VorigeDe vroege middeleeuwenVolgende

Mr. S. Muller Fz. over het Cartularium van Radboud

Inhoud van deze pagina

  1. Inleiding
  2. De samenhang van de handschriften
  3. Inleiding, door Mr. S. Muller Fz.
    Noten

1. Inleiding

Hieronder volgt het begin van de studie uit 1892 van Mr. S. Muller Fz. (1); het deel dat handelt over het Egmondse Cartularium van Radboud, en de twee afschriften van het Cartularium in het Utrechtse Liber Donationum. In deze tekst, zoals zo vaak elders, dient ‘Utrecht’ te worden gelezen als Traiectum, want het gaat meest van tijd juist níet over Utrecht.

Wat dat aangaat, maakt ook deze tekst duidelijk dat het de historici vooral te doen was om het namenbestand : zo meldt Samuel Muller ons (zie : noot a4) dat hij dat, in tegenstelling tot de rest, “zelfs tweemaal” ‘gecollationeerd’ had, dat wil zeggen vergeleken met de oorspronkelijke tekst. Maar voor het overige weet hij over de namen merkwaardig weinig mede te delen. Hij schrijft zelfs, bijna als verontschuldiging :

«Het is lang niet overal mogelijk, uit de vaak bedorvene plaatsnamen de localiteit te herkennen, door den schrijver bedoeld; ja niet altijd gelukt het ons, met zekerheid vast te stellen, in welke streek hij zich bevindt.»

Omdat hij zo weinig namen weet te plaatsen neemt hij aan dat de namen ‘bedorven’ zijn. Het komt niet bij hem op ze juist heel ‘onbedorven’ zijn maar in een andere omgeving moeten worden gezocht. En hij voegt daaraan toe, voor het weinige dat hij wél denkt te weten :

« Deze hoeven en kerken zijn gelegen (ik loop de namen vluchtig door) te Duurstede, Doorn, Houten, Bunnik; Maarsen, Woerden, Alfen, Leiden, Voorschoten, Maasland, Oegstgeest, Poelgeest, Haarlem, Velsen, Texel, Huisduinen, Schoorl enz., eene orde, waarop bij de gebrekkige geographische kennis dier dagen weinig aan te merken valt.»

Van de 181 namen weet hij er hier – zij het niet meer dan ‘vluchtig’ – zegge en schrijven zeventien te plaatsen, en hij rubiceert de overige 164 in de categorie ‘enzovoort’ (hij vergat hier overigens Hrothaluashem-Rijnsburg afzonderlijk te vermelden, en dat Traiectum volgens hem Utrecht was blijkt ook afdoende, en Loccha was de Lek, zodat we op twintig komen).

De schuld voor dat falen van de historische geografie legt hij niet bij het onvermogen van de exegeten van de tekst, maar “bij de gebrekkige geografische kennis dier dagen”, dat wel zeggen de middeleeuwen, waarop hij voor de rest natuurlijk niets wenst “aan te merken”; voor het overige wijt hij het vooral aan de door de kopiïsten “bedorvene plaatsnamen”. Dat is de taal van een jurist, voor wie het altijd aan een ander ligt, vooral wanneer die ander dood en begraven is.

Wat betreft het eerste : het onderzoek sindsdien heeft niet in het minst aangetoond dat er iets mis was met de geografische kennis van de vroeg-middeleeuwse kopiïsten van de tekst want verdere uitleg – ondanks veel geraad en gegis naar de juiste plaatsing van de namen – is verder achterwege gebleven; en in plaats van ‘bedorven’ te zijn blijken de plaatsnamen volgens taal-deskundigen – voor vroeg-middeleeuwse teksten – juist bovengemiddeld goed te zijn overgeleverd.

De teksten over het goederenregister doorlezend is het toch wel erg treffend dat het debat rond het goederenregister zo weinig gaat over dit namenbestand waarin iedereen het meest geïnteresseerd was. Het gaat vooral over de punten en komma’s en over de precieze ouderdom van de verschillende tekstonderdelen en over de vraag in welke volgorde latere invoegingen tot stand zijn gekomen.

Toch zou het namenbestand de eerste zorg moeten zijn om de juiste streek vast te stellen vooraleer er verdere conclusies getrokken kunnen worden. De vraag moet herhaaldelijk zijn opgekomen, maar hij werd telkens weggeredeneerd vanwege de gevolgen voor het geheel van de regionale en nationale geschiedenis.

2. De samenhang van de handschriften

De samenhang van de verschillende handschriften is door Mr. S. Muller Fz. als volgt grafisch weergegeven (2) :

Blok-Formule

(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

3. Inleiding, door Mr. S. Muller Fz.

«Eén cartularium kondigt de titel aan : drie cartulariums worden in de inhoudsopgave vermeld ! Inderdaad, dit schijnt met elkander te strijden; doch in werkelijkheid bestaat die strijd niet. Het oudste cartularium, dat de titel bedoelt, is het bekende Liber donationum van den Dom; de drie cartularia van den inhoud zijn de drie registers, die in dezen codex zijn afgeschreven. Ik zal u aanstonds in de gelegenheid stellen, daarmede nader kennis te maken; vooraf een enkel woord over de uitgave in haar geheel.
Zij brengt aan het geleerde publiek niets nieuws (a1) : op enkele min belangrijke stukken na zijn alle hier uitgegevene oorkonden reeds door vroegere drukken bekend. Toch meen ik aan de Nederlandsche historiographie door deze publicatie een dienst te bewijzen en tevens mede te werken tot eene eereherstelling. Dit deeltje bevat niet alleen de oudste documenten onzer geschiedenis, maar bovendien nagenoeg de eenige keizeroorkonden, die ons vaderland bezit. Het scheen mij wenschelijk, dat eene zoo belangrijke verzameling toegangelijk werd gemaakt op eene daarvoor passende wijze : in eene nauwkeurige uitgave der beste handschriften, voorzien met alle varianten, die andere belangrijke teksten leverden, en voorafgegaan van eene beschrijving en kritische bespreking der codices, die deze bevatten. Tot nog toe moest men zich in hoofdzaak tevreden stellen met de geheel verouderde uitgave der meeste oorkonden in Heda’s geschiedwerk. Wel waren de op Holland betrekking hebbende oorkonden door Van den Bergh op nieuw gedrukt volgens den jongen en afgeleiden tekst van het Liber catenatus; wel nam Sloet de Geldersche over in niet altijd nauwkeurige afdrukken naar het beste handschrift; wel vindt men de enkele stukken, die goederen buitenslands vermelden, in verschillende verzamelingen verspreid. Maar van de zuiver Utrechtsche stukken, die toch de kern der verzameling uitmaken, zagen alleen de oudste opnieuw het licht in de pijnlijk getrouwe maar onoordeelkundige uitgave van Van Asch van Wijck; juist het hoofdbestanddeel bleef dus moeielijk toegankelijk en werd onvoldoende gekend. Terwijl de Hollandsche en Geldersche oorkondenboeken ons cartularium ijverig plunderden, leed de geschiedenis van Utrecht, waarvoor het in de eerste plaats belang heeft, door het versnipperen van zijnen inhoud over tal van boekdeelen; het was onmogelijk, daarvan een overzicht te verkrijgen. Eerst thans, nu de geheele rijkdom van den codex aan het licht gebracht wordt, is het mogelijk eenen indruk te krijgen van de uitgebreidheid der macht van het Sticht en zich eene voorstelling te vormen van de indrukwekkende positie, die het van de 10e tot de 12e eeuw innam, Zoo moet ook deze uitgave van zijn oudste cartularium medewerken tot het opwekken der belangstelling in de te veel verwaarloosde geschiedenis van het sticht Utrecht.
Ik ga thans dadelijk over tot de bespreking van de drie cartularia en van de verschillende handschriften, waarin zij geheel of gedeeltelijk opgenomen en overgenomen zijn.

I. DE CODEX VAN HET BRITISH MUSEUM.

In het jaar 1846, toen het Liber donationum, als zoovele andere codices, die de 18e eeuw gekend en gebruikt had, tijdelijk geheel vergeten in zijne onbekende bewaarplaats rustte, verrastte de Utrechtsche burgemeester Van Asch van Wijck, weinig vermoedende, welk een schat in zijne onmiddellijke nabijheid verscholen lag, den kring van Utrechtsche geschiedkundigen, aan wier hoofd hij stond, door het afdrukken in het 4e deel (p. 181 vlg.) zijner Geschiedkundige beschouwing van het oude handelsverkeer der stad Utrecht van een overouden codex, dien Pertz in 1827 in het British Museum ontdekt had en die de alleroudste oorkonden van de Utrechtsche geschiedenis, sedert Heda’s uitgave slechts in onnauwkeurige teksten bekend, bevatte. Al mogen wij, sinds wij in het teruggevonden Liber donationum een anderen even volledigen en niet slechteren tekst dezer oorkonden bezitten, de verrukking van den ontdekker over zijne vondst (a2) niet meer deelen, toch blijft zij voor ons van belang als de oudste tekst van de eenige oorkonden, die ons land uit deze vroegste eeuwen bezit. Aan eene nieuwe uitgave, die na de door Van Asch van Wijck bezorgde niet onnoodig mag heeten (a3), moet daarom nog altijd deze tekst, hoe onzuiver ook, ten grondslag gelegd worden, en ik heb mij dan ook beijverd persoonlijk met het eerbiedwaardig gedenkstuk kennis te maken (a4).
De codex, deel uitmakende van de verzameling handschriften van Cotton en genommerd Tiberius C. XI, is geheel op perkament geschreven en bevat (behalve eenige kleinere stukken) Einhards leven van Karel den Groote, – onzen oorkondenbundel, – de kronijk van Regino van Prüm, – de zoogenaamde Annales Xantenses – en eindelijk de bekende Annales Egmundani, het oudste document der Hollandsche geschiedenis (a5). Onze oorkonden, geschreven met eene hand van het laatst der 11e eeuw (a6), die overigens in den codex niet voorkomt, beslaan de folios 28-45 vs.
Het handschrift, dat bij den brand van Cottons bibliotheek in 1731 beschadigd werd, is voor eenige jaren opnieuw gebonden, doch in dezelfde volgorde als vroeger : het vormde dus vóór het binden, en, zoo ver wij kunnen nagaan, ook oorspronkelijk, een geheel. Voor de geschiedenis van den codex is dit feit van groot gewicht. Reeds de opmerking, dat de Egmondsche annalen zich in den band bevinden, doet ons vermoeden, dat deze abdij, de bakermat van Hollands geschiedenis, ons ook deze oudste bron van Utrechts geschiedenis heeft bewaard. Inderdaad is dit het geval : op het laatste blad van het gedeelte, dat onze oorkonden bevat, vinden wij ook eene blijkbaar gelijktijdige aanteekening over het bezoek, door Theoderik, bisschop van Verona en procurator van de Utrechtsche kerk, in 1250 gebracht aan de abdij van Egmond (a7), die daarin “monasterium nostrum” genoemd wordt, terwijl St. Adelbert “patronus noster” heet (a8). Gaan wij nu den bekenden catalogus der Egmondsche bibliotheek (a9) na, dan vinden wij ons handschrift daar ook inderdaad terug : immers de lijst vermeldt, dat abt Stephanus (1057-1105) voor de abdij verkreeg “Gesta Francorum, id est Cronica, cum vita Karoli” (a10).
De abdij stelde zich met de kennis, die de bundel oorkonden over de oudste Utrechtsche geschiedenis verschaffen kon, niet tevreden : blijkens eene aanteekening van het begin der 16e eeuw, die onder de laatste oorkonde geschreven werd (a11), vond men achter in het eerste deel van het handschrift der Moralia beati Gregorii super Job de “relique donationes ecclesie Trajectensis” (a12) en wel met “quedam antiqua cronica ejusdem dyocesis sive episcopatus” (a13). De “sex volumina librorum Moralium beati Gregorii pape”, waarin reeds Kleyn de Magna moralia in Jobum herkende (a14), werden te Egmond geschreven onder abt Ascelinus (1124-1129); naar het schijnt is dus de kopie der oorkonden van het sticht te Egmond reeds spoedig aangevuld (a15). Het handschrift der Moralia is tot groote schade der geschiedenis verloren. Den ouderen codex, die nog in het begin der 16e eeuw te Egmond was, blijkens de toen achteraangevoegde verwijzing naar de Moralia Gregorii, ontmoeten wij daar het laatst in 1548, toen de Haagsche advocaat Cornelis Van Muyden er een afschrift van maakte, dat door Bockenberg gebruikt werd (a16). Hoe het handschrift na de verwoesting der abdij Egmond naar Engeland kwam en in Cottons bezit geraakte, is onbekend. Reeds in den catalogus dezer bibliotheek van 1696 wordt het vermeld (a17); met de geheele boekerij is het later aan het British Museum overgegaan.
Dat de Egmondsche monniken de verzameling Utrechtsche oorkonden, die voor hen geenerlei praktisch belang had, alleen om de daarin vervatte historische berichten hebben doen afschrijven, blijkt reeds uit het feit, dat zij haar eene plaats gaven in den band, die hunne oude vaderlandsche kronieken en annalen bevatte. Dergelijke overwegingen kunnen echter de Utrechtsche geestelijkheid niet bewogen hebben, om de verzameling bijeen te brengen. Voor hen vertegenwoordigde zij gansch andere belangen : zij gold hun als rechtstitel hunner privilegiën en bezittingen. Laat ons zien, of wij niet kunnen nasporen, hoe, waartoe en in welken tijd de kleine bundel is bijeengebracht. Vooraf ga de opmerking, dat de opneming van een afschrift van geheel dezelfde collectie in het Liber donationum van den Dom de gedachte uitsluit, dat de Egmonders zelven de verzameling hebben bijeengebracht of naar de te Utrecht aanwezige origineelen hebben doen afschrijven : aan de Egmondsche kopie heeft zonder eenigen twijfel ten grondslag gelegen eene verzameling, die reeds te Utrecht voor 1100 was aangelegd.
Hoe, waartoe en wanneer is dit geschied ? Laat ons eerst den inhoud der verzameling overzien. Wij vinden daarin : 1°. 11 charters van Karolingische vorsten over 722-914 in chronologische volgorde (a18). 2°. 2 charters van Lotharius II en Lotharius I dd. 858 en 846. 3°. 5 charters van Hendrik I en Otto I dd. 919-953, niet chronologisch gerangschikt. 4°. 4 private charters dd. 828-850, zonder orde. 5°. de ongedateerde goederenlijst van het sticht. 6°. eene oorkonde van bisschop Baldric dd. 943, die in het Liber donationum geheel achter in den bundel staat (a19). 7°. eenige aanteekeningen van zekeren Radbod over gebeurtenissen van het jaar 900, met twee geschriften, die hij voor zich zelven heeft opgesteld, en een gebed tot St. Maarten in versmaat.
Laat ons met het laatste nommer, dat ons alleen een bepaalden persoon aanwijst, aanvangen (a20). De “peccator Radbodus”, die vermeldt, hoe hij in het jaar 900, kort voor den dood van koning Zwentibold, “inter famulos sancte Trajectensis ecclesie conscribi meruit”, is steeds (en naar het mij voorkomt terecht (a21)) gehouden voor denzelfden persoon als de Radbod, die in datzelfde jaar 900 als Utrechtsche bisschop optrad (a22). Deze omstandigheid is voor ons, waar wij den oorsprong van het cartularium bepalen willen, van groote waarde. Het is toch geheel onaannemelijk, dat men aan deze historische aanteekening en aan deze gedichten later eene plaats zal hebben aangewezen tusschen de rechtstitels van het sticht, waarbij zij geheel niet behooren. Daarentegen is het volstrekt niet vreemd, dat de bisschop zelf, die het cartularium onder zich had, op het schutblad (a23) eenige biographische aanteekeningen en vrome overpeinzingen neerschreef : het schutblad was volgens de gewoonte dier dagen voor zulke aanteekeningen de aangewezene plaats. Wij moeten dus aannemen, dat bisschop Radbod de aanteekening geschreven heeft achter in het reeds aangelegde cartularium. Dit cartularium zelf kan dus niet jonger zijn dan 917, toen bisschop Radbod stierf.
Indien wij met deze wetenschap het cartularium doorloopen, treft ons het feit, dat juist de oorkonden, die eindigen met het jaar 914, chronologisch gerangschikt zijn, terwijl al de rest eene verwarde massa schijnt. De conclusie is dus wel niet gewaagd, dat wij in de oorkonden N°. 1-11 de oude kern van het cartularium bezitten, – eene conclusie, overeenkomende met den titel van het stuk, die in het oorspronkelijke stuk zal geluid hebben : “Commemoratio de rebus sancte Trajectensis ecclesie, que olim a regibus, Domini nostri J. C. fidelibus, eidem ecclesie tradite sunt” (a24). Oorkonden van koningen, geene private charters (zooals N°. 19-22) en goederenlijsten (zooals N°. 23) bevatte dus het cartularium oorspronkelijk. Dit is zoo waar, dat de goederenlijst, toen zij ingeschreven werd, van een met den hoofdtitel correspondeerend opschrift voorzien werd, dat echter ook op N°. 19-22 slaat en dus thans in de verzameling misplaatst is, terwijl het bovendien geen zin heeft, nu de hoofdtitel van het geheele stuk gewijzigd is.
Wat heeft bisschop Radbod bedoeld met het bijeenbrengen dezer elf Karolingische charters? De hoogleeraar De Geer van Jutfaas, die aan het cartularium eene afzonderlijke studie gewijd heeft (a25), meent, dat de bisschop de onder zijn bereik zijnde vorstelijke giftbrieven liet afschrijven met het doel, om daarvan de bevestiging door koning Conrad I te verkrijgen, en dat dus de verzameling eigenaardig afgesloten wordt met dien giftbrief zelven (dd. 9 Juli 914), dien de bisschop, hetzij als concept met de andere stukken heeft overgezonden, hetzij als hunne bevestiging later daarachter heeft doen schrijven. Eene conjectuur, niet onaannemelijk, maar geheel onbewezen ! Inderdaad, maar de hoogleeraar maakt bij de verdere bespreking van het cartularium eene zeer scherpzinnige opmerking, die aan zijne gissing toch eene hooge mate van waarschijnlijkheid bijzet. Op de confirmatie van koning Conrad volgen de twee charters van Lotharius II en I dd. 858 en 846, die in het eigenlijke cartularium overgeslagen waren. Daarna vinden wij de confirmatie der koninklijke giftbrieven door Hendrik I. Deze vorst somt (in tegenstelling met zijnen voorganger) de door hem geconfirmeerde giften op : hij vermeldt, als aan hem door bisschop Balderik voorgelegd, giftbrieven van koning Pippijn, Karel den Groote, Lodewijk den Vrome, een tweeden Lodewijk (den Duitscher), Zwentibold en Conrad. Derhalve juist de giftbrieven, die de door ons aangeduide kern van het cartularium bevatte, niet de beide daarin overgeslagene charters der beide Lothariussen, waarvan althans het tweede in de rij bepaald behoorde. – De opmerking komt mij voor wel niet het voldingende bewijs te leveren, dat ons cartularium aan koning Hendrik I is voorgelegd, maar ons toch recht te geven, om tot nader bewijs aan te nemen, dat aldus geschied zal zijn. En dan is er geen reden om te betwijfelen, dat ook bij ’s konings voorganger aldus gehandeld zal zijn. De algemeene bewoordingen, waarin koning Conrad (in afwijking van zijne voorgangers) spreekt, zouden dan te verklaren zijn uit de wetenschap, dat bisschop Radbod, die te Deventer resideerde, terwijl zijne diocese grootendeels in de macht der Noormannen was, niet in staat was al zijne giftbrieven over te leggen, – eene wetenschap, die later, bij het leven van zijnen opvolger, in vergetelheid kan zijn geraakt.
Uit het bovenstaande volgt derhalve met groote waarschijnlijkheid, dat ons cartularium in het jaar 914 door bisschop Radbod aangelegd (a26) en aan Udo en graaf Waldger medegegeven is, toen zij aan koning Conrad I ’s bisschops verzoek om bevestiging der oude koninklijke giften overbrachten. De bisschop zelf voegde daaraan later op het achterste schutblad eenige historische aanteekeningen en vrome rijmen toe. – Laat ons thans zien, wat wij over de verdere lotgevallen van het stuk kunnen te weten komen. Radbods opvolger Balderik bracht zijnen zetel weder naar Utrecht over; de verstrooide kanunniken stroomden naar de herstelde kerken en brachten gewis uit de verbanning menigen schat mede, dien zij bij hunne vlucht voor de Noormannen gered of later gedurende hunne ballingschap verkregen hadden. Tot de laatste behoorde zonder twijfel de giftbrief van het klooster St. Odilienberg, dat Lotharius II in 858 aan den uit zijne hoofdstad verdreven bisschop Hunger als zetel had aangewezen; de giftbrief werd natuurlijk in het klooster bewaard, totdat hij in veiliger tijden naar Utrecht kon gebracht worden. Eerst toen was er gelegenheid, om hem in het cartularium bij te schrijven, en de omstandigheid, dat eerst daarna de oudere giftbrief van Lotharius I, die naar wij zagen door koning Hendrik I niet vermeld wordt, is ingeschreven, doet ons vermoeden, dat deze om onbekende redenen door een der vluchtende geestelijken medegenomen en eerst ten tijde van dezen vorst teruggekeerd is. Naarmate koning Otto I het sticht met voorrechten begiftigde, lag het voor de hand deze aan het cartularium toe te voegen, en te gelijk zal ook de giftbrief van zijnen vader Hendrik I daarin opgenomen zijn. Later kwam men op de gedachte, aan het stuk zekere afronding te geven, door daarin ook op te nemen de lijst van de bezittingen der kerk, die zij niet aan vorsten, maar aan private personen dankte : door de opneming der “commemoratio de rebus S. Martini, olim a fidelibus tradite,” waren alle rechten van het sticht behoorlijk in den bundel vertegenwoordigd. Nog later (a27) schijnt men weder een stap verder gegaan te zijn door het kopiëeren in extenso op een paar opene bladen van vier private giftbrieven der 9e eeuw (a28). Eerst na langen tijd kwamen de twee laatste stukken bij de verzameling. Het charter van bisschop Balderik dd. 943 werd eerst opgenomen, toen het reeds op verscheidene plaatsen verteerd en onleesbaar geworden was, dus zeker niet voor de 11e eeuw, en de oude oorkonde van Zwentibold (niet zeer belangrijk en zeker eerst veel later te Elst ontdekt en als historische curiositeit afgeschreven) kan niet voor het einde dezer eeuw bijgevoegd zijn, daar de Egmondsche afschrijver haar nog niet in het cartularium aantrof (a29).
Nog éene zaak vereischt thans gezette bespreking. Van den Bergh (a30) bepaalde de dagteekening der ongedateerde goederenlijst op 960 (a31) : het schijnt niet zeer aannemelijk, dat de Utrechtsche geestelijkheid tusschen de koninklijke giftbrieven en de gedenkstukken der oudheid een stuk zal opgenomen hebben, dat kersversch uit hare handen kwam. Immers daar het jongste stuk in den bundel van 953 is, zou de lijst onmiddellijk na hare vervaardiging moeten opgenomen zijn (a32). – Ik beaam deze opmerking, doch ik acht ze niet gevestigd op een stevigen grondslag. Alle hulde brengende aan de scherpzinnigheid van Van den Bergh, die uit de vermelding van verschillende goederen en rechten in verband met de koninklijke giftbrieven heeft aangetoond, dat de lijst niet ouder dan 953 kon zijn, moet ik toch mijne verwondering betuigen, dat de geleerde onderzoeker niet heeft ingezien, dat deze tijdsbepaling, onwederlegbaar voor de lijst in haren tegenwoordigen toestand, zonder twijfel onjuist is voor het oorspronkelijke stuk. Immers het springt in het oog, dat dit geïnterpoleerd is en wel op zeer vele plaatsen. Met het bewijs daarvan kan ik deze afdeeling besluiten.
Dat er interpolaties in de lijst voorkomen, behoeft geen uitvoerig betoog : ik kan volstaan met op twee plaatsen te wijzen, beide op p. 43 mijner uitgave voorkomende. De eene is die, waar de schrijver verhaalt, dat de tiend der vangst in de Almere aan St. Maarten behoort; “sed modo”, aldus vervolgt hij dan, “ille alie partes novem proprie sunt sancti Martini” (= maar thans behooren ook de overige 9/10 aan St. Maarten). Op de andere plaats worden de namen van verschillende hoorigen der kerk opgenoemd, en de schrijver vervolgt : “quidquid isti habuerunt nunc computatum est in XII mansa etc.” (= de goederen, vroeger aan dezen behoorende, zijn thans berekend onder de 12 hoeven enz.) Ik behoef hier niets aan toe te voegen : de geciteerde woorden zijn evidente toevoegsels.
Gewapend met deze wetenschap lezen wij de goederenlijst oplettend door. En dan treft ons aanstonds het feit, dat reeds Van den Bergh’s (a33) aandacht trok, namelijk het onsystematische van de geographische volgorde der besprokene plaatsen. Het is lang niet overal mogelijk, uit de vaak bedorvene plaatsnamen de localiteit te herkennen, door den schrijver bedoeld; ja niet altijd gelukt het ons, met zekerheid vast te stellen, in welke streek hij zich bevindt. Maar het is toch duidelijk, dat hij meermalen dezelfde plaats tweemalen bespreekt, en slechts enkele malen geeft de aard van het bezit der kerk eenige aanleiding tot eene herhaalde bespreking daarvan op eene tweede plaats. Laat ons deze plaatsen even bijeenzoeken :

  • p. 39. “In Turre mansa tres.” En verderop p. 39 : “In supradicta villa Turre mansum I, quem Herlulfus dedit.”
  • p. 41. “In Suthrem IV mansa.” p. 42. “In Suhtrem II (mansa).”
  • p. 41. “In Rothulfuashem medietas tocius ville S. Martini, et insuper hereditas Aldburge, quicquid ibi habuit.” – p. 44. “In Hrothaluashem, quod modo dicitur Rinasburg (latere invoeging !), mansa XIII S. Martini, et de hereditate Radulfi et Aldburge, quos ipsi tradiderunt S. Martino etc.” (herhaling !)
  • p. 42. “In Velesan II (mansa).”   p. 45. “Preterea sunt mancipia, que jure debentur propria fore almi Martini juxta Felisun etc.”
  • p. 42. “In Tlex II mansa.” Verderop : “In Texle tertia pars S. Martini .... cum ecclesiis terre.” – p. 45. “In Tlex ecclesie omnes S. Martini et tocius terre, que ad regem pertinebat, tertia pars S. Martini, exceptis aliis terris, quas Christi fideles tradiderunt ob sui amorem.” (herhaling !)
  • p. 42. “In Uuiron due partes tocius terre S. Martini, cum ecclesiis terre.” – p. 43. “De Uuiron in Aluitlo mansum dominicatum cum terra salaricia S. Martini cum servis in eadem villa commanentibus, quorum hec sunt nomina etc.”
  • p. 44. “In Beuerhem VIIII mansa.” En verderop p. 44 : “In Beuorhem tradidit Gutha ecclesiam necdum consecratam in jus et dominium S. Martini, ea videlicet ratione etc.”
Andere plaatsen vragen onze aandacht, namelijk zulke, waar een plaatsnaam geschoven is tusschen twee vermeldingen van eenzelfde andere plaats of van twee aangrenzende plaatsen, of wel midden in een zin, die daardoor niet goed doorloopt :
  • p. 39. “Suegon similiter (sc. totum S. Martini). In Rudinhem IIII partes tocius ville. Suegsna similiter (sc. totum S. Martini).”
  • p. 43. “In Almere regalis decima census, qui vocatur cogsculd. In Nesse villa cum omni piscatione. Decima etiam (!) in Almeri de sagenis S. Martini est.”
In de eerste plaats merk ik op, dat de spelling van de namen der dubbel vermelde plaatsen meestal verschilt : Suthrem en Suhtrem, Rothulfuashem en Hrothaluashem, Velesan en Felisun, Tlex en Texle, Beuerhem en Beuorhem; terwijl de als bijvoegselen verdachte plaatsen tweemaal (p. 39 en p. 41) ingeleid worden met de woorden : “et insuper”.
Eene tweede opmerking is van meer belang. Van de dubbel vermelde plaatsen is de eene gewoonlijk vrij uitvoerig, geeft allerlei bijzonderheden over de besprokene goederen of rechten en noemt zelfs nu en dan de namen der schenkers. Over het geheel vinden wij in de lijst zulke berichten niet, en dit was ook niet te verwachten; immers zij vermeldt volgens haar opschrift giften, “que jam olim a fidelibus tradite sunt.” Het vermoeden ligt dus voor de hand, dat de plaatsen, waar namen van schenkers of andere details vermeld worden, later, bij de ontvangst der gift, in de lijst zijn bijgevoegd. Zulke plaatsen nu zijn er vele in de lijst. Als schenkers treden op : Hagabard (p. 39), Herlulf (p. 39 tweemaal), Thiatlind de dochter van Aldbert met haren zoon Reginbert (p. 40), Elegsuind (p. 41), Erulf en Radulf (p. 41 en 44), Aldburg (p. 41 en 44), Gerulf (p. 41), Gutha (p. 44); het herhaaldelijk voorkomen van juist dezelfde namen bevestigt het vermoeden, dat wij hier met latere bijvoegingen te doen hebben – Als plaatsen, die wegens hare uitvoerigheid verdacht zijn en die vooral op het einde voorkomen, noem ik :

  • p. 39. de vermelding van de 2/10 in Germepi en Isla.
  • p. 42. de vermelding van den tiend der zeevonden, tollen en huslotho.
  • p. 43. de vermelding van de visscherij in de Vecht en de wateren in Niftarlaca.
  • p. 43. de beschrijving van de hoeve op Wiron en hare hoorigen.
  • p. 44. de opsomming der hoorigen.
  • p. 44. de beschrijving der erfenis van Radulf en Aldburg.
  • p. 44. de opgave van de voorwaarden bij de gift der kerk te Beverhem.
  • p. 45. de lijst der hoorigen in Felisun.
  • p. 45. de mededeelingen over de goederen op Tlex.
Doorloopen wij thans nog eenmaal onze lijst en gaan wij na, wat alzoo daaruit schijnt verwijderd te moeten worden, ten einde bij benadering het stuk in zijn oorspronkelijken toestand te herstellen.
  • p. 39. de hoeve, geschonken door Hagabard.
  • p. 39. de erfenis van Herlulf te Haltna.
  • p. 39. de hoeve van Herlulf te Turre.
  • p. 39. de 4/5 deelen van Rudinhem.
  • p. 39. de 2/10 in Germepi en Isla.
  • p. 40. de gift van Thiatlind.
  • p. 40. wellicht ook : de kerk van Holtsele, de tiend van Masaland, de kerk van Valcanaburg.
  • p. 41. de gift van Elegsuind.
  • p. 41. de gift van Erulf en Radulf.
  • p. 41. de gift van Aldburg.
  • p. 41. 1/6 van de visscherij van Gerulf.
  • p. 42. de bezittingen op Texle, Wiron en Varoht.
  • p. 42. de tienden van zeevonden, tollen en huslotho.
  • p. 43. eenige, wellicht alle visscherijen.
  • p. 43. de hoeve op Wiron met hare hoorigen.
  • p. 44. de 12 mansa in Bante.
  • p. 45. de lijst der hoorigen.
  • p. 45. de goederen te Hrothaluashem of Rijnsburg.
  • p. 45. de gift van Gutha.
  • p. 45. de hoorigen te Felisun.
  • de kerken op Tlex.
  • wellicht : de tienden aan het slot.
Bijzonder ingewikkeld zijn de bladzijden 43 en 44 der lijst, die blijkbaar, nadat men aan het einde de geheele beschikbare opene ruimte had beschreven, volgekrabbeld zijn geworden met allerlei marginale noten. Deze plaatsen behoeven dus nog eene afzonderlijke bespreking. Ik zeide reeds, dat ik vermoed, dat de geheele lijst der visscherijen ingelascht is, omdat aan het einde van p. 43 de lijst der hoeven weder begint. Doch in ieder geval is in die lijst later nog weder bijgevoegd : “Decima etiam in Almeri de sagenis S. Martini est”, waarbij dan weder nog later (zooals ik reeds opmerkte) geschreven is : “sed modo ille alie partes novem proprie sunt S. Martini.” Zonder twijfel is ook de vermelding der visscherij in de Fennepa later bijgevoegd, want zij staat in het Egmondsche handschrift op eene andere plaats dan in het Liber donationum, natuurlijk omdat zij boven of naast den tekst geschreven was, zoodat de afschrijvers weifelen konden, waar ze moest ingelascht worden. Ook de volzin : “sed et alia piscatio in flumine Feht etc.” is blijkens haren aanhef een niet oorspronkelijk stuk. – De volzin over de hoeve op Wiron is onverstaanbaar geworden. Hij is geheel te beschouwen als kantteekening bij de lijst der hoeven. Ik merkte reeds op, dat de volzin “quicquid isti habuerunt nunc computatum est in XII mansa, quarum Poppo I habet,” niet anders dan eene later bijgevoegde tusschenzin zijn kan. Doch die tusschenzin schijnt onvolledig : op p. 44 stuit men achter : “In Strude LX” op het in dit verband onverstaanbare “et XII mansa, quae fuerunt Dei, S. Martini, Bonifacii, Willibrordi, Liudgeri, Landberti et domni regis in Bante”; ik vermoed, dat dit stuk behoort bij de eerste helft van den tusschenzin, die over 12 andere hoeven spreekt. De geheele ingevoegde passage over de hoeve in Wiron zou dan aldus geluid hebben : “De Wiron in Alvitlo mansum dominicatum.... cum servis.... quorum hec sunt nomina : Folkric.... Edo, Abbo.... isti sunt sancti Martini cum terra, quam habuerunt.” Waarbij als latere randglosse te voegen ware : “Quicquid isti habuerunt, nunc computatum est in XII mansa, quarum Poppo I habet, et XII mansa, quae fuerunt Dei.... in Bante.” – De oude tekst der lijst zou dan aldus moeten luiden : (p. 42) “In Beccanburen I. In Vranlo I. (p. 43) In Northanheri VI.... In Strude LX. (p. 44) In Wihtmundhem XIII mansa.... In Hlithum III mansa.” Hiermede moet de goederenlijst oorspronkelijk geëindigd zijn.
Op deze wijze gezuiverd verkrijgen wij eene lijst, die enkel dorre opsommingen van plaatsnamen volgens vaste formules bevat, als : Bunninchem totum S. Martini. In Lonaralaca due partes ville. In Turre mansa tres. In villa Riswic aecclesia cum terris ad eandem pertinentibus enz. Deze hoeven en kerken zijn gelegen (ik loop de namen vluchtig door) te Duurstede, Doorn, Houten, Bunnik; Maarsen, Woerden, Alfen, Leiden, Voorschoten, Maasland, Oegstgeest, Poelgeest, Haarlem, Velsen, Texel, Huisduinen, Schoorl enz., eene orde, waarop bij de gebrekkige geographische kennis dier dagen weinig aan te merken valt. De visscherijen vindt men allen bijeen, hetzij aan het oude slot der lijst, hetzij in eene latere bijvoeging kort voor dat slot. Over het geheel worden alleen plaatsen in de tegenwoordige provinciën Holland en Utrecht vermeld; alles, wat daarbuiten ligt, wordt verzwegen, blijkbaar met opzet, en al kunnen wij de reden daarvan niet gissen, er is dus geene aanleiding, om ons met Van den Bergh te verwonderen (l. c. p. 269), dat eene enkele plaats in Gelderland ontbreekt.
Laat ons thans trachten den ouderdom van de aldus gezuiverde goederenlijst en van de vele bijvoegingen te bepalen. Van den Bergh merkte op, dat de vermelding van de “regalis decima census, qui vocatur cogsculd” (p. 43) blijkbaar jonger is dan het charter van keizer Otto I dd. 948 Juni 30 (p. 26); niet geheel juist, want in dit charter wordt aan de kerk geschonken “omnis census, qui vulgarice cogsculd vocatur.” Juister zou daarom geweest zijn, dat de vermelding ouder was dan dit charter; het tijdsverschil is echter niet groot, want de gift van de “decimae tributi, quod cogsculd dicitur,” dagteekent van 1 April 948 (p. 28), zoodat de aanteekening in de lijst geschreven is in de weken tusschen 1 April en 30 Juni 948. – Volkomen juist is daarentegen Van den Bergh’s opmerking, dat het noemen der “piscatio in flumine Feht cum omnibus stangnis ibi adjacentibus” (p. 43) duidelijk wijst op Otto I’s oorkonde van 21 April 953 (p. 29) en dus bewijst, dat deze volzin eerst na 953 kan gesteld zijn. – Verder merkt Van den Bergh op, dat de volzin, waarbij “in Amuthon septem were ad piscandum” aan de kerk worden toegekend, ouder moet zijn dan het charter van 975 Juni 6 (p. 63), waarbij zij verkreeg “quantum villae, Amuda vocatae, prius ad prefatam non pertinebat ecclesiam”; volkomen juist, maar zij is ook ouder dan 30 Juni 948 (p. 26), toen Otto I aan de kerk schonk “totam piscationem, quam hucusque in Amuson ad nostrum regale jus habere videbamur.” Tot verdere tijdsbepaling kunnen wij er nog bijvoegen, dat de schenking van de “decima de tributo, quod huslotqo vocatur,” (p. 42) eerst plaats had op 1 April 948 (p. 28), doch dat de vermelding van de tienden der vischvangst in de Almere (p. 43) ouder moet zijn dan 30 Juni 948 (p. 26), toen de kerk “tota piscatio, quam hucusque in Almere ad nostrum regale jus habere videbamur,” van den koning verkreeg, – eene schenking, die op 21 April 953. (p. 29) door den vorst herhaald en daarna in de goederenlijst geboekt werd in de reeds besprokene aanteekening, dat thans (“modo”) ook de overige 9/10 der visscherij aan St. Maarten behoorden. Wij verkrijgen aldus geenszins de zekerheid, die Van den Bergh leidde tot de conclusie, dat de lijst van omstreeks 960 moest dagteekenen. Integendeel blijkt het, dat het geheele stuk op p. 42/43 op verschillende tijden onder de regeering van koning Otto I (omstreeks 950) is neergeschreven. Doch wat baat ons deze wetenschap, sinds wij reeds vaststelden, dat dit gedeelte eene interpolatie is ? Wij kunnen uit al het opgemerkte dus alleen leeren, dat het hoofdgedeelte onzer lijst ouder moet zijn dan dit tijdstip. Dus is zij wellicht uit den tijd van bisschop Radbod, die het cartularium deed samenstellen ? kan hij zelf de lijst hebben doen opmaken en in zijn register opnemen ? Ik geloof het niet. Van den Bergh merkte reeds op, dat twee van de namen, die in ons register genoemd worden, die van Gerulf (p. 41) en Othilbold (p. 45) ons vaste data aanwijzen; doch hij was ook hier niet bijzonder gelukkig. Gerulf, zegt hij, die eene piscatio bezat “in extrema parte Rheni fluminis”, is zonder twijfel dezelfde graaf Gerolf, die in 889 van koning Arnulf verkreeg “inter Renum et Suithardeshaghe in comitatu ipsius sylvam unam et terram arabilem unam,” en verder verschillende goederen, waaronder ook visscherijen. Reeds Kluit (a34) beweert bij de uitgave van dit charter hetzelfde, en ik wensch het geenszins te betwijfelen. Maar Van den Bergh’s conclusie is toch onjuist : hij kon niet weten, dat Van Asch van Wijck de juiste kopie van het handschrift in het British Museum verkeerd afdrukte, toen hij sprak van “piscatio, quam Gerulfus habuit”. Het origineel heeft zeer bepaald : habet, en eerst de latere afschrijver van het cartularium in het Liber donationum, terecht opmerkende, dat Gerulf reeds lang tot zijne vaderen vergaderd was, veranderde dit in : habuit. De zaak treedt dus in een ander licht : daar Gerulf nog leefde, toen deze aanteekening in de lijst werd opgenomen, kan de plaats niet veel jonger zijn dan 889, en daar wij ook deze plaats als interpolatie signaleerden, is dus de lijst zelve nog ouder.
Nog verder terug brengt ons de andere plaats, waarin bisschop Othilbold vermeld wordt (p. 45), De zaak eischt eene eenigszins uitvoerige bespreking. Van den Bergh vindt de woorden “usque ad tempora bone memorie Othilboldf episcopi”; de bisschop overleed in 900, de lijst is dus jonger, zoo redeneert hij. Zeer juist, indien de passage niet later bij de lijst gevoegd was. Daar alles aankomt juist op deze plaats, mag ik het ditmaal bij deze bewering niet laten, maar ben verplicht haar eenigszins nader toe te lichten. Ten einde den lezer te overtuigen, zal het echter voldoende zijn, de plaats, waarvan de bedoeling niet zeer duidelijk is, uit het onbeholpene monniken-Latijn in gewoon Hollandsch over te zetten.
Het is reeds gebleken, dat de steller der lijst zich evenals al zijne collegas onderscheidt door groote beknoptheid, en met zeldzame eentoonigheid de tallooze hoeven der kerk registreert. Hij is bijna aan het einde gekomen en heeft juist vermeld, dat alle kerken op Texel en het derde van het domeingoed aldaar aan St. Maarten behoorde. Er is inderdaad in dit bericht niets, dat den goeden klerk aanleiding kon geven tot eenige bijzondere ontroering, te minder omdat hij hetzelfde feit reeds eenmaal vroeger in de lijst geboekt had. Doch de zaak komt anders uit : plotseling ontsteekt de registrator in fellen toorn. “Deze geheele administratie op Texle is sedert de dagen van bisschop Othilbold in de war,” roept hij uit, en verspreekt zich in zijne boosheid bij den naam van het eiland, dat hij zooeven pas met den ouden naam “Tlex” had aangeduid. “Vroeger was dit alles uitnemend” geregeld : een priester was met machtiging van den bisschop rector van al deze kerken. Maar de laatste van dezen was Sibrand : gij weet wel de broeder van Othravan en Liutravan ! Onder zijn bewind ging alles verloren.” Onze opgewonden klerk zal gewis zijne goede redenen gehad hebben, waarom hij niet duidelijker sprak; doch hij heeft genoeg gezegd, om de nagedachtenis van heer Sibrand door alle eeuwen heen te bekladden, en ik zou mij zeer moeten vergissen, indien niet andere motieven dan zekere hartstocht voor genealogische bijzonderheden hem leidden, toen hij ook de namen der beide broeders van den priester in het schandaal mengde. Sapienti sat ! de tijdgenooten zullen wel geweten hebben, dat Othravan en Liutravan bij de verduistering der Texelsche goederen van St. Maarten geene fraaie rol gespeeld hadden.
Doch genoeg over deze knoeierijen, wier bijzonderheden reeds tien eeuwen lang aan de vergetelheid zijn prijsgegeven. Tevreden ben ik, als ik u overtuigd heb, dat deze zenuwachtige verdediger van St. Maarten geenszins dezelfde persoon kan geweest zijn als de onverstoorbare registrator der “mansa” en der “ecclesiae cum terris ad easdem pertinentibus.” Ik meen dus te mogen rekenen op uwe instemming, als ik verklaar, dat het stuk later ingeschoven werd. Indien dit waar is, klimt dus de oorspronkelijke lijst op tot de dagen van bisschop Othilbold (866-900). – Maar nog ben ik niet tevreden. Ik merkte reeds op, hoe de vermelding, dat de Utrechtsche kerk (toen nog ongestoord) op Texel de kerken en 1/3 van het domein bezat, reeds vroeger in de lijst voorkomt (p. 42) : deze aanteekening is dus mede uit den tijd van bisschop Othilbold of zelfs nog ouder. Maar ook deze plaats schijnt eene latere bijvoeging : immers Texel werd nogmaals vroeger in de lijst vermeld : “In Tlex II (mansa)” (p. 42). Had de schrijver van deze laatste aanteekening geweten, dat de kerk aldaar ook 1/3 van het domeingoed en alle kerken bezat, hij zou het gewis daarbij vermeld hebben, en bovendien zeker het eiland niet de eerste maal “Tlex”, de tweede maal “Texle” genoemd hebben (a35). Conclusie : de kerken op Texel en het 1/3 van het domeingoed, die onder bisschop Othilbold verloren werden, zijn door de kerk verkregen na het stellen der goederenlijst. Wanneer ? wij weten het niet. De terminus ad quem voor de samenstelling der lijst is dus het jaar 866, toen bisschop Othilbold optrad. Maar de terminus a quo ? Ik kan hem niet dan bij benadering opgeven : slechts één zeker gegeven kan ik aanwijzen. Dadelijk in den aanhef der lijst, dus zeker in het oudste gedeelte, wordt de kerk Upchirica bij Duurstede en het eiland tusschen Rijn en Lek vermeld : wij weten, dat deze beiden door Karel den Groote in 777 (p. 12) aan de kerk geschonken werden. De lijst is dus opgesteld tusschen 777 en 866 (a36).

II. HET EERSTE CARTULARIUM VAN HET LIBER DONATIONUM.

Ik begin met eene beschrijving van het geheele handschrift, dat als het Liber donationum van den Dom bekend staat. Het is een codex geheel van perkament. De inhoud bestaat uit twee verschillende deelen. Het eerste deel bevat 51 bladen, waarop door eene hand van het laatst der 12e eeuw (a37) de keizeroorkonden van het sticht en enkele andere stukken zijn geschreven. Het geheele stuk is door dezelfde hand blijkbaar doorloopend geschreven (a38) : wisten wij het niet door vergelijking met den Egmondschen codex van het British Museum, niets zou doen vermoeden, dat dit deel uit twee stukken bestaat, die eerst later samengevoegd zijn. – De tweede afdeeling van den codex heeft blijkbaar oorspronkelijk geheel op zich zelve gestaan. Zij bevat 24 bladen (a39), gefoliëerd door den schrijver zelven (a40) en beschreven met eene ongewone hand, naar het schijnt uit de eerste helft der 13e eeuw (a41), die vele charters uit het eerste deel herhaalde, maar daarnevens verscheidene nieuwe gaf, allen uitgevaardigd door de doorluchtige Hohenstaufen en van elders geheel onbekend. Ook deze codex is doorloopend geheel door denzelfden schrijver geschreven (a42); later voegde eene hand van het begin der 14e eeuw er een charter van den Dom van 1243 en de synodaalstatuten van 1236 aan toe, die de beide laatste bladen vullen.
De beide codices zijn blijkbaar geruimen tijd afzonderlijk van elkander bewaard geworden : de voorzijde van het eerste en de achterzijde van het laatste blad der eerste afdeeling zijn geheel vuil en halfversleten, en hebben dus blijkbaar langen tijd als onbeschermde voor- en achterzijden van eenen codex gediend. Kort nadat in de tweede afdeeling de bovenvermelde twee charters van 1236 en 1243 waren bijgeschreven, zijn echter de twee stukken in één en band vereenigd : eene hand van het begin der 14e eeuw heeft toch reeds bij alle oorkonden van den tweeden codex, die ook in den eersten voorkomen, de woorden geschreven : “Scriptum est prius” (of : “Scriptrim invenies ante” of : “Scriptum reperies ante” of : “Scriptum habetur”), en wij zullen later zien, dat reeds vóór het midden der eeuw het geheele vereenigde cartularium werd afgeschreven. Nog ééne transformatie heeft de codex later ondergaan : hij werd verbonden en wel niet voor de 16e eeuw, daar op fol. XXIX vs. kantteekeningen uit het begin dezer eeuw bij deze gelegenheid half weggesneden zijn. De binder heeft aan het begin en het einde van den codex toen nog eenige vellen perkament bijgevoegd, en op de bladen voor in den codex is een bladwijzer over de beide cartularia bijgeschreven, terwijl later eene andere hand, mede van de 1e helft der 16e eeuw, achterin nog eenige stukken schreef, die nog niet op den bladwijzer voorkomen : het verhaal van de wijdingen van den Dom, de correspondentie met het kapittel van Tours en de grafschriften van paus Adriaan VI. De 16e eeuwsche band beschermt het handschrift nog steeds : houten borden, overtrokken met bruin leder, waarin eenige versieringen gedrukt zijn. Op de voorzijde leest men, achter een hoornen plaatje in koperen rand, de woorden : “Liber continens donationes imperiales, factas in prima fundatione ecclesie Majoris Trajectensis.” Binnen op den band is met dezelfde of eene dergelijke hand dit opschrift herhaald, onder bijvoeging van de woorden : “Pertinet Majori ecclesie Trajectensi”, terwijl deze mededeeling achteraan op den band met dezelfde woorden herhaald wordt. Eene 18e eeuwsche hand schreef eindelijk onder de eerstgenoemde mededeeling : “Et nunc anno 1778 pertinet Reverendissimo Domino Archiepiscopo Trajectensi, ad quem redire debet.”
Over de wijze, waarop de overgang van het eerste “pertinet” tot het tweede heeft plaatsgehad, blijkt niets; alleen weten wij, dat de codex nog in de 2e helft der 16e eeuw in de Kleine archiefkamer van den Dom bewaard werd (a43), terwijl hij twee eeuwen later in het archief der Oud R. C. Clerezy te Utrecht berustte. Nog Kluit in 1780 (a44) en Bondam in 1783 (a45) gebruikten hem daar; maar sedert werd het handschrift vergeten, totdat het in 1857 bij gelegenheid van de Utrechtsche tentoonstelling van oudheden uit het genoemde archief weder te voorschijn kwam (a46). Sedert eenige jaren is het kostbare stuk met alle middeleeuwsche stukken, in het bezit der Clerezy, door haar in bruikleen afgestaan aan het Rijksarchief in Utrecht, waar het nog berust.
Wij willen thans den inhoud van het eerste cartularium onderzoeken. Aan het begin ontmoeten wij een ouden kennis : het geheele cartularium van Radbod, gerangschikt geheel in dezelfde orde als wij het in den Egmondschen codex vonden, met uitzondering van het charter van bisschop Balderik (N°. 25), dat hier achter de aanteekeningen van Radbod (N°. 26) volgt, terwijl N°. 24, dat in den Egmondschen codex ontbreekt, hier bijgevoegd is. – Dan volgt zonder de geringste afscheiding, die zou kunnen doen vermoeden, dat hier eene nieuwe afdeeling begint, eene reeks andere oorkonden, beginnende met eenige van koning Otto I, allen ouder dan de in den ouderen codex opgenomene giftbrieven van dezen vorst, en verder geregeld doorloopende tot het jaar 1145 toe. De samensteller van het handschrift heeft blijkbaar getracht in dit deel eene chronologische orde te volgen. Hij was wel is waar te onervaren in de chronologie, om aan de volgens regeeringsjaren of indictie gedateerde stukken van denzelfden vorst steeds hunne juiste plaats aan te wijzen, – hij was zelfs wel eens in de war met de verschillende Otto’s en Hendriken, – de stukken, waaraan de datum geheel ontbrak, kon hij slechts bij benadering op hunne plaatsen brengen; maar over het geheel is toch een streven merkbaar om de tijdsorde te volgen. Alleen het voorlaatste stuk van den bundel (het laatste werd later bijgeschreven) is geheel misplaatst en maakt den indruk bij vergissing overgeslagen en daarom aan het slot ingeschreven te zijn.
Over het geheel vinden wij hier voornamelijk oorkonden van keizers en koningen, van Otto I tot Conrad III. Bijna allen zijn vertegenwoordigd : alleen de met het vijandelijke Hollandsche gravenhuis verwante Lotharius ontbreekt in de rij, terwijl daarentegen eene keizerin ons N°. 74 leverde. Eéne pauselijke bul (N°. 78) staat tusschen deze giftbrieven in, blijkbaar alleen wegens het in het slot aan den bisschop verleende voorrecht om een myter te dragen. Utrechtsche bisschopsoorkonden, in het begin zeldzaam, komen allengs meer voor : wij vinden er van Ansfrid (N°. 40), Bernold (N°. 56), Willem (N°. 63, 65), Conrad (N°. 72), Burchard (N°. 73), Godebald (N°. 76, 79, 88) en Andreas (N°. 83, 85). Zéér enkele schenkingen van private personen : N°. 35, 45, 46, 70. Eindelijk twee oorkonden van vreemde kerkvorsten (de bisschoppen van Doornik en Kamerijk) : N°. 81, 82, en een brief van het Keulsche Domkapittel : N°. 80.
Bijna alle stukken bevatten schenkingen aan den bisschop en het bisdom Utrecht. Daarvan zijn echter uit te zonderen eenige nommers, die den Dom van Utrecht betreffen (N°. 45, 49, 70, 72, 74, 75, 76, 79, 80, 81 en 88), terwijl enkele op de kapittelen ten Dom en Oudmunster gezamenlijk betrekking hebben (N°. 34, 40, 46, 57, 73, 82 en 85). Het voorkomen dezer laatste categorie heeft, daar zij toch ook den Dom betreft, niets méér verwonderlijks dan de aanwezigheid der tweede. Het zal echter den oningewijde gelijkelijk bevreemden de tweede en derde categoriën in dit cartularium van het bisdom aan te treffen. De oorspronkelijke eenheid van het vermogen van bisschop en Domkapittel verklaart dit feit niet voldoende : immers hoewel het tijdstip, waarop de scheiding tusschen beiden plaats had, volkomen onbekend is, is het toch zeer onwaarschijnlijk, dat deze niet voor 1126/1131 (zie N°. 85, 88) zal hebben plaatsgehad. Eene aannemelijker verklaring geeft ons eene plaats in Wstinc’s rechtsboek van den Dom, die zegt : “Littere et privilegia, que statum universalem dyocesis et mensam episcopalem concernunt, sunt in archivo nostre ecclesie de jure et consuetudine reservanda, episcopo et illis, ad quos pertinent, sub cautela ydonea necessitatis tempore exhibenda (a47).” De oorkonden van het bisdom werden dus van ouds in het kapittelarchief ten Dom bewaard en hoewel zij, blijkens de signaturen der enkele daarin nog aanwezige oorkonden, in eene afzonderlijke afdeeling bij een verzameld en dus voor de Domheeren volkomen als bisschoppelijk eigendom herkenbaar waren, is het niet al te verbazend, dat in het cartularium, dat de oudste oorkonden van het sticht bevatte, ook de oudste documenten van het kapittel (zeker destijds nog gering in aantal) opgeteekend werden. – Allervreemdst daarentegen is de aanwezigheid van enkele andere stukken : de N°. 55, 62, 65 en 83, die schenkingen aan zekeren Anselm, aan de Keulsche kerk, aan het Luiksche Domkapittel (of een ander geestelijk gesticht van dit bisdom) en aan de abdij van St. Truyen bevatten. Over deze vier stukken aanstonds meer.
Eindelijk verdient vermelding, dat alle stukken tot de categorie der oorkonden behooren en in extenso worden medegedeeld (al is hier en daar de dagteekening weggelaten), behalve N°. 46, dat slechts een excerpt eener oorkonde of eene aanteekening over eene rechtshandeling is, en N°. 65, dat een synodaal besluit van Luik bevat, al of niet in den oorspronkelijken vorm. N°. 80 eindelijk is wel zonder twijfel volledig, maar geene oorkonde : het is een brief van het Keulsche Domkapittel.
Dat het archief van den Dom den stof voor het cartularium geleverd heeft, is aan geen redelijken twijfel onderhevig. Eene andere vraag is echter, of de schrijver van het door ons besprokene cartularium de oorkonden zelf van de origineelen heeft afgeschreven. Ik geloof niet, dat dit het geval is; waarschijnlijk heeft hij eene andere, oudere verzameling voor zich gehad en die in chronologische orde gebracht en afgeschreven : Aanleiding tot dit vermoeden geeft mij de inhoud van het cartularium zelf : het schijnt mij niet gelijkmatig, niet volgens ééne leidende gedachte ontworpen te zijn.
In het cartularium zijn, naar het mij voorkomt, drie gedeelten te onderscheiden : 1°. het cartularium van Radbod (N°. 1-26), 2°. de oorkonden N°. 27-72, 3°. de oorkonden N°. 73-88. Over de eerste afdeeling behoef ik niet meer te spreken. De tweede sluit zich geheel daarbij aan en bevat nagenoeg uitsluitend giftbrieven van de keizers en koningen aan de Utrechtsche kerk, waartusschen zich slechts enkele andere stukken bevinden. De derde afdeeling, van de tweede door eene tusschenruimte van 20 jaren gescheiden, draagt echter een ander karakter. Met twee uitzonderingen vallen alle oorkonden tusschen de jaren 1118 en 1145, en de bisschopsoorkonden treden zeer op den voorgrond, terwijl de keizercharters nog slechts enkele malen daartusschen voorkomen. Het komt mij daarom voor, dat hier eene andere, latere hand aan het werk is geweest dan die van den compilator der eerste helft. Reeds deze opmerking pleit er tegen, dat ons cartularium, zonder twijfel door éénzelfde hand achtereen geschreven, een werk uit de eerste hand zou zijn. Maar er is meer. Ik zeide reeds, dat een nommer der eerste afdeeling geene oorkonde, maar eene korte aanteekening of een excerpt is : het is onaannemelijk, dat iemand, die zich voorstelde de charters van het Domkapittel in een register af te schrijven, daartusschen plotseling een enkel stuk zal geplaatst hebben, dat van geheel anderen aard is. In mindere mate geldt dezelfde opmerking van den brief van het Keulsche Domkapittel (N°. 80), die ook geheel afwijkt van de rest der opgenomene stukken. Doch het vreemdst schijnen in dit verband de stukken, die niet voor Utrecht zijn uitgevaardigd : giftbrieven aan Anselm, aan de Keulsche en Luiksche kerk en de abdij van St. Truyen. Is het bij de vorige stukken zeer onwaarschijnlijk, maar toch mogelijk, dat de compilator zijne modellen in de charterkast van den Dom kan aangetroffen hebben, hier is dit geheel ondenkbaar. Het tweede en het vierde stuk moeten berust hebben in de archieven van den Keulschen aartsbisschop en van den abt van St. Truyen, de herkomst van het eerste stuk is geheel onzeker, en van het derde, dat althans op Utrecht betrekking heeft, kan men hoogstens een afschrift in het Utrechtsche archief bezeten hebben; immers het stuk is blijkbaar ontleend aan het cartularium van het Luiksche geestelijke gesticht, dat met het bezit der Leinderkerk bevoorrecht werd : de uitdrukking, dat bisschop Balderik van Luik het goed, waarop die kerk gesticht werd, “fratribus nostris” geschonken had, is ons daarvoor borg.
Hoe moeten wij ons dus, na al het voorgaande opgemerkt te hebben, de wording van ons cartularium voorstellen ? Naar het mij voorkomt aldus. Men bezat te Utrecht een afschrift van het cartularium van Radbod, zonder twijfel hetzelfde, waarnaar vroeger de Egmondsche codex was afgeschreven : de geheel overeenkomstige wijze, waarop deze codex en ons cartularium de talrijke randglossen der goederenlijst verwerkt hebben (a48), en de gelijkheid der door beiden daarbij gemaakte fouten levert ons hiervan het bewijs, terwijl de groote overeenkomst van den bedorven tekst der oorkonden ons reeds tot het vermoeden daarvan gebracht had (a49). Dit afschrift is denkelijk. nadat de Egmondsche kopie gemaakt was, vermeerderd met eenige vellen perkament, waarop de een of andere kopiïst het omstreeks 1100 vervolgde door het afschrijven van de sedert de samenstelling voor de Utrechtsche kerk verkregene oorkonden van keizers en koningen, geheel in den geest van bisschop Radbod, wiens in het Liber donationum onvervalscht opgenomen opschrift getuigde, dat zijn codex de giftbrieven bevatte, “a regibus Domini nostri J. C. fidelibus ecclesie tradite.” Denkelijk heeft de afschrijver bij zijn werk geene strenge orde gevolgd (a50) : hoe dit zij, na 1089 (N°. 69) vond hij niets meer te boeken. Het stuk zal toen eenigen tijd zijn blijven liggen, en eerst latere afschrijvers kunnen er nu en dan stukken uit hunnen tijd (1118-1145) bijgevoegd hebben. Dat men er toe gekomen is, om later op opene ruimten of schutbladen ook andere aanteekeningen en stukken neer te schrijven, die men om redenen van historischen of praktischen aard wenschte te bewaren, schijnt niet vreemd : zij behoorden zeker niet in het eerstbedoelde verband, maar het doel van den eersten afschrijver kan vergeten zijn en de codex was nu eenmaal de bewaarplaats geworden van alles, wat het Domkapittel van de oudheid wist; het moest dus niet al te misplaatst schijnen, daar ook andere belangrijke oorkonden of stukken te registreeren, die men toevallig in handen kreeg. Nadat de codex zoodoende tot het midden der 12e eeuw vervolgd was en denkelijk een onoogelijk aanzien gekregen had, zal het kapittel gewenscht hebben, het belangrijke stuk in netter en leesbaarder vorm te bezitten, en het zal daarom op het laatst der 12e eeuw aan een zijner leden de opdracht gegeven hebben het geheel over te schrijven. De stukken werden toen zoo goed men het vermocht in chronologische orde gebracht, en ook de heterogene stukken, die de afschrijver daarbij aantrof, heeft hij gewis onnadenkend in zijne verzameling ingelijfd (a51). Niet onmogelijk is het, dat ook de oude charters, die op het Domkapittel betrekking hebben, eerst later bijgevoegd en bij de tweede redactie in chronologische orde tusschen de keizercharters van het bisdom geraakt zijn.

III. HET TWEEDE CARTULARIUM VAN HET LIBER DONATIONUM.

De beschrijving van dit cartularium gaf ik reeds boven (a52); ik kan dus dadelijk beginnen met de bespreking van tijd en wijze van samenstelling.
Wij zagen boven, dat de verzameling volgens het schrift in de 1e helft der 13e eeuw is aangelegd : wij kunnen den tijd volgens den inhoud met groote waarschijnlijkheid bepalen op de jaren 1226-1243; immers het jongste stuk, dat met de hand van den compilator ingeschreven werd, draagt den datum 20 Februari 1226 (N°. 28), en onmiddellijk achter het laatste nommer volgt eene met latere hand geschrevene oorkonde van 9 September 1243 (p. 171) (a53).
Het is eene verzameling van oorkonden, door keizers en koningen aan het sticht Utrecht en aan den Dom (a54) geschonken, zonder eenige orde (a55), – een feit, dat reeds doet vermoeden, dat de codex een oorspronkelijk afschrift van origineelen, geene later geredigeerde kopie van een cartularium bevat. En dit vermoeden blijkt juist (a56) : immers bij het charter van Otto I dd. 944, houdende gift van Lake et Isla (p. 66/67) – trouwens het oudste, dat in den bundel voorkomt, –lezen wij aan het einde, waar het afschrift midden in den datum afbreekt met de hand des afschrijvers de woorden : “Cetera consumpta,” en bij de akte van 1124 over de O. L. V. kerk te Brugge (N°. 9) alweder bij den onvolledigen datum met dezelfde hand : “Hic nota de annis Domini plures fuisse, sed cartam consumptam.” Ook vinden wij nog bij eenige in het cartularium opgenomene oorkonden (N°. 13, 20, 26, 30 en 33) op den kant met des afschrijvers hand het woord : “coll.”, d. i. collatum (a57).
Zooals deze kantteekeningen reeds bewijzen, blijken de oorkonden, nadat het origineel van het 1e cartularium daarnaar afgeschreven was, veel geleden te hebben : in het charter van Otto II over de munt was de datum onleesbaar geworden (zie p. 63 Noot 10); in dat van Otto I over Lake en Isla (p. 66) ontbreken alle namen; erger is het met het charter van Hendrik IV over Staveren (p. 106), waar de datum ontbreekt en tal van lacunes voorkomen, terwijl in het charter van denzelfden vorst over Oostergo en Westergo (p. 108) zelfs tweemaal 2 regels en het geheele slot ontbreken. Al deze lacunes kunnen nog uit het 1e cartularium aangevuld worden (a58).
Reeds uit het zooëven medegedeelde kan opgemaakt worden, dat de afschrijver geheel onafhankelijk van het 1e cartularium gewerkt heeft; sterker bewijs levert het feit, dat hij op vele plaatsen in de door beiden medegedeelde oorkonden meer geeft dan zijn voorganger. Ik noem als voorbeelden slechts de charters van het 1e cartularium N°. 34, waar de jongere afschrijver de indictie bijvoegt, N°. 54, waar de vermelding van den kanselier nieuw is, en vooral N°. 49, waarvan het geheele slot (onderteekening, kanseliersnaam, datum en plaats) ons alleen door het tweede afschrift bekend zijn.
Hoe vreemd het ook schijne, wij moeten dus aannemen, dat het bestaan van het toen nog niet oude eerste cartularium, dat in het archief van den Dom berustte, den tweeden afschrijver, die zonder twijfel ook uit dit archief putte, onbekend gebleven is. Het kan ons daarom ook niet verwonderen, dat hij – hoewel hij geenszins in zijn beter en meer verzorgd schrift daartoe aanleiding had – tal van oorkonden opnam, die reeds zijn uitnemende voorganger had afgeschreven. Evenmin dat hij zijne collectie verrijken kon met vele stukken, die ten tijde van zijn voorganger nog niet bestonden en die bijna allen van de keizers uit het huis Hohenstaufen afkomstig waren. Maar wat ons wel verwonderen kan, is het feit, dat de latere afschrijver ons twee stukken heeft bewaard, die de vroegere had ter zijde gelegd, hoewel zij volkomen in zijne verzameling gepast zouden hebben : het charter van keizer Conrad II over Drente dd. 1025 (N°. 21), dat behoort bij dat van 1024 over hetzelfde onderwerp (p. 74), en de akte van 1124 over de O.L.V. kerk te Brugge (N°. 9), die zich geheel aansluit bij die van 1122 over de kerk van Sysseele (p. 124). Inderdaad dit feit is vreemd en ik kan het niet voldoende verklaren : kan in de afwezigheid van het contract over de Brugsche kerk, als niet buitengewoon belangrijk, des noods berust worden (a59), voor het ontbreken van het Drentsche charter kan ik alleen als verontschuldiging aanvoeren, dat wellicht de afschrijver van het eerste cartularium, die zooëven het woordelijk overeenkomende charter van 1024 had afgeschreven, gemeend heeft hier een dubbelganger te ontmoeten, dien hij gerustelijk kon weglaten, – eene dwaling, waarin ook de latere annotator van het tweede cartularium verviel, toen hij bij het charter van 1025, dat in het eerste cartularium ontbreekt, op den kant schreef de woorden “scriptum est”, die steeds dienen om aan te duiden, dat de dus gewaarmerkte oorkonde reeds in den eersten bundel is afgeschreven (a60). Een bezwaar tegen de echtheid van het charter van 1025 kan zeer zeker niet aan het ontbreken daarvan in den oudsten bundel ontleend worden : immers zoowel het charter van 1024 als dat van 1025 komen in de tweede verzameling voor, en wij hebben boven gezien, dat juist de stukken van deze blijkbaar naar de origineele oorkonden zijn afgeschreven. Ik ben dan ook geneigd, om de echtheid van de nommers der jongste afdeeling voor beter gewaarborgd te houden dan die van de oudste.
Ook het omgekeerde van het zooëven vermelde feit komt voor : de compilator van het tweede cartularium nam vele stukken niet op, die zijn voorganger wel had afgeschreven. In het algemeen kunnen daarvoor twee redenen geweest zijn : hij kan die stukken in zijne collectie misplaatst geoordeeld, of hij kan ze niet meer in originali in het archief van den Dom gevonden hebben. Maar geen van beide redenen past voor de oorkonden van 953 en 975 (N°. 18 en 32), die wij bij hem missen. Zij hadden in het kader gepast van den afschrijver, die de bevestiging van deze zelfde oorkonden door keizer Frederik I (p. 146) opnam, en zij bestonden nog eeuwen na zijnen tijd (a61), want zij staan met het monogram van den koning afgedrukt in Van de Water’s Placaatboek II p. 321. Nu is het wel is waar niet geoorloofd (a62), uit dit feit de conclusie te trekken, dat de oorkonden door Van de Water zelven gezien werden en dus in 1729 nog bestonden; immers Van de Water zelf verklaarde op dezelfde bladzijde, dat hij de stukken ontleende aan de uitgave van den Utrechtschen oud-burgemeester Dr. C. Booth (a63), maar de conclusie is toch geoorloofd, dat derhalve in diens tijd (dus omstreeks 1660) de origineele charters nog bestonden (a64).
Ik kan ook hier onzen afschrijver niet rechtvaardigen : immers de bewering, dat hij de bevestiging der beide oorkonden door keizer Frederik I, die hij opnam, voldoende gerekend en daarom de twee oudere concessies weggelaten zou hebben, zou niet afdoende zijn voor den persoon, die, naar wij zooëven zagen, de beide volkomen gelijkluidende giftbrieven van het graafschap Drenthe van 1024 en 1025 afschreef. Het geval levert ons echter het zeer welkome bewijs, dat ook uit het ontbreken bij den tweeden afschrijver van stukken, die de eerste had opgenomen, geen argument tegen de echtheid dezer oorkonden kan geput worden.
Ik wil thans de verschillende afschriften van de drie behandelde cartularia, die ik bij mijne uitgave gebruikt heb, bespreken en hunnen oorsprong en betrekkelijke waarde in het licht trachten te stellen. Er zijn er vier : een handschrift afkomstig van Bondam, het Liber catenatus van Oudmunster (beiden thans in het Utrechtsche rijks-archief), een cartularium in het Staatsarchiv te Hannover en een ander in de bibliotheek der Leidsche universiteit.


Noten van Mr. S. Muller Fz.

a1. Foltz, Die Kaiserurk. d. Bisth. Utrecht (N. Arch. d. Gesellsch. f. ält. Deutsche Gesch. forschung. V p. 273) zegt, dat alle oorkonden van het cartularium voor 1024 op één na uitgegeven zijn. Met die eene bedoelt hij denkelijk die van 6 Juni 975 (N°. 30), uitgegeven door De Geer v. Jutfaas, in : Kron. Hist. Gen, 1857, p. 338. Ook de jongere oorkonden zijn nagenoeg zonder uitzondering gedrukt. Alleen onder de later bij geschrevene stukken zijn nog enkele onbekende.
a2. Monum. Germ. hist. Scriptt. II p. 217. (“Non facile jucundius aliquid..... mihi obvenire poterat, quam quod liber antiquus circumadustus.... in manus venit etc.”)
a3. Ter rechtvaardiging daarvan merk ik alleen op, dat het charter van bisschop Balderik (p. 47) in die uitgave in twee stukken is gescheiden, waarvan de eerste helft aan de goederenlijst gehecht is, terwijl de tweede helft een afzouderlijk stuk vormt. De billijkheid eischt mede te deelen, dat het 4e stuk van Asch van Wijck’s boek, waarin de oorkonden opgenomen zijn; na zijnen dood verschenen en dus niet meer door hem zelven bij de uitgave gecorrigeerd is.
a4. De uitgave van Asch van Wijck had plaats volgens een afschrift, ten zijnen behoeve in het British Museum gemaakt. (Gesch. besch. v. h. handelsverk. III p. 444, – IV Voorberigt.) Ditzelfde afschrift, alsnog in de bibliotheek der stad Utrecht berustende, is voor mijne uitgave gebruikt, doch niet dan nadat ik het in het British Museum op het origineel gecollationneerd had, de goederenlijst zelfs tweemaal. Het is mij toen gebleken, dat het zéér nauwkeurig is : behalve de uitlating van een regel in N°. 10 vond ik slechts enkele onbeduidende fouten. De onjuistheden der eerste uitgave berusten meest op verkeerde oplossing der verkortingen, die het afschrift heeft overgenomen, en dergelijken meer. Tegen dit oordeel over de nauwkeurigheid van het afschrift kan niet aangevoerd worden de bewering van Van den Bergh (Bijdr. v. vaderl. gesch. N. R. I p. 115/6) over de onjuiste lezing van verschillende plaatsnamen. Immers, hoe vreemd het schijnen moge, bij opzettelijke vergelijking van het origineele handschrift is mij gebleken, dat in vele door Van den Bergh opgesomde gevallen de lezing van Van Asch van Wijck inderdaad juist is.
a5. Zie de uitvoerige beschrijving van den inhoud van den codex : Monum. Germ. hist. Scriptt. II p. 217/8.
a6. Ik wenschte bij dit gewichtige punt niet op eigen gezag te spreken en vroeg daarom het oordeel van de twee personen, die mij voorkwamen de beste deskundigen te zijn, een oordeel, dat mij met groote welwillendheid gegeven werd. Von Wattenbach noemt als den tijd de 11e eeuw, wellicht begin van de 12e eeuw, terwijl de directeur van het British Museum Maunde Thompson, door zijne palaeographische uitgaven welbekend, bepaald van de 12e eeuw spreekt. (Ook bij de bepaling van den tijd voor de beide codices van het Liber donationum wijst de heer Thompson een iets lateren tijd aan dan de heer Von Wattenbach, denkelijk omdat de verschillende schrifttypen in Engeland iets later optreden dan in Duitschland.) Ik neem den vroegsten datum aan, omdat abt Stephanus, die den codex voor Egmond verkreeg, in 1105 overleed.
a7. Gedrukt : Annales Egmund. ed. De Geer. p. 98 vlg.
a8. Het 15e eeuwsche opschrift op den ouden band van het HS. luidde ook vlg. Pertz (Monum. Germ. II p. 217) : “Donationes ecclesie Trajectensis et nostre cum cronicis.”
a9. Het laatst uitgegeven met noten door K.G. Kleyn, in : Arch. v. Ned. kerkgeschiedenis. II p. 127 vlg.
a10. Archief v. Ned. kerkgesch. II p. 145.
a11. Zie hierna p. 50 Noot 3.
a12. Foltz, Die Kaiserurkunden des Bisthums Utrecht (in : N. Archiv d. Gesellsch. f. alt. D. Gesch. forsch. V p. 270) maakt uit deze aanteekening de onjuiste gevolgtrekking, dat het handschrift uit Utrecht afkomstig is. Ook V. d. Bergh (Middelned. geogr. p. 267, en nog : Bijdr. v. vaderl. gesch. N. R. I p. 117) beweert dit ten onrechte.
a13. Deze “antiqua cronica” is gewis de Utrechtsche bron der Annales Egmundani, waarvan Mr. Kappeyne (Hecmundensia, in : Bijdr. v. Vaderl. gesch. 3e R. V p. 56 Noot 2) spreekt.
a14. Arch. v. Ned. kerkgesch. II p. 155 Noot 4.
a15. Wellicht door afschrijven van het origineel van het 1e cartularium van het Liber donationum, dat met een duplikaat van den Egmondschen codex begint.
a16. Aanteekening van P. C. Bockenberg achter zijn afschrift van Radbods cartularium in het HS. V 72 der Koninklijke bibliotheek : "Subscriptum erat : Hec ex Egmondano codice scripsimus A°. 154B 33 horis (?) circa Andree festum; reliquas (ut in eodem asserebatur) reperies Trajectensis ecclesie donationes ibidem in parva (sic !) parte Moralium beati Gregorii super Job in fine libri cum quadam alia (sic !) cronica ejusdem diocesis sive episcopatus. Scriptor fuit Cornelius Mudenus advocatus Hagensis.”
a17. Ann. Egmund. ed. De Geer. p. 5
a18. Alleen de niet gedateerde oorkonde N°. 4 staat wellicht niet op hare plaats; daardoor is N°. 3 herhaald als N°. 5, wijl de afschrijver aan deze blijkbaar aanvankelijk vóór, later na N°. 4 eene plaats had aangewezen.
a19. De oorkonde van Zwentibold N°. 24 vermeld ik niet, daar zij in den Egmondschen codex niet voorkomt en dus blijkbaar later is ingevoegd.
a20. Deze aanteekening is in den Egmondschen codex met eene andere hand als de rest geschreven, doch daar ook het Liber donationum haar in dit verband opneemt, moet zij toch in het origineel gestaan hebben.
a21. Hij kwam bepaaldelijk van buiten en trad eerst toen tot de Utrechtsche kerk in betrekking (Moll, Kerkgesch. (p. 266); inderdaad werd hij dus eerst in 900 “inter famulos Trajectensis ecclesie" opgenomen.
a22. Ook Waitz doet dit. (Monum. Germ. hist. Scriptt. XV p. 570 Noot 2.)
a23. De aanteekening heeft blijkbaar op het schutblad gestaan, achter het veel jongere charter van bisschop Balderik. De Egmondsche codex heeft deze orde; het Liber donationum veranderde die blijkbaar, omdat het over het geheel zekere chronologische orde invoerde.
a24. De woorden “et ab aliis” komen in het Liber donationum niet voor en zijn dus gewis in het Egmondsche handschrift ingelascht, om den titel van den bundel met den inhoud in overeenstemming te brengen.
a25. B. J. L. De Geer, Het oudste cartularium van Utrecht, in : Études archéol., linguist. et histor., dédiées à M. le Dr. C. Leemans. p. 287. Leide, 1885. Niet in den handel.)
a26. De vraag, of de bisschop voor de samenstelling de origineele charters gebruikte, dan wel bij gebreke daarvan slordige en onvolledige afschriften, die hier en daar min gelukkig aangevuld werden, laat ik onbesproken. Zeker is het, dat de tekst der oudste oorkonden uiterst gebrekkig is en dat enkele mededeelingen zéér vreemd schijnen. Maar het blijft de vraag, of deze fouten reeds in het origineele cartularium van Radbod voorkwamen, dan wel door een slordigen afschrijver van dit wellicht zwaar beschadigde origineele cartularium gemaakt werden.
a27. Zie hiervoor p. XII, XIII.
a28. Zij hebben bij uitzondering, evenals de goederenlijst, hoofden, die de overige oorkonden (behalve de beide eerste) missen : eene aanwijzing, dat zij niet tegelijk met de andere oorkonden ingeschreven werden.
a29. Of al deze bijvoegingen in het origineele cartularium, dan wel in een afschrift daarvan gemaakt werden, moet ik in het midden laten. Zeker echter is het Egmondsche afschrift niet naar het origineel zelf gemaakt, want daar in dit en in het Liber donationum de interpolaties der goederenlijst allen op dezelfde plaatsen (verkeerdelijk) zijn ingelascht, moeten beiden berusten op eenzelfde afschrift, waarin deze fouten reeds gemaakt waren. Alleen ook door het aannemen van herhaalde overschrijving kan men de slordigheid van den tekst der oudste oorkonden voldoende verklaren.
a30. Middelnederl. geographie. 1e ed. p. 267. (In de 2e editie is het betoog niet overgenomen : zie p. 23 dier editie).
a31. Van Mieris noemde het jaar 866 (regeeringsbegin van bisschop Odilbald), blijkbaar in (onjuiste) navolging van Heda, die (Historia. p. 64) opmerkt, dat de lijst de goederen der kerk bevat “usque ad tempora Odilbaldi episcopi.” (Natuurlijk met terugslag op de mededeeling der lijst over de Texelsche goederen, die onder Odilbald verloren gingen).
a32. V. d. Bergh (Bijdr. v. vaderl. gesch. N.&nbap;R. I p. 117) schijnt dit dan ook (als noodzakelijk gevolg zijner tijdsbepaling) aan te nemen.
a33. Middelnederl. geogr, 1e ed.. p. 269.
a34. Kluit, Hist. critica. II 1 9 Noot 4.
a35. Tlex = Texle : vgl. p. 42 : “in Texle tertia pars S. Martini” met p. 45: “in Tlex tocius terre tertia pars S. Martini.” Tlex schijnt de oude naam te zijn; het gebruik van den naam Texle door den verhaler van het Sibrand-schandaal schijnt mij nog een sterk bewijs, dat dit verhaal later is bijgeschreven bij de vermelding van het bezit der kerk.
a36. In den tekst heb ik het stuk verkeerdelijk gedateerd : 2e helft der 9e eeuw in plaats van : 1e helft. De samenhang der plaatsen over de Texelsche goederen was mij toen nog niet zoo duidelijk als thans.
a37. Von Wattenbach schrijft mij : “ich möchte es noch dem 12en Jahrhundert zuschreiben”, – Maunde Thompson verklaart (weder iets later) : “about 1200.”
a38. Alleen het laatste stuk, No. 88, is met eene andere, doch nagenoeg gelijke hand als de rest geschreven.
a39. Juist 3 quaterns. Het is ons compleet bewaard gebleven, want de laatste bladzijde is in blanco, terwijl op de twee laatste bladen (oorspronkelijk in blanco) later twee oorkonden zijn bijgeschreven.
a40. Deze foliëering is alleen aan het begin goed zichtbaar : later is zij bij het verbinden afgesneden of uitgekrabd, en vervangen door eene doorloopende foliëering van beide cartularia.
a41. Von Wattenbach schrijft, dat het schrift hem ongewoon voorkomt en dat hij het (op reis te Gastein) niet met zekerheid durft te bepalen, doch “ich vermuthe ausgehendes 12e Jahrhundert”, – Maunde Thompson plaatst het “early 13th century.” Daar de afschrijver een stuk van 1226 opneemt, kan hij echter niet voor dat jaar geschreven hebben. Foltz (Die Kaiserurkunden. p. 271) stelt het handschrift op de 14e eeuw.
a42. De vier laatste charters van den bundel schijnen echter door dezelfde hand iets later bijgevoegd te zijn.
a43. Dodt, Archief. III p. 103. (Vidimussen van verscheidene charters door den secretaris van den Dom Lamzweerde kort na 1562 “ex antiquo registro intitulato : Liber continens donationes imperiales, factas in prima fundatione ecclesiae Majoris Trajectensis, reposito et servato in parvis archivis ecclesiae praefatae.”) – De conclusie, door Foltz (Die Kaiserurkunden. p. 271 Noot 1) uit deze plaats getrokken, dat het handschrift in het archief van het kapittel van St. Jan berustte, is natuurlijk onjuist.
a44. Hij nam er (blijkens de omschrijving van zijne bron) uit over No. XXIV en XXV in zijne : Hist. crit. comit. Holl. II 1 p. 157, 159.
a45. De Geer van Jutfaas beweert (Kron. Hist. Gen. 1857 p. 343), dat Bondam in zijn Geldersch charterboek het handschrift onder zijne bronnen citeerde als “het MS. van den Heer A(arts) B(isschop)”. (l. c. p. 44 vlg.) Ten onrechte, zooals de medegedeelde varianten bewijzen en ook de omstandigheid, dat (blijkens p. 97) het Memoriale Adelboldi in dit handschrift voorkwam. Het bedoelde handschrift is gewis hetzelfde, dat Bondam (l. c. p. 193 vlg.) aanhaalt als “de M.S. Heda van den Heer A. B.” – Doch Bondam gebruikte ons handschrift toch wel, zooals blijkt uit zijne beschrijving daarvan op p. 96 Noot; hij citeert het als het “Lib. commemoration. de reb. Traject.” (p. 82, 85, 153, 193 enz.)
a46. Zie B. J. L. De Geer, in : Kron. Hist. Gen. 1857. p. 335 vlg.
a47. Wstinc’s rechteboek van den Dom. (H.S. van het Domkapittel. fol. 2 vs.)
a48. Eéne uitzondering levert de omzetting van een volzin over de visscherij in de Fennepa (p. 43 Noot 6). Deze bijvoeging moet dus niet in het origineel, maar in het door den Egmondschen en den Utrechtschen afschrijver gebruikte afschrift daarvan later bovengeschreven zijn, zoodat men over de plaatsing daarvan in den tekst aarzelen kon.
a49. Zoo ontbreekt b.v. in N°. 2 in beide HSS. de omschrijving van het geschonkene, waardoor het stuk onverstaanbaar wordt. In N°. 25 zijn in beide HSS. dezelfde uitlatingen, hoewel ze in het jongste niet als lacunes zijn aangeduid. – Als verschillen van de beide codices (die uit het Liber donationum in alle afschriften overgingen en dus bewijzen, dat dezen met den Egmondschen codex niets te maken hebben) noem ik p. 38 Fengrima-husonham – Fregima-husenhem; p. 39 In Rugrum totum S. Martini – in Rugrum S. Martini totum; p. 45 supranominatam – supradictam.
a50. Ook het tweede cartularium, dat een afschrift van origineelen is, is geheel zonder orde.
a51. Geheel op dezelfde wijze zijn nu weder achter in het Liber donationum de beide brieven uit Tours enz. afgeschreven. Bezaten wij van onzen codex alleen eene late, geredigeerde kopie, wij zouden ons verwonderen, hoe deze stukken achter de andere geraakt zijn.
a52. Zie hiervoor p. XXVI.
a53. Het daarop volgende stuk, de synodaalstatuten van 1236, mag voor de tijdsbepaling niet mederekenen, daar het blijkbaar na het stuk van 1243, hoewel met dezelfde hand, werd ingeschreven.
a54. Charters van den Dom : zie de nommers 3, 5, 9, 10, 27, 34.
a55. Dit gebrek aan orde gaf aanleiding, dat de afschrijver zich vergiste door het charter van 1122 over Lake en Isla (N°. 5) nogmaals over te schrijven onder No. 27; de eerste maal bracht hij het afschrift echter niet ten einde.
a56. Tegen de conclusie, dat het 2e cartularium een direct afschrift van origineelen is, pleit alleen, dat midden tusschen de bijeengeplaatste stukken van keizer Frederik II en zijnen zoon (No. 24-32) zich twee oorkonden van 1122 en 975 (No. 27 en 31) bevinden. Het heeft allen schijn, of deze later op opene plaatsen bijgeschreven en toen gedachteloos mede gekopieerd zijn. Doch de bewijzen van het tegendeel zijn toch te sterk om mij te doen aarzelen, vooral daar de geheele collectie niet chronologisch gerangschikt is.
a57. Verdere lacunes : No. 52 : eene lacune en het slot der oorkonde, – No. 57 : het slot der oorkonde, – No. 75 : verscheidene kleine lacunes.
a58. Het voorkomen van dit stuk in het 2e cartularium, dat overigens uitsluitend keizercharters bevat, is daarentegen zéér vreemd.
a59. Eene dwaling in omgekeerden zin beging deze annotator, toen hij bij No. 31 van het 2e cartularium verzuimde de aanteekening “scriptum est” te plaatsen. Beide malen werd de latere afschrijver (van het Leidsche handschrift), zooals wij zien zullen, van deze dwalingen het slachtoffer.
a60. Foltz, Die Kaiserurkunden d. Bisth. Utrecht, p. 271 beweert hetzelfde van het charter van 975 No. 31, ik weet niet op welken grond.
a61. Met Sickel, Diplomata. I p. 245.
a62. Of Booth die stukken inderdaad “uitgegeven” heeft, betwijfel ik zeer; maar dat hij ze althans heeft laten drukken met de monogrammen, neem ik gaarne aan; immers tal van dergelijke afdrukken van keizeroorkonden met monogrammen, blijkbaar bestemd voor een door Booth ontworpen geschiedwerk, bevinden zich verspreid in zijne verzameling handschriften, thans het eigendom van het rijksarchief in Utrecht.
a63. Ook van drie andere charters, met gouden keizerszegels bezegeld, blijkt het bestaan nog in de 16e eeuw uit kantteekeningen in ons cartularium : het zijn de nommers 32, 33 en 34 van het tweede cartularium.


Noten

1. Het oudste Cartularium van het Sticht Utrecht / uitgegeven door Mr. S. Muller Fz. – ’s Gravehage : Matinus Nijhoff, 1892. – lxxxv, 276 p. – (Werken ; 3e serie, nr. 3). – p. v-xxxix

2. Het oudste Cartularium van het Sticht Utrecht, t.a.p., p. lxxxii.



Start : 1 september 2006 | Laatst bijgewerkt : 1 september 2006