit een punt van discussie is.
Deze mening staafde hij door te veronderstellen, dat van deze schenking en van haar oorkonde een getuigenis bewaard is gebleven, dat los staat van de versie B. Wampach bedoelde de woorden die Thiofried van Echternach in caput 12 van zijn Vita Willibrordi wijdt aan een schenking die hofmeier Karel Martel op de 12e mei van een niet nader aangeduid jaar deed aan Willibrord, en die de integram villam Adrichaim als objekt had (zie hiervóór nr. 3). En Wampach vervolgt: ‘Adrichem und Velzen, heute räumlich getrennt durch den im frühen Mittelalter nicht bestehenden Ort Beverwijk, bildeten früher eine Gemeinde’. En op deze niet geheel juiste bewering volgt dan: ‘Während nun Thiofrid in cap. 12 der vita Willibrordi mehr den Hauptgegenstand der Schenkung, die villa, hervorhebt, nennt vorliegende Urkunde die ecclesia’. Wampach heeft daarom het citaat uit Thiofried m.b.t. Adrichem en de Echternachse oorkondetekst m.b.t. de kerk van Velzen in elkaar geschoven, met als resultaat de constructie, als zou Karel Martel de villa Adrichem hebben geschonken aan de kerk van Velzen, waarover Willibrord custos was. Hiertoe meende hij ook nog gerechtigd te zijn, omdat het afschrift B juist in de dispositio van de oorkondetekst naar zijn mening een gaping zou vertonen: ‘Mit dem zweiten hoc est werden 7 casati erwähnt, qui ad ipsam villam aspicere vel deservire videntur, doch wird diese villa nicht genannt’. Deze veronderstelling is onjuist: deze villa – de villa Felison – is in B wel reeds eerder genoemd. Er is hier geen sprake van latere tekstcorruptie. De poging van Wampach om deze oorkonde door een grondige ingreep in de dispositio aan authenticiteit te doen winnen, kan als mislukt worden beschouwd. Er is geen reden, om de huidige oorkondetekst niet te beschouwen als het maaksel van een falsaris. Misschien bestond deze tekst nog niet ten tijde van abt Thiofried (1083-1110).
lndien deze oorkonde echt zou zijn geweest, zou de terminus a quo het sterfjaar van de Friezenkoning Radbod zijn geweest, en de terminus ante quem de overlijdensdatum van Willibrord (zie ook hiervoor nr. 3).
Het formulier moet de falsaris, althans tot op zekere hoogte, hebben ontleend aan een echte oorkonde van Karel Martel, waarschijnlijk hiervoor nr. 3.
<Ego in Dei nomine illuster vir Karolus, maior domus, filius Pippini quondam, cogitans casum humane fragilitatis, qualiter peccata nostra possimus abluere et donante Domino ad eterna gaudia pervenire.
Icirco [sic B] donamus a die presente per hanc paginam testamenti nostri donatumque in perpetuum esse volumus fratribus in Eptemaco Deo et sancto Willibrordo famulantibus, hoc est ecclesiam que est constructa in villa Felison nominata, in pago Kinnehim, in honore sancti Pauli apostoli dedicata, ubi vir apostolicus domnus et in Christo pater Noster Willibrordus archiepiscopus pastor preesse videtur [v uitB]; hoc est cassatus septem qui ad ipsam villam aspicere vel deservire videntur, cum omnibus mansuris et omni peculiare et omnibus eorum quicquid habere dinoscuntur; similiter terram arabilem [eerste a uit h B.] bonarios XXX [sic B], etiam de silva totam decimam partem integram. Hec omnia superius intimata ad mensam fratrum Deo et sancto Willibrordo in Epternaco servientium tradimus atque delegamus perpetualiter in Dei nomine ad possidendum, et quicquid supradicti fratres vel illorum ministeriales elegerint, liberam ac firmissimam in omnibus faciendi habeant potestatem.
Si quis hanc traditionem a sancto Willibrordo et a fratribus eodem sancto servientibus abstrahere vel emutare voluerit, inprimis iram Dei et sancte Marie genitricis Dei et sancti Willibrordi omniumque sanctorum Dei incurrat, et cum Iude traditore paciatur supplicium eternum, et a liminibus regni celestis alienatus expellatur, nec ulla Dei super cum misericordia veniat.> [In B is hierna door dezelfde hand in marge het volgende aan de tekst toegevoegd: Et de ecclesia Wesele in eodem pago sita eadem firmamus et anuli nostri sigillo signamus.]»

In vertaling :

«Ik, in de naam van God, luisterrijk man Karel, hofmeier, zoon van zekere Pippijn, denkend aan de menselijke zwakheid en hoe wij ons van onze zonden kunnen reinigen en hoe wij door aan God te geven eeuwige vreugden kunnen bereiken.
Daarom schenken wij heden bij deze oorkonde van onze hand, en wensen wij dat de schenking eeuwig toebehoort aan de broeders in Epternaco, dienaren van God en van Sint-Willibrord: de kerk die gebouwd is in de villa genaamd Felison, in de gouw Kinnehim, gewijd ter ere van de heilige apostel Paulus, waarvan bekend is dat de missionaris, heer en onze vader in Christus, aartsbisschop Willibrord er als herder aan het hoofd staat; en zeven horige hoeven die men weet bij die villa te behoren of eraan dienstplichtig te zijn, met alle onroerende goederen en alle huisraad en alles wat men vaststelt er bij te behoren; evenzo bouwland van 30 bonarii, ook het gehele volledige tiende deel uit het bos. Al het boven vermelde schenken wij aan de tafel der broeders die God en Sint-Willibrord in Epternaco dienen, en vermaken wij om eeuwig in Gods naam te bezitten, en waartoe bovengenoemde broeders of hun dienaren het ook willen gebruiken, zij hebben in alle opzichten daartoe de vrije en volstrekte macht van handelen.
Als iemand deze schenking aan Sint-Willibrord en aan de broeders die deze heilige dienen, zou willen afhandig maken, dan treft hem bij uitstek de toom van God en van de heilige Maria, moeder van God, en van Sint-Willibrord en van alle heiligen van God, en dan treft hem met de verrader judas de eeuwige straf, en wordt hij verdreven naar de grenzen van het hemelse rijk en zal hij geen enkel mededogen van God ontvangen.»
 (18).

8. Teksten en commentaar bij Albert Delahaye

a. Vraagstukken in de historische geografie van Nederland, 1965

«Adrichaim, Kinnehim, Wesele.
Tussen 719 en 739 schonk Karel Martel aan St. Willibrord in Fresia in de villa Kinnehim aan de rivier de Velisena, “waar aan de andere kant de zee stroomt”, de gehele villa Adrichaim (a1). Zo althans geeft Theofried van Echternach deze schenking.
In een akte, bewaard in het Liber aureus van Echternach, schonk Karel Martel evenwel “aan de broeders van Epternacum en aan de heilige Willibrord” de kerk van de villa Felison in de pagus Kinnehim, toegewijd aan St. Paulus, waar de aartsbisschop Willibrord “custos” was. Tevens werd St. Willibrord bevestigd in het bezit van Wesele, in dezelfde pagus gelegen (a2).
De grote overeenkomsten tussen de beide bronnen maken het wel aannemelijk, dat het over dezelfde zaak gaat; bovendien noemen zij het alle twee een schenking van Karel Martel. Er zijn ook grote afwijkingen. Bij de een is Velisena een rivier; bij de ander is Felison een plaats. Adrichaim komt alleen bij Theofried voor; Wesele alleen in het Liber aureus. De afwijking met de diepste ondergrond wordt hierdoor gevormd, dat Theofried spreekt van de “zee, die aan de andere kant stroomt”, terwijl dit gegeven door het Liber aureus volkomen is genegeerd. Theofried lokaliseerde de goederen ergens aan de kust; het Liber aureus heeft dit toen onbegrijpelijke detail maar laten vallen. Er kan moeilijk worden uitgemaakt, welke van de twee teksten de meest exacte is. Wij hebben er zelfs niets aan te opteren voor de oudste, die van Theofried, want ook deze komt uit de koker van een Echternachtse kopiïst. De akte uit het Liber aureus is vermoedelijk gefabriceerd door Theoderich, aan de hand van het gegeven van Theofried, waarbij hij zich uiteraard de nodige vrijheden heeft veroorloofd, omdat hij reeds een bepaalde lokalisatie in zijn hoofd had. De woorden “heilige Willibrord” kunnen immers onmogelijk in een eigentijdse en authentieke tekst hebben gestaan. Dit zou men van de andere kant ook weer zeer redelijk kunnen verklaren als een begrijpelijke slip van een kopiïst.
Merkwaardig is, dat Theofried (begin 12e eeuw) deze schenking van Karel Martel vermeldt, doch dat zij niet in het testament van St. Willibrord voorkomt. Het is vrijwel zeker, dat dit testament een vervalsing is uit het einde van de 12e eeuw. De goederen in de genoemde plaatsen waren door de woorden “aan de broeders van Epternacum” zó duidelijk en afdoende voor de abdij geclaimd, dat zij in het testament niet meer opgenomen behoefden te worden. Voor Theoderich betekende het niet alles, dat hij omstreeks 1191 deze goederen concreet niet kon aanwijzen; het was hem voldoende, dat het recht van Echternach was vastgelegd.
Deze goederen heeft de abdij nimmer teruggevonden. De gangbare lokalisatie ervan door de historici verdient derhalve niet eens een serieuze weerlegging, daar niet aan te nemen is, dat zij een beter inzicht kunnen hebben in het goederenbezit dan de deken van de abdij uit de 12e eeuw. Als in het jaar 1063 tussen de bisschop van Utrecht en de abdij van Echternach rechten over de zogenaamde goederen in Holland worden geregeld (a3), is in het geheel niet over Adrichaim gesproken, zodat hierdoor al vaststaat, dat de gangbare opvatting van Velzen nà (en waarschijnlijk lang na) de 12e eeuw is geponeerd.
Naast de akte van het Liber aureus heeft een hand uit de 16e eeuw “Kinheym” geschreven (a4), daarmee kennelijk doelend op een aldus genaamde plaats, dicht bij Echternach gelegen. Hier had Echternach inderdaad rechten en goederen. Doch om de andere raakpunten, die bij het Duitse Kinheim niet zijn aan te wijzen, moet die toevoeging als een vergissing worden beschouwd, enigszins te begrijpen door de merkwaardige doublure in de plaatsnamen. Of zou het misschien een aanwijzing zijn, dat de gegevens van Echternach op nóg vreemder manier door elkaar zijn gehaspeld?
In het Vita Gregorii (a5) wordt verhaald, dat St. Bonifatius te Wyrda (Weretha), te Attingehem (Autingues) en te Felisa “in het oostelijk deel van het Almere” dertien jaren verblijf heeft gehouden. Al kan de juiste plaats van Felisa (Felison, Velisena) niet met volstrekte zekerheid worden aangewezen, dan staat het door deze tekst toch buiten twijfel, dat zij in Noord-Frankrijk ligt. Het verband met Weretha, Autingues en het Almere bewijst dit voldoende. Daarbij heeft het niet eens veel zin meer, zich af te vragen, of onder Felisa Fléchin of misschien Feuchy moet worden verstaan.
Kinnehim, bij Theofried een villa en in het Liber aureus een pagus genoemd, moet aan de hand van een tekst bij Regino in Noord-Frankrijk gelokaliseerd worden (a6). In het jaar 884, zegt hij, kwamen de Noormannen uit de mark van de Dani (Normandië) in Chinheim, waar zij met verlof van koning Godfried de Renus opvoeren. Uit deze tekst blijkt, dat eer aan een landstreek dan aan een plaats moet worden gedacht. De gangbare opvatting van Chinheim als Kennemerland behoeft niet weerlegd te worden, nu met de ontleding der berichten over de Noormannen gebleken is (zie deel 1), dat zij in het geheel niet Nederland bezochten. De Renus wijst al evenmin op Nederland.
Adrichaim mag waarschijnlijk als Audrehem geïnterpreteerd worden, een dorp op enige kilometers van Tournehem gelegen. Ook in dit geval zien wij de kerk in het bezit van de abdij van St. Bertin na het verval van het bisdom Trajectum. Tussen 844 en 864 maakte abt Adelard een lijst van de goederen der abdij op, afgestaan voor het gebruik van de monniken (a7). Daaruit blijkt, dat de kerk, het altaar en andere goederen in Audrehem aan de abdij toebehoorden. In de bekende oorkonde van Karel de Kale van het jaar 877, in meerdere opzichten te beschouwen als een definitieve sanctie op het bezit van sommige onlangs verkregen rechten en eigendommen, is dit bezit van de abdij bevestigd (a8). Blijkens een akte van het jaar 1200 maakte een bos onder Audrehem deel uit van het bezit van St. Bertin en van de abdij van Licques (a9). Misschien was dit een van de vier bossen, in het jaar 777 aan de kerk van Trajectum geschonken (zie blz. 365).
De interpretatie van Adrichaim als Audrehem steunt op de fonetiek, op de korte afstand tot Tournehem, en op het latere bezit van de abdij van St. Bertin. Indien dit een te smalle basis wordt geacht, moet men bedenken, dat de gangbare interpretatie van Velzen nergens op steunt en slechts een derdegraads-deductie is uit de veronderstelde situering van Felison en Kinnehim.
Wesele, dat alleen in de akte van het Liber aureus voorkomt, kan in Noord-Frankrijk niet worden aangewezen. Enige mogelijkheden zijn : Foucqesolles, een gehucht en kasteel onder Audrehem, dat als Voxola of Vocashola voorkomt. Tussen Voxola en Wesele behoeft niet eens een gróte verschrijving of verlezing te worden aangenomen. Wezel heet een hofstede te Zandvoorde onder Ieperen, doch deze plaats ligt misschien te ver van de andere goederen af.
Niet onmogelijk is, dat deze plaatsnaam bij het kopiëren bedorven is. In deze streek, vooral in West-Vlaanderen, vindt men een groot aantal plaatsnamen, eindigend op -sele of -zeele. Het is niet uitgesloten, dat in de oorspronkelijke akte een naam met deze uitgang heeft gestaan.
Het detail “waar aan de andere kant de zee stroomt” valt in de streek geheel redelijk te verklaren. Het Almere lag ten noorden van Tournehem; de zeekust bevond zich derhalve zeer dichtbij. Uit de tekst mag immers begrepen worden, dat de zee aan de andere kant ligt van de streek, waar de plaatsen zich bevinden.»
 (19).
 
Noten
 
a1. VITA S. WILLIBRORDI, M.G.S. 23, blz. 23.
a2. WAMPACH, D. Quellen enz., I. 2, blz. 98.
a3. WAMPACH, D. Quellen enz. I. 2, nr 192.
a4. WAMPACH, D. Grundherrschaft enz., nr 41.
a5. VITA GREGORII, M.G.S. 15. blz. 67.
a6. REGINONIS CHRONICON. M.G.S. I, blz. 594.
a7. HAIGNERE. D. o.c. nr 40.
a8. HAIGNERE, D. o.c. nr 51.
a9. HAIGNERE, D. o.c. nr 435.

b. Holle boomstammen, 1980

«De gangbare literatuur beweert, dat St. Willibrord twee kerken in Holland heeft gehad, die van Velzen en die van Adricheim. De eerste plaats is een misvatting, ontstaan uit een gemakkelijk te ontmaskeren vervalsing van een tekst van Theoderich van Echternach; de tweede plaats heeft in Holland nooit bestaan. In het bisdom Utrecht is geen plaats aan te wijzen, waar een van de oude namen uit de akten, de kronieken of de heiligenlevens gesitueerd kan worden. Tussen de jaren 719 en 739 schonk Karel Martel aan het klooster van Epternacum “de villa Felison, in de pagus van Kinnahim gelegen”. De akte is een vervalsing; daar zijn alle historici het over eens. Zij komt als akte voor in het Liber Aureus van de abdij van Echternach, dat men beter de boekhouding der vervalsingen van Theoderich zou mogen noemen. Hij had een oude tekst nodig om zijn bewering te staven, dat St. Willibrord eertijds, en de abdij derhalve nu, rechten en bezittingen in Holland had. Het materiaal voor de vervalsing vond hij bij Theofried van Echternach, die in het begin van de 12e eeuw een leven van St. Willibrord had geschreven. In dat leven spreekt de schrijver over een schenking aan St. Willibrord: “in Fresia in de pagus Kinheim aan de rivier de Velisena de villa Adricheim”. Theofried heeft tijdens het schrijven van het leven, dat voornamelijk op dat van Alcuinus teruggaat, wel vaag aan Holland en Friesland gedacht voor de lokalisatie van de bisschop, maar dit denkbeeld nergens uitgesproken.
Theoderich wist het beter! In een akte over Trajectum komt een plaats Felisa voor, maar deze tekst zal hij waarschijnlijk niet gekend hebben. Van Velisena maakte hij Felison. De juiste plaatsen, in de akten van het bisdom genoemd, zijn Feuchy bij Arras en Adricheim als Audrehem, een dorp op enkele kilometers van Tournehem gelegen, waarvan de kerk vóór 864 in het bezit was van de abdij van St. Bertijn te St. Omaars, derhalve nà de eerste vlucht van het bisdom Trajectum voor de Noormannen. Overigens blijkt nergens uit, dat Theoderich Felison gelijkstelde met Velzen. Het is misschien wel zijn bedoeling geweest op deze manier de basis te leggen voor een pretentie in Holland, waar immers het Fresia uit de tekst van Theofried móest liggen. In dit muizenvalletje, opgezet om iets groters te vangen, zijn de historici met open ogen getrapt; van een onnozele, onnodige en zelfs effektloze vervalsing maakten zij een historische zekerheid. Een van de eerste opwerpingen tegen mijn inzichten over St. Willibrord was warempel de kerk van Velzen!
Kinnahim of Kinheim wijst in oude teksten geenszins op Kennemerland, een toponiem dat in Holland pas eeuwen later is verschenen. Regino verhaalt in een gebeurtenis uit het jaar 884, dat de Noormannen vanuit “Denemarca” (niet Denemarken, doch de “mark” van de Noormannen in Artois) in Chinheim kwamen, waar zij met verlof van koning Godfried de Renus opvoeren. Hoe men Renus moet verstaan, is inmiddels bekend. Bovendien zijn Chinheim en Kennemerland twee totaal verschillende namen, die taalkundig noch etymologisch enig verband met elkaar hebben. Men kan niet eens van een doublure spreken, zo ver liggen de woorden uit elkaar. Het Chinheim bij Regino is trouwens een plaatsnaam, terwijl Kennemerland een streeknaam is. De juiste plaats is Quingoie, een gehucht van Tournehem.»
 (20).

c. De ware kijk op..., 1984, 1999

Vijf verwijzingen onder de lijst van plaatsnamen van Batua en Taxandria :

«Adelricheim (Lorsch 772) (lees: Walricheim) is Warcove, gehucht van Audembert, op 5 km noord van Marquise. De plaats is vermoedelijk een andere dan Adricheim – Audrehem.» (21).
«Adrichaim, door Theofried van Echternach in nauw verband met Aefternacum – Eperlecques genoemd, is Audrehem, op 5 km zuid-west van Tournehem.» (22).
«Archeim (Lorsch ca. 1050) is Arques bij St. Omaars, reeds in 668 als Arkas bekend. De plaats komt als Archi voor in de oorkonden van Werethina.» (23).
«Chinheim, waar in 884 de Noormannen binnenvielen en verder naar de Renus (Schelde) trokken, is Quingoie bij Tournehem. De interpretatie van Kennemerland was vanzelfsprekend een niet ernstig bedoeld grapje.» (24).
«Kinhem is de [moet zijn : bij de] plaats Obbinghem in de Batua, genoemd in een lijst van Werethina uit 855, is Hinges, op 4 km noordwest van Béthune. Obbinghem is Oblinghem, op 3 km noordwest van Béthune.» (25).

Onder de plaatsnamen uit de oorkonden van de abdij Aefternacum – Eperlecques :

«Chinicwirde - Chinchy.» (26).
«Chinicwirde, genoemd in de schenking van Gotricus uit 786 aan het klooster van St. Willibrord, is verm. Siracout, op 5 km west van St. Pol-sur-Ternoise.» (27).

Bij de plaatsnamen uit de oorkonden van Werethina – Fréthun :

«Kinhem “in villa Obbinghem in de Batua” (855) is Hinges, op 3 km noord-west van Béthune. Zie ook Obbinghem.» (28).
«Obbinghem in de Batua (855) is Oblinghem, op 3 km noord-west van Béthune.» (29).

In de lijst van Frans-Vlaamse naamsverdubbelingen in Nederland :

«Kinheim – Chinchy – Kinnum H.» (30).
«44. De pagus Kinheim wordt door Theofried van Echternach in het Leven van St. Willibrord genoemd. Het is gewoon een plaats, die lag bij Adrichaim (Audrehem), op 5 km zuidwest van Tournehem.
Een ander Kinhem, bij Obbinghem in de Batua gelegen, was Hinges [kennelijk doelend op Gonnehem], op 4 km noordwest van Béthune, Obbinghem is Obblinghem, vlak daarbij gelegen.
Felison, dat Feuchy was en niet Velsen, lag volgens een akte van Karel Martel uit 719 in de pagus Kinnehim, heden Chinchy genoemd, op 9 km noordwest van Atrecht (Frans Arras).
Uit niets blijkt, dat een van deze drie in de karolingische periode een gouw was. De Nederlandse naam Kennemerland is op z’n vroegst in de 12e eeuw ontstaan en behoort vermoedelijk niet eens bij de uit Frans-Vlaanderen geïmporteerde namen.
Nadat één fantast had vastgesteld, dat St. Willibrord een kerk in Velsen had gehad, vond een tweede de fabel uit dat Kennemerland al in diens Leven was genoemd.»
 (31).
«Tekst 502
719. De schenking van Adrichaim.
Tot eeuwige nagedachtenis schonk Karel Martel, hofmeier en zoon van de voornoemde vorst Pepijn en grootvader van Karel de Grote, hem op de 5e der Iden van mei in de stad Trier een goed in Fresia, in de pagus Kinheim, op de oever van de rivier Velisana, waar aan de andere kant de zee ligt, namelijk het gehele dorp Adrichaim.
Bron:
Thiofridus, Vita S. Willibrordi, AS, nov. III, p. 467.
Fresia is vanzelfsprekend geen raadsel of probleem bij de bisschop van de Fresones. De pagus Kinheim, verduitst van Kinhem, is la Quingoie, een gehucht nabij Audrehem; pagus betekent niet altijd gouw. De rivier Velisana is een verschrijving van Amisia (Hem). Adrichaim is Audrehem op 5 km zuidwest van Tournehem. Het is vermakelijk om te zien, wat Theoderich van de tekst heeft gemaakt, en nog leuker wat men er in Holland van maakte.»
 (32).
«Tekst 503
719. De lachwekkende fabel van Velzen.
Karel Martel, de hofmeier, schenkt aan de broeders van Epternacum (Eperlecques) die God dienen en tot het gezelschap van de heilige Willibrord behoren, de kerken van Felison in de pagus Kinneheim, toegewijd aan St. Paulus, waar aartsbisschop Willibrord als pastor dient, en andere bezittingen. Onder de akte is toegevoegd: hetzelfde geldt voor de kerk van Wesele in dezelfde pagus.
Bron: Wampach, Quellen, nr. 42.
Nota 503-1. Zou men deze twee akten [kennelijk bedoeld : deze akte en de tekst van Theofried], waartussen nauwelijks enige verschillen van betekenis te bemerken zijn, vast willen knopen aan de tekst van Theofried [de eerste tekst is die van Theofried], dan komt men er met alle gepuzzel niet uit. Ik neem dan ook aan, dat het om geheel verschillende zaken ging, die door een slordige of haastig lezende kopiïst door elkaar gehaspeld zijn. Felison is Feuchy op 6 km oost van Atrecht. Zie ook onder dezelfde naam bij de oorkonden van Tournehem, waar de plaats beschreven wordt als “dichter bij de heidenen” te liggen. Velisana is hier een verkeerd binnengeslopen element. Weselau is Wasselau, een plaats tussen Aire, Saint-Venant en Merville. Naast de akte in het Liber Aureus heeft een hand uit de 16e eeuw “Kinheym” geschreven en doelde daarmee op de plaats Kinheim bij Echternach, waardoor de kans al levensgroot is dat alle vermeldingen van Kinheim vervalsingen zijn. De legende van Velzen is derhalve een dubbele flop, ten eerste omdat zij afgeleid is van de valse riviernaam Velisana of van een geheel andere plaats Felison, maar bovendien omdat zij ook door Luxemburg wordt opgeëist. Geen enkel serieus historicus zal de naam Kinheim uit het begin van de 8e eeuw durven gelijkstellen met de minstens vijf eeuwen latere naam Kennemerland. Blok echter wel (p. 51, 90), die zelf zegt dat de akte vals is maar dat de feitelijke inhoud juist kan zijn, “omdat we weten dat het naburige Adrichaim door Karel Martel aan Willibrord werd geschonken”. Wat dat was en waar het lag, weet hij niet te vertellen, zodat hij de vicieuze cirkel niet eens afmaakt.
Misschien berust de gehele verwarring van Felison en Kinheim op een nog grotere verwarring. Op 7 km zuidoost van Béthune ligt de plaats Cuinchy, en als deze eens het mysterieuze Kinheim was, zal men een geheel andere reconstructie moeten zoeken, of is de verwarring in Echternach nóg groter geweest met de kans dat het om twee afzonderlijke plaatsen ging.»
 (33).

Cuinchy ligt ten oosten van Béthune; niet te verwarren met Chinchy bij Atrecht.

«Tekst 566
786. Schenking van Gotricus.
Gotricus schenkt aan het klooster van Epternacum (Eperlecques), dat gebouwd is in de pagus Bedensis (Batua) aan de rivier de Sura (lees: Renus-Schelde) ter ere van St. Petrus, waar het lichaam van de heer Willibrord rust en Beornradus abt is, zijn bezittingen in de plaats Chinicwirde aan de overzijde van de rivier de Lauvichi in de pagus van Hugumarchi, en in een andere plaats Urva in de pagus Midochi, en in een derde plaats Thelingi.
Bron: Wampach, Quellen, nr. 96.
Nota 566-1. Chinicwirde is Chinchy, gehucht van de gemeente Mont-Saint-Eloi, op 9 km noordwest van Atrecht. De rivier de Lauvachi is de Lawe. Hugomarchi is Valhoun, op 7 km noord van St.-Pol, voorheen bekend als Hugonis Urbs. Urva is Vérin, een leengoed onder de gemeente Offrethun, op 9 km noordoost van Boulogne. De pagus Midochi is Saint-Blaise, voorheen als Midleca bekend, deel van de gemeente Guînes. Thelingi is Terlicthun, gehucht van de gemeente Wimille, op 4 km noord van Boulogne.»
 (34).
«Toen Theofried van Echternach omstreeks 1100 de bewering deed, dat de abdij wel 25 kerken in Holland had gehad, en de abdij deze in de loop van de 12e eeuw wilde terugeisen, beschikte zij over geen enkele naam. Theofried had alleen een naam Velisana laten vallen, bij hem overigens een rivier, waarmee al helemaal niets te beginnen was.» (35).
«Chinicwyrde, genoemd in een akte van 786, is Chinchy, gehucht van de gemeente Mont-Saint-Eloi, op 9 km noordwest van Atrecht.» (36).
«Velisana, een rivier door Theofried van Echternach in verband gebracht met Audrehem en Quingoie, is misschien een vergissing in verband met de plaatsnaam Felison. [...]
Velzen (N.-H.), heeft zijn Willibrord-traditie ontleend aan de vergissing van Theofried van Echternach met de rivier Velisana. Zij berust derhalve nergens op en is een complete mythe.»
 (37).
Velisana is geen vergissing in verband met Felison, maar van Velisana is later Felison gemaakt.

d. Ontspoorde historie, 1992

«Tekst 118
Bonifatius bij het Almere : ca. 719
De uitverkoren man Gods en martelaar Bonifatius heeft, als een arme evangelist en bijna als een kluizenaar levend, dertien jaren gewerkt aan de prediking in Fresonia (Vlaanderen); en vooral in het zuidelijk deel van het Meer Almare (Almere of Flevum) waarvan de plaatsnamen deze zijn: de eerste plaats heet Wyrda op de oever van de Renus (Schelde), waar hij zeven jaren woonde; de tweede heet Attingahem bij de rivier de Fehta, waar hij drie jaren woonde; de derde plaats heet Felisa, die dichter bij de ongelovigen en heidenen ligt, waar hij ook drie jaren bleef.
Bron: Vita S. Gregorii, AS, aug. V, p. 254.
Nota: Wyrda is Weretha (Fréthun) bij Calais, waar Bonifatius volgens andere berichten een tijd verbleef op het familie-goed van Wirsingus, en waar ca. 742 Ludger geboren zou worden die daar omstreeks 793 zijn klooster zou stichten. Deze plaats is het huidige Fréthun op 4 km zuid-west van Calais. Attingahem, dat aan een rivier lag, is Assinghem op 11 km zuid-west van St.-Omaars en aan de Aa gelegen. De naam Fehta voor deze rivier zal een verschrijving zijn van Withea, die elders voorkomt: vgl. o.a. “Fehtna” bij tekst 55, Nota al.4. Het behoeft niet eens een verschrijving te zijn, daar het in feite slechts een andere uitspraak is. Withea is een Germaanse vorm (wit) voor de Albis (witte rivier) en duidt de Aa aan. Felisa is Feuchy op 5 km oost van Atrecht, aan de rand van Willibrords werkgebied, alwaar ook andere gegevens een grens tussen christenen en heidenen leggen: vgl. tekst 143. De drie plaatsen en de rivier, nooit in Nederland teruggevonden of aangewezen maar in de juiste streek ten zuiden van het Almere voor het grijpen liggend, sluiten uit dat Bonifatius’ arbeidsveld in Nederland gelegen zou hebben. Ik weet niet hoe men het noemen moet dat Blok (o.c., p. 45, 51) de mooie Romaanse en Gallische naam Attingahem voor zijn woonplaats Nederhorst den Berg opeist. Dat noem ik pettologie: daar hij in heel Nederland geen plaats vond die er ook maar een beetje op lijkt, hing hij deze pet maar thuis aan de kapstok.»
 (38).
Van de ‘Fehta’ was natuurlijk allang de Vecht gemaakt die langs Nederhorst den Berg stroomt. Inmiddels heeft iemand anders Attingahem opgeëist voor Breukelen (Frieslands oudheid, t.a.p., p. 328, noot 63a).
«Tekst 143
Gregorius te Tournehem en Audruicq: ca. 740
[Bonifatius had overal leerlingen en volgelingen]: ook de zalige Gregorius van Traiectum (Tournehem) die in de oude en beroemde stad Dorstad (Audruicq) dat deel van Fresonia (Vlaanderen) met licht vulde, daar het tot de christenheid gerekend werd tot aan de westelijke oever van de rivier die Lagbeke wordt genoemd, waar ten tijde van koning Pepijn de grens lag tussen de christelijk Fresones (Vlaanderen) en de heidenen.
Bron: Ludger, Vita S. Bonifacii, AS, juni I, p. 478.
Nota: Traiectum en Dorestadum behoeven niet meer toegelicht te worden. De lagbeke opvatten als de Lauwers, wat de gangbare localisatie is, was driemaal onjuist, omdat de tekst van een rivier spreekt en niet van een zeebaai, omdat het taalkundig niet kan en ten derde omdat het stratigrafisch onmogelijk is, daar de Lauwers toen niet bestond zo min als de kust waarvan hij een inham zou zijn. De lagbeke is de Laquette of de Lacque, die in de weilanden te Aire-sur-la-Lys ontstaat en 4 km oostwaarts bij Saint-Venant in de Lys stroomt. Deze plaats ligt als bisdommelijke afpaling redelijk op één lijn met Felisa (Feuchy), 5 km oost van Atrecht, waar een andere tekst de grens tussen het bisdom en de heidenen legt (zie tekst 118).»
 (39).

9. Conclusies voor de ‘Felison’ en ‘Velisana’-teksten

Albert Delahaye heeft gezocht naar een streek waar de verschillende in de documenten genoemde namen in historisch en geografisch verband tezamen voorkomen. Daarbij stuitte hij op drie mogelijkheden :

  • Quingoie (Kinheim) bij Audrehem (Adrichaim) aan de Hem (Amisia) ten zuidwesten van Tournehem, wat past voor de ‘Velisana-tekst’;
  • Chincy (Kinnehim) bij Atrecht (Frans Arras) waar Feuchy (Felison) vlak bij ligt (40), wat past voor de ‘Felison’-tekst;
  • Hinges (Kinhem) boven Oblinghem (Obbinghem) ten noorden van Béthune, bedoeld Gonnehem (41), wat past voor de tekst uit 855;

Wanneer de teksten uit 719-739 zouden zijn en op Holland betrekking zouden hebben houdt dat in dat Echternach het eigen Hollandse bezit bijna vier eeuwen had laten verslonsen om het dan plotseling, officieel in 1063, in werkelijkheid pas in 1156, weer op te eisen. Belangrijker nog is dat op dat moment deze documenten helemaal niet ter sprake kwamen (het ging alleen om de 24 kerken, waaronder die van Velsen), en Echternach zelf deze akten dus nooit op Kennemerland heeft toegepast. Het oorspronkelijk bezit lag in een heel andere streek en de vervalsing was bedoeld om rechten op te eisen in nog weer een andere streek; om Kennemerland ging het in geen van beide gevallen.

  • De uitleg Kennemerland – Adrichem – Velsen is dan ook onhoudbaar.
  • De eerste (‘Velisana’-) tekst gaat terug op een werkelijk bestaand hebbend document uit de achtste eeuw en heeft betrekking op Kinheim-Quingoie – Adrichaim-Audrehem – Velisana-Hem.
  • De tweede (‘Felison’-) tekst is een vervalsing van het document dat aan de eerste tekst ten grondslag heeft gelegen en dat werd omgewerkt om aanspraken neer te leggen in Kinnehim-Chinchy en Felison-Feuchy. Adricheim verdween daarbij uit de tekst en van de rivier werd een plaats gemaakt.
  • Het derde Kinhem, Hinges (Gonnehem) bij Oblinghem, komt voor de twee teksten niet in aanmerking omdat er nóch een Felison of Velisana kan worden aangewezen, nóch een Adrichaim.
  • De verwijzing bij Albert Delahaye naar het dicht bij Oblinghem gelegen Cuinchy bij Cambrin ten oosten van Béthune als nog een ander (vierde) Kinhem kan een verwisseling zijn met Chinchy bij Atrecht (Frans Arras). Ten westen van Béthune ligt wel Cauchy-à-la-Tour, dat ook bedoeld kan zijn, en waarbij Quenhem / Quennehen gelegen was (bij Calonne-Ricouart).

Luxemburg

De grenzen van het karolingische middenrijk na de verdragen van Verdun en Meersen (42). Het omvat in grote lijnen Brabant, Limburg, Luxemburg en Duitsland ten westen van de Rijn terwijl Vlaanderen deel uitmaakt van Francia. Zoek Echternach op en probeer te bedenken hoe Willibrordus vandaar naar Utrecht galoppeerde en weer terug.

10. Dr. D.P. Blok over ‘Felisa’

«Meteen na de herovering van Utrecht snelden Willibrord en de zijnen weer toe, om de schade te herstellen. Bonifatius, die het bericht van Redbads dood in Midden-Duitsland te horen kreeg, keerde terug naar Utrecht, om Willibrord, de goeroe der Angelsaksische missie, bij te staan bij de bekering der Friezen. Van 7 I 9 tot 722 heeft hij hier gepreekt; Liudger vermeldt in zijn Leven van Gregorius [M.G.SS. XV 67] dat Bonifatius ten zuiden van het Almere gepredikt heeft, eerst in Woerden, toen in Attingahem aan de Vecht en tenslotte in Velzen ‘omdat deze plaats dichter bij de heidenen lag’; zuidelijker was het grove werk dus al wel gedaan. De richting is duidelijk: eerst Woerden om het gebied langs de Rijn weer in het gareel te krijgen; dán Attingahem, misschien het latere Nederhorst den Berg, om het noorden van de gouw Nifterlake te bewerken en tenslotte Velzen om Kennermerland te bekeren.» (43).

Dr. D.P. Blok, goeroe der traditionalistische missie, heeft het helemaal mis. De tekst luidt :

«Cum ipse electus Dei Bonifatius martyr post tredecim annos in Fresonia peractae peregrinationis [in noot : Bonifatius tantum a. 716-717. et 719-722. in Fresonia moratus est, ut ex Vita Bonif. auct. Willibaldo et epistolis apparet. Hic igitur numerus 13 annorum multo nimius, et quae de mora singulis locis Frisonicis a Bonifatio facta Liudgerus dicit falsa sunt. Mirum cum tam graviter errasse, qui Vitam Willibaldi legerat. Auctor Vitae Bonif. qui dicitur Monasteriensis, Acta SS. Iun. I, p. 482, eundem numerum 13 annorum ex hoc loco sumpsit. Cf. J.P. Müller, 'Bonifacius. Eene kerkhistorische studie' I, p. 73 sqq.], quibus in australi parte Almari [in noot : Zuiderzee, tunc lacus mediterraneus] pauper euangelicus et propemodum solitarius sanctam sessionem suam tribus in locis peregisset, quorum vocabula locorum sunt haec : primus appelatur Wyrda [Woerden, infra Traiectum, in prov. Hollandia meridionali] in ripa fluvii Reni, ubi septem annis habitavit; secundus Attingahem [in noot : Achttienhoven, ut creditur; Müller l.l.] iuxta fluvium Fehta, ubi habitavit annis tribus, quo in loco primum unum coepit habere discipulum nomine Gemberht cognomento Gebbo; tertius autem appelatur Felisa [in noot : Velzen, a Haarlem versus septentrionem], qui propior erat gentilibus et paganis, ubi et tribus similiter habitavit annis — : post hos, inquam, tredecim annos, sicut praedixi, dum admonitus a Deo ad Hassos et Thuringeos, orientales regiones Francorum, iter agere coepisset lucrandorum Deo populorum causa, pervenit ad Palatiolum [in noot : Pfalzel. – Contra Liudgeri diserta verba qui novissimus de his rebus agit O. Fischer, 'Bonifatius' p. 59. 272. hoc factum esse contendit a. 723, cum Bonifatius Karolum principem visitasset; cf. infra p. 70, n. 1.] monasterium virginum prope Treveris civitatem, in ripa fluminis Mosella, cui tunc abbatissa praeerat nomine Addula, religiosa valde et timens Deum.» (44).

Albert Delahaye geeft het volgende commentaar :

«Attingahem, waar St. Bonifatius ca. 719 enige tijd verbleef, wordt door Blok als Nederhorst den Berg beschouwd, op ca. 2 meter beneden NAP gelegen, in 713 derhalve zeven meter onder water. In de tekst heet het dat de plaats bij de rivier de Fehta lag, die opgevat als Vecht tot de foutieve lokalisatie heeft geleid. De juiste plaats kan Assinghem zijn op 11 km zuidwest van St.-Omaars. Waarschijnlijker is [het] Autingues op 2 km zuid van Ardres. Zie ook Fehta.» (45).
«Fehta, waarvan in de schenkingsakte van 722 aan Eperlecques wordt gezegd dat het een plaats was, maar in het Leven van Gregorius (door St. Ludger geschreven) wordt gezegd dat het een rivier was bij Attingahem (Autingues), kan in geen geval met Vechten of de Vechtstreek in verband worden gebracht, daar deze nog niet bestonden en meters onder water lagen.» (46).
«Felisa, waar St. Bonifatius ca. 719 enige tijd verbleef en waarvan wordt gezegd dat zij dicht bij de heidenen lag, dat onder de naam Felisu voorkomt in de lijst van 870, welke plaats ook in het Leven van St. Gregorius wordt genoemd en daar “dichter bij de heidenen” heet, is Feuchy op 5 km oost van Atrecht.» (47).
«Tekst 118
Bonifatius bij het Almere: ca. 719
De uitverkoren man Gods en martelaar Bonifatius heeft, als een arme evangelist en bijna als een kluizenaar levend, dertien jaren gewerkt aan de prediking in Fresonia (Vlaanderen); en vooral in het zuidelijk deel van het Meer Almare (Almere of Flevum) waarvan de plaatsnamen deze zijn: de eerste plaats heet Wyrda op de oever van de Renus (Schelde), waar hij zeven jaren woonde; de tweede heet Attingahem bij de rivier de Fehta, waar hij drie jaren woonde; de derde plaats heet Felisa, die dichter bij de ongelovigen en heidenen ligt, waar hij ook drie jaren bleef.
Bron: Ludger, Vita S.Gregorii, AS, aug. V, p. 254.
Nota: Wyrda is Weretha (Fréthun) bij Calais, waar Bonifatius volgens andere berichten een tijd verbleef op het familie-goed van Wirsingus, en waar ca. 742 Ludger geboren zou worden die daar omstreeks 793 zijn klooster zou stichten. De plaats is het huidige Fréthun op 4 km zuid-west van Calais. Attingahem, dat aan een rivier lag, is Assinghem op 11 km zuid-west van St.-Omaars en aan de Aa gelegen. De naam Fehta voor deze rivier zal een verschrijving zijn van Withea, die elders voorkomt: vgl o.a “Fethna” bij tekst 55, Nota al.4. Het behoeft niet eens een verschrijving te zijn, daar het in feite slechts een andere uitspraak is. Withea is een Germaanse vorm (Wit) voor de Albis (witte rivier) en duidt de Aa aan. Felisa is Feuchy op 5 km oost van Atrecht, aan de rand van Willibrords werkgebied, alwaar ook andere gegevens een grens tussen christenen en heidenen leggen: vgl. tekst 143. De drie plaatsen en de rivier, nooit in Nederland teruggevonden of aangewezen maar in de juiste streek ten zuiden van het Almere voor het grijpen liggend, sluiten uit dat Bonifatius’ arbeidsveld in Nederland gelegen zou hebben. Ik weet niet hoe men het noemen moet dat Blok (o.c., p. 45, 51) de mooie Romaanse en Franse naam Attingahem voor zijn woonplaats Nederhorst den Berg opeist. Dat noem ik pettologie: daar hij in heel Nederland geen plaats vond die er ook maar een beetje op lijkt, hing hij deze pet maar thuis aan de kapstok.»
 (48).

11. Velesan in 870

In de goederenlijst van het bisdom Traiectum wordt Velesan genoemd, waar twee hoeven aan St. Martinus (het bisdom) toebehoorden:

«In Uelesan II.».

Volgens Albert Delahaye gaat het hier om Vélingen of Bellozanne bij Carly, tien kilometer ten zuidoosten van Boulogne (49).


Noten

1. Zie : Historische Kring Velsen.

2. Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag / J.K. de Cock. – Arnhem : Gysbers & Van Loon, 1980. – 289 p. – p. 1.

3. Uit het verleden van Midden-Kennemerland / Mr. H.J.J. Scholtens. – Den Haag : W.P. van Stockum & Zn., 1947. – 314 p. – p. 16. Scholtens verwijst uitdrukkelijk naar de ‘emendatie’ door Wampach. Merk op hoe mr. H.J.J. Scholtens van Velisana alvast maar Velsana maakte.

4. Frieslands oudheid, t.a.p., p.  134-135.

5. Zie : Velsen.

6. Geschiedenis des Vaderlands. Eerste deel / door Willem Bilderdijk. – Amsterdam : P. Meyer Warnars., 1832. – 355 p.

7. Ons voorgeslacht in zijn dagelyksch leven geschilderd / W.J. Hofdijk. – Tweede druk, tweede deel. – Leiden : Van den Heuvell & Van Santen, 1874. – p. 48. De eerste druk verscheen 1859-1864. Voor W.J. Hofdijk, zie : DBNL

8. De tekst in de Monumenta Germaniae Historica luidt : «Aeternae vero memoriae Karolus prelibati ducis filius, maior domus, magni Karoli avus, 4. Idus Mai in urbe Treverica dedit ei sitam in Fresia in pago Kinheim [in noot : hodie Kennemerland.] super fluvium Velisana [in noot : Velzen.], ubi mare fluit in parte altera, integram villan Adrichaim nuncupatam et regalis testamenti confirmavit pagina [in noot : Charta iam depertdita videtur].» (Ex Vita Sancti Willibrordi auctore Thiofrido abbate. In : Monvmenta Germaniae Historica, Scriptorum, Tomvs XXIII / Edidit Georgivs Heinricvs Pertz. – Hannoverae : Impensis Bibliopolii Avlici Hahniani, MDCCCLXXIV. – p. 23, zie : MGH; het handschrift van deze Vita bevindt zich niet te Echternach maar te Gotha). Vergelijk : De Liber Aureus : Monumenta Germaniae Historica, Concilia, IV, Suppl. I.

9. Vergelijk : «Het tegenwoordige Adrichem, ten oosten van Beverwijk gelegen, gaat terug op een middeleeuws kasteel, dat blijkens zijn ronde vorm zeker uit de 12e eeuw stamde. Stond hier vroeger een huis op het land dat Karel Martel aan Willibrord schonk in het begin van de 8e eeuw? De naam van het naburige Hofland wijst hierop. Mogelijk duidt dan de Koningsweg nog op de Frankische koningen. Of moeten wij hier door Karel Martel geroofd goed van koning Radboud veronderstellen? De naam Adrichem slaat dan [sic !] op het gehele gebied van Beverwijk en het gedeelte van Velsen tot de kerk van dit dorp, daar hier het gebied van Adrichem begon», Historische geografie van Kennemerland, t.a.p., p. 152, met een beroep op Obreen. Zie ook : De Da Kinnem-Code.

10. Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299 : I Eind van de 7e eeuw tot 1222 / door Dr. A.C.F. Koch. – ’s-Gravenhage : Martinus Nijhoff, 1970. – p. 8.

11. Departement du Pas-de-Calais. Dictionnaire des communes [2 delen] / M. Harbaville. – [Reprint]. – Paris : Res Universis, 1992. – 386, 370, 12, 13 p. – (Oorspronkelijke uitgave 1842). – Deel 2, p. 140.

11a. Annales Laurissenses, MGH, SS, in folio, I, p. 178; niet opgenomen in het register.

12. Acta sanctorum. Novembris. Collecta digesta illustrata / a Carolo de Smedt, Francisco van Ortroy, Hippolito Delehaye, Alberto Poncelet & Paulo Peeters, societatis iesu presbyteris. – Tomos III. Quo dies quintus, sextus, septimus et octavus continentur. – Bruxellis : Apud Socios Bollandianos, 1910. – 999 p. – [Approbatio ordinarri, Imprimatur. Mechliniae, 9 novembris 1910, D.I. Card. Mercier, Arch. Mechlin]. – p. 460. In de Historische geografie van Kennemerland, t.a.p., p. 135 en 153, wordt van ‘Velisena’ zonder meer het Wijkermeer gemaakt. Vergelijk : «AUCHY-AU-BOIS
Alciacum in nemore. Charles-le Chauve fit don en 878 à l’abbaye d’Hasnon de la villâ d’Auchiaco super Vellulam [in noot : Mirœus. Opera dipl.] (La Laquette). Il est à rémarquer qu’Auchy est situé à une lieue de cette rivière, ce qui prouve combien les désignations données par les anciens diplômes sont inexactes. Cette donation fut confirmée par une ordonnance du roi Henri I.er du 5 août 1058.» (Département du Pas-de-Calais, deel I, t.a.p., p. 375).

13. Geschichte der Grundherrschaft Echternach im Frühmittelalter. Untersuchungen über die Person des Gründers, über die Kloster- und Wirtschaftsgeschichte auf Grund des liber aureus Epternacensis (698-1222) / von Dr. Camillus Wampach, Geistlicher der Diözese Luxemburg. – I 1. Textband, mit 3 Karten und 7 Kunsttafeln. – Luxemburg : Druck und Verlag der Luxemburger Kunstdrückerei A.G., vorm. Dr. M. Huss, 1929; en : Geschichte der Grundherrschaft Echternach im Frühmittelalter. Untersuchungen über die Person des Gründers, über die Kloster- und Wirtschaftsgeschichte auf Grund des liber aureus Epternacensis (698-1222) / von Dr. Camillus Wampach, Geistlicher der Diözese Luxemburg. – I 2. Quellenband, mit 6 Kunsttafeln. – Luxemburg : Druck und Verlag der Luxemburger Kunstdrückerei A.G., vorm. Dr. M. Huss, 1930. Hier wordt alleen de Quellenband aangehaald. Vergelijk : De ware kijk op..., deel II, p. 395. Merk op dat Wampach onmiddellijk zijn determinatie van de plaatsen geeft en pas daarna de oorspronkelijke vorm in plaats van andersom, een methode die ook is toegepast in het Oorkondenboek van Holland en Zeeland.

14. Geschichte der Grundherrschaft Echternach im Frühmittelalter. I.2 Quellenband, t.a.p., p. 101.

15. Geschichte der Grundherrschaft Echternach im Frühmittelalter. I.1. Textband, t.a.p., p. 227-228.

16. Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299 : I Eind van de 7e eeuw tot 1222 / door Dr. A.C.F. Koch. – ’s-Gravenhage : Martinus Nijhoff, 1970. – p. 6-9.

17. Vertaling ontleend aan : Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 61. De schrijvers leiden de tekst in met : «Niet veel later deed Karel Martel wederom een schenking in het gebied van Velsen, en wel aan Willibrord. Van deze schenking is een omschrijving bewaard gebleven in een tekst die weliswaar van veel later datum is, maar die zijn bewoordingen lijkt te ontlenen aan een ouder document. Het betreft een passage [in noot : OHZ I, nr. 4] in de Vita sancti Willibrordi van de hand van Thiofried, abt van Echternach van 1083 tot 1110.»

18. De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 154 en 157. Feuchy wordt al in 420 als Felice vermeld wanneer het voetvolk levert in Gallia en in 680 wordt het Filcianum genoemd De plaatsnaam wordt afgeleid uit de mansnaam Felsius; Feuchy heeft St. Vaast als kerkpatroon. Nog een andere kandidaat is Félizoy, dat in de achttiende eeuw vermeld werd als Félizon, een gehucht in de gemeenste Bellegarde-et-Pousieu, zie : Dictionnaire topographique du Département de l’Isère comprenant les noms de lieu anciens et modernes / rédigé d’après les Manuscrits d’Emmanuel Pilot de Thorey. – Grenoble : Imprimerie Jeanne d’Arc, 1921. – 375 P. – p. 149. In de gemeente Bellegarde-et-Pousieu bij Lyon vinden we ook het gehucht Le Ganavats, in de negentiende eeuw Les Canavats genaamd.

19. Vraagstukken in de historische geografie van Nederland / Albert Delahaye. – Zundert : Fa. W. Vorsselmans, 1965. – 580 p. – p. 532-535.

20. Holle boomstammen / Albert Delahaye. – Tournehem, Zundert : 1980, 475 p. – p. 280.

21. De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 244.

22. De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 244.

23. De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 245.

24. De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 250.

25. De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 259, kennelijk doelend op Gonnehem, bij Hinges en Oblinghem gelegen.

26. De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 414.

27. Holle boomstammen, t.a.p., p. 393.

28. De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 435.

29. De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 456; H = kop van Noord-Holland is een vergissing en moet zijn F = Friesland.

30. De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 40-41.

31. De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 394-395.

32. De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 395.

33. De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 413.

34. De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 441-442.

35. De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 464.

36. De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 476-477.

37. Ontspoorde historie, t.a.p., p. 164-165.

38. Ontspoorde historie, t.a.p., p. 187-188.

39. De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 433, kennelijk doelend op Gonnehem, bij Hinges en Oblinghem gelegen.

40. Vergelijk : «Gosnehem. Sur la Clarence. Du celtique gueun, marais. Cette étymologie est pleinement justifiée par la situation marécageuse du lieu. Ce village relevait du sire de Béthune en 1099.» (Département du Pas-de-Calais, deel 1, t.a.p., p. 364). En : «Hinges, nom formé de la désinence flamande ing, signifiant habitation. Ce village, domaine des comtes de Lens dès le XIIe siècle, releva ensuite du roi à cause du château de Lens. Il avait titre de baronie, dont le dernier titulaire fur M. Dupire, membre des Etats d’Artois. Le hameau d’HINGETTE était une mouvance de cette seigneurie.» (Département du Pas-de-Calais, deel 1, t.a.p., p. 294).

41. Vertaling ontleend aan : Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, t.a.p., p. 63. In deze vertaling zijn, zoals het hoort, de oorspronkelijke namen blijven staan, alleen Epternaco werd twee keer met ‘Echternach’ vertaald, wat hier ongedaan is gemaakt. De schrijvers merken op : «Over deze tekst is veel te zeggen. In de eerste plaats is duidelijk dat het om een document gaat dat enkele eeuwen ná de tijd van Karel Martel en Willibrord werd opgesteld. Door Koch en anderen werd er al op gewezen dat de vervalser door de mand valt met zijn verwijzingen naar Willibrord als heilige, welk betiteling Willibrords tijdgenoten zeker nog niet bezigden. Verdacht is ook dat plaats noch datum van uitvaardiging van de oorkonde worden genoemd. Daaraan kan nog worden toegevoegd, dat de dreigende formule van de laatste alinea wel zeer veel overeenkomst toont met de formulering in een oorkonde die in 1156 in Echternach werd opgesteld.» (Ibidem, t.a.p., p. 63). Heel juist, maar waar zijn de conclusies ? Bij “het bos” wordt aangetekend : «Dit slaat misschien op het latere bos Schoonhove in Velserbroek dat op 30 mei 1253 door Hugo van Naaldwijk aan Willem uten Hage werd verkocht (OHZ II, nr. 974).» (Ibidem, noot 16). Voorwaar, alweer een sprong van eeuwen !

42. Kaart uit : Urkunden- und Quellenbuch zur Geschichte der altluxemburgischen Territorien bis zur burgundischen Zeit / von Cam. Wampach. – Band I (bis zum friedensvertrag von Dinant 1199) mit 3 Karten und 4 Kunsttafeln. – Luxemburg : Druck und Verlag der St. Paulus-Druckerei, 1935.

43. De Franken in Nederland, t.a.p., p. 51.

44. Liudgeri Vita Gregorii Abbatis Traiectensis / Ed. O. Holder-Egger. – in : Monvmenta Germaniae Historica inde ab anno Christi qvingentesimo vsque ad annvm millesimvm et qvingentesimvm / Edidit Societas Aperiendis Fontibvs Rerum Germanicarvm Medii Aevi. Scriptorum. Tomi XV. Pars I – Hannoverae : Impensis Bibliopolii Hahniani, 1887. – 574 p. – p. 67.

45. De ware kijk op..., deel 2, t.a.p., p. 487-490. Vergelijk ook : «Attinghen», f[erme]. et fief, c[ommu]ne de Tardinghen. – Attinghem, 1259 (mém[oires]. Soc[iété]. académ[ie]., t[ome]. XV, p. 14). – Atinghem, 1480 (terr[ier]. d’Andres, f[oli]° 30 r[ect]°). – Athinguehem, 1487 (abb[aye]. de Saint-Wulmer). – Attinghen, 1506 (terr[ier]. de Saint-Wulmer, p. 125). Fief tenu de la seigneurie de Bazinghen.» (Dictionnaire topographique de Département de Pas-de-Calais, t.a.p., p. 18).

46. De ware kijk op..., deel 2, t.a.p., p. 495.

47. De ware kijk op..., deel 2, t.a.p., p. 495. Er is nog een andere kandidaat : Fléchin, gemeente Faucquemberge; Felcianus, 994; Felzi, 1096; Felchin, 1152; Flechin, 1168; Felcin, 1187; Flécin, 1299; Fléchy, 1318; Fleschin, 1545; Fléchain, 1559; «Fléchin, en 1789, dépendait, partie du bailliage d’Aire, partie de celui de Saint-Omer. Son église paroissiale, d’abord diocèse de Thérouanne, doyenné de Fauquembergues, puis de Boulogne, doyenné de Bomy, était consacrée à saint Martin et avait Cuhem pour secours; l’évêque de Boulogne conférait la cure.» (Département du Pas-de-Calais, t.a.p., p. 151).

48. Ontspoorde historie, t.a.p., p. 165.

49. Zie : De goederenlijst van 870; het namenbestand.



Met een bijdrage van Herman Meirhaeghe te Gent.


Start : 22 november 2003 | Laatst bijgewerkt : 3 februari 2008