VorigeDe geografie van de ‘Lex Frisionum’Volgende

7. Aanhangsel :
Albert Delahaye en de Ewa uit De Franken in Nederland
Alternatieve visie : correspondentie met Hans Kreijns

Inhoud van deze pagina

  1. Albert Delahaye en de Ewa uit De Franken in Nederland
  2. Alternatieve visie : correspondentie met Hans Kreijns
    Noten

1. Albert Delahaye en de Ewa uit De Franken in Nederland

Albert Delahaye heeft de Lex Frisionum net zo min behandeld als de andere Germaanse wetten. Als hij de streek Armorica behandelt geeft hij een zijdelingse verwijzing, en wel naar aanleiding van een passage in De Franken in Nederland die als volgt luidt :

«Zo ontstond de Lex Frisionum, in de ons overgeleverde vorm waarschijnlijk een voorbereidend stadium van een Fries wetboek. Het recht, dat in het Nederlandse rivierengebied gold, werd neergelegd in de Ewa quae se ad Amorem habet, ‘de wet die bij de Amor (een onbekende rivernaam) geldt’, terwijl de Lex Saxonum wel in een deel van oostelijk Nederland gegolden zal hebben. Het Frankisch recht, dat in Zuid-Nederland en voor Franken elders gold, was al veel vroeger opgetekend in de Lex Salica en de Lex Ribuaria. Zoveel verschillende rechten golden er in ons land, waarbij het Friese recht nog verschilde al naar gelang het ging over het gebied tussen Zwin en Vlie, tussen Vlie en Lauwers of tussen Lauwers en Weser.» (1).

Hij geeft daarop het volgende commentaar :

«Armorica is een streek in Normandië en Bretagne, reeds bij de Romeinen onder deze naam bekend en [die] nu nog als streeknaam Armorique gebruikt. Bekend is de Friezenenwet, ook omschreven als “Ewa quae se ad Armorem habet” (de wet die tot aan de Armorica geldt). Wanneer men dan Blok hiervan ziet maken (p. 95) “een onbekende rivier”, grijpt men in verbijstering naar zijn hoofd voor zo'n verschrikkelijke misser van een naamkundige.» (2).

Albert Delahaye, en hij zal niet de enige zijn geweest, heeft de passage in De Franken in Nederland kennelijk zo begrepen, dat Ewa quae se ad Amorem habet een alternatieve titel zou zijn voor de Lex Frisionum waarmee de hele passage begint en eindigt (3). De uitdrukking komt echter uit de Lex Francorum Chamavorum (4). Andere auteurs duiden deze soms ook aan de Ewa. Om de verwarring nog groter te maken wordt in Frieslands oudheid gesproken van een door de auteur bedachte Ewa Frisionem (5), waarmee bij nauwkeurige lezing iets anders blijkt te worden bedoeld dan de Lex Frisionum.

In Holle boomstammen schreef Albert Delahaye :

«Na de invoering van het graafschap Holland beginnen de Nederlandse Friezen zich af te zetten tegen de Hollanders en hun graaf, die hen onder zich willen hebben. De Friezen, kennelijk uit het oosten gekomen (hun verdere afstamming laat zich slechts gissen), hadden het eerst een hergeboren land in bezit genomen. Zij hadden derhalve gelijk toen zij beweerden dat zij een vrij en onafhankelijk volk waren, al werd dit later aangedikt met de pretentie op de titel van graafschap en wat legendarische namen en graven. Zij waren zelfs zo vrij en onafhankelijk, dat zij niet toelieten dat een van hen zich als graaf opwierp, zodat zij uiteindelijk geen partij konden leveren tegen de graaf van Holland. Door eigen aard en taal waren zij inderdaad weinig Hollands. Nadat zij eenmaal onderworpen waren, bleven zij toch fier de naam van Friezen dragen en zochten zij naarstig, maar dan zijn we al in de 17e eeuw, naar bewijzen voor hun aparte eigenheid, zodat met een los handje alle oude gegevens over Frisonen en Frisia naar Friesland werden getrokken, ondanks het feit dat ter plaatse geen enkel historisch of archeologisch bewijs voor deze stelling te vinden is. De rechtsgeleerden en historici deden daar een schepje op door hen ook nog de LEX FRISIONUM (de wet van de Friezen) aan te bieden, gecodificeerd ten tijde van Karel de Grote, een onontkoombare konsekwentie van het reeds voorgevallene. De wet is omschreven als de Ewa, quae se ad Amorem habet = de wet die tot aan Amore geldt. Van Amore maakt Blok : “een onbekende rivier”. De juiste schrijfwijze is Armorem of Armorica, dat Bretagne en een groot deel van Normandië beslaat, en welke term als Armor of Armorica heden nog in het Franse taalgebruik bestaat. Armor is afgeleid van het Bretonse Arvor en betekent: land aan de zee. Plinius spreekt al in de eerste eeuw van Aremorica, dat hij in Frankrijk situeert en tegenover Lugdunensis stelt. De Ewa van de Friezen gold derhalve van Vlaanderen tot in Normandië. Haar in verband te brengen met de in haar tijd niet bestaande Friezen van Nederland gaat alle perken van historie, rechtsgeleerdheid en historische geografie te buiten, om nog te zwijgen van zoiets simpels als pure logika. Wil men van Amore per sé een “liefdesrivier” maken, dan komt de Rieu d’Amour in aanmerking, wat echter ook een foutieve interpretatie zou zijn, daar de Friezen (lees: Vlamingen) een volk van de zeekust waren, waarmede geen zinnig verband kan worden gelegd naar een rivier ver in het binnenland.» (6).

Het is triest, maar voor de éne keer dat Albert Delahaye De Franken in Nederland aanhaalt zonder er de bronnen van te controleren is hij meteen op het verkeerde been gezet. In de gegeven samenhang maakt het voor het woord ‘Amorem’ weinig uit of het uit de Lex Frisionum dan wel uit de Lex Chamavorum afkomstig is, hoewel de interpretatie Armorica” voor Amorem enkel nog waarschijnlijker wordt in verband met de Chamavi waarop de Lex Francorum Chamavorum betrekking heeft. De Chamavi worden al in de Romeinse periode genoemd, staan vermeld op de Peutingerkaart («Chamavi qui et Franci») en worden door Albert Delahaye gelocaliseerd in de omgeving Camphin-en-Carembault, ten noordwesten van Lens, en van Camphin-en-Pavèle, ten zuidoosten van Rijsel. «Ewa quae se ad Amorem habet» betekent, in tegenstelling tot wat er in De Franken in Nederland van is gemaakt, gewoon : ‘de wet die tot Amorica geldt’; het gaat om een landstreek en niet om een rivier. In De Franken in Nederland worden de Chamavi zomaar «ter weerszijde van de Gelderse IJsel.» neergezet (7).

De toewijzing van de Lex Francorum Chamavorum aan de Chamaven is van de rechtshistoricus Ernst Theodor Gaupp uit Breslau (momenteel Wrocłav in Polen) die in 1855, heel logisch uitgaande van verkeerde localisaties, de wet tussen Friezen, Saksen en het Maasgebied plaatste, in het westen van Gelderland (8). Nu had hij daar Hamaland al geplaatst, dat hij vereenzelvigde met het stamland van de Chamaven, zodat hij besloot de wet dan meteen maar Lex Francorum Chamavorum te noemen, hoewel die naam nergens in de wetstekst voorkomt (9).

In De ware kijk op... is bovendien nog een andere verwijzing van Albert Delahaye te vinden :

«Tekst 344
802. Het Friezen-privilege.
Het bekende en veelbesproken privilege van de Frisones (Vlaanderen), door Karel de Grote in 802 gegeven, wordt door de meeste historici als onecht verworpen, of minstens met grote achterdocht bejegend, omdat zij met de klompen aanvoelden dat er iets niet in orde was, toen de Nederlandse Friezen in de 16e eeuw (!) met dit stuk op de proppen kwamen, waarvan men nooit eerder had gehoord en dat in Friesland of Holland geen aanwijsbaar spoor had nagelaten. Inderdaad klopte het niet, want het was voor Vlaanderen gegeven. In de juiste streek geplaatst, ontmoet het geen motief om het onecht te verklaren. Het bevat jammer genoeg, maar één geografisch detail. Het wordt omschreven als de “Ewa quae se ad Armorem tendit” (de wet die tot aan Armorica geldt). De wet was derhalve van kracht vanaf Vlaanderen tot aan Bretagne.
Bron: MGS, Diplomata, I, p. 393. »
 (10).

Het gaat dus om drie teksten. Albert Delahaye geeft hier de juiste referentie, niet naar de Fresenwet, maar naar het Friezen-privilege. De tekst bevat inderdaad geen geografische details, maar desalniettemin geeft hij, klaarblijkelijk uitgaande van zijn aantekeningen uit dr. D.P. Blok, toch de tekst Ewa quae se ad Armorem tendit (met merkwaardigerwijs tendit in plaats van habet) die echter ook in dit privilege niet voorkomt (11). Daarmee lijkt deze eenvoudige vergissing van de ‘blunderende’ Albert Delahaye afdoende te zijn opgehelderd.

Alvorens iemand nog stellig wil verklaren dat Amorem níet hetzelfde is als van Armorica en ook de band met de Chamaven wil handhaven is het nuttig dat hij eerst het geheel van de bronnen over de Chamavi raadpleegt (12), net als die over Armorica, al te meer omdat er voor Amore geen enkele alternatieve localisatie voorhanden is. De Chamavi waren Franken (13) en in de documentatie van Armorica komen veel spellingsvarianten van de naam voor (14).

In De Franken in Nederland zijn de andere traditionalistische localisaties van de ‘liefdesrivier’ Amore (Eems, Eem en Amer bij Amersfoort) achterwege gebleven, waarmee wordt toegegeven dat deze plaats in Nederland nergens met enige zekerheid kan worden aangewezen en er wordt zonder enige opgaaf van redenen volgehouden dat het om een rivier gaat.

2. Alternatieve visie : correspondentie met Hans Kreijns

Het SEMafoor-symposium van 5 november 2011 te Bavel trok een honderdtal bezoekers. De Rotterdamse traditionalist en “information architect” dr. Kees Nieuwenhuijsen hield aldaar een lezing over « Geografische namen in vroeg-middeleeuwse wetteksten ». Helaas kwam daarvan nóch vooraf nóch achteraf een schriftelijke versie beschikbaar, zodat het moeilijk was daarop ter plekke of achteraf te reageren.
Wel kwam het tot een schriftelijke uitwisseling met Hans Kreijns (15), die een geheel andere visie verdedigt, en die hier, met diens toestemming, waarvoor bedankt, volgt.


6 november 2011.

Hallo Hans,

Het was gisteren een prettige kennismaking.
Ik ben geen aanhanger van de Maastricht-optie voor Trajectum, maar wat je schrijft lees ik met plezier : gebaseerd op oorspronkelijke bronnen en goed beargumenteerd.
[...]
Waar heb je ontwikkeld dat Laubacum de Oude IJsel zou zijn, blijkbaar heb ik dat gemist, en ik wil graag verder zoeken.

Met vriendelijke groeten,

Kees


7 november 2011.

Beste Kees,

Waarom de Oude IJssel? Ik moet een paar zaken vooraf zeggen om mijn argumenten voor deze conclusie toe te lichten. Natuurlijk ga ik uit van mijn visie omtrent het kerngebied van de Friezen, de Saksen, de missionering, de schenkingen, Traiectum, Dorestate, etc. Het één hangt met het ander samen.
Zo kan ik me niet voorstellen dat Willibrord, Bonifatius, Ludger, Willehad e.a. allemaal op de terpen in het natte Friesland gingen missioneren, terwijl ze de hoger gelegen delen van Nederland links lieten liggen. Bovendien, alle schenkingen aan de kerk van Traiectum kwamen uit centraal Nederland, niet één uit Friesland. Om deze en andere redenen ga ik ervan uit dat de eilanden Westrachië en Austrachië resp. de “Utrechtse Heuvelrug” en de “Veluwe” zijn. Het kerngebied van de Friezen plaats ik in centraal Nederland. De Friezen woonden m.i. westelijk van de Oude IJssel-IJssel, de Saksen (en ook nog wat Friezen) ten oosten daarvan. De Oude IJssel-IJssel is naar mijn mening de “Lagbeki”. Er zijn over de rivier met die naam nogal wat bronnen bekend:
1 Ludger zegt in zijn vita Gregorius, ± 760: “De grens tussen de Christelijke Fresonen en de heidenen ligt aan de oostelijke oever van de “Lagbeki” (M.G.S. 15 1. pag. 71).
2 Ludger wordt bisschop over het westelijk gebied van de Saksen. Hij predikte in een gebied gelegen van de oostelijke oever van de “Labeki”, in vijf gouwen, hem door Karel de Grote aangewezen, namelijk : “Hugmerchi”, Hunusga, Emisga, Federitga en het eiland Bant (M.G.S. 2, pag. 410). Ludger overleed als bisschop van Münster in 809.
3 Bisschop Willehad, ± 780, kwam van de plaats waar Bonifatius vermoord werd, Ostrachië, stak de rivier de “Loveke” over, kwam bij een plaats die “Humarcha” heet (M.G.S. 2, pag. 378 e.v.).
4 Schenking aan het klooster Epternacum, 786 : Aan de overzijde van de rivier de “Lauvichi”, in de pagus Hugumarchi (Wampach, Grundherrschaft nr 96).
5 De “Lex Frisionem” noemt “Friezen inter Wisaram” (m.i.Weser) et “Laubachi”, inter “Laubachi” et Flehi et inter Fli et Sincfalam.
6 In de acte van Folckerus, 855, wordt “Humerki” genoemd naast Flethetti, Feluwa, insula Batue, Kinhem en Westrachi. Folckerus had bezittingen in Hamulande en Batuve, in centraal Nederland dus naar mijn mening.
Dat Lagbeki of Labeki, Loveke (Lobeke) en Lauvichi (Laubichi) één en dezelfde rivier zijn, blijkt uit de telkens genoemde gouw “Hugmerchie, of Humarcha, of Hugumarchie”. Deze gouw of mark heet nu de Hohe Mark (Hoge mark) in Münsterland (relict van de naam).
De “Lagbeki” moet dan de Oude IJssel zijn.

Groet, Hans.


7 november 2011.

Beste Hans,

Erg bedankt voor je beargumenteerd antwoord.
Ik voeg het graag toe aan mijn site als alternatieve visie, in de vorm van een ingezonden brief.
Vind je dat goed?
Misschien voeg ik er dan later commentaar wat aan toe (dan is een weerwoord welkom), maar voorlopig laat ik alles liever open en bovendien ben ik voorlopig toch met heel andere dingen bezig.
Mijn visie kan je vinden op ijpelaan.nl (Bronnen en mythen > De geografie van de Lex Frisionum).
Zie je daar dingen die volgens jou niet kunnen, of fouten, dan hou ik me erg aanbevolen.
Verder is alle commentaar welkom.
[...]

Met vriendelijke groeten,

Kees


7 november 2011

Beste Kees,

Natuurlijk heb ik geen bezwaar tegen het invoegen van mijn email in je site, mits ongewijzigd en met bronvermelding.
De Lex Frisionem : Ik heb de tekst in je website doorgenomen. Nu moet ik zeggen dat de aanname dat hier sprake is van de driehoek Laubach, Fle, Sincfal me nogal geforceerd lijkt, en weinig overtuigend. Er wordt eigenlijk niet veel aandacht aan besteed, bij Delahaye kan ik er niets over vinden.
In mijn visie gaat het om drie gebieden waar Friezen woonachtig zijn (niet alles hoeft tot Frisia te behoren).
Het oostelijk gedeelte is voor mij het gebied tussen Wezer (Wisera) en Oude IJssel-IJssel (Laubachi). In dit gebied wonen ook Saksen.
Het centrale gebied ligt tussen Oude IJssel-IJssel (Laubachi) en Fli-Flethite (Flethite bij de Utrechtse Heuvelrug). Overigens mag deze laatste grens ook westelijker liggen, er waren vele Vlieten.
Het westelijk gebied is dan het gebied tussen Fli-Flethite en het Sincfal (evt. het Zwin).
Frisia grenst volgens mij in het zuiden aan de Maas (de lijn Wesel-Maas). Ik zie in mijn visie geen problemen i.v.m. de Lex.
[...]

Groet, Hans.


8 november 2011.

Beste Hans,

Bedankt voor je antwoord.
Ik neem je mails natuurlijk letterlijk over, alleen met weglating ([...]) van wat voor het onderwerp van de Lex Frisionum niet relevant lijkt en met correctie van typefouten.
Voor mij staat Laubach=Lobbes wel vast doordat Radboud de Fries het klooster heeft aangevallen; twee Laubaci in de geschiedenis van de Fresen lijkt me me wat veel.
Sincfal = Zwin wordt door iedereen aanvaard.
De andere namen zijn ingewikkelder en staan mijns insziens open voor verschillende interpretaties, ik doe daar geen definitieve uitspraken over (zie ook de interpretatie door Rinus Boidin in zijn laatste boek (16), die een beetje van de mijne afwijkt.
Het klopt dat Albert Delahaye de Lex niet echt behandeld heeft, dat was ook een reden voor me om verder te zoeken.
Overigens hebben we alleen een zestiende eeuwse tekst, die zelf waarschijnlijk gebaseerd is op een geïnterpoleerd afschrift uit de 13de of 14de eeuw, waarin de namen zijn toegevoegd, en dus slaan de namen wellicht op de situatie in die periode, en wellicht verklaart dat ook waarom Albert Delahaye er niet erg op is ingegaan.
Zelf zie ik niet goed hoe je tot Laubachi > IJsel komt, anders dan door de geografische samenhang die je uitgangs- en eindpunt is.
Ik denk wel dat jouw interpretatie samenhangender is dan de traditionalistische met een beekje en een waddengeul als scheidingen, terwijl Zuiderzee, Rijn, Maas en Schelde ongenoemd blijven.
Maar de Oude IJsel overtuigd me ook niet.
[...]

Met vriendelijke groeten,

Kees


9 november 2011.

Beste Kees,

Bij je “Lex Frisionum, aanhangsel, heb ik onze correspondentie gezien. Niets op aan te merken, zou ik zeggen. Evt. kun je voor mijn zienswijze verwijzen naar Google: hans kreijns blogspot.

Heeft Radboud de Fries het klooster Laubach wel aangevallen? Volgens mij heeft Radboud wel een bondgenootschap gesloten met Neustrië tegen Karel Martel na de dood van Pippijn, maar heeft hij nooit in Frankrijk of België gevochten. Ik ben dat tenminste in bronnen nergens tegengekomen. Ik denk dat hij zich beperkt heeft tot zijn vroegere gebied, echter wel de Rijn is opgevaren tot Keulen, en waarschijnlijk de Maas tot Maastricht. Meer kan ik er niet van maken.

Bij de kwestie Laubachi>Oude IJssel speelt m.i. Humerki een belangrijke rol. Uit de acte van Folckerus maak ik op dat Humerki aan de oostelijke kant van de Oude IJssel moet liggen. In het Münsterland, waar als relict nu nog het natuurpark “Hohe Mark” ligt.

[..]

Er is nog veel te onderzoeken, ik zou het niet erg vinden om eindelijk de waarheid te achterhalen.

Groet, Hans.


10 november 2011.

Beste Hans,

Je laatste berichtje en je blogspot heb ik nog toegevoegd en verder laat ik je op de site voor het moment graag het laatste woord.
Zie voor de Radboud-kwestie ook onder Graven van Holland > Duistere voorgeschiedenis, 694-885 > Radboud, hertog van Fresia (andere bronnen zijn welkom om het plaatje compleet te maken).
[...]

Groetjes,

Kees

Zie ook : hanskreijns.blogspot.com.


Noten

1. In De Franken in Nederland, 3e druk 1979, t.a.p., p. 95. Dr. D.P. Blok merkt daarbij op : «Deze onderscheidingen lijken mij wel latere toevoegsels aan de Lex Frisionum te zijn.» (t.a.p., noot 222 op p. 145).

2. De ware kijk op..., deel 2, t.a.p., p. 104, het gaat om een commentaar bij een citaat uit 286 na Chr. van Eutropius.

3. Pleun Hagemans concludeerde in een discussie over de uitdrukking : «De uitkomst van de discussie lijkt op dit moment als volgt: De Lex Frisonum gold vanaf de Sincfal tot aan de Amer, en zo naar het noorden en noordoosten.» (Ewa quae se usque ad Amorem tendet / Pleun Hagemans. – in : SEMafoor, jaargang 4, nummer 4, november 2003, p. 14-15). Waar hier het woord usque vandaan komt is niet duidelijk, en ook hier wordt niet de juiste wet vermeld.

4. Voor een Latijnse tekst met Engelse en Nederlandse vertaling van de ‘Ewa’, zie : Ewa ad Amorem (verscheen maart 2005); op deze site worden alleen teksten en vertalingen gegeven, zonder commentaar of inleiding, en met kritiekloze overname van de traditionalistische geografische interpretaties. In het debat van Albert Delahaye met prof. dr. F.W.N. Hugenholtz, prof. dr. W.A. van Es, prof. dr. B.H. Stolte en prof. dr. D.P. Blok op 28 januari 1980 in de Oude Manhuispoort te Amsterdam kwam de kwestie aan de orde zonder dat een van de vier hoogleraren opmerkte dat de tekst niet uit de Lex Frisionum maar uit de Lex Francorum Chamavorum kwam, met andere woorden : ze wisten het ook niet.

5. In De Franken in Nederland wordt voor geen van de genoemde wetten een primaire bron opgegeven, maar alleen een secundaire : «J.F. Niermeijer en C. Verlinden, Frankische vestiging en taalgrens (Amsterdam 1957)», zodat hij het kennelijk daaruit heeft overgeschreven, maar waarin de Ewa alleen terzijde wordt genoemd. In Frieslands oudheid wordt gesproken van een Ewa Fresonem; (p. 211); eerst gaat het over «de Ewa die voor het gebied van de Amer geldt», daarna over een kennelijk andere Ewa, «waarvan in de akte van Folker in 855 gewag werd gemaakt», terwijl op p. 114-115, waar de schenking van Folckerus aan het klooster van Werden uit 855 wordt behandeld, er geen enkele Ewa wordt genoemd; vergelijk noot 5 voor deze hypothetische Ewa. Hoezeer dr. D.P. Blok op werkelijk àlles moet worden gecontroleerd valt te lezen in Holle boomstammen, t.a.p., p. 170-171. In : The evolution of the money standard in medieval Frisia wordt als bron voor de zelfbedachte Euua Fresonum («made in an interpolation in a text concerning a gift by Folcmar to the monastery of Werden in 855», zo gemakkelijk gaat dat) gegeven : Kötschke, Rheinische Urbare II. Die Urbare der Abtei Werden a.d. Ruhr. A. Die Urbare vom 9.-13. Jahrhundert. – Düsseldorf, 1978. – p. 10, ook noot 3. Zie ook : Opmerkingen over de ‘ewa, quae se ad Amorem habet’ / Robert Fruin. – In : Verslagen en mededeelingen van de vereeniging tot uitgave der bronnen van het oude vaderlandsche recht, jaargang 7, 1924, p. 571-595.

6. Holle boomstammen, t.a.p., p. 344-345.

7. De Franken in Nederland, t.a.p., p. 11. Daar wordt opgemerkt : «Weliswaar acht De Boone de positie van de Chamavi niet duidelijk – hij denkt dat ze een tussenpositie tussen Franken en Saksen innemen –, maar ik meen met Petri en Wenskus, dat hij hier wat hypercritisch de bronnen interpreteert.». Nee, laten we vooral niet hypercritisch worden, want de Chamavi worden nergens in verband met de IJssel genoemd. De Gelderse IJssel moet overigens niet verward worden met de Hollandse IJssel, die volgens M. Schönfeld in geen enkele vroeg-middeleeuwse bron voorkomt, net zo min overigens als de Lek, zie daarover : Nederlandse waternamen / door M. Schönfeld. – Amsterdam : Noord-Hollandse uitgevers maatschappij, 1955. – p. 74. Waar er wordt gesproken van de Isla gaat het om de Lys of de Lijsel bij St.-Omaars.

8. Lex Francorum Chamavorum oder das vermeintliche Xantener Gaurecht / Herausgegeben und erläutert von Ernst Theodor Gaupp. – Breslau : Josef Max und Komp., 1855. – vi, 83 p. Herdrukt als : Lex Francorum Chamavorum oder Das vermeintliche Xantener Gaurecht / Herausgegeben und erläutert [von] Ernst Theodor Gaupp. – Neudruck der Ausgabe Breslau 1855. – Aalen : Scientia-Verlag, 1968. – vi, 83 p. Franse vertaling : Recherches sur la lex Francorum Chamavorum ou sur la prétendue loi de Xanten / Dr. Ernst Theodor Gaupp. – In : Revue historique de droit français et étranger / publié sous la direction de M. M.Ed. Laboulaye, E. de Rosière [et al.]. – Paris, Vol. I, 1855, p. 417-443. Gaupp bestrijdt de eerdere opvatting dat de wet betrekking had op Xanten en omgeving en vond het leuker om hem op de omgeving van Nijmegen te betrekken. De enige geografische bepalingen in de wet zijn: «... in Amore ...» (... in het gebied Amorica ...); «in Mashau ...» (... [Maasgouw !] ?) «Quicquid in Amore Fresiones ...» (Iedere Frees die in Amorica ...); «Quicquid Saxones ...» (Iedere Saks ...). Aangezien de Saxonen in Boulogne woonden en de Fresen ten oosten daarvan, heeft de Ewa betrekking op het zuidelijker gebied dat als Armorica bekend staat zodat we daar nog dichter bij zijn gekomen dan de Chamaven ons al brachten.

9. Voor de Latijnse tekst en een Engelse en Nederlandse vertaling, zie : Ewa ad Amorem op de Living History Studies-site. De Duits- en Franstalige literatuurverwijzingen aldaar naar Gaupp zijn ook te vinden op Digitale Bibliothek van het Max-Planck Institut für europäische Rechtsgeschichte; voorts aldaar :

  • Die Euua Chamavorum. Ein Beitrag zur Kritik und Erläuterung ihres Textes / von Dr. Heinrich Zöpfl. – Heidelberg : Mohr, 1856. – vi, 96 S.

10. De ware kijk op..., deel 2, t.a.p., p. 267.

11. Voor het Friezen-privilege, zie ook : Inleiding.

12. De ware kijk op..., deel 1, t.a.p., p. 17, 19, 24-26, 33, 64, 77, 100, 168, 250, 440, en deel 2, p. 109, 154, 227, 309, 349, 373, 489, 576, 578, 582 en 584. In het debat in de Oude Manhuispoort stelde Albert Delahaye dat een kopiïst “een letterje wegknutselde en er maar liefde van maakte”.

13. Men vergelijke : Friesland’s oudheid, t.a.p., p. 210-211, waar een hoofdstuk aan de Ewa wordt gewijd, waar het woord Chamavi ontbreekt maar we wel een heel Amorland aantreffen dat in verband wordt gebracht met de Amer, een deel van de Bergse Maas. De Amer is natuurlijk ook met de Eem vereenzelvigd en ook met de Eems, en toen dat geen stand hield met de Amer, dat een zijstroompje van de Eem zou zijn geweest, en waaraan Amersfoort zijn naam te danken zou hebben, zie daarover : Nederlandse waternamen, t.a.p., p. 44. Robert Fruin maakte er in 1924 de Alblasserwaard van, waar Groot Ammers en de Ammerstol te vinden zijn terwijl Niermeijer er in 1953 het hele rivierengebied onder begreep. Met zoveel liefdesrivieren tegelijk laat dr. D.P. Blok de kwestie maar open hoewel het vanuit zijn gezichtspunt logisch was geweest als hij de IJssel aan de kandidatenlijst had toegevoegd. Er is nauwelijks een plaats die met Am- begint waarop deze Ewa niet is losgelaten, behalve Amsterdam dan. Dat bewijst alleen dat er maar wat wordt geraden en dat de Chamavi niet in Nederland passen en daar naamkundig ook geen aanwijsbare sporen hebben achtergelaten. Alleen de naturistenvereniging Chamavi in Almere-Haven (“Naturisme is een levenswijze in harmonie met de natuur, gekenmerkt door gemeenschappelijke naaktheid, die als doel heeft het bevorderen van zelfrespect en respect voor de medemens en eerbied voor natuur en milieu.”, wat natuurlijk heel respectabel is), denkt daar nog anders over en de traditionalisten lopen dan ook geheel vrijwillig in de kleren van de keizer.

14. Als lezing van de Ewa quae se ad Amorem habet ook de spelling Ammorem toelaat, dan kan er natuurlijk ook Armorem hebben gestaan en lijkt het raadzaam en nuttig de handschriften nog eens te raadplegen, waarvan het belangrijkste, niet toevallig, in Metz ligt, en niet in Zwolle. Voor andere spellingen van Armorica, zie: : De ware kijk op..., t.a.p., deel 2, p. 104, 166, 193, 225, 226, 229, 267 en 307.

15. Hans Kreijns overleed kort na deze correspondentie, ’s Gravenhage, 4 april 2012 op 83-jarige leeftijd. Toen werd het bij andere deelnemers aan het debat bekend dat hij ook wereldkampioen bridge was geweest in 1966.

16. Bonifatius of de de schone schijn van Dokkum / M.P. Boidin. – Rotterdam : Trichis, 2011. – p. 16.


Start : 9 mei 2004 | Laatst bijgewerkt : 9 november 20011