VorigeTraditionalisme of wetenschapVolgende

De Deurnse Doordraver, Epiloog

Inhoud van deze pagina

Epiloog 1 : Een smadelijke aftocht

Ton Spamer gelooft in de traditionalistische mythe, vandaar dat hij die kritiekloos benadert. Albert Delahaye daarentegen gelooft hij niet, vandaar dat hij diens geschiften, in de traditionalistische traditie, ongelezen verwerpt.

Periculosum est credere et non credere; geloven/vertrouwen zowel als niet geloven/wantrouwen is gevaarlijk. Op het geloof zowel als het ongeloof van Ton Spamer is hier onmiddelijk gereageerd door hem historische en archeologische argumenten voor te leggen zodat hij daarover kritisch kon oordelen – hij weigert er kennis van te nemen.

Ton Spamer’s uitgangspositie was de volgende :

«Ik vind het niet erg om als historicus tijd en energie te besteden aan het reageren op de stellingen m.b.t. Tournehem en Eperlecques. Alleen zou ik nu eens willen dat geharnaste Delahaye-aanhangers de hierboven aangetoonde onlogica en onjuistheden erkennen of anders mij om de oren slaan met harde tegenbewijzen waar ik niet omheen kan. Ze mogen me onder het historisch vloerkleed vegen als ze kunnen. Dat maakt het geschiedkundig onderzoek alleen maar levendiger.» (1).

Toen hij op zijn wenken werd bediend en als eerste op de hoogte werd gebracht van het bestaan van deze reactie op zijn opstel antwoordde hij onmiddellijk, zo snel dat hij die reactie nauwelijks kon hebben ingezien, laat staan in overweging genomen :

[Zondag 23 januari 2005]

«Geachte heer IJpelaan,
Met U zou ik niet graag de degens kruisen, want aan mijn kant staan slechts wetenschappelijke collega's, taalkundigen, historici en archeologen. U weet wel, van die lieden die absoluut niets weten en maar wat verzinnen.
Aan uw kant staat de Onsterfelijke Delahaye. Die wordt weliswaar door geen enkele wetenschapper aangehangen, maar tenslotte wordt geen enkele profeet geëerd in eigen land.
De logica van Zijn en uw redeneringen ontgaat mij te enenmale, maar dat is ook niet verwonderlijk : ik heb slechts een academische studie achter de rug, jaren archiefonderzoek in de oorspronkelijke bronnen, jaren studie in honderden grote en kleine monografieën, jaren vergelijkend taalonderzoek.
Ik zal Uw website derhalve niet meer bezoeken, want die is te geleerd voor mij.
Met vriendelijke groet,
Ton Spamer.»

Om iets van redeneringen te begrijpen verdient het academische aanbeveling om die eerst te bestuderen en het is altijd mogelijk om daarover nog nadere uitleg te vragen. De tolerantie van “geharnaste Delahaye-aanhangers” is al spreekwoordelijk en het feit dat Ton Spamer’s opstel voorin het boek over Willibrord en Bonifatius kon verschijnen getuigt zelfs van een aan het masochisme grenzende vrijgevigheid. Ton Spamer weet maar al te goed – wat hij zichzelf ook wijsmaakt – dat zijn hele fantoom-leger van anonieme collega-wetenschappers hem lelijk in de kou laat staan. Om met de deurneraar Jan Hanlo te spreken : geen boe en geen ba.


Epiloog 2 : “De vloek van de fantasie”

In reactie op een redelijke vraag van Huub Kluijtmans verklaart Ton Spamer op 17 maart 2005 verontwaardigd dat de Peelbewoners van het Jaar Nul, in tegenstelling tot wat in ‘alternatieve theorieën’ wordt beweerd, wel degelijk van lotje waren getikt en zonder enige aanwijsbare reden Gouden Helmen in het Moeras stonden te gooien (2).

Dan verandert hij snel van onderwerp. Hij heeft zijn grove geschut inmiddels in tegenovergestelde richting opgesteld. Er bestaan volgens hem tóch “opdissende historici”, hoewel hij ze nog steeds niet bij name noemt :

«Nog maar een paar jaar geleden was in een nieuw verschenen en door twee provincies gesubsidieerd boek (dus betrouwbaar, zal menigeen gedacht hebben) te lezen dat de plaatsnaam Liessel van 711 dateert en iets met Ansbald te maken had, dat het eerste grote werk van Willibrord het eigenhandig bouwen van een kerk in Bakel in 721 is geweest en dat hij 7 jaar later de kerken in Deurne en Gemert bouwde. Liessel komt echter vóór 1326 niet voor, Ansbald opereerde elders in Brabant, van Willibrords aanwezigheid in Brabant weten we precies niets, de kerk in Bakel bestond al vóór 714 [alweer gesmokkeld : was het niet in 721 ?], die van Deurne wordt pas in 1069 voor het eerst vermeld en van de kerk van Gemert weten we de exacte bouwperiode, namelijk na 1437.»

Daarmee schopt hij de laatste poot onder zijn eigen stoel vandaan voor wat betreft de Echternachse aanspraken, en toont hij aan dat er in Brabant nog veel groter wauwelaars zijn dan hijzelf. Maar eigenlijk wilde hij vooral het volgende kwijt :

«Zolang auteurs zich blijven beroepen op totaal achterhaalde literatuur, zolang men internationale ontdekkingen zorgvuldig uit de weg gaat en zolang oncontroleerbare visionaire uitspraken als werkelijkheid worden gepresenteerd, zolang kun je als wetenschapper niet blij zijn met wat er allemaal geschreven en gepresenteerd wordt over het verleden van Deurne. Helaas zal de vloek van de fantasie ons waarschijnlijk tot in lengte van jaren blijven achtervolgen.».

Hij staat nog altijd méér te raaskallen over zijn eigen ‘wetenschappelijkheid’ dan over alle andere onderwerpen tezamen.

Om de Bakelse kerk ‘van vóór 714’ in het geheugen te griffen bestaat er een ezelsbruggetje :

«Het dorp Bakel had nog geen naam en reeds was er een kerk gebouwd, die vóór het in gebruik nemen eerst werd bekeken door de overheden. En... wat zien ze : reeds groeit op de omloop van de toren gras! Dat gaat toch niet, op een nieuwe kerk. Maar men wist raad. Een hijschblok stond er nog en een prachtige oplossing leek nu : een kalf op te hijschen tot de omloop, dan kon dat beestje het gras afeten.
Zoo geschiedde. Een kalf werd gehaald, het touw met een strop om de hals van het kalf gebonden en toen maar hijschen. “Boak, boake”, bulkte het angstige beest!
“Halt”, riep de burgemeester, “hier geeft een onnoozel dier ons dorp een naam : Boake – Boakel – Bakel – zal het heeten. En zoo gebeurde het.»
 (3).

Epiloog 3 : Boekenoorlog in de Peel

In het Eindhovens Dagblad in oktober 2005 blijft het geschut in tegenovergestelde richting opgesteld en worden zo langzamerhand bekende thema’s als opbod in ‘wetenschappelijkheid’, het opscheppen met de academische titels van anderen, de mysterieuze Bakelse kerk van 721, niet nader omschreven “recent onderzoek” en natuurlijk de “opdissende historici” nog maar weer eens opgevoerd :

«Klopt ‘Reizen door de oude Peel’?

Als in een uitgave over de geschiedenis van de Peel zoals ‘Ach lieve tijd’ (4) ernstige of vele fouten zouden staan, mag iemand daar zeker kritiek op uitoefenen.
Dat dat onlangs in het Eindhovens Dagblad gebeurde was dan ook op zich niet onrechtmatig, al lijkt het daar eerder over kleine tekortkomingen te gaan.
Maar er moet wel een zekere rechtvaardigheid zijn in alles. Het was met name Theo Janssen die ter vergelijking verwees naar de ‘wetenschappelijke opzet’ van zijn eigen boeken ‘Reizen door de oude Peel’ (5). Nu wil ik geen kwaad woord zeggen over de prachtige verhalen over geesten van Romeinse officeren en zo die Janssen daarin vertelt. Maar wat hij vervolgens aan ‘feiten’ opdist over het Verleden is in vele gevallen volstrekt bezijden de wetenschappelijke waarheid.
Ik moet mij hier beperken tot wat hoofdzaken. Hij laat Willibrord hier rondreizen, kerken bouwen en dopen. In de tijd van zijn voornaamste bron. prof. Titus Brandsma (gestorven in 1942), geloofde men dat inderdaad. Maar recent onderzoek heeft hieraan een definitief eind gemaakt.
We weten überhaupt niet of Willibrord hier ooit is geweest of heeft rondgereisd. Van alle grote publicaties over Willibrord vanaf 1992 is echter in de literatuurlijst noch in de tekst van Janssen iets terug te vinden. De talloze publicaties van onze Brabantse Willibrord-kenner-bij-uitstek, prof. Arnoud-Jan Bijsterveld (6), en de dissertaties van Theuws en Verwers over Zuidoost-Brabant heeft hij niet benut (7).
Hij laat Liessel al in 711 voorkomen in een oorkonde van Ansbald. Maar de oorkonde van Ansbald gaat niet over Liessel.
De oudst bekende vermelding van Liessel dateert trouwens uit 1312. Vervolgens laat hij Willibrord in 721 een kerk in Bakel bouwen. 7 jaar later – dus in 728 – een in Deurne en vervolgens een in Gemert.
Helaas is de oudste vermelding van de Deurnese kerk uit 1069 en werd die van Gemert gebouwd vanaf 1437. Hier zit Janssen er dus 700 jaar naast.
Hij vermeldt dat bij het uitgeven van gemene gronden door de hertog van Brabant kort na 1300 ‘globale grenzen’ van de heerlijkheden werden vastgesteld. Als hij een blik had geworpen op de uitgiftebrief voor Deurne uit 1326, dan had hij kunnen zien dat die wat de grensbeschrijving betreft een wonder van scherpte en precisie is.
Een blunder van de eerste orde is zijn bewering dat men (d.w.z. de katholieke bevolking van Brabant) na het sluiten van de Vrede van Munster in 1648 ‘met blijde hoop de toekomst tegemoet zag’. Het tegenovergestelde was echter het geval. De katholieken hier wisten sinds 1629 (inname van Den Bosch door de protestantse Republiek) precies wat hun boven het hoofd hing. Niet voor niets brachten die van Deurne de kerkschatten in veiligheid over de grens voordat de protestanten konden toeslaan.
Waarover zouden de Brabantse katholieken blijde hoop moeten hebben gehad? Over het in beslag nemen van hun kerken en het verbod op uitoefening van hun godsdienst? Wie zulke dingen schrijft bewijst daarmee dat hij eenvoudig de feiten niet kent en niet begrepen heeft wat er gebeurde. Heel onwetenschappelijk is ook de mededeling dat de Duitse Orde in 1299 in Gemert is gesticht. Die werd echter in 1198 in Palestina gesticht en beschikte al vóór 1200 over bezit in Gemert.
Als jarenlang recensent voor de Nederlandse Openbare Bibliotheken weet ik uit ervaring hoe gemakkelijk het is een boek de grond in te boren. Daarom heb ik mijn kritiek op Janssens boek nooit in de pers openbaar gemaakt.
Maar nu Janssen zelf durft te verwijzen naar de wetenschappelijke waarde van zijn boeken moet de zaak worden rechtgezet. Daar hebben zowel de auteurs van ‘Ach lieve tijd’ als de lezers van het Eindhovens Dagblad en de gebruikers van onze openbare bibliotheken recht op.
TON SPAMER historicus
Deurne»

Ton Spamer is zich er inmiddels wel van bewust – hij weet dat immers uit ervaring ! – “hoe gemakkelijk het is een boek de grond in te boren”. Arme openbare bibliotheken die voor hun aanschaf afhankelijk zijn van een dergelijke recensent die ongelezen verwerpt !


Epiloog 4 : Laurentia en Lumbres

Over de Romeinse periode beweerde Ton Spamer wel heel pertinent :

«Het op de Peutinger-kaart voorkomende Lauri aan de Rhenus werd door de traditie altijd voor Woerden versleten. Volgens Delahaye moest het Lumbres ten zuidwesten van St.-Omer zijn “dat voorheen Laurentia heette” [Holle boomstammen, p. 404]. Welke bron hij hiervoor benut heeft zal wel altijd een raadsel blijven. Lumbres heette vroeger Lumères en wordt voor het eerst in de oorkonden vermeld in 1118. Het enige Romeinse eraan is een passerende Romeinse straatweg. Vondsten zijn er niet gedaan.» (8).

Erg lang kan hij niet gezocht hebben en zijn ‘altijd’ is dan ook van korte duur :

«Lumbres est l’ancienne Laurentia située sur la voie militaire du Septemvium à Sithieu

Vertaald :

«Lumbres is het oude Laurentia gelegen aan de militaire weg van Septemvium [bij Zoteux] naar Sithieu [St.-Omaars].» (9).

En de Dictionnaire topographique du Département du Pas-de-Calais geeft (vertaald en samengevat) als oude naamsvormen van Lumbres :

«Lumbres, kantonhoofdplaats, arrondissement Sint-Omaars; Laurentia, 1040; Lumerez, 1183; Lumera, 1189; Lumbres, 1220; Lumers, 1227; Lumeres, 1228; Lunbres, 1238; Laurentia sive Lumbriæ, rond 1512.» (10).

Om het nog eens goed duidelijk te maken is dit hele wegennetwerk voor Ton Spamer op kaart gezet, met Laurentia flink groot zoals hij het graag ziet :

Septemvium

Het Septemvium, met daarin Lumbres / Laurentia
(Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm)

Er wordt duidelijk met twee maten gemeten. De Romeinse weg bij Lumbres wordt weggewuifd als “het enige Romeinse”. Het “vondsten zijn er niet gedaan” voor Lumbres is gewoon niet waar (11) en moet bovendien worden aangevuld met : er is ook niet veel gezocht, en voor paalgaten en losse potscherven bestaat er in die omgeving niet veel wetenschappelijke belangstelling. De vondsten te Woerden – waarvan de naam niet eens lijkt op Laurentia en waar géén Romeinse weg is gevonden – bewijzen niets ten gunste van de traditionalistische vereenzelviging van deze plaats met het Lauri van de Peutingerkaart.


Epiloog 5 : De roes van het eigen gelijk

Ton Spamer weet van geen ophouden. In SEMafoor (12) verscheen uiteindelijk tóch een vrucht van zijn toetsenbord uit augustus 2005 onder de titel De roes van het eigen gelijk. Dat was niet zozeer een antwoord op de hier gepubliceerde kritiek want in de traditionalistische traditie werd die immers ongelezen verworpen. Er werd dan ook voorgegeven dat er enkel werd gereageerd op de redactionele samenvatting die in het tijdschrift SEMafoor daarvan werd weergegeven. Dan is het wel vreemd dat er bladzijdenummers worden aangehaald die alleen kunnen komen uit een afgedrukt exemplaar van de hele kritiek. Betoogd wordt er weinig. Het antwoord daarop (13) – door de redactie van SEMafoor omschreven als “Een slotdebat voor fijnproevers” (14) – volgt hieronder.

«De kater van het eigen ongelijk

Zoals al bekend was heeft Ton Spamer de traditionalistische handdoek allang in de wetenschappelijke ring gegooid : “Een inhoudelijke reactie te geven op het artikel ‘Traditionalisme of wetenschap’ van Kees IJpelaan in SEMafoor van mei 2005 is onmogelijk.” Waarom is dat onmogelijk? Omdat Ton Spamer zich dan serieus met het probleem zou moeten gaan bezighouden. Hij probeert zijn gram te halen in “De roes van het eigen gelijk”, waar hij zijn smadelijke aftocht omgeeft met twee andere redenen :
  1. “Om al zijn beweringen over Willibrord, Bonifatius en Echternach te beantwoorden zou ik alle argumenten die de laatste 40 jaar tegen Delahaye zijn ingebracht moeten gaan herhalen. Het lijkt me dat SEMafoor daarvoor niet is opgericht.”
    We zouden hem aanraden om in plaats van over te schrijven wat anderen daartegen hebben ingebracht eerst eens het werk van Albert Delahaye te lezen. Het zou overigens geweldig zijn als iemand al die argumenten bij elkaar bracht. Anderzijds kan het niet veel werk zijn want Ton Spamer weet buiten de twee artikeltjes uit Brabants Heem nog altijd niets te noemen, en de argumenten daaruit heeft hij al gebruikt. Als SEMafoor niet is opgericht om argumenten tegen de opvattingen van Albert Delahaye te verzamelen dan heeft het er toch blijk van gegeven daarvoor wel degelijk open te staan want Ton Spamer’s bijdragen zijn daarin afgedrukt.
  2. “Een tweede reden is dat zijn manier van argumenteren een reactie onmogelijk maakt. Een collega aan wie ik het liet lezen verloochende zijn jarenlange verblijf in Engeland niet. Zijn onderkoelde reactie luidde : ‘A little bit overdone, isn’t it?’ En dat was de spijker op de kop. IJpelaan bedwelmt zich aan zijn eigen gelijk.”
    Eerst onterecht klagen dat Albert Delahaye “niet antwoordde” en nu is het antwoord weer “overdone”. Het is ook nooit goed.
Dan komt Ton Spamer ter zake : “In het onderstaande moet ik wel een aantal van IJpelaans beschuldigingen in SEMafoor onder de loupe nemen. Ik vraag de lezers excuus voor de lengte, maar zij moeten weten waar zij aan toe zijn als iemand wetenschappelijk voor oud vuil wordt uitgemaakt.”
De lengte van zijn betoog valt nogal mee; hij is zelfs betrekkelijk kort van stof. Als zijn beweringen en vooral zijn methode de toets der kritiek niet hebben kunnen doorstaan betekent dat niet in het minst dat hij persoonlijk “voor oud vuil is uitgemaakt”. Blijkbaar is hij ook vergeten dat hij eerder uitdagend schreef : “Ze mogen me onder het historisch vloerkleed vegen als ze kunnen. Dat maakt het geschiedkundig onderzoek alleen maar levendiger.”
Het artikel in SEMafoor was trouwens een redactionele samenvatting van de tekst op deze website die in januari 2004 verscheen en die Ton Spamer uitdrukkelijk geweigerd heeft te lezen. Nadat hij zo hoog opgaf van zijn eigen wetenschappelijke kwalificaties gaf hij als reden op dat het “te geleerd” voor hem werd. Toen zijn ronduit onbeschofte e-mail van 23 januari werd ontvingen is hem te kennen gegeven dat die gepubliceerd zou worden tenzij hij daartegen bezwaar zou maken. Daarop is geen antwoord ontvangen.
Ton Spamer is verontwaardigd omdat het gewaagd werd kritische vragen te stellen bij zijn beroep op de autoriteit van dr. Marco Mostert, aan wiens woorden volgens Ton Spamer eerder geloof zou moeten worden gehecht dan aan dat van de andere symposiumsprekers van kennelijk minder formaat; die waren immers “verreweg voor het grootste deel geen historici of vakspecialisten”, en hij schrijft over het gebrek aan onderbouwing : “Te verlangen dat dat in een samenvattende slotconclusie in den brede uit de doeken wordt gedaan is op een symposium niet – laten we zeggen – gebruikelijk. En men kan mij niet kwalijk nemen dat Mostert dat toen niet deed.” Kortom, voor de ontbrekende argumentatie moeten we bij dr. Marco Mostert zijn, niet bij Ton Spamer, die heel discreet is over zijn eigen academische titels. Een wel heel vreemd beroep op een autoriteit – die vervolgens door hem wordt uitgedaagd om zijn beweringen eindelijk eens te onderbouwen. Er is op zichzelf natuurlijk weinig tegen academische titels; als die vergezeld gaan van deugdelijke argumenten kan er moeilijk een punt van worden gemaakt. Wél als titels worden misbruikt om slechte argumenten of de afwezigheid van argumenten toe te dekken.
Gaan we verder : “In mijn hoofdstuk in het boek over Willibrord en Bonifatius heb ik uiteraard beargumenteerd waarom de aanhangers van de alternatieve theorieën mijns inziens geen gelijk konden hebben. Maar ik heb het wel bij droge argumenten gelaten. Ik heb ze niet van bedrog beschuldigd of ze als persoon aangevallen. Ik heb nog minder leugens over ze verspreid. Ten eerste is dat bij de meeste wetenschappers niet echt usance en ten tweede zou mijn vader dat niet goed gevonden hebben.” Nu blijft het moeilijk achterhaalbaar of de vader van Ton Spamer de uitdrukkingen “dom geschrijf”, “ridicuul”, “gebakken lucht” en “onzinnig” zou hebben goedgekeurd, maar het valt moeilijk vol te houden dat die thuishoren in de rubriek “wetenschappelijke usance”. Hij mag natuurlijk, maar dan moet hij niet klagen.
Het gaat Ton Spamer allang niet meer om de zaak, want die heeft hij opgegeven, het gaat alleen om zijn persoon. Hij wil het bewijs leveren dat zijn tegenstrever “minder moeite” zou hebben dan hijzelf met beschuldigingen van bedrog, persoonlijke aanvallen en leugens. Dat valt te bezien. Om die stelling te onderbouwen geeft hij namelijk veertien voorbeelden die daarvoor niet alleen geen spoor van bewijs blijken te bevatten, maar waarmee bovendien zijn eigen zaak nog slechter komt te staan.
  1. Hier werd geschreven : “Nergens wordt verwezen naar Ontspoorde historie, dat niettemin op zijn literatuurlijstje staat, en naar Holle boomstammen wordt maar vier keer verwezen”. Bij Ton Spamer wordt dat : “Op dezelfde pagina verwijt IJpelaan mij letterlijk : ‘Nergens wordt verwezen (.....) naar Holle boomstammen’.”
    Het woord ‘letterlijk’ moet hier in een wel heel speciale betekenis zijn gebruikt.
  2. “Maar als IJpelaan meedeelt dat ik ook ‘Ontspoorde Historie’ niet gelezen en Delahayes vergelijking van Afterlacum met het Engelse ‘after the lake’ uit mijn duim gezogen heb (op zijn website – zoals ik dank zij Hans den Besten te weten ben gekomen (15) – waarnaar hij zelf verwijst), dan spreekt hij bewust onwaarheid òf hij heeft Delahaye niet gelezen...... In ‘Ontspoorde historie’ staat het er echt, op pagina 83.”
    Daar staat het niet. De verwijzing is ditmaal overgenomen uit de bijdrage van Hans den Besten die bladzijde 82 opgeeft. En daar staat iets anders. Hans den Besten vergist zich in zijn bijdrage als hij op gezag van Ton Spamer ten onrechte aanneemt dat volgens Albert Delahaye “after lake” (want dát staat er) Engels is en het lidwoord “the” is door Ton Spamer inderdaad uit zijn duim gezogen. Albert Delahaye vergeleek Afterlaken met het Franse “après lac” en het Nederlandse “after lake” en hier werd geciteerd : “voor ‘achter’ staat in honderden Hollandse teksten ‘after’”. Ton Spamer mag ridiculiseren wat hij wil, maar het wordt wel hoog tijd dat hij eindelijk eens leert fatsoenlijk te citeren en te refereren in plaats van anderen tijdrovende raadseltjes en bergen huiswerk op te geven. Wat hij overigens nu weer niet vermeldt – hij heeft het naar eigen zeggen niet eens gelezen – is dat er in een voetnoot bij voorbaat aan toevoegd was : “In Frans-Vlaanderen, aan de kanaalkust, bestaat er trouwens wel degelijk een invloed van het Engels; het gebied is meerdere malen in Angelsaksische handen geweest.” Willibrord zélf was natuurlijk ook een Angelsaksische prediker.
  3. “Ook wordt mij kwalijk genomen dat ik van de 43 schenkingen in Texandrië die Delahaye noemt er maar 5 behandeld heb. Maar ik spitste de zaak met name toe op de plaatsen die door Delahaye zelf het felst zijn aangevochten in ‘Holle Boomstammen’.”
    Het ging niet om 43 schenkingen maar om 43 plaatsen. Hier is geprobeerd duidelijk te maken dat de kwestie niet kan worden opgelost vanuit wat een “blikvernauwende kleinschaligheid” werd genoemd. De vijf genoemde plaatsen zijn in Holle boomstammen niet het “felst aangevochten” – zo belangrijk is de Peel nu ook weer niet –, ze nemen daar zelfs een ondergeschikte plaats in. Ze zijn wél het felst verdedigd, maar dat is iets anders. Een uitwedstrijd in de Peel werd hier niet uit de weg gegaan alwaar Ton Spamer voor eigen publiek is afgedropen. Hij is gaarne uitgenodigd voor de terugwedstrijd in Kennemerland, waarbij hij zelf mag kiezen of we spelen op het terrein van het vroeg-middeleeuwse Felison dan wel dat van het vroeg-middeleeuwse Heliglo.
  4. “Dan komt IJpelaan met een aantal beweringen die handen noch voeten blijken te hebben. Zo zou ik voor de lokalisatie van de bij de schenkingen betrokken plaatsnamen vooral gesteund hebben op Wampach, Boeren en Brabants Heem. Integendeel, ik heb daarvoor Theuws, Bijsterveld en Verwers gebruikt alsmede nog wat recentere publicaties.”
    Er is nergens beweerd dat Ton Spamer zich op de genoemde bronnen baseerde en dat kon ook niet omdat hij de meeste lokalisaties niet opgaf. Ze moesten hier zelf worden opgezocht.
  5. “Heel pinnig corrigeert IJpelaan mij dat sceatta’s geen Friese maar Angelsaksische munten waren. Vervolgens deelt hij mee dat ze ook op het continent werden nagebootst. Inderdaad, en daarom stellen de wetenschappers dat de Friezen de sceatta sloegen vanaf 670 tot ongeveer 750. Als de Franken het Friese gebied inlijven, verdwijnt de muntsoort hier. Daarom noemen we dat Friese sceatta's.”
    De uitdrukking “Friese sceatta’s” werd in een juister perspectief geplaatst omdat er de suggestie mee werd gewekt dat er in Nederland een heel Fries volk bestond met eigen muntslag en al. Het gaat om valsemunterij van onbestemde herkomst waaruit niets kan worden afgeleid voor bewoning in de achtste eeuw (16).
  6. “De concentratie van Brabantnamen zou in Vlaanderen liggen, zegt IJpelaan. Maar op het in het boek afgebeelde en door iedereen te raadplegen kaartje liggen er daar slechts 11 van de 48. Waar berust zo’n uitspraak eigenlijk op en waarom doet IJpelaan die? Heeft hij andere kennis? Waarom houdt hij die dan achter? Of schrijft hij volstrekt blindelings?”
    Er stond : “de grootste concentratie” wat niet hetzelfde is als “de meeste” en in heel Noord-Brabant is er maar één aan te wijzen.
  7. “Dan beweert hij op pag. 33 letterlijk dat van de oorkonde van 721 ‘niet eens een afschrift’ bestaat. Maar als het origineel niet bestaat en er ook geen afschrift van bestaat, hoe kunnen we dan de tekst ervan kennen? En als we geen tekst hebben, hoe wist Delahaye dan van die schenking? Zwarte magie wellicht?”
    Er bestaat inderdaad een ‘afschrift’ in het Liber Aureus, en verder een getuigenis van vele eeuwen later. Hier werd niet beweerd dat de notaris loog, wat er niet toe doet, maar er stond iets heel anders : “Diens getuigenis wordt nergens door bevestigd en kan bezwaarlijk onafhankelijk worden genoemd”. Aan de zaak zelf, namelijk dat Ton Spamer “geen enkel origineel stuk [kan] overleggen van vóór 1161”, verandert het niets, en Ton Spamer gaf zélf toe : “Dat overigens de Herelaef-oorkonde van 721, die in 1471 door notaris Hoensbach von Millingen werd gezien en voor echt verklaard, een vervalsing was, is theoretisch uiteraard best mogelijk. Er werd zoveel vervalst.”
  8. “In ‘Holle Boomstammen’ (pag. 413) beschuldigde Delahaye de abdij Echternach ervan dat die haar aanspraken in Deurne bedrieglijk onderbouwde met valse akten, waartegen ‘geïntimideerde priesters en leken’ zich zouden hebben verzet. Ferdinand Smulders noemde dit in 1966 ‘dom geschrijf’ en daagde Delahaye uit dit waar te maken, wat deze nooit deed. Ik refereerde hieraan in mijn boektekst. IJpelaan volgt nu Delahaye in dubbel opzicht. Hij verwijt mij eerst dat ik verwees naar iemand (Smulders) die ‘veertig jaar geleden al geen betere argumenten had’, daarbij vergetend dat Bijsterveld in 1983 nog steeds op de bewijzen van Delahaye zat te wachten. Met ‘geen betere argumenten hebben’ bedoelt IJpelaan het vragen naar bewijzen, iets dat hij kennelijk ongepast vindt. Vervolgens maakt ook hij Delahayes beschuldigingen nergens waar. Het enige dat al 40 jaar als een paal boven water staat is, dat de beschuldigingen van Delahaye nog nooit ergens zijn bewezen. Tenzij IJpelaan nu spoorslags met die bewijzen komt natuurlijk.”
    Zoals eerder gemeld staat dat niet op bladzijde 413 waar Deurne niet eens wordt genoemd, maar op bladzijde 285. F.W. Smulders (in 1966), noch Arnoud-Jan Bijsterveld (in 1983), noch Ton Spamer (in 2004) hebben de Echternachse aanspraken in Brabant als rechtmatig kunnen nawijzen of de opvattingen van Albert Delahaye weerlegd, alleen al omdat ze op het wezenlijke niet ingaan, en Albert Delahaye heeft wél op F.W. Smulders geantwoord. Dat het antwoord van Albert Delahaye nog niet was verschenen in 1983 toen Arnoud-Jan Bijsterveld schreef is geen argument omdat Ton Spamer in 2004 schreef toen het wél was verschenen. Er is sinds 1966 blijkbaar ongeduldig – maar tegelijk achteroverleunend – gewacht op een antwoord. Toen het kwam werd het, nog altijd achteroverleunend, niet gelezen en Ton Spamer gaat er met geen woord op in. Het probleem werd hier als volgt geformuleerd : “We kunnen het er mee eens zijn dat er rechten werden ontfutseld; er was immers een conflict. De vraag is alleen of dat vóór 1161 geschiedde, ongedocumenteerd en ten koste van Echternach, of daarna, gedocumenteerd, dóór Echternach.” Anders dan F.W. Smulders in 1966 houdt Ton Spamer niet meer staande dat Echternach géén conflict had in Brabant en gaat hij wél in op de valse Echternachse pretenties in Antwerpen, zodat hij eerst maar eens dient te bewijzen dat de aanspraken van Echternach in de Peel wél rechtmatig waren. Voor de opvattingen van Albert Delahaye worden bovendien bewijzen verlangd die voor de tegenovergestelde stelling niet nodig schijnen te zijn, vandaar dat hier werd geschreven : “Uit niets blijkt dat de financiële moeilijkheden voortkwamen uit het ‘inpikken’ van goederen; er is geen enkel document waaruit blijkt dat Echternach eerder ooit inkomsten uit die goederen zou hebben genoten. Het ‘omdat’ en ‘nog steeds’ is misplaatst en de schuldige voogden, meiers of mogelijke anderen van vóór 1161 blijven ongenoemd. Omgekeerd wordt Albert Delahaye ervan beschuldigd dat hij niet aantoont dat Echternach zich rechten begon toe te eigenen ná 1161, wat echter wel degelijk is gedocumenteerd.” Zodra Echternach een voet tussen de deur kreeg breidde het de aanspraken uit, en dat is precies wat Albert Delahaye met documenten aantoonde en wat Ton Spamer niet wil lezen.
  9. Ton Spamer schreef eerder : “Delahayes bewering dat Nifterlake via Afterlake tot Afternaken en Echternach kon evolueren is taalkundig volstrekt onmogelijk.”
    Het werk van Albert Delahaye werd urenlang doorzocht maar de naam Afternaken is nergens aangetroffen. Ton Spamer citeert niets en geeft zelfs geen verkeerd bladzijdenummer. Vandaar dat hier in een terzijde werd geschreven : “De vorm ‘Afternaken’ is door Ton Spamer verzonnen en komt nergens voor.” Nu komt Ton Spamer niet aan met een citaat uit het werk van Albert Delahaye om zijn gelijk te bewijzen, maar met een Echternachse oorkonde uit 1063, waarin niet Afternaken staat maar Aefternacensis; met een Echternachse oorkonde uit 1638, die met de naamkundige kwestie waarover het ging niets te maken heeft en waarin Afternakensi staat; met twee documenten uit 1460 en 1474 uit Gemert en twee uit Deurne uit 1503 en 1519, die er nog minder mee te maken hebben, maar waarin volgens Ton Spamer inderdaad Afternaken staat. Hoewel we mogen geloven dat Ton Spamer die naam niet heeft verzonnen verandert dat niets aan de naamkundige kwestie en in tegenstelling tot wat Ton Spamer beweerde heeft Albert Delahaye die naamsvorm niet in het debat betrokken.
  10. “IJpelaan blijft in de transgressie geloven, terwijl ik voor mijn ontkenning daarvan geen wetenschappelijke uitspraken zou weten aan te voeren.”
    Ton Spamer voert daarvoor nog steeds geen wetenschappelijke uitspraken aan. Hij verwijst naar twee boeken waaruit hij niets aanhaalt en naar een lopend onderzoek dat naar het schijnt zelfs nog geen uitspraken heeft opgeleverd. Hij is ook in conflict met bijvoorbeeld de autoriteit van dr. D.P. Blok, die in De Franken schreef : “De bodemkundigen nemen aan dat in de 4de eeuw een sterke transgressie van de zee plaatsvond met daarnaast een zeer sterke activiteit van de rivieren, waardoor in het hele rivierengebied de wateroverlast toenam, nieuwe rivierarmen ontstonden en oude armen dichtslibden of zich verlegden. De Romeinen, die deze combinatie van gewone deltaverschijnselen met de transgressie van een aan eb en vloed onderhevige zee niet kenden, hadden daar kennelijk geen antwoord op een hebben de zaak maar laten gaan.”
  11. “De volgende beschuldiging van IJpelaan is bijna kwaadaardig te noemen. Ik zou bij de transgressie-problematiek het verkeerde kaartje hebben gepresenteerd en de bijbehorende tekst hebben weggelaten.”
    Het gaat wel degelijk om het verkeerde plaatje en de hier geciteerde tekst staat er vanzelfsprekend dan ook niet bij.
  12. “Ik heb beweerd dat het ‘huidige oostelijke Noord-Brabant’ in de tijd van Willibrord Texandria heette. IJpelaan komt nu op pagina 31 met de vraag wat ik in dit verband onder Brabant versta. Tja, wat zou ik nou toch met het ‘huidige oostelijk Noord-Brabant’ bedoelen??”
    In het gegeven citaat stond : “In Texandria – zoals Brabant toen heette.” Dat is, zij het met enige vertraging, dus opgehelderd.
  13. “Kritiek die hout snijdt accepteer ik.” Dat valt te prijzen, maar er wordt nogal wat overgeslagen ! Over de “grafsteen van Epternus” schrijft Ton Spamer nu : “De aanvulling van de letters op de foto tot de naam Epternus is van Krier. Hij heeft daarvoor genoeg medestanders. Hans den Besten legt elders in dit nummer uit waarom dat verantwoord lijkt. Desniettemin heeft hij gelijk als hij zegt dat mijn uitspraak dat er een grafsteen met de naam Epternus erop gevonden is, onjuist is. Ik had hoogstens mogen zeggen dat een aantal vooraanstaande historici aanneemt dat de naam op de steen oorspronkelijk Epternus luidde.”
    Was het waar geweest dan had Ton Spamer een formidabel argument gehad. Maar het was niet waar.
  14. Ton Spamer had het over zijn grote bibliografie, het grote notenapparaat en de vele illustraties en kaarten. Dat is hier inderdaad op de korrel genomen en er is geprobeerd dat tot zijn ware proporties terug te brengen. Dat wordt beschouwd als “een wat onbeholpen poging tot belediging”. Zo dat al een poging tot belediging was is die volgens Ton Spamer dus mislukt. Hij beantwoordt dat met complimenten over “blind geloof” en over “een pamflet in de slechtste amateuristische traditie”, waarbij het woord “traditie” in dit verband natuurlijk erg grappig is. De functie van die bluf is nu ook duidelijk geworden want toen hij heel snel een antwoord ontving met een nog groter notenapparaat werd het “te geleerd” voor hem en haakte hij af. En als hij in noten naar literatuur verwijst ter wetenschappelijke staving van zijn beweringen en het blijkt bijvoorbeeld te gaan om een krantenartikeltje over fietstochtjes, of als hij het bijschrift bij een plaatje uit een webreclame eigenmachtig verandert van “Domplein rond 900” in “Het Domplein in ca. 800” dan mag hij toch niet klagen dat zijn literatuurlijstje onredelijk behandeld is.
Als uitsmijter wil Ton Spamer zijn tegenstander na de “affaire anti-reclame” graag van hetzelfde kunnen betichten. De reactie hier was echter niet op het boek waaraan ook niet was meegewerkt, maar gold alleen de bijdrage van Ton Spamer die zelf het hele boek afkraakte behalve... zijn eigen bijdrage ! Hier werd juist het “restrictieve leeskeuzeadvies” van Archeonet gehekeld dat later van de hand van... Ton Spamer in hoogst eigen persoon bleek te zijn.
Ton Spamer eindigt met een machteloos dreigement : “Men zou zelfs nog andere stappen kunnen overwegen.” Hier werd getoond wie van ons twee het beste is met beschuldigingen van bedrog, persoonlijke aanvallen en leugens en daarvoor waren geen “andere stappen” nodig.
8 september 2005»

Epiloog 6 : Goede namen, slechte namen

Toegevoegd wordt hier een kort antwoord op de beschuldigen van de kant van Ton Spamer aan het adres van de redactie van SEMafoor (17), een antwoord dat niet in dat tijdschrift werd opgenomen omdat ter redactie het sop de kool kennelijk niet waard werd bevonden.

«Ton Spamer beklaagt zich bij de redactie van SEMafoor over een vermeende “aantasting van zijn goede naam”, iets dat hij in het algemeen blijkbaar niet erg hoog opneemt, maar die hij in dit geval “ontoelaatbaar” acht. Hij doet geen moeite aan te tonen dat hij inderdaad een goede naam heeft, waarvan toch niet zomaar kan worden uitgegaan. De redactie van SEMafoor heeft zijn aanklacht zonder commentaar in haar orgaan afgedrukt. Het gaat hier om drie zaken : de “affaire copyright”, de “affaire anti-reclame” en de “affaire incorrrect opzeggen van het abonnement”.

  1. Ton Spamer stelt het in de “affaire copyright” zo voor alsof hij in plaats van dader feitelijk slachtoffer was : “Al vóór het verschijnen van het boek hoorde ik van bekenden en vrienden in Deurne dat ze mijn tekst over Deurne wel wilden hebben maar niet geïnteresseerd waren in andere visies.” Maar dan gaat hij er meteen toe over om die bekenden en vrienden te beledigen : “Men kan dat benepen vinden, maar het is niet illegaal om benepen te zijn.” Als het waar is dat de e-mail van Ton Spamer “zonder zijn bewuste toedoen” (wat dat ook moge betekenen) op drie websites verscheen verandert dat niets. Want hij kan niet wegpoetsen is dat hij :
    • deze uitgave het uiterlijk gaf van een publicatie van de Heemkundekring H.N. Ouwerling die daarvan afstand nam;
    • aankondigde dat deze publicatie te koop was bij Boekhandel Berkers te Deurne.
    Dat durft hij een “besloten brochure-aanbieding” te noemen.
  2. Hij zou ook geen “anti-reclame” hebben gemaakt toen hij, na een boek te hebben afgekraakt waaraan hij zelf had meegewerkt en zijn eigen uitgeklede versie aanprees, concludeerde : “Voor wie toch kennis wil nemen van de alternatieve visies [enzovoort]”. Zijn commentaar : “In feite maakte ik daarmee reclame”. Met zulke vrienden, zegt een Duits spreekwoord, heb je geen vijanden meer nodig. Vervolgens beledigt hij de inwoners van zijn woonplaats door de suggestie te wekken dat die voor communicatie met de buitenwereld geheel en al op Ton Spamer zijn aangewezen : “SEM en het boek als zodanig zouden zonder die mededeling niet eens bij die Deurnenaren bekend zijn geweest.” Te zijner verdediging voert hij voorts nog aan dat hij er op de lokale markt niet eens in slaagde ook maar twintig exemplaren van zijn opstel te slijten en dat hij zelfs de kostprijs ervan niet terug wist te verdienen.
  3. Over de “affaire opzeggen van zijn abonnement” op het tijdschrift dat hem een lezerspubliek biedt schrijft hij : “Al eerder en nog op het symposium zelf had ik de heer Jochems laten weten dat ik verlenging daarvan niet zag zitten, maar dat ik mij daarover nog berraadde. Toen ik uiteindelijk de daad bij het woord voegde was dat in feite een concretisering van een eerder aangekondigd besluit. Maar aangezien het pas op 5 december [2004] bij de redactie bekend werd kan men dit formeel als ‘incorrect’ beschouwen. Ik kan dat al even formeel niet ontkennen, al vind ik het een merkwaardige mededeling in een stuk over inhoudelijke zaken. Ik zal derhalve het abonnementsgeld voor 2005 alsnog overmaken.” Het opzeggen van zijn abonnement kan geen “concretisering” zijn geweest van “een eerder aangekondigd besluit” omdat Ton Spamer zich daarop naar eigen zeggen toen “nog beraadde”.

8 september 2005»


Epiloog 7 : Een elektronische nieuwjaarskaart

Nadat Ton Spamer plechtig had beloofd deze site niet meer te bezoeken ontvingen we tot onze niet geringe verbazing op 24 december 2005, net ná verschijning van zijn ‘repliek’, maar vóór verschijning van het antwoord daarop, een persoonlijk wel heel welwillende, maar voor het overige mierzoete elektronische nieuwjaarskaart met de volgende tekst :

«Geachte heer IJpelaan,
Al zal ik het nooit met U eens worden en al juich ik Uw wetenschappelijke stellingnames niet altijd toe, dat neemt niet weg dat ik de genealogische kwaliteit van uw website wel degelijk bewonder en dat ik U als persoon het beste toewens.
Met vriendelijke groet.
Ton Spamer.»

De beschuldigingen van bedrog, persoonlijke aanvallen en leugens zijn onderwerp geworden van wetenschappelijke stellingnames ! Daarop werd het volgende geantwoord :

«Beste Ton Spamer,
In dezelfde geest het beste toegewenst voor het nieuwe jaar.
Periculosum est credere et non credere.
Met vriendelijke groeten,»

U ziet, met de rancunes valt het nogal mee, en van het antwoord heeft Ton Spamer inmiddels enigszins kennis kunnen nemen, want het werd afgedrukt in SEMafoor.


Epiloog 8 : Over de Utrechtse Nifterlaca-mythe (reactie op Hans den Besten)

Een heel andere reactie kwam van Hans den Besten, waarop hier het antwoord volgt (18). Omdat de redactie van SEMafoor heeft besloten de polemiek met onderstaande tekst af te sluiten, is Hans den Besten uitgenodigd op deze plaats te antwoorden. Dat antwoord kwam inderdaad en is hieronder, in epiloog 10, te vinden.

«De reactie op het opstel van Ton Spamer was, anders dan Hans den Besten denkt (a), geen “jacht op onnauwkeurigheden” maar inderdaad wel een “afrekening”, maar dan met het gebruikte grove geschut en door de traditionalistische methode ervan bloot te leggen : het uitgangspunt bestond uit de “overlevering” en niet uit het historisch feitenmateriaal zoals dat tot ons is gekomen. Bij het natrekken van zijn bronnen bleek dat Ton Spamer met feiten, citaten en illustraties knoeide, dat hij bronnen niet had ingezien, andere oversloeg en geen enkel boek van Albert Delahaye serieus had doorgenomen. Kortom, om zijn eigen woorden te gebruiken, dat hij ons in zijn artikel maar wat zat “op te dissen”. Daarvan had hij zich niet hoeven te bedienen als hij over degelijke argumenten beschikte.
In plaats van daarvan afstand te nemen onderneemt Hans den Besten een poging het opstel goed te praten, op een paar ondergeschikte punten te verdedigen en, met meer succes, aan de hoofdzaken voorbij te gaan. Als er wordt vastgesteld dat Ton Spamer dingen uit zijn duim zuigt en Albert Delahaye woorden in de mond legt dan wordt dat afgedaan als “irrelevante praat” en het geknoei wordt vergoelijkt door te zeggen dat Ton Spamer “uit zijn geheugen en dus niet helemaal precies citeert.” We mogen niettemin aannemen dat Hans den Besten met de kritiek op Ton Spamer overeenstemt voorzover hij die niet aanvecht, wat het meeste is. Gaan we dus alleen in op de overblijvende kleinere punten.
«Nu zijn er ook opmerkingen bij IJpelaans artikel te maken. Zo maakt hij zich er bij de kwestie “Wiltenburg” met een jantje-van-leiden vanaf. Verder heeft hij voor de identificatie van plaatsen in het “Mythologisch oostelijk Noord-Brabant” niet gebruikgemaakt van de jongste – en meest adequate – bron daarvoor : Künzel e.a. (1989).»
Het jantje-van-leiden wordt beantwoord met een dooddoener want verder wordt er over Wiltenburg niets gezegd. De kritiek is niettemin ter harte genomen en het Wiltenburg-gedeelte is nog uitgebreid, wat het wel langer, maar voor Ton Spamer zeker niet voordeliger maakt. Dat vormde ook een gelegenheid om wat uitgebreider te citeren uit het Utrechtse archeologen-debat waarnaar Ton Spamer verwees met voorbijgaan aan het wezenlijke.
Het gebruik als bron van het Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200 van Künzel, Blok en Verhoef in de kritiek verandert weinig voor het namenbestand van Taxandria. Het Lexicon geeft weliswaar negen namen die niet op de lijst stonden, maar daar staat tegenover dat er ook negen ontbreken die nu wel op de lijst staan zodat de balans aardig in evenwicht blijft. Ook deze kritiek is ter harte genomen en de lijst is dienovereenkomstig aangevuld hoewel het verwijt natuurlijk Ton Spamer gold.

Een klooster binnen of buiten Traiectum?

Het klooster van Willibrord lag traditionalistisch ‘binnen’ of volgens Albert Delahaye ‘buiten’ de muren van Trajectum. Hans den Best schrijft :
«Hierbij nog één opmerking over de vertaling van infra : in klassiek Latijn betekende infra plus accusatief ‘onder’, maar de Middellatijnse betekenis was (ook?) ‘binnen’ (Niermeyer 1976). Dit lijkt bevestigd te worden door het volgende uit hetzelfde document : “quicquid in ipso Traiecto castro tam infra muros quam et a foris ...”, ‘al wat in hetzelfde fort Traiectum zowel binnen de muren als ook van buiten ...’ Hier lijkt de betekenis ‘binnen’ voor de hand te liggen.»
‘Foris’ betekent “buiten”; “aan de buitenkant”; “buitenshuis, niet thuis, elders”. De algemene betekenis van ‘infra’ is “onder(aan)”, “beneden” (Van Dale Latijn/Nederlands). De tegenoverstelling binnen-buiten zou ook in de middeleeuwen zijn weergegeven door intra-extra (binnen-buiten), of desnoods intra-foris (binnenkant-buitenkant), maar niet door infra-foris (onder-elders). Hoewel in middeleeuws Latijn erg veel mogelijk is dient voor de vertaling de voorkeur te worden gegeven aan : “onder de muren” en “in dat fort Traiectum zowel als onder de muren en elders”. Dat is ook logisch omdat wat “in” het fort is zich vanzelf ook “[daar]binnen” bevindt (b).
Een klein beetje Utrechtse archeologie, om het even binnen óf buiten de stad, ter ondersteuning van één der beide vertalingen zou toch wel gewenst zijn (c) terwijl het moeilijk valt in te zien hoe Eperlecques kan vervallen door een zekere interpretatiemarge van één enkel woord.

Een laatste bedevaart naar het graf van ‘Epternus’

In één geval zijn we het min of meer eens : over de “grafsteen van Epternus”. Hans den Besten trekt de conclusie : “Spamer heeft de zaken te mooi voorgesteld”. De zaken werden echter niet alleen “te mooi” voorgesteld, maar vooral ook geheel verkeerd, en het vormde de blindganger in het betoog van Ton Spamer. Met betrekking tot die steen probeert Hans den Besten in een voetnoot niettemin af te dingen op de gegeven argumentatie, iets waarop Ton Spamer zich vervolgens weer beroept :
«De aanvullling van de letters op de foto tot de naam Epternus is van Krier. Hij heeft daarvoor genoeg medestanders. Hans den Besten legt elders in dit nummer uit waarom dat verantwoord lijkt»
Ton Spamer weet alweer geen enkele van de “genoeg medestanders” van Jean Krier bij name te noemen; hij schuift nu alle verantwoordelijkheid af op diezelfde Jean Krier en vervolgens verschuilt hij zich achter Hans den Besten. Daarom is het nodig de weerlegging nog verder te voeren. Hans den Besten schrijft :
«IJpelaan citeert in zijn webartikel twee keer uit de literatuur TERNUS en gaat vervolgens uit van ERNUS c.q. ERNUS E[T]. Zo ook in zijn SEMafoor-artikel. Blijkens een foto op de webpagina staat er echter : TERNVS·ET. De Ts zijn gereduceerd tot de rechter- c.q. linkerkant van het liggende balkje van een T. IJpelaan stelt dat er links van de eerste E C, T, F of S kan hebben gestaan. Maar het restteken bestaat uit een recht balkje, terwijl de C en de S licht gebogen rechter bovenuiteinden hebben, en van een middenbalkje van een F valt niets waar te nemen.»
Als de letter T inderdaad op de steen staat maakt dat niet veel verschil en die ene letter kan zonder probleem ten geschenke worden aangeboden. Laten we er van uitgaan dat er inderdaad TERNVS staat, laten we er ook van uitgaan dat die discutabele woordscheiding er staat, en dat TERNVS dus als het eind van een woord mag worden opgevat.
Hoe komen we vandaar tot EPTERNVS ? Wel, door er de letters ‘EP’ voor te zetten. Maar waarom kan het dan niet bijvoorbeeld ALTERNVS zijn – om maar eens een bestaand Latijns woord van evenveel letters te noemen – of MATERNVS of PATERNVS, twee wél bestaande Romeinse persoonsnamen ? Om de eenvoudige reden dat de onderzoekers toen ze naar de steen keken de naam EPTERNACVM in hun hoofd hadden. Hans den Besten vervolgt :
«Verder is zijn commentaar doordrenkt van een soort complotdenken : (a) dit soort van reconstructies zou duiden op wanhoop, (b) Epternacum is niet de oudste naamvorm, (c) er is geen bewijs dat het gelezene deel zou uitmaken van een naam, (d) er is geen reden om aan te nemen dat de naam Epternacum is afgeleid van een persoonsnaam. Maar dit is onzin : -acum-namen waren van persoonsnamen afgeleid. Daar is deze steen dus niet voor nodig. Verder eindigden dit soort wij-inschriften meestal met de naam of de namen van de opstellers van de steen en TERNVS. ET staat onderaan de steen. Over (b) kan de lezer meer uit dit artikel halen.»
Of er sprake is van een complot kan ik niet weten (en als ik daarvan op de hoogte was zou het een erg slecht georganiseerd complot zijn), maar ik denk wel dat de vooringenomenheid heel ver gaat. Hans den Besten houdt ook vast aan de naam Epternacum als oudst bekende naamvorm en probeert staande te houden dat deze naam kan zijn ontstaan uit de persoonsnaam Epter.
Aan de hand van een veelheid van -acum-namen (en -iacum-namen) is ooit de regel opgesteld dat deze namen vaak uit persoonsnamen kunnen worden afgeleid. Het is dus geen regel voor alle namen. De naam Bagacum wordt bijvoorbeeld verklaard als : plaats waar beuken staan; het ontbreekt aan een persoonsnaam die begint met Bag, vandaar.
Romeinse namen hadden een levende betekenis. De “-acum”-namen kunnen derhalve ook, in plaats van ze uit een persoonsnaam af te leiden, direct uit het stamwoord van die persoonsnaam zelf worden verklaard. Om een paar voorbeelden te geven : van de plaatsnaam Eterpigny (bij Atrecht, Frans Arras) wordt als oudste vorm Sterpiniacum opgegeven. Als verklaring van die plaatsnaam wordt de Latijnse persoonsnaam Sterpinius opgegeven. Maar de naam kan net zo goed worden verklaard vanuit Sterpinium, land vol van boomstronken. De naam Selvigny (bij Kamerijk, Frans Cambrai) met als oudste vorm Silviniacum kan worden verklaard als domein van een zekere Romein Silvinius of een Keltische Selvano, maar Silvinius kan ook zijn gevormd uit silva, bos. De naam Montigny kan worden afgeleid uit de persoonsnaam Montinius of gewoon uit mons, hoogte. Een persoonsnaam is dus nergens voor nodig. Bijgevolg moet er een gewichtige reden zijn om er toch een persoonsnaam van te maken.
Volgens Hans den Besten zouden de letters tóch deel kunnen uitmaken van een naam, ook al omdat “dit soort wij-inscripties meestal met de naam of namen van de opstellers van de steen” eindigen en TERNVS·ET staat onderaan de steen. Maar er is geen reden waarom de naam niet in het midden van de steen kan staan of bovenaan, en ook rechts van het woord kunnen er nog meer woorden gestaan hebben, zodat het argument niet opgaat.
Wordt er tóch uitgegaan van een persoonsnaam dan dient er eerst te worden aangetoond dat de betreffende persoonsnaam inderdaad bestaat en het dient op zijn minst aannemelijk te worden gemaakt dat een persoon met die naam in de gegeven periode in de omgeving van de te verklaren plaatsnaam kan hebben rondgelopen.
Het is zeker niet geoorloofd om de algemene regel om te keren en persoonsnamen af te leiden uit -acum-namen. Een uit een geografische naam afgeleide persoonsnaam, die verder nergens voorkomt, kan niet worden aangevoerd als verklaring voor diezelfde geografische naam. Een dergelijke zelfbevestigende constructie is oncontroleerbaar en dus onweerlegbaar en daardoor ook onaanvaardbaar. Toch wordt die omkering in de naamkunde voortdurend toegepast, en in het Woordenboek der Noord- en Zuidnederlandse plaatsnamen wordt het bijvoorbeeld als normale naamkundige procedure opgevoerd (d).
Er is geen enkele Romeinse of zelfs andere naam die met Ept- begint en van een zekere Epternus is verder niets bekend. En wat betekent Epternus ? Er is geen enkel Latijns of ander woord bekend dat op Epter lijkt.
In het voorbijgaan zij opgemerkt dat dr. Maurits Gysseling in zijn overbekende anti-Delahaye-oprisping uit 1980 de naam Epternacum heel anders afleidde : uit het Keltische woord “epatos”, “ruiter” – geen woord daar over ene “Epternus”, hoewel die steen toen allang bekend was (e).

Nogmaals Aefternacum, Eperlecques, Echternach

De etymologie van de naam “Echternach” wordt een “‘klein’ punt” genoemd, en dat is het eigenlijk ook, maar het vormt wél het hoofdbestanddeel van de kritiek. Waar Ton Spamer bij een aantal overgangen “onmogelijk” riep noemt Hans den Besten de afleidingen door Albert Delahaye, net iets voorzichtiger, “zwak”. Maar hij praat de apriorismes van Ton Spamer weer goed door te schrijven : “De veranderingen [...] zijn dus uiterst onwaarschijnlijk, vandaar de term ‘onmogelijk’ bij Spamer.”
Als we bedenken dat namen niet alleen op klank en schrijfwijze, maar ook op betekenis, of veronderstelde betekenis, kunnen zijn overgeleverd in een gebied waar meerdere talen van invloed waren, dan kunnen er op de taalgrens heel vreemde dingen gebeuren en komen we er met de algemene taalregels alléén beslist niet uit.
In de kritiek op het opstel van Ton Spamer werd ook niet geprobeerd de juiste etymologie van Echternach te geven, maar aan te tonen dat de beweringen van Ton Spamer kant noch wal raakten en dat hij Albert Delahaye uit de tweede of derde hand en verkeerd aanhaalde.
Het door Ton Spamer gelegde rookgordijn heeft echter ook aan Hans den Besten een deel van het zicht ontnomen. Zo toont deze andermaal aan dat de naam Eperlecques zich niet tot Echternach kan ontwikkelen hoewel niemand beweert dat zoiets gebeurd zou zijn.
Dat -laca / -lecques / -leke gewoon “meer” betekent ligt voor de hand. Hans den Besten schrijft :
«Hoewel -lacum en -lecques beslist niet indentiek zijn, zal -lecques wel van -lacum afgeleid zijn.»
Afgezien van de vraag wat hier zuiver semantisch onder “identiek” moet worden verstaan stelt dit deel van de naamkundige afleiding door Albert Delahaye dus geen probleem. Hans den Besten schrijft ook : “Ton Spamer wijst er terecht op dat -(in) iacum (ook -acum trouwens) een bekende Gallo-Romeinse uitgang voor plaatsnamen is. Met Lat. ‘meer’ hebben deze namen dus niets te maken.” Maar het ging hier om Nifterlake-Eperlecques en het valt niet goed in te zien wat Nifterl- / Eperl- kan betekenen noch wat een Gallo-Romaanse -acum-naam in Nederland doet. En ook Hans den Besten neemt aan dat -lecques tóch uit -lacum is ontstaan (f) en dat het uiteindelijk dus juist níet om een -acum-naam gaat; daaraan kan worden toegevoegd dat er geen Latijn of Keltisch nodig is omdat eenvoudige afleiding uit -leek bevredigend is en dat betekent gewoon... “meer” (g).
De “pagus Nifterlaca” zou een “gouw” zijn zodat de naam niet op de plaats Eperlecques betrekking zou kunnen hebben. Dat pagus lang niet altijd dorp betekent, daarover zijn we het snel eens. Maar pagus betekent in het algemeen gewoon de plaats met de daarbij behorende gronden, bossen en wateren en niet “gouw” in de betekenis van provincie of grotere bestuurlijke eenheid.
In de tekst uit 722 staat níet dat het dorp Fethna in de gouw Nifterlacum lag, maar er wordt gesproken van een “villam vel castrum”, wat met landgoed of domein dan wel versterking kan worden vertaald. In de tekst uit 723 wordt gesproken van een castrum Fehtna in de pagus Nifterlaco; dat is : de versterking Fehtna in het land van Nifterlaco (h). “Alle wateren in Niftarlaca” kan wel degelijk betrekking hebben op een plaats, zeker als er bedoeld is : in al het land dat tot Niftarlaca wordt gerekend. Dan wordt nog een tekst gegeven waarin de pagus Nist[er]lake wordt genoemd met daarin de villa Amuda. Ook Amuda is niet noodzakelijkerwijs een dorp, maar eveneens eerder een landgoed in het land van Nist[er]lake (i). Uit de zin “castello Traiecto in pago Niftarlacum” blijkt dat de burcht Traiectum deel uitmaakte van het grotere geheel Niftarlacum.
Ter illustratie wat traditionalistische geschiedenis van Eperlecques : de plaats zou hebben bestaan sinds de Romeinse periode; hij bestond als een domein in 821 toen hij aan het klooster van St.-Winnok werd geschonken. Ten westen ervan lag in 874 een burcht die in 881 door de Noormannen werd verwoest. Robert de Fries, graaf van Vlaanderen, schonk Eperlecques in 1071 aan Eustachius, graaf van Boulogne (j). Tournehem (Trajectum), met burcht, lag ten zuidwesten van Eperlecques (k). Het past uitstekend.
Hans den Besten komt tot de slotsom :
«Er zijn dus drie plaatsen die in Niftarlaca liggen : het dorp/fort Fethna, het fort Trajectum en het dorp Amuda. Verder is er sprake van alle wateren van Niftarlaca. Een naamkundige die hierin de naam voor een gouw ziet kan moeilijk een fantast genoemd worden. (Die naamkundige zal wel Delahayes favoriete zwarte schaap Blok zijn.)»
We moeten hem tegenspreken : er worden geen drie plaatsen, maar twee landgoederen en een versterking genoemd. En nu eens niet dr. D.P. Blok was hier de fantast, maar dr. Maurits Gysseling en A.C.F. Koch die een plaats opbliezen tot “gouw” in de betekenis van ‘provincie’ en er Utrecht van maakten.
Worden dezelfde naamkundige maatstaven aangelegd voor de Nederlandse ‘gouw’ Nifterlaca als voor de plaats NifterlacaEperlecques, dan staat de laatste mogelijkheid nog altijd een heel stuk sterker dan NifterlacaNiets, en ook naamkundig is die niet zo onwaarschijnlijk als Hans den Besten het wil doen voorkomen.
«Ook weet hij [IJpelaan] niet wat hij zegt als hij in noot 29 van zijn webartikel beweert : ‘Het is een algemene regel dat een kopie uit de veertiende eeuw van een document uit de achtste eeuw geordend wordt op de veertiende, en niet de achtste eeuw. In de toponymie is dat des te noodzakelijker omdat bij het kopiëren de namen vaak aan de smaak van de tijd werden aangepast. Ton Spamer kent deze regel niet en legt de documenten bijgevolg op de verkeerde volgorde voordat hij zich aan een interpretatie waagt; hetzelfde geldt voor Arnoud-Jan Bijsterveld.’ Ik zie graag een verwijzing tegemoet naar een gezaghebbend werk waar deze “algemene regel” wordt toegepast. IJpelaan laat zich hier leiden door bepaalde opmerkingen bij Delahaye, niet door de naamkundige literatuur. Had hij daarvan kennisgenomen, dan had hij kunnen zien hoe vaak een late kopie een archaïsche vorm juist handhaaft. (Dat had Delahaye ook kunnen zien. Maar dit terzijde.)»
Natuurlijk kunnen archaïsche naamvormen in latere kopieën zijn gehandhaafd. Het gaat echter mis als er zonder meer wordt aangenomen dat dit altijd het geval is; in kopieën werden namen vaak vervangen door moderner vormen en vervalsingen werden geantedateerd. Wellicht weet ondergetekende niet wat hij zegt, maar in Nederlandse plaatsnamen, dat in dit opzicht wellicht gezaghebbend genoeg is, staat :
«Het goederenregister van de Sint-Maartenskerk in Utrecht uit de 10e en misschien zelfs 9e eeuw, geeft [...] een opsomming van de aanspraken van de kerk op bezittingen in Holland en Utrecht. Het is voor deze vroege tijd de belangrijkste bron van informatie die we hebben voor dit gebied. Echter, we weten niet hoe dit register er oorspronkelijk uitzag. De lijst is opgenomen in een cartularium waarvan later, onafhankelijk van elkaar, twee afschriften zijn gemaakt die wel bewaard zijn gebleven : een uit het einde van de 11e eeuw, de andere nog weer eens een eeuw jonger (ca. 1170). Toch worden in sommige handboeken de in het register vermelde naamvormen gedateerd als ‘circa 960’. Het is niet onmogelijk dat zulke dateringen hier en daar ook in dit boek zijn binnengeslopen. Evengoed is dit in wezen misleidend. Wat we hebben is niet ouder dan ca. 1070.”» (l).
In de Aanwijzingen voor het gebruik van het bovengenoemd Lexicon lezen we :
«Wanneer de geciteerde tekst niet in origineel of autograaf is overgeleverd, wordt eerst de datering van het niet meer bestaande origineel gegeven, gevolgd door cop. en de datering van de gebruikte copie.», maar dan : «Bij de chronologische ordening van de vermeldingen werd de tijd van ontstaan van de originelen aangehouden.» (m).
Dat laatste wordt niet verantwoord maar het is wél een waarschuwing. Dr. D.P. Blok paste in 1957 de regel wél toe in zijn behandeling van de namen uit bovengenoemd goederenregister (n) en dr. Maurits Gysseling gaf in zijn Toponymisch woordenboek netjes datering van origineel en kopie. Tenslotte probeert Hans den Besten zelf deze volgens hem niet-bestaande regel tegen een argumentatie van Albert Delahaye in het veld te brengen.
Als het naamkundige probleem hier niet in zijn geheel bevredigend kan worden opgelost dan kan er in ieder geval wat materiaal voor de oplossing worden aangedragen.
De naam van klooster en plaats ontwikkelde bij de taalgrens in een Nederlandstalige (Espreleke-Sperleke) zowel als een Franstalige (Eperlecques) vorm die elkaar bovendien wederzijds beïnvloed kunnen en zullen hebben.
Hans den Besten volgt de redenering van Albert Delahaye niet als hij Hoogduitse klankverschuivingen veronderstelt in een gebied (Frans-Vlaanderen) waarop, anders dan bijvoorbeeld in Henegouwen, het Hoogduits een verwaarloosbare invloed had. Als we zien wat Nederlandse naamkundigen aan veronderstellingen allemaal geoorloofd achten om een traditionalistische ‘zekerheid’ te redden met een naamsverklaring en een verklaring van overgangen – zie bijvoorbeeld de etymologische capriolen van dr. M. Schönfeld om van Laubach via Lagbeki en Loveke tot Lauwers te geraken (o) – dan is het duidelijk dat er met twee maten wordt gemeten en dat, wanneer dat zo uitkomt, alle regels aan de laars worden gelapt. Verwijten aan het adres van Albert Delahaye, die terecht weinig argumenten aan de naamkunde ontleende, hoeven dan ook niet ál te serieus te worden genomen en dienen te worden afgewogen tegen de argumenten ten gunste van andere plaatsen.
Wat nog niemand schijnt te zijn opgevallen is dat de naam Aefternacum niet voorkomt in het Cartularium van Radboud dat meest waarschijnlijk vanuit Gent via Egmond in Utrecht verzeild raakte, en pas ná de affaire-Echternach. Daarin vinden we wel de naam Nifterlaca die nu juist níet voorkomt in de documentatie van Echternach. Omdat we moeilijk kunnen veronderstellen dat de naam van de plaats waar zich het klooster van Willibrord bevond geheel zou ontbreken in de documentatie van diens bisdom legde Albert Delahaye de twee namen, Nifterlaca en Aefternacum, in elkaars verlengde. Is dat terecht, dan kunnen we ervan uitgaan dat Nifterlaca de oudste vorm is omdat in het Cartularium van Radboud niet met namen is geknoeid zoals met de documentatie van Echternach. Het gaat om een naam uit de periode rond het jaar 857. De naam Nifterlaca wordt trouwens door dr. D.P. Blok overgeslagen in zijn bespreking van de goederenlijst van Traiectum waarin hij de afzonderlijke tekstdelen probeert te dateren en ook in De Franken in Nederland laat hij het bij een zijdelingse vermelding.
Albert Delahaye vatte de naamvorm Epternacum op als een Luxemburgse aanpassing van de naam Nifterlaca. Hans den Besten vraagt nu :
«Wat Delahaye hier suggereert is, dat de Latijnse vorm geconstrueerd is. Onduidelijk blijft echter waarom Nifterlaca dan niet geheel aan Echternach aangepast is. Waarom is het niet *Echternacum of *Efternacum
Om de eenvoudige reden dat er in vervalsingen als regel niet méér werd veranderd dan strikt noodzakelijk was omdat het anders teveel zou opvallen en er altijd de mogelijkheid bestond dat er een andere kopie opdook.
Naast een heleboel andere dingen om de onmogelijkheid van de overgang NifterlacumEchternach aan te tonen schrijft Hans den Besten in verband met de overgang EpternacumEchternach : “Ook is het mogelijk om eerst met de Hoogduitse klankverschuiving Efter- af te leiden, en daarna de f in een ch om te zetten.” Als dat geldt voor Epternacum dan geldt het natuurlijk nog meer voor Afternacum waarvoor een pf verschuiving niet eens nodig is. Dan schrijft Hans den Besten :
«Taalkundig is de afleiding van Echternach uit Epternacum verder een makkie.»
Dat zal best, maar wat als de verhouding tussen de twee omgekeerd is, en Epternacum een achterafse latinisering is, terwijl de naam Echternach zélf een verduitsing is van Aefternacum ? Bij C. Wampach vinden we chronologisch : Aefternaca, ecclesia Aefternacensis, Esternacus, Esternach, Hepternaca, monasterium Esternacense, Aphternacus, Efternaca, Efternacha, Efternacum, Eftirnacha, Efdirnach, Aefternacus, waaraan wordt toegevoegd dat het gaat om : “Varianten in verschillende oorspronkelijke oorkonden tegenover de gebruikelijke schrijfwijze Epternacus in het Liber aureus” (p). De naam Epternacum werd ingevoerd met het Liber aureus dat werd samengesteld tussen 1190 en 1222 en is dus een achterafse latinisering; “Ep” vinden we verder alleen terug in Hepternaca, voor de rest is het eerste deel van de naam in de oorspronkelijke vormen Aefter / Aphter en Efter / Ester / Eftir / Efdir.
Dat Nifter- / After- gewoon “naast” (of eventueel ook “buiten”) betekent wordt niet aangevochten. We hoeven geen directe overgang van Nifter- naar Eper- te veronderstellen die we volgens Hans den Besten “maar beter kunnen vergeten”. We vinden : Nifter-, Aefter- en Ester-, waarbij Es- in het Frans een É- werd.
Als naamkundig niet alles onmiddellijk volledig kan worden opgehelderd dan is het toch verstandiger niet al te snel “onmogelijk” (Ton Spamer) en “taalkundige kul” (Hans den Besten) te roepen (q).
Het is nergens voor nodig te proberen de naam Spirliacum af te leiden uit Eperlecques want de eerste is een oudere latinisering van de naam en de tweede een moderner Franstalige vorm. Dat de naam *Sperniacum in plaats van Sperliacum een verkeerde reconstructie is kan heel goed kloppen maar verandert verder niets. De bijbehorende conclusie : “Delahaye heeft dus ten onrechte een etymologische reconstructie aangezien voor een oude vorm.” kan ook anders worden geformuleerd : Albert Delahaye vertrouwde hier nu eens op een naamkundige en dat had hij beter niet kunnen doen want er is alle reden om namen te wantrouwen die met een asterisk beginnen.
Hans den Besten doet, anders dan Ton Spamer, een poging op grond van strikter criteria de documenten eerst op de juiste volgorde te leggen, maar alleen om te kunnen beweren dat Nifterlake niet de oudste vorm is. Nadat hij eerst het bestaan van de regel heeft ontkend wil hij hem hier zonder verder nadenken blindelings toepassen. De namen op de juiste volgorde krijgen is echter een lastig werk omdat bronnenuitgaven de benodigde gegevens als regel niet verstrekken. Van veel documenten kan bovendien niet nauwkeurig worden vastgesteld wanneer ze zijn samengesteld, overgeschreven dan wel vervalst en in hoeverre de namen correct zijn overgeleverd dan wel aangepast aan een Luxemburgse of andere smaak (r).»
Noten
a) Zie : Traditionalisme of Wetenschap. De Deurnse Doordraver en de reactie daarop van Hans den Besten onder de titel De Nifterlaca-mythe, in : SEMafoor, jaargang 6, nummer 3, augustus 2005, p. 33-38.
b) Een voorbeeld van middeleeuws “binnen” en “buiten” : “Au XIVe siècle, Fauquembergue était divisé en deux parties, intrà et extrà muros” (M. Harbaville, Département du Pas-de-Calais, II, p. 209). Het Handwörterbuch der Lateinische Sprache van Reinhold Klotz (Graz : Akademische Druck und Verlagsanstalt, 1963), geeft als betekenis van infra : “eigtl. Abl. v. inferus, sc. parte, via etc., an d. untern Stelle, Seite, 1) Adv. unten, 2) Praepos. m. Acc. unterhalb, unter.” en van foris, tweede betekenis : (a) “von aussen, auswärts, draussen, außerhalb”, voorbeeld : “intra vallum et foris caedit”; (b) “von aussen her”; “nach aussen hin, hinaus”. De uitdrukking “in castro... tam infra muros quam et foris” komt in veel middeleeuwse documenten voor. Het “a foris” versterkt de betekenis nog. We kunnen alleen maar hopen dat Niermeyer zijn vertaling “binnen” niet toevallig gebaseerd heeft op de vertaling van die ‘Utrechtse’ akte want verder is de vertaling “binnen” nergens te vinden.
In een uit de Egmondse abdij afkomstig eind tiende eeuws afschrift van een oorkonde uit 723 staat : “monasterium quod est infra muros Traiecto castro situm constructum”, wat in het regest vertaald is als “het klooster in het castrum Trecht” en er worden goederen geschonken : “in ipso Traiecto castro tam infra muros quam et a foris”, in het regest vertaald als “in en buiten de muren van dat castrum” (Diplomata Belgica, p. 304-305).

c) Vergelijk : «Men gaat ervan uit, hoewel er geen archeologische of schriftelijke aanwijzingen voor zijn, dat Utrecht vanaf 650 in Friese handen was. [...] Bij de Salvatorkerk stichtte hij [=Willibrord] ook een klooster, dat met beide kerken één complex vormde. Voor het onderhoud hiervan schonk Pippijn een tiende van de koningsgoederen die hij door de verovering had gekregen aan de kerk van St. Maarten. [...] Radbod zag de kans schoon Utrecht te heroveren waardoor Willibrords kerken en het klooster verloren gingen. Pas na Radbods dood in 719 en de ververing van Friesland tot aan de Lauwers door Karel Martel kon Willibrord de schade herstellen. [...] Wellicht mede uit het oogpunt van het herstel droeg Karel Martel in 723 aan het klooster in de burcht Trecht alle fiscale (koninklijke) goederen over die hij daarbinnen en daarbuiten had, alsmede het castrum of de villa Vechten in de gouw Nifterlake.» (Willibrord en het ontstaan van Nederland / Marieke van Vlierden. – Utrecht : Calvis; Stichting publikaties middeleeuwse kunst, 1995, p. 16, 23, 25). Te Utrecht is geen Salvatorkerk noch enige andere kerk gevonden uit de tijd van Willibrord en een klooster ook al niet. We kunnen het er over eens zijn dat hier in ieder geval geen klooster te Echternach kan zijn bedoeld dat bij geen enkel Traiectum in de buurt lag.
d) Voor deze ‘Jan en Piet’-verklaring, zie : Woordenboek der Noord- en Zuidnederlandse plaatsnamen / Dr. J. de Vries. – Utrecht : Het Spectrum, cop. 1962. – 201 p. – (Aulaboeken). – p. 10, aangehaald onder : Naamkunde.
e) Lag Nederland in Frankrijk? – In : Jaarboek Franse Nederlanden, 1980. – p. 154. ‘Epatos’ was natuurlijk ook maar een niet-gedocumenteerde slag in de lucht.
f) Vergelijk : «In contact met de taal der Franken ontwikkelde dit achtervoegsel -iacum volgens de Germaanse uitspraak (klemtoonverandering) en wordt -que(s) : clariacum > Clerques.» («Au contact de la langue des francs, ce suffixe -iacum évolue selon la phonétique germanique (changement d’accentuation) et devient -que(s) : clariacum > Clerques.»; Nord Pas-de-Calais. – Paris : Bonneton, 2002. – 320 p. – p. 159). Een ander werk geeft : «Deze vorm [-acos] waarvan we het aantal voorbeelden kunnen uitbreiden, schijnt aanleiding te hebben gegeven tot de geromaniseerde Germaanse uitgang -ecques, zoals vastgesteld in het noordwestelijke deel van het departement van de Pas-de-Calais – namelijk in de arrondissementen Boulogne en Sint-Omaars – waar ten tijde van de grote invasies de Germaans bevolking in omvang toenam. De vorm -ecques – de s ontstaat pas in de zestiende eeuw – als vervanging voor het Nederduitse -ick betekent onvermijdelijk de teruggang van het Germaanse onderdeel tegenover het Romaanse onderdeel. Dit komt voor in de namen van Blandecques, van Coyecques, van Eperlecques, van Questrecques, van Senlecques en van Wardrecques; regelmatig heeft een verschuiving van de klemtoon het verkort tot een stemloos -ques : Nordausques et Zudausques, Isques, Mentques, Quesques, Setques, Tilques, Wisques.» («Cette forme [-acos], dont on pourrait multiplier les exemples, semble avoir donné naissance à la finale germanique romanisée -ecques, observé dans la partie nord-ouest du département du Pas-de-Calais – soit dans les arrondissements de Boulogne et de Saint-Omer – qui avait reçu à l’époque des grandes invasions un fort appoint de population germanique. La forme -ecques – l’s n’en date que du XVIe siècle – substituée au bas-allemand -ick implique nécessairement le recul de l’élément germanique devant l’élément roman. Elle paraît dans les noms de Blandecques, de Coyecques, d’Eperlecques, de Questrecques, de Senlecques et de Wardrecques; assez fréquemment un déplacement de l’accent tonique l’a réduite à -ques atone : Nordausques et Zudausques, Isques, Mentques, Quesques, Setques, Tilques, Wisques.»; Les noms de lieu de la France. Leurs origine, leur signification, leurs transformation / Auguste Longdon. – Paris : Honoré Champion, 1999. p. 87).
g) Lacum betekent overigens niet altijd “meer”; in het plaatselijk dialect betekent laake ook “moeras” (Nègre, Toponymie générale de la France, vol. II, t.a.p., p. 1028). Het klopt overigens, zoals Hans den Besten schrijft, dat de naam Afterlake niet geattesteerd is – er hoort een asterisk voor te staan – maar Albert Delahaye heeft dat ook niet beweerd.
h) Fehtna is volgens Albert Delahaye Le Wetz, enkele kilometers ten noorden van Eperlecques gelegen; traditionalistisch is het Vechten bij Bunnik, waar wél Romeins is gevonden, maar geen vroeg-middeleeuws.
i) «EPERLECQUES. Sperliacum, Espreleke. Ce village paraît avoir existé au tem[p]s de la domination romaine. Le comte Gérard en donna le domaine au monastère de St.-Vinnocq [bedoeld het klooster op de Groenberg in het latere Winnoksbergen, later verplaatst naar Wormhout] en 821. Le château, situé à l’ouest du village et bâti, dit-on, par les Romains, passait en 874 pour une forteresse importante. Elle n’arrêta pas les Normands qui dévastèrent la bourgade en 881. Eperlecques fut cédé en 1071 à Eustache, comte de Boulogne, par Robert-le-Frison, comte de Flandre.»
Amuda betekent gewoon de monding van de Aa, waarbij de Aa de rivier is die ten noorden van St.-Omaars in het Almere uitstroomde, ooit vlak naast Eperlecques. Deze tekst is evenwel een later Utrechts product waarin inderdaad Muiden is bedoeld, en de tekst hoort dus niet in de samenhang van de andere Nifterlaca-teksten.
Genoteerd zij nog dat Albert Delahaye Nifterlaca ook vereenzelvigt met het in de documentatie van Werden genoemde Fislacu, vermoedelijk een aanpassing van de naam aan het Münsterse Fischlaken; de onder Fislacu genoemde plaatsen zijn bij Eperlecques aan te wijzen (De ware kijk op..., deel I, t.a.p., p. 428, 431).

j) Departement du Pas-de-Calais. Dictionnaire des communes [2 delen] / M. Harbaville. – Paris : Res Universis, 1992. – 386, 370, 12, 13 p. – (Oorspronkelijke uitgave 1842). – deel 2, p. 188. Voor de band tussen Eperlecques en Robert de Fries, zie ook : Robert Ier le Frison, comte de Flandre / Charles Verlinden. – Antwerpen : De Sikkel, 1935. – 210 p. – p. 71. Robert verbleef in 1071 te Eperlecques, in hetzelfde jaar waarin hij volgens de Annalen van Egmond door de bisschop van Utrecht uit Holland zou zijn verjaagd, een gebeurtenis die door Charles Verlinden in twijfel is getrokken omdat Robert op dat moment ook nog slag leverde te Cassel. In de Egmondse abdij werd Robert le Frison posthuum omgedoopt tot Rotbertus de Holdland, hoewel de naam Holland pas dertig jaar na de beschreven gebeurtenissen in geschrifte verschijnt, zie ook : Dirk V, graaf.
k) Een Frans toponymisch werk geeft de volgende naamsafleiding : “Eperlecques, Pas de C[alais].; Spirliacus IXe s[iècle]., Sperlaca, 1069 (TWB); = peut-être germ. *Spirlius (Spligatus et Spiligern attesté + -aca (terra) : «terre de Spirlius»; -s adventice” (Toponymie générale de la France. Etymologie de 35.000 noms de lieux / Ernest Nègre. – Genève : Librairie Droz S.A., 1991. – volume II, p. 750, nr. 12630). Nog een ander geeft : Spirliacum, elfde eeuw [sic !]; Sperleca, 1129 en 1139; Sperleke, rond 1140; Sperlecka, 1193; Sperleka, 1218; Esperlech, 1298; Spellekæ, dertiende eeuw; Esprellecke, 1301; Esprelleche, 1303; Éperlecques, 1309; Espelleque, 1329; Esperlecque, 1331; Exprelecque, 1332; Experlecque, 1334; Espreleque, 1372; Esprelesques, 1380; Esproulesques, veertiende eeuw; Esperleke, 1412; en Esperleques, 1720 (Dictionnaire topographique du Département du Pas-de-Calais comprenent les noms de lieu anciens et modernes / Rédigé par le Comte de Loisne. – Paris : Imprimerie nationale, 1907. – LII, 499, 8 p. – p. 134).
l) Nederlandse plaatsnamen. De herkomst en betekenis van onze plaatsnamen / Gerald van Berkel en Kees Samplonius. – Utrecht : Het Spectrum, 1995. – p. ix., uitgebreider aangehaald onder : Naamkunde.
m) Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200 / R.E. Künzel, D.P. Blok en J.M. Verhoef. – Tweede, gewijzigde druk. – Amsterdam : P.J. Meertens-Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, 1989.
n) “Varianten in den verschiedenen Originalurkunden gegenüber der Gewöhnlichen Schreibweise Epternacus des liber aureus.”; Voor dr. D.P. Blok’s behandeling van het goederenregister : Het goederenregister van de St.-Maartenskerk te Utrecht / D.P.B. – In : Mededelingen van de Vereniging van naamkunde te Leuven en de Commissie voor naamkunde te Amsterdam. – 33e jaargang, 1957, nr. 2-3. – p. 89-104, zie : Het Cartularium van Radboud, Dr. D.P. Blok over de goederenlijst.
o) Nederlandse waternamen / M. Schönfeld. – Amsterdam : N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, 1955. – p. 144-145; ook te vinden onder : De geografie van de Lex Frisionum, Laubach.
p) Ter vergelijking, bij dr. Maurits Gysseling vinden we juist de latere vormen uit het Liber aureus en vormen uit andere nóg latere bronnen zoals Gotha : Epternacis, 698 kopie 1191; Epternaco, 698, kopie idem; Epternacum, 704, kopie idem; Aefternaca, 752, kopie 12e eeuw; Hepternaca, 762; Esternach, 817-18, kopie 1191; Aphternacus, 819, kopie 18e eeuw; Efternaca, 895; Efternacha, 947; Efternaco, 973; Aefternacus, 980; Ephternaco, 992; Efternacus, 993; Efdernach, 1023; Efternacvm, 1041; Efdernacensis, 1056, vervalsing; Efternacensis, 1067; 1069; Aefternacensis, 1069 kop. 12e eeuw, Efternacum, 1131, Efternacho, 1135, Epternaco, 1156, Epternacensis, 1161, 1184, Esternacensis, 1114-68, 1179.
q) «De problemen liggen veel dieper, zelfs zó diep dat de naamkunde pas in een volgend stadium eraan te pas kan komen.» (De ware kijk op..., deel II, t.a.p., p. 23).
r) Voor de volledigheid is het nuttig de gegevens van Maurits Gysseling weer te geven, waaruit blijkt dat de oudste door hem opgegeven naamvormen van Eperlecques minder oud zijn dan vaak wordt aangenomen, want ze zijn allemaal uit de elfde en twaalfde eeuw : «Éperlecques : Om [= Saint Omer] :: Spirliacus, 9e [siècle] cop. 11e, mir. s. Winnoci, Bo [= Boulogne-sur-Mer, Bibliothèque municipale] 107, 115 v°. – Sperleca, 1069 cop. ± 1215, E. T. [= Brugge, Bisdom, Cart. Notre Dame Thérouanne] 97 v°; 1129 cop. fin 12e [siècle], O [= Saint-Omer, Bibliothèque municipale] 735, 35r°; 1202 Co D [= Kortrijk, Stadsarchief, Onze-Lieve-Vrouw]. – Sperleca, 1139, O. G. [= Saint-Omer, Bibliothèque municipale, chapitre] 59. – Sperlecha, 1142 cop. fin 12e [siècle], Amb. [= Amiens, Bibliothèque municipale] 1077, 45 v°; 1164, P Ln [= Paris, Bibliothèque nationale, Fonds latin, nouvelles acquisitions] 2588/8. – Sperleka, 1205, Co D [= Kortrijk, Stadsarchief, Onze-Lieve-Vrouw] 21.» (Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland, voor 1226. Deel I : A-M. Deel II : N-Z / Maurits Gysseling, met indices door Dom Floribertus Rommel. – Gent : Belgisch Interuniversitair Centrum voor neerlandistiek, 1960. – 2 dln., 1407 p. – (Bouwstoffen en studiën voor de geschiedenis van de lexicografie van het Nederlands ; VI, 1-2). – p. 323.) De als oudst opgegeven vermelding luidt : “Post haec placuit eodem viro venerabili Gerhardo comiti, quatenus suo in beneficio ecclesiam aedificaret eo in loco qui dicitur Spirliacus in honore sancti Winnoci.” (Miracula Winnoci, MGH, Scriptorum Rerum Merovingicarum, Tomvs V, p. 780). Het gaat om een elfde eeuwse copie van een negende eeuwse tekst. De plaatsnaam Spirliacus is hier eerder een latinisering van een inheemse naam dan een oorspronkelijke vorm.

Epiloog 9 : Uit de koers... in SEMafoor

Alweer een lezer, in navolging van Ton Spamer, klaagt over de kwaliteit van de bijdragen in SEMafoor (19). De “Zorg om kwaliteit” van Ton Spamer blijft natuurlijk gerechtvaardigd. Maar geheel anders dan Ton Spamer neemt Han Noot het ‘neutrale’ standpunt in van een geïnteresseerde “relatieve nieuwkomer”, zoals hij zichzelf omschrijft. Het kan natuurlijk niet van hem worden verwacht dat hij onmiddellijk aan die kwaliteit bijdraagt. Vandaar dat hij eerlijk schrijft :

«Ik heb niet de pretentie dat ik op het niveau van inhoudelijke kennis op dit moment iets zou kunnen toevoegen; ik wil met het onderstaande commentaar met name aandacht vragen voor de kwaliteit van de communicatie als belangrijkste voorwaarde voor een vruchtbare uitwisseling van bevindingen en vondsten, tussen mensen met verschillende oriëntaties en visies. Die kwaliteit laat m.i. [mijns inziens] hier en daar te wensen over. Waar ik – in voorbeelden – mensen bij name noem is uiteraard geen persoonlijke aanval bedoeld; ik beoog slechts mijn commentaar controleerbaar te maken.»

Kortom, het gaat minder om de kwaliteit in het algemeen dan wel om de kwaliteit van de dialoog die zoek is. Wel, die dialoog is al een halve eeuw zoek sinds in hun wiek geschoten hoogleraren in de rij gingen staan om de archivaris Albert Delahaye af te bekken en het werk verder aan amateurs overlieten. Dat bijgevolg vooral de eigen standpunten worden gekoesterd is niet bevreemdend : het onderzoek gaat verder ook als er geen gesprek meer is. Lichtgeraaktheid van gevoelige ‘ego’s’ is een heel ander probleem dat in meerdere kampen voorkomt. Geheel juist en heel mooi relativeert de schrijver :

«Vanuit dat oogpunt acht ik het vaker gehanteerde onderscheid tussen de “amateuristische” en de “wetenschappelijke” benadering van het kennisgebied dan ook niet zo relevant. Al is het alleen maar omdat amateurs lang niet altijd amateuristisch te werk gaan en professionals lang niet altijd professioneel.»

Hij prijst vervolgens auteurs als W. Bruijnesteijn van Coppenraet en Hans Kreijns en hekelt Ton Spamer, Joep Rozemeijer, Joël Vandemaele en Jacques Fermaut (20). Over Ton Spamer schrijft hij :

«[...] hij, Spamer, kiest de positie van eigenaar van de hoofdprijs, die hij pas zal doorgeven als iemand hem voldoende overtuigt van diens gelijk. Hij ervaart kritisch onderzoek van de eigen stellingname duidelijk niet als zijn verantwoordelijkheid.
In eerdere artikelen zie ik een veenbrandje doorwoeden in een non-discussie tussen Spamer en een beledigde IJpelaan, welke laatste in zijn consequente verdediging van de Delahaye-visie overigens zelf een tamelijk militante toonzetting niet schuwt.»

Voor alle duidelijkheid : op Ton Spamer’s ‘beledigingen’ werd geantwoord : “Van mij mag hij, maar dan moet hij niet klagen”. Gelukkig is IJpelaan niet zo snel beledigd. Onbeschoftheid is iets anders; dat diende om het geknoei toe te dekken, en Ton Spamer kreeg op passende wijze antwoord, in een inderdaad “tamelijk militante toonzetting”.

Ton Spamer kreeg, zoals Han Noot het graag wil zien, heel snel een punt-voor-punt antwoord op zijn schrijven en ook een hele reeks van vragen voorgelegd om het gesprek wat meer op gang te krijgen. Maar Ton Spamer verkoos het om er niet meer op in te gaan en bleef het antwoord liever schuldig. Hoorn op de haak, einde gesprek, pieptoon.


Epiloog 10 : Waar staan we met Nifterlaca ? (Hans den Besten)

Met de reactie van Hans den Besten van 9 april 2007 wordt deze polemiek afgesloten; er zijn alleen twee voetnooten toegevoegd.

«Het is moeilijk om na zoveel tijd nog te reageren op een stuk uit mei 2006 (IJpelaan 2006) dat een reactie was op een stuk van mij uit november 2005 (Den Besten 2005), dat zelf weer inging op een beperkt aantal punten uit een eerder stuk van Kees IJpelaan (IJpelaan 2005). De redactie van SEMafoor vond het hierna – overeenkomstig de stelregel artikel-reactie-repliek – welletjes, terwijl Kees IJpelaan benieuwd was naar mijn reactie en zeer sportief de kolommen van zijn web site voor mij openstelde. Jammer genoeg kwam er van alles tussen zodat de door mij beloofde reactie maar uitbleef en uitbleef.

In Den Besten (2005) heb ik beargumenteerd dat (a) bronnen waarop Albert Delahaye zich beroept geen aanleiding geven om te denken dat het klooster van Willibrordus Nifterlaca heette of in een plaats met die naam gelegen was, (b) dat er wel sprake is van een klooster onder of binnen de muren van Trajectum, (c) dat Niftarlaca een gouw moet zijn geweest, (d) dat de evolutie van de naam Niftarlaca tot Eperlecques resp. Echternach niet te verdedigen valt.
De repliek van Kees IJpelaan geeft mij geen aanleiding om mijn mening inzake (a) tm (e) te veranderen. Wat ook de betekenis van infra is, het klooster infra de muren van Trajectum stond niet te Nifterlaca. Wat ook de oudste vorm van de naam Echternach is, Epternacus / Hepternaca of Aefternaca, het blijft taalkundig onbegonnen werk om die vorm terug te voeren op Nifterlaca of Spirliacus / Sperleca. En ook als Aefternaca de toevallig niet overgeleverde oudste vorm van Eperlecques zou zijn, komen we er niet : hier is het taalkundig verband zoek, terwijl de afleiding van Echternach uit Aefternaca en van Éperlecques uit Spirliacus geen moeilijkheden oplevert. Maar er is meer : ook al zou Niftarlaca een plaats zijn, dan staat nog steeds nergens dat zich in die plaats een klooster bevond en dan blijft nog steeds de afleiding van Echternach uit Niftarlaca hoogst problematisch. Overigens kan ik Kees IJpelaan niet goed volgen bij zijn interpretatie van de Niftarlaca-teksten. Als “alle wateren in Niftarlaca” begrepen moet worden als ‘[alle wateren] in al het land dat tot Niftarlaca wordt gerekend” dan spoort dat niet met het Latijn, want voor de bedoelde interpretatie had er moeten staan omnesque aquę in Niftarlacensi ‘en alle wateren in het Niftarlaakse’ of omnesque aquę Niftarlacenses ‘en alle Niftarlaakse wateren’. Evenzo had in pago Nist[er]lake (i.v.m. het landgoed Amuda) in pago Nist[er]lakensi moeten zijn geweest, d.w.z. ‘in de Nist[er]laakse gouw [of : (het) gebied]’ en in castello Traiecto in pago Niftarlaca had in castello Traiecto in pago Niftarlacensi moeten zijn geweest.

Maar er zijn nog meer punten die aandacht verdienen:
(1) De betekenis van infra : Dat dit woord in het Middeleeuws Latijn o.a. ‘binnen’ kon betekenen wordt niet alleen door Niermeyer (1976) verkondigd. Habel & Gröbel (1989) omschrijven infra als volgt: “1. Adv. Nachstehend; 2. Präp m. Akk. Unterhalb; = intra innerhalb, binnen, zwischen; [...]”. Op een website met een woordenboek op het Latijn van Saxo Grammaticus vond ik bij infra als betekenisomschrijving voor het voorzetsel “sub, intra”. (*) En het volgende citaat in Niermeyer lijkt mij een duidelijk geval van de betekenis ‘binnen’ te geven : Arbor inclausus infra oratorium. Op het internet vond ik nog andere gevallen waar de vertaling ‘binnen’ op zijn plaats lijkt
 (21) . En ook al zouden al die gevallen weggeredeneerd kunnen worden, dan verandert dat nog niets aan (a) tm (e). Of het klooster nu bij of in Trajectum stond, het wordt nergens Nifterlaca genoemd.
(2) De Epternus-steen : Ik ben het met IJpelaan eens dat [T]ERNUS niet tot EPTERNUS hoeft te worden aangevuld. Ik schreef dan ook dat er oorspronkelijk [EP]TERNUS kan hebben gestaan; niet dat het er moet hebben gestaan.
(3) -Acum-namen : Ik heb een fout gemaakt door te beweren dat -acum-namen (altijd) van persoonsnamen afgeleid zijn. Ik had moeten schrijven : afgeleid kunnen zijn. Overigens ben ik niet erg onder de indruk van het afwezigheidsargument. Elke nieuw gevonden inscriptie of handschrift kan weer een nieuwe naam opleveren
 (22) . We weten zo weinig van het Gallisch dat er in een plaatsnaam een onbekend woord of een onbekende persoonsnaam kan zitten. Voor de vraag of we Nifterlaca, Eperlecques en Echternach taalkundig met elkaar verbonden mogen worden, maakt dat niet uit. Verder begrijp ik niet goed wat het belang is van de analyse van -inius-namen in dit verband. De naam Montinius moge van mons ‘berg’ (2e naamval montis) afgeleid zijn, het resultaat is een naam en daarvan is de plaatsnaam Montigny afgeleid.
(4) De chronologische ordening van oude voorkomens van plaatsnamen : De Vries (1962) geldt bepaald niet als gezaghebbend. Eerder als “mit Vorsicht zu genießen”. Dit boek wemelt trouwens van dateringen die gebaseerd zijn op de datum van verdwenen originelen. Maar belangrijker is natuurlijk het “principe” zelf. Ik moet het eerste geschiedboek nog tegenkomen dat oorkonden op hun materiële ouderdom ordent. We moeten echter een onderscheid maken tussen de tekst als materieel product en de tekst als taalkundige constructie. Laten we als voorbeeld nemen “Aefternaca, 752, kopie 12e eeuw”. In 752 werd een taalkundig tekstbouwsel geconcipieerd en op schrift gesteld. De materiële realisatie uit 752 is verloren gegaan; via een kopie hebben we een nieuwe materiële realisatie, maar – voor zover de kopie betrouwbaar is – bewaart die het taalkundig bouwsel uit 752. Kleine wijzigingen (zoals <ae> i.p.v. <e> of stomme <e> i.p.v. onbeklemtoonde <a>) zijn daarbij mogelijk, grote niet.
(5) Laak / leek : Als Germaans woord duidt laak / leek op een stroom, maar stromen kunnen in vlak land vertragen en volgroeien. Vandaar ook ‘moeras’. De overgang naar ‘meer’, die het Engels gemaakt heeft, is in ons taalgebied (inclusief het deel dat in Frankrijk lag) niet geattesteerd. Vgl. Poulet (1997: 140), Carnoy (1940: 325) en Schönfeld (1955: 181-188).
(6) Het moet Kees IJpelaan zijn gaan duizelen bij mijn etymologische exercities maar ik beweer nergens dat iemand beweerd zou hebben dat Echternach van Eperlecques is afgeleid. Alleen op het eind van mijn stuk wijs ik op zo’n type afleiding als mogelijke consequentie van mijn stellingname.
(7) Hoogduitse klankveranderingen : Ik begrijp niet goed hoe Kees IJpelaan kan beweren dat ik Hoogduitse klankveranderingen voor Frans Vlaanderen aanneem. De veranderingen Epter- → Efter- en -naca → -nach laat ik in Luxemburg plaatsvinden, niet in Frans Vlaanderen – al zou Epter- → Efter- → Echter- een met het Nederlands gedeelde reeks Luxemburgse verschijnselen kunnen zijn.
(8) Latiniseringen : Voor Epternacum als latinisering van een vorm met -ft- of -cht- ontbreekt ieder model. Dat is een van de redenen om aan te nemen dat Epternacum de oudste vorm is. (**)

Laat ik besluiten met het volgende : ik heb er geen bezwaar tegen Trajectum en Niftarlaca in Noord-Frankrijk te zoeken, maar de argumenten moeten wel goed zijn. D.w.z. de teksten moeten duidelijk spreken van een plaats Niftarlaca. (Dat doen ze niet.) Willibrords klooster moet gekoppeld zijn aan de naam Niftarlaca. (Dat is niet het geval.) Het taalkundig verband tussen Niftarlaca en Éperlecques c.q. Echternach moet duidelijk zijn. (Maar dat is het niet.)
Ik geef iedereen het recht om op dit terrein nog een tijdje door te modderen, maar het zou me zeer verbazen als de taalkundige problemen verholpen zouden kunnen worden. Dat Niftarlaca bij dit alles (voorlopig ?) geen tegenhanger in het heden heeft, vind ik verder absoluut geen probleem : er zijn zoveel geografische namen (waaronder gouwnamen) verdwenen.

Noten :

*) www.rostra.dk/latin/saxo.html
**) De vormen met Ester- duiden op een alternatieve route -ft- → -st- naast -ft- → -cht-. Zoiets kennen we sporadisch ook wel in het Nederlandse taalgebied : aster i.p.v. achter (beide uit after).

Literatuur :

Besten, H. den. 2005. De Nifterlaca-mythe. SEMafoor 6, 3: 33–38.
Carnoy, A. 1940. Dictionnaire étymologique du nom des communes de Belgique, y compris l’étymologie des principaux noms de hameaux et de rivières. 2e vol. L-Z. Leuven : Éditions Universitas.
Habel, E. en F. Gröbel 1989. Mittellateinisches Glossar. Paderborn, enz. : Schöningh.
IJpelaan, Kees. 2005. Traditionalisme of wetenschap. SEMafoor 6, 2: 30–35.
IJpelaan, Kees 2006. De Utrechtse Nifterlaca-mythe. SEMafoor 7, 2: 32–38.
Niermeyer, J.F. 1976. Mediae latinitatis lexikon minus. Leiden : Brill.
Poulet, D. 1997. Noms de lieux du Nord – Pas-de-Calais. Parijs : Bonneton.
Schönfeld, M. 1955. Nederlandse waternamen. Amsterdam : Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij.
Vries, J. de. 1962. Woordenboek der Noord- en Zuidnederlandse plaatsnamen. Utrecht / Antwerpen : Het Spectrum.

Hans den Besten

19 juli 2010 overleed op 61 jarige leeftijd

Hans den Besten

een ruimdenkend, hulpvaardig en waardig tegenstander,
met wie het een plezier was van opvatting te verschillen.

Epiloog 11 : Though God cannot alter the past, Ton Spamer can

Van Ton Spamer is hier nooit meer iets vernomen; hij bleef sinds 2005, tamelijk onwaardig, het antwoord schuldig op deze epilogen, toch wel jammer, en deze pagina werd afgesloten 5 augustus 2010. Sindsdien wordt het uiterst dunne verhaaltje, binnen de enge grenzen van het turfdorp Deurne, toch nog weer vrolijk verder verteld. In 2014 verschijnt van de hand van Ton Spamer : Het begon in Vreekwijk (23), zie aldaar ook de lijst van diens meer recente publicaties. Ton Spamer moet van de kritiek van buiten de gemeentegrenzen hebben gedacht : met Velpon zie je er geen barst van (24).


Noten

1. Traiectum, Echternach en de bronnen, t.a.p., p. 37.

2. Ton Spamer, De vloek van de fantasie (Archeonet), aldaar gegeven bron : Weekblad voor Deurne, 17 maart 2005, in reactie op : Huub Kluijtmans, De vloek van de Romein, bron : Weekblad voor Deurne, 10 maart 2005; zie ook : In Helenaveen gevonden gouden helm was een offer voor de goden, bron : De Limburger, 9 maart 2005; en : Avond rond de Gouden Helm; vergelijk : De ‘gouden helm’ van Bodegraven. [Toevoeging van 21 januari 2014. Voor een redelijke verklaring: Les armes dans les eaux / Alain Testart. – Paris : Errance, 2013. – 488 p. – ISBN 978-2-87772-516-3].

3. Limburg en Noord-Brabant. Volkskundig leesboek voor de lagere school / Diet Kramer [et al.], met houtsneden van B. Essers. – Groningen : P. Noordhof N.V., 1931. – 112 p. – p. 92.

4. In de serie Ach lieve tijd verscheen geen deel over de Peel, waarschijnlijk wordt het deel over de Meijerij bedoeld, zie : Ach lieve tijd, Noord-Brabant.

5. De boeken Reizen door de oude Peel en de sagen en volksverhalen van Theo Janssen (twee delen, een derde in voorbereiding) zijn onderscheiden met de zilveren Anjer van het Prins Bernhard Cultuurfonds, zie : Reizen door de oude Peel... koninklijk onderscheiden.

6. Arnoud-Jan Bijsterveld publiceerde rond Willibrord in Brabant :

  • “Sinte Willebrordus eygen”. Het bezit van de abdij van Echternach in Texandrië (Nederland en België), circa 700-1300 / A.J. Bijsterveld. – In : Willibrord. Apostel der Niederlande. Gründer der Abtei Echternach. Gedenkgabe zum 1250. Todestag des angelsächsischen Missionars / G. Kiesel en J. Schröder, red. – Luxembourg : Ed. Saint-Paul, 1989 [2e oplage 1990]. – 367 S. – p. 271-290.
  • Alphen van Echternachs domein tot Bredase heerlijkheid, 1175-1312 / A.J. Bijsterveld. – In : Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda “De Oranjeboom”, jaargang 43, 1990, p. 77-111 en jaargang 44, 1991, p. 110-148.
  • De parochie Waalre en Valkenswaard en haar pastoors tot ongeveer 1570 / Arnoud-Jan Bijsterveld. – In : Merckenswaert. Jaarboek 5, 1996. – Valkenswaard : Heemkundekring “Weerderheem”. – p. 25-51.
  • Bedevaartplaatsen in Nederland. Deel 2. Provincie Noord-Brabant. – Amsterdam, Hilversum, 1998 / P.J. Margry en C. Caspers, red., p. 236-241, 251-254, 389-391, 467-471, 560-563, 744-746, 770-785, 912-914. Het gaat om : Diessen, Eersel, Riethoven en Waalre.
  • Een zorgelijk bezit. De benedictijnerabdijen van Echternach en St. Truiden en het beheer van hun goederen en richten in Oost-Brabant / A.-J. A. Bijsterveld. – in : Noordbrabants historisch jaarboek, 6e jrg., 1989, p. 7-44
  • Twee Echternachse leenboeken teruggevonden / A.J. Bijsterveld. – in : Brabants heem : tweemaandelijks tijdschrift voor Brabantse heem- en oudheidkunde, Dl. 41, 1989, p. 33-37
  • Alphen van Echternachs domein tot Bredase heerlijkheid, 1175-1312, I / A.J. Bijsterveld. – in : Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda “De Oranjeboom”, Dl. 43, 1990, p. 77-111
  • Middeleeuwen in beweging : bewoning en samenleving in het middeleeuwse Noord-Brabant / red. A.-J. Bijsterveld, B. van der Dennen, A. van der Veen. – ’s-Hertogenbosch : Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 1991. – 118 p.
  • Het domein van de abdij van Echternach in Waalre en Valkenswaard; ontwikkeling en beheer ca. 1100-1400 / A.J. Bijsterveld. – In : Het Kempenprojekt 3. De middeleeuwen centraal. / A. Verhoeven en F. Theuws, red. – Waalre, 1999. – (Bijdragen tot de studie van het Brabantse Heem ; 33). – p. 57-96.
  • Die Abtei Echternach 698-1998 / Herausgegeben von Michele Camillo Ferrari, Jean Schröder und Henri Trauffler ; in zusammenarbeit mit Jean Krier. – Echternach : Centre luxembourgeois de documentation et d'études médiévales, 1999. – 374 p. – (Publications du CLUDEM ; 15). – Arnoud-Jan Bijsterveld verleende medewerking aan de hoofdstukken 2 en 3.
  • Van Texandrië naar de Kempen : het noorden van het bisdom Luik in de volle Middeleeuwen (tiende-twaalfde eeuw) / Bijsterveld, A.J.A. – In : Brabants Heem, jaargang 54, 2002, nr. 2, p. 67-77.
  • De vorming van het hertogdom (843-1106) / A.-J. Bijsterveld en D. Guilardian. – In : Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot heden / onder redactie van R. van Uytven, C. Bruneel, A.M. Koldeweij [et al.]. – Zwolle, Leuven : Waanders, Davidsfonds, 2004. – 720 p. – p. 41-63.
  • De kerk van Sint-Willibrord in Waalre ; Dertien eeuwen historie / Jaap Walinga ; met medewerking van Arnoud-Jan Bijsterveld, Jan Jansen en Ad van Moolenbroek. – Waalre : Stichting Waalres Erfgoed, 2004. – 82 p.
  • Mystiek Brabant ; Verwondering en bewondering / A.-J. Bijsteveld. – In : Rijk Rooms Brabant. Lezend en fietsend door mystiek Brabant / A.-J. Bijsterveld, P. Spapens, E. Kolen, G. Rooijakkers en L. van Liebergen. – Tilburg, ’s-Hertogenbosch, 2004. – p. 4-9

Verder, zie : Traditionalisme of wetenschap, Arnoud-Jan Bijsterveld in Brabants Heem (1983).

We voegen nog toe het briljante, splendide gedocumenteerde, maar ook gebruikelijk arrogante en onwetende opstel uit 1996 : Wie negeert wie? Delahaye’s erfgoed en ‘de wetenschap’ ; Naar aanleiding van: A.A.F. Jochems en A.G.F. Laenen, Willibrord. Apostel van Noord-Frankrijk (Breda 1995). Overgenomen uit Signum in : Albert Delahaye Bulletin, 1996, nr. 1

7. Bedoeld : De archeologie van de periferie : Studies naar de ontwikkeling van bewoning en samenleving in het Maas-Demer-Scheldegebied in de Vroege Middeleeuwen / Franciscus Cornelis Willibald Josephus [Frans] Theuws. – Amsterdam, 1988. – 351 p. – (Onuitgegeven proefschrift Universiteit van Amsterdam, met samenvatting in het Engels), en : North Brabant in Roman and Early Medieval times. Habitation history / Willem Johannes Hendrik [Pim] Verwers. – Amersfoort : Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, 1988. – 172 p. – (Proefschrift Vrije Universiteit Amsterdam, met samenvatting in het Nederlands). Van beide werken is een exemplaar aanwezig in de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage. In zijn Utrecht en Dokkum zet Ton Spamer deze werken wél op zijn literatuurlijst maar hij geeft er niet één enkel citaat uit.

8. Utrecht en Dokkum : Willibrord en Bonifatius, t.a.p., p. 17. Waar Ton Spamer zijn Lumères (niet uit 1118 maar uit 1228, en ook niet de oudste vorm) vandaan heeft zal wel eeuwig een raadsel blijven omdat hij geen bron opgeeft; aan Noms de lieux du Nord – Pas-de-Calais van Denise Poulet uit 1997 – dat op zijn literatuurlijstje staat – kan het alvast níet zijn ontleend omdat Lumbres daarin niet wordt behandeld. Het is buitengewoon onwaarschijnlijk dat Lumbres wordt behandeld in ook maar één van de werken die op zijn literatuurlijstje staan. Literatuur over Noord-Frankrijk schittert daar door afwezigheid net als Franstalige literatuur (in tegenstelling tot de Duitstalige). Daarin wordt er in de genealogie ‘opgeklommen’ (we gebruiken hier een begrip uit de sibbekunde van de kabbalistische Gentse prof.dr. Maurits Gysseling) tot Radbout de Vries, maar daar blijft het dan ook bij.

9. Departement du Pas-de-Calais. Dictionnaire des communes [2 delen] / M. Harbaville. – [Reprint]. – Paris : Res Universis, 1992. – 386, 370, 12, 13 p. – (Oorspronkelijke uitgave 1842). – p. 221. De wegen van het Septemvium waren takken van het grote wegennet dat Gallië doorkruiste van Lyon naar Boulogne en Terwaan (Frans Thérouanne) via Amiens en waarvan de hoofdweg verhard was. Het netwerk werd aangelegd vanaf ongeveer 27 v.Chr. De eerste weg gaat van Septemvium (bij het huidige Zoteux, oorspronkelijk Altaria) via Wisques (dat al vermeld wordt in het jaar 472) en Lumbres naar Sinus Itius (St.-Omaars, niet te verwarren met Portus Itius, dat Boulogne was) (Ibidem, t.a.p., p. 146). Vergelijk : «En 1240, la châtelaine de Wismes, nommée Laurentenne, fit hommage de sa terre au comte d’Artois» (Ibidem, t.a.p., p. 226).
Harbaville beroept zich op : De Morinis et Morinorum rebus / Jacques Malbrancq. – Tournai [Doornik] : Adriana Quinque, 1639, 1647, 1654. – Tome 1. Écht nieuw is de bewering van Albert Delahaye dus niet.
Voor Jacques Malbrancq zie :

  • De Morinen gelezen / Magda Stradiot-Van Roy. – In : SEMafoor, jrg. 2, nr. 4, p. 14-15;
  • De Morinis, ooit gezien, ooit gelezen? / Joël Vandemaele. – In : SEMafoor, jrg. 3, nr. 1, p. 11-15.

10. Dictionnaire topographique du Département du Pas-de-Calais comprenent les noms de lieu anciens et modernes / Rédigé par le Comte de Loisne. – Paris : Imprimerie nationale, 1907. – LII, 499, 8 p. – p. 233.

11. Voor opgravingen te Lumbres, zie : La campagne de fouilles 1977 à la Montagne de Lumbres / Jean-François Pinigré. –1978; en : Histoire de Lumbres et des Lumbrois; des origines à 1789 : le temps du village. – Fruges : Etudes et Documents du Comité d’Histoire du Haut-Pays, 1999. Voor de Woerdense archeologie, ter vergelijking, zie : Hazenberg Archeologie Leiden B.V..

12. SEMafoor, jaargang 6, nummer 4, november 2005, p. 35-39.

13. SEMafoor, jaargang 7, nummer 1, februari 2006, p. 16-19.

14. SEMafoor, jaargang 7, nummer 1, februari 2006, p. 1.

15. Zonder commentaar afgedrukt in : SEMafoor, jaargang 6, nummer 3, augustus 2005, p. 39, zodat Ton Spamer in dit opzicht alweer geen reden tot klagen heeft.

16. Niemand ontkent de vondsten, maar dat neemt niet weg dat er in Zuid-Holland tot op heden maar een stuk of vijftig zijn gevonden. Ton Spamer kreeg niettemin bijval, niet vanuit ‘de wetenschap’ maar via eBay waar aanvang 2007 historisch zo belangrijke sceatta’s te koop werden aangeboden; zie : Muntenverzamelaars, historici en archeologen van Holland opgelet!.
De tekst vervolgt :
«Citaat van Archief Familie IJpelaan (zie onder : Mythen en bronnen/De vroege middeleeuwen/Frisi, Normanni en Saxoni op: http://home.scarlet.be/~ijpelaan/IJpFrames-nl.html): “H.P.H. Jansen, Geschiedenis van de Middeleeuwen:
«Duitsland en Frankrijk zijn op vrij natuurlijke wijze gegroeid uit Oost- en West-Frankenland, die bij het verdrag van Verdun in 843 gevormd waren; voor de Nederlanden is geen staatkundige prefiguratie in de Karolingische tijd aan te wijzen.».
Commentaar (d.i. opmerking van de heer IJpelaan):
Logisch – Vlaanderen viel onder de Franse Kroon, Brabant en Limburg onder het Duitse Rijk, en de rest stond onder water.”
Ook degenen onder u in Holland, die zich reeds geheel hebben verzoend met de theorieën van Albert Delahaye (zie o.m. http://web.inter.nl.net/hcc/Gbm.Delahaye/), maken wij bij dezen graag opmerkzaam op de hier te koop aangeboden continentaalrune-sceatta (dit sceattatype staat ook bekend als Series D 2c, zie foto3), die kan worden toegeschreven aan het begin van de 8e eeuw na Christus (zie : D.M. Metcalf, Thrymsas & sceattas etc., volume 2). De hier aangeboden continentaalrune-sceatta, daterend uit de tijd van Sint Willibrord, is namelijk gevonden te Katwijk
[waar precies, en hoe wordt de grondlaag gedateerd waarin hij gevonden is ?] (hetgeen onmogelijk is uitgaande van “Delahaye” [???]) en behoort daarmee dus vermoedelijk tot de allereerste en alleroudste autochtone [sic !] munten (geschikt voor dagelijks gebruik) van het gebied van het tegenwoordige Holland. Deze sceatta is geregistreerd in het NUMIS-system van het Nederlandse Geldmuseum onder nummer 1052912 (zie Numis Geldmuseum). De heer drs. J. Pelsdonk, numismatisch expert van het Nederlandse Geldmuseum, heeft dit (d.w.z. de registratie in NUMIS) desgevraagd persoonlijk bevestigd. Aangezien er christelijke kruisen op voorkomen behoort deze munt daarmee bovendien ook nog eens tot één van de alleroudste tastbare christelijke relicten van Zuid-Holland.
De hypothese
[sic !], dat het kan [sic !] gaan om een locaal, in het gebied van het tegenwoordige Zuid-Holland geslagen variant van het continentaalrune-type, kan o.m. worden gebaseerd op de omstandigheid, dat deze specifieke variant niet bekend is uit Zeeland (zie : Sceattas and Merovingian deniers from Domburg and Westenschouwen, door Op den Velde en Klaassen, Middelburg, 2004). In Domburg zijn tot dusverre in Nederland de grootste aantallen continentaalrune-sceatta’s gevonden (189 [in hoeveel afzonderlijke vondsten ?]). De afwezigheid van deze specifieke continentaalrune-variant in Zeeland maakt het (statistisch) onwaarschijnlijk, dat dit exemplaar van Katwijk in Zeeland geslagen kan zijn (volgens prof. Metcalf komt met name Domburg [dat nog niet bestond] hiervoor als mogelijke locatie in aanmerking). Dat het hier kan [sic !] gaan om locale muntslag kan mogelijk [sic !] ook blijken uit de mogelijk [sic !] onbegrepen nabootsing van de tekens op de kop, waar “(t)aepa” in rune-tekens behoort te staan (de vermoedelijke naam van een muntmeester van zeer goede reputatie o.m. actief in Dorestat [i.e. Audruicq in de Pas-de-Calais]). Volgens de vinder [sic !] hebben de archeologen, die ook betrokken waren bij de vondst(en) ter plaatse [het gaat dus om een achterover gedrukt exemplaar] eveneens loden proefslagen van sceatta’s gevonden, hetgeen eveneens een sterke aanwijzing voor muntslag ter plaatse vormt.
Dat het hier gaat om een naar linksgerichte kop maakt deze sceatta nog eens dubbel zeldzaam, aangezien dit maar bij hooguit 5% van de continentaalrune-sceatta’s het geval is. Hieronder ziet u tevens een foto van een beter bewaard gebleven exemplaar van precies dezelfde variant (vermoedelijk in Engeland teruggevonden
[sic !]).
Deze sceatta is waarschijnlijk maar liefst 450 jaar ouder dan de allereerste officiële munten van de graven van Holland. Volgens van der Chijs (zie : De munten der voormalige Graafschappen Holland en Zeeland, Haarlem, 1858, p. 67) vond de eerste officiële muntslag van de graven van Holland namelijk waarschijnlijk eerst plaats ten tijde van Floris III Graaf van Holland (1157-1190).
Aangezien er uit het tegenwoordige Zuid-Holland slechts een 50-tal vondsten van sceatta’s bekend zijn (bron: Numis-systeem), gaat het zoals hierboven reeds opgemerkt, om een voor Holland cultuurhistorisch buitengemeen belangrijke en schaarse munt. Vondsten van (continentale) 8e-eeuwse sceatta’s in Nederland zijn tot op heden vooral bekend uit de provincies Zeeland, Friesland, Utrecht en in mindere mate ook uit Gelderland. Sceatta-vondsten uit het tegenwoordige Holland zijn daarentegen echter tot dusverre buitengewoon zeldzaam.
“Pars Frisiorum sedibus suis relictis in silva Meriwido, de qua supra diximus, habitacula construentes consederunt et adiunctis sibi predonibus (*) magna mercatoribus dampna intolerunt.” (Alpertus van Metz)
(*) Volgens Hans van Rij wordt hier met name gedoeld op Graaf Dirk III (Burggraaf van Gent
[dus toch ?] en stamvader van het Friese c.q. latere Hollandse Huis).
Wellicht dat de Frisii, die volgens Alpertus van Metz omstreeks het jaar 1000 na Christus, de ontginning van het Merwedebos en de omgeving van Vlaardingen ter hand namen (zie ook: http://www.keesn.nl/vlaard/text_nl.htm), toch niet de allereerste inwoners van het latere Holland geweest zijn sinds de Laatromeinse Duinkerkse transgressies (v.a. eind 3e eeuw na Christus). Wellicht daarom ook, dat de taalkundig zo bijzondere Anglofriese inslag van het Kettiks (het Katwijks) (**), toch reeds uit de vroege middeleeuwen zou kunnen stammen.
Dat deze munten tegenwoordig zo zeldzaam zijn, betekent overigens nog niet dat er praktisch geen munten in het gebied van het tegenwoordige Zuid-Holland van de 8e eeuw zouden kunnen hebben gecirculeerd. Volgens een mondelinge door Professor Metcalf meegedeelde ruwe schatting ligt de kans op het terugvinden van een 8e eeuwse sceatta in de orde van 1 op 25.000. Dit betekent, dat tegenover de 57 sceatta’s, die in Zuid-Holland voor zover tot op heden bekend teruggevonden zijn, er in de 8e eeuw na Christus, maar liefst 1.425.000 sceatta’s in het gebied van het tegenwoordige Zuid-Holland gecirculeerd moeten hebben
[sic !]. Als er bovendien van uitgegaan wordt, dat de toenmalige bewoonbare strook van de Noordzeekust zich wat meer naar het westen heeft uitgestrekt dan tegenwoordig, zouden deze aantallen in werkelijkheid nog aanzienlijk hoger gelegen kunnen hebben [sic !]. Dan zouden tevens de relatief vrij grote aantallen continentaalrune-sceatta’s, die in Engeland zijn teruggevonden zijn [sic !], veel gemakkelijker verklaard kunnen worden.
Ten onrechte is wel gesuggereerd, dat deze munten als valsemunterij moeten worden beschouwd. Ons inziens is dit in zijn algemeenheid en ook in dit specifieke geval onjuist : valsemunterij heeft namelijk de opzet om te bedriegen. De continentaalrune-sceatta’s daarentegen, ook in de meest ruwe vorm, zijn meestal
[sic !] van uitstekend zilvergehalte en gewicht (net zoals ook het geval is bij de continentale stekelvarken-sceatta’s). Daar komt bij, dat het de numismatische vakgeleerden tot dusverre überhaupt nog niet mogelijk is gebleken om een officieel type aan te wijzen van de continentaalrune-sceatta’s (dit overigens in tegenstelling tot continentale stekelvarken-sceatta’s, waar dit wél het geval is).
Gewicht 1,19 gram zilver, fraai blauw-zwart patina, diameter 12 mm, vindplaats Katwijk aan Zee, Zuid-Holland, periode 695-715 na Christus.
© Sceatta Rie ® 2006
[informatie : Mr. drs G.R. Hovinga, via sceatta-rie3M@xs4all.nl.]
(**) Het Katwijks staat hierin niet alleen. Zo heeft bijvoorbeeld de taal van de autochtone bewoners van het gebied van de tegenwoordige agglomeratie Den Haag, de opvallende tweeklanken “ia” (zoals in het Haagse woord “hiar” (“hier”)) en “ua” (c.q. “oe-a”) gemeenschappelijk met het Söl’ring en het Fering-Öömrang, de Noordfriese dialecten van de eilanden Sylt, Föhr en Amrum voor de kust van Sleeswijk Holstein bij Denemarken (in het Fering-Öömrang betekent “hiar” overigens geen “hier”, maar “horen” [sic !] net zoals in het Anglo-Friese dialect dat bekend staat als de RP). Ook het Halunder, de Friese taal van Helgoland, kent de tweeklank “ia” [de ‘autochtone bevolking’ van Ezelland ook], maar vervangt de “ua” door een “oa”. De Anglofriese inslag van het Katwijks komt bijvoorbeeld naar voren in de uitdrukking “leuk wæter” in de betekenis van “lauw water” (vergelijk “lukewarm water” in het moderne Engels). Niet alleen het woord “wæter” (“waeter”), maar ook het woord “sæ” (“zae” = “zee”) wordt in het Katwijks nog net zo uitgesproken als in het Oudengels.»
Een verkoper die zelf te kennen geeft dat namaaksels géén valsemunterij zijn als ze ‘meestal’ een behoorlijk zilvergehalte en voldoende gewicht hebben verdient niet al teveel geloofwaardigheid.

17. De Nifterlake-mythe / Hans den Besten. – In : SEMafoor, jaargang 6, nummer 3, augustus 2005, p. 33-38.

18. Dit antwoord verscheen eerder in : SEMafoor, jaargang 7, nummer 2, mei 2006, p. 32-38; hier is het notenapparaat uitgebreider.

19. Uit de koers in SEMafoor ? / Han Noot. – In : SEMafoor, jaargang 7, nummer 3, augustus 2006. – p. 38-39. Van Han Noot is verder niets meer vernomen.

20. Er is geen reden ze hier allemaal in verdediging te nemen. Ten gunste van de heer Jacques Fermaut kan in ieder geval worden aangevoerd dat deze een bewonderingswaardige Franse vertaling heeft afgeleverd van Holle boomstammen.

21. Het gaat om de combinatie infra+foris. De formulering «infra muros ... foris» komt ook in andere Latijnse teksten voor. Enkele voorbeelden :
«Infra muros terra vacua est, quae aratra patitur et ligones, habens hortos omne genus olerum civibus exhibentes. A foris subterranei conductus influunt, qui aquas dulces civitati largiter tribuunt.» (S. Bernardi Claraevallensis, Opera omnia);
«infra muros civitatis, de foris vero de utroque solidos» (8 september 1204, Arch. di Stato di Siena. Capitoli 20, cc.1v-2v);
Ook vinden we :
«ut effractis antemuralibus, infra muros interiores» (Historia rerum gestarum in partibus transmarinis / Guillelmus Tyrensis);
«infra muros i extra muros» (Povijesni prilozi, nr. 28, 2005);
«tam infra muros quam extra muros civitatis», Pardessus, Diplomata, t. II, p. 16, n° CCLVII, aangehaald in : Mahomet et Charlemagne / Henri Pirenne. – p. 70, noot).
Ten slotte is er nog het volgende commentaar :
«infra ... barbarum est : het gebruik van infra voor intra is weliswaar laat-ant., maar niet barbaars : bijv. Cod. Iust. 2,4,19; 6,2,18; Theod. 12,1,38; TLL s.v. 1484,64-79. Toch is ook Valla Agr.’s mening toegedaan : eleg. 2,53 Intra et infra etiam differunt, quia intra ad numerum et spatium refertur, ut ‘intra uiginti dies’ et ‘intra muros’, non autem ‘infra uiginti dies’ uel ‘infra muros’; infra ad dignitatem et ad locum. Vgl. Perotti rudim. 105r (z. boven, ad 47-8+); passim in de brieven van Agr. Hegius was een goede leerling: ep. 42 intra sex hebdomadas reuersurus est. Poggio gebruikt infra wel in de door Agr. verworpen bet.; bijv. ep. Nic. 17,19; 25,27.» (Anatomie van een taal : Rodolphus Agricola en Antonius Liber aan de wieg van het humanistische Latijn in de Lage Landen (1469-1485) (Dissertatie Universiteit van Groningen) / Arend Hendrik van der Laan, hoofdstuk 2).
Tenslotte is er nog het volgende : «Enige afschriften van de oorkonde plaatsen het klooster “intra muros Traiecto castro” : binnen de muren van Trajectum. Muller heeft echter gelezen : “infra muros” : beneden, onder of buiten de muren. Dit laatste kan men opvatten als : buiten de muren gelegen, maar ook als : op korte afstand van Trajectum gelegen.» (Vraagstukken in de historische geografie van Nederland, deel II, t.a.p., p.350).

22. Dit is geheel juist, maar zolang die inscripties niet gevonden zijn kunnen de namen die er op staan niet als verklaring worden aangevoerd.

23. Het begon in Vreekwijk, de ontwikkeling van Deurne 700-1300, een historisch-geografische en toponymische studie / Ton Spamer. – Deurne : Durninum, Fonds voor cultuurhistorische publicaties, 2014. – 80 p. – (Deurnese historische reeks ; 11).

24. Reclameslogan bedacht door Ton Spamer, door hemzelf voorgesteld voor “Het beste design”, NRC, 17 maart 2006, zie : NRC (verdwenen of verplaatst).



Start : 31 januari 2005 | Laatst bijgewerkt : 2 april 2015

Utrecht

Oudegracht

Foto: Archief IJpelaan, 2016