VorigeDe mythe van de ‘Hollandse Graven’Volgende

Bronnen

Inhoud van deze pagina

  1. Oude bronnen
  2. Moderne bronnen
  3. De “bottenoorlog”
    Noten

1. Oude bronnen

Voor de geschiedenis zijn we voornamelijk afhankelijk van overlevering omdat er nauwelijks primaire bronnen ter beschikking staan. Vooral van de Annalen van Egmond en het daarbij behorende Necrologium Egmundanum, waarover Otto Oppermann in 1933 het volgende oordeel velde :

«Wij hebben derhalve het Egmondsche necrologium tot 1205 in onze uitgave opgenomen. Met allen nadruk meenen wij echter den gebruiker te moeten aanbevelen, zich met de grootste scepsis te wapenen. Hij vergete niet, dat hij te doen heeft met een compilatie van den om zijn weergalooze onbetrouwbaarheid beruchten Beka, welke bovendien in de 15e eeuw nog weer aangevuld en gewijzigd is.» (1).

Een andere belangrijke bron uit dezelfde collectie is de oorkonde uit 1083, die een vervalsing is. De Annales Egmundenses zijn bijna geheel samengesteld uit andere kronieken, vooral van Sigebert van Gembloux (±1035-1112) en van Regino von Prüm (±840-915), zodat het duidelijk is dat Egmond helemaal geen eigen traditie had, maar die in de twaalfde eeuw juist probeerde te vestigen met van elders geleende gegevens. Overige annalen en kronieken leveren slechts losse zinnetjes op die er niet zelden met de haren zijn bijgesleept. En dan is er natuurlijk Melis Stoke, die net als Jacob van Maerlant in opdracht van Floris V schreef. Melis Stoke dichtte een Hollandse mythologie bijeen waarin de historische rechten van de Hollandse graven tegenover Utrecht vooropstonden, en op diens rijmelarij is al eeuwenlang kritiekloos voortgeborduurd. Maar zelfs in de mythologische versie van de geschiedenis staan zoveel Noord-Franse en Vlaamse zaken dat de hele verdere rest alleen daardoor al ter discussie staat.

Van de bronnenverzamelingen en geschiedschrijvingen zijn de belangrijksten (steeds meer worden ook digitaal toegankelijk) :

  • De Annales Egmundenses en het Chronicon Egmundanum / Uitgegeven en vertaald door Marijke Gumbert-Hepp, J.P. Gumbert en J.W.J. Burgers. – Hilversum : Uitgeverij Verloren, 2007 – 416 p. – (Middeleeuwse studies en bronnen ; 107);
  • De Rymkroniek, door Melis Stoke uit rond 1305;
  • Die cronycke van Hollandt Zeelandt ende Vrieslandt, bekend als de Divisiekroniek, door Cornelius Aurelius uit 1517 (eerste geschiedenis in het Nederlands en standaard tot aan Wagenaar);
  • Historia batavica door Gerard Geldenhouwer uit 1530;
  • Compendium chronicorum Flandriae door Jacobus Meyerus uit 1538;
  • Commentarii sive annales rerum Flandricarum door Jacobus Meyerus uit 1561;
  • Batavia door Hadrianus Junius uit 1588;
  • Oudt Batavien, nu ghenaemt Holland door Petrus Scriverius uit 1606;
  • Beschrijvinghe van Out Batavien, mitsgaders d’Afkomst ende historie der graven van Holland, Zeeland ende Vrieslandt door Petrus Scriverius uit 1612;
  • Chronicon Belgicum van Johannis à Leydis uit 1620;
  • Begin, voortgang ende eind der vrye, ende der gewaande erf-gravelike bedieninge in Holland ende West-Vriesland door J. Uytenhage de Mist, herdruk 1683;
  • De Gulde Legenden van de stadthouders in Hollandt ende West-Vrieslandt. Dat is eenige noodige uytbreydingen van de toetsen over de 40. stellingen van der selver stadthouderlijcke regeeringh / door J. Uytenhage de Mist, 1663;
  • Batavia illustrata door Simon van Leeuwen, posthuum, 1685;
  • De nobilitate, de principibus, de ducibus, de comitibus, de braonibus, de militibus, equitibus, ministerialibus, armigeris, barscalcis, marscalcis, adelscalcis, de advocatis ecclesiae, de comitatu Hollandiae et diocesi Ultrajectina libri quatuor door Antonius Matthaeus uit 1686;
  • Aloude Hollandsche Histori der keyzeren, koningen, hertogen en graaven [etc.] / Gerard van Loon. –’s Graavenhaage : By Pieter de Hondt, 1734. – 360 p. + Bladwyzer;
  • Vaderlandsche historie, vervattende de geschiedenissen der nu vereenigde Nederlanden, inzonderheid die van Holland door Jan Wagenaar, 21 delen uit 1752-1759;
  • Groot Charterbook der Graven van Holland, van Zeeland en heeren van Friesland door Frans van Mieris uit 1753-1756;
  • Historica critca comitatus Hollandiae et Zeelandiae door Adriaan Kluit uit 1777-1782;
  • Historia Critica comitatus Hollandiaer et Zeelandiae [etc.] / Avctore Adriano Klvit. – Medioburgi : Apvd Petrvm Gillissen et Isaac de Winter, 1777. – 500 p.;
  • Geschiedenis des Vaderlands door Willem Bilderdijk uit 1832-1851.

Bij het natrekken blijkt telkens weer dat moderne geschiedkundigen naar elkaar verwijzen in plaats van naar de bronnen, waardoor hun beweringen moeilijk controleerbaar zijn en de bronnen lastig zijn terug te vinden. De één oppert iets, de volgende noemt het ‘waarschijnlijk’, voegt er iets aan toe, en de derde neemt het aan als feit, zich daarbij beroepend op de voorafgaanden, dan trekt iemand het half in twijfel, maar een volgende bouwt het juist weer verder uit, enzovoort. De oorspronkelijke bron blijkt vervolgens niets te bevatten dat de uiteindelijke conclusie rechtvaardigt.

Hoewel er een paar grote lijnen zichtbaar zijn is veel van deze geschiedenis nog in raadselen gehuld. Hier zal worden geprobeerd geleidelijk een reeks van primaire en secundaire bronnen bijeen te brengen met nadruk op de oudste geschiedenis; ook al uit ongenoegen over het gebruikelijke ontbreken van de bronnen in de literatuur. De primaire bronnen dienen als bewijsplaats; de secundaire zijn vooral van belang om na te gaan waarop de mythen gebaseerd werden, te zien hoe deze tot ontwikkeling kwamen en wat er in recente literatuur van over is.

2. Moderne bronnen

Een selectie :

  • Over de geschiedenis der eerste Graven uit het Hollandsche huis / door Jan Bolhuis van Zeeburgh. – Leiden : Sijthoff, 1870. – 73 p. – (Proefschrift Leiden)
  • Die Grafen von Mittelfriesland aus dem Geschlechte König Radbods / Von Hugo Jaekel. – Gotha :– Friedrich Andreas Perthes, 1895. – 135 S.
  • La formation territoriale des principautés belges au moyen âge / Léon Vanderkindere. – Bruxelles : , 1902-1903. - 2 dln. - (herdruk in 3 dln. édition Culture et Civilisation, 1980) Deel 1; Deel 2
  • Untersuchungen zur nordniederländischen Geschichte des 10. bis 13. Jahrhunderts ; I : Die Egmonder Fälschungen / Otto Oppermann.&nbasp;– Utrecht. – A. Oosthoek, 1920 ; II : Die Grafschaft Holland und das Reich bis 1256. – Utrecht : A. Oosthoek, 1921. – VIII-183 p. ; III : Faksimiles zum ersten und zweiten Teil. – Utrecht : A. Oosthoek, 1920. – (Bijdragen van het Instituut voor middeleeuwsche Geschiedenis der Rijks-Universiteit te Utrecht). (Zie rechts)
  • Fontes Egmundenses / uitgegeven door O. Oppermann. – Utrecht, Kemink en Zoon, 1933. – 181, 307 p. – (Werken uitgegeven door het Historisch Genootschap, derde serie, no. 61)
  • Annales Egmundenses / Handuitgave door O. Oppermann. – Utrecht, Kemink en Zoon, 1933. – 129 p. – (Werken uitgegeven door het Historisch Genootschap, derde serie, no. 61a). - Verkorte uitgave van de Fontes Egmundenses
  • Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot het einde van het Hollandsche Huis [1299] / L.Ph.C. van den Bergh, James de Fremery. Tweede verbeterde en vermeerderde uitgave door H.G.A. Obreen. – ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1937. - (Eerste uitgave 1866-1873 en 1901)
  • De Egmondse geschiedbronnen / P.A. Meilink. – ’s-Gravenhage, Nijhoff, 1939. – viii, 153 p. – (Gedeeltelijk eerder verschenen in : Bijdragen voor vaderlandsche geschiedenis en oudheidkunde ; 7e reeks, dl. IX, X)
  • De betrekkingen van de eerste graven van Holland met het vorstendom Vlaanderen / A.C.F. Koch. – In : Tijdschrift voor Geschiedenis, 61e jaargang 1948. – p. 31-38.
  • Tien eeuwen Egmond / red. A. Beekman o.s.B. – Heemstede, 1950
  • Het archief van de Abdij van Egmond. 3 dln. / P.A. Meilink. – ’s-Gravenhage – Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, 1951. – 258, 244, 245 p.
  • Genealogie der graven van Holland / Dr. A.W.E. Dek. – ’s-Gravenhage :Uitgeverij Excelsior, 1954. – 160 p. – (Proefschrift Amsterdam)
  • Graven van Holland : portretten in woord en beeld (880-1580) / D.E.H. de Boer, E.H.P. Cordfunke. – Zutphen : Walburg Pers, cop. 1995. – 176 p.
  • Wat weten wij eigenlijk van de oudste graven van Holland? / H. Bruch. – In : Gens nostra, jaargang 20, 1965, p. 129-137.
  • Genealogie der graven van Holland / door A.W.E. Dek. – Vierde verbeterde druk. – Zaltbommel : Europese Bibliotheek, 1969. – 160 p.
  • Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299 / door J[aap].G. Kruisheer. – 1970-
    Deel I : Eind van de 7e eeuw tot 1222 / door Dr. A.C.F. Koch. – ’s-Gravenhage : Nijhoff, 1970. – xxi, 633 p.
    Deel II : 1222 tot 1256 / door J.G. Kruisheer. Assen [etc.] : Van Gorcum, 1986. – xix, 805 p.
    Index van namen op de delen I en II / door J.W.J. Burgers en J. Sparreboom. – Assen [etc.] : Van Gorcum, 1988. – xii, 177 p.
    Deel III : 1256 tot 1278
    Deel IV : 1278-1291 / door J.G. Kruisheer. – Assen : Van Gorcum, 1997. – xvii, 1003 p.
    Deel V : In voorbereiding
  • De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299 [2 dln.] / door J.G. Kruisheer. - ’-Gravenhage, Haarlem : Historische Vereniging van Zuid-Holland, 1971. - 526 p. - (Hollandse studiën ; nr. 2-I en 2-II). Verscheen tevens als proefschrift van de Universiteit van Amsterdam in 1971, bevat regesten en een groot inleidend methodisch deel
  • Geschiedenis van Friesland / red. J.J. Kalma, J.J. Spahr van der Hoek en K. de Vries. – Leeuwarden, 1973
  • De goederen van de Egmondse kerk in 922 / J.K. de Cock. – In: Alkmaarse historische reeks ; nr. 1. – 1977
  • Graven en gravinnen van het Hollandse Huis. Onderzoek van de stoffelijke resten, opgegraven op het terrein van de voormalige abdijkerk te Rijnsburg in 1949 en 1951 / door dr B.K.S. Dijkstra. – Zutphen : De Walburg Pers, 1979. – 192 p.
  • Ansfried en Dirk, twee namen uit de Nederlandse geschiedenis van de 10de en 11de eeuw / J.M. van Winter. – In : Naamkunde, 13de jaargang 1981, p. 39-74
  • Opravingen in Egmond. De abdij van Egmond in historisch-archeologisch perspectief / E.H.P. Cordfunke. – Zutphen : De Walburg Pers, 1984. – 191 p.
  • De eerste graven van Holland / H. Bruch. – In : Holland, regionaal historisch tijdschrift, 18e jaargang, 1986, nr. 1, p. 3-12
  • Egmond, Sint-Adelbert en de eerste graven van Holland / E.H.P. Cordfunke en J.M. van Winter - In : Holland, regionaal historisch tijdschrift, 18e jaargang, 1986, nr. 1, p. 13-23
  • Gravinnen van Holland : huwelijk en huwelijkspolitiek van de graven uit het Hollandse Huis / E.H.P. Cordfunke. – Zutphen : De Walburg Pers, cop. 1987. – 144 p.
  • Gens nostra, ons voorgeslacht, maandblad der Nederlandse Genealogische Vereniging, jaargang XLV, nr. 10/11, oktober/november 1990. p. 373-397
  • Een stamboom in been. Vier eeuwen graven en gravinnen van het Hollandse Huis. Onderzoek van de stoffelijke resten opgegraven op het terrein van de voormalige Abdijkerken te Rijnsburg in 1949 en 1951 en te Egmond in 1979 en 1980 en aangetroffen in de tombe in de Abdijkerk te Middelburg / B. Dijkstra. – Amsterdam : Bataafsche Leeuw, 1991. – 160 p. (zie daarover ook : Thetburga had syphilis)
  • De skeletten uit het grafmonument te Rijnsburg: een hernieuwd onderzoek / E.H.P. Cordfunke, K. van der Borg en G.J.R. Maat. – In: Bulletin Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, Jaargang 97, 1998, nummer 1.
    Deze laatste twee titels maken deel uit van de “bottenoorlog”; zie : Een boerengod / Mohamed El-fers en René Zwaap, in : De Groene, 12 juni 1996, en : De bottenoorlog / René Zwaap, in : De Groene, 11 november 2005 (zie hieronder).
  • Frieslands oudheid. Het rijk van de Friese koningen, opkomst en ondergang / H. Halbertsma. - Utrecht : Matrijs, 2000. – 408 p.

Op het web :

  • Veel traditionalisme is te vinden in de Nederlandstalige Wikipedia, te beginnen met de Lijst van graven van Holland maar het loont te vergelijken met de Franse, Engelse en Duitse versies, altemeer omdat bronnen als regel ontbreken; er zijn ook hele voorgeslachten aan elkaar geplakt, zie bijvoorbeeld : Kwartierstaat van Arnoldus Adrianus Jozef Romeijnders.
  • Steeds meer bronnen zijn (in traditionalistische versie) ook te vinden op : Resources Huygens ING.
  • Voor de primaire bronnen : Monumenta Germania Historica; die digitalen MGH
  • In december 2007 verscheen op de website van de Foundation for Medieval Genealogy een uitvoerig en gedegen, maar ook zeer traditionalistisch overzicht van de Graven van Holland en Friesland (door Charles Cawley, Engelstalig) dat wél vele oorspronkelijke en latere bronnen geeft. Uit die bronnen zijn echter alleen de woordjes geplukt die te pas komen en ze zijn aan elkaar gepraat met louter beweringen – dat onder Fresia in alle gevallen Friesland en/of Holland cq. Kennemerland moet worden begrepen staat natuurlijk voorop.
  • De oudste bekende fantasieportretten (voor uitzonderingen : zie elders op deze site) van de graven en gravinnen van Holland bevinden zich in het handschrift B 89420, folio 151 e.v., in de collectie van de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in de Stadbibliotheek Antwerpen.
  • Interessant is ook de traditionalistische tekst uit 2009 De afstamming van de Hollandse graven, waarin van alles en nog wat wordt overwogen rond allerlei veel latere en zelfs moderne speculaties, in plaats van te vertrekken van de primaire, dan wel oudste bronnen, waarbij er aan een kritiek van die bronnen natuurlijk niet eens wordt toegekomen. Uitgangspunt is het werk van de fantast Hugo Jaekel.

3. De “bottenoorlog”

Een oorlogje waarin alle krijgers zichzelf en elkaar in discrediet hebben gebracht laat zien hoe er geknoeid wordt zonder enig respect wordt geleurd met de daadwerkelijke geschiedenis.

Vanwege de gewichtigheid van de zaak volgen hier twee journalistieke artikelen over de “bottenoorlog” tussen prof. dr. ir. E.H.P. Cordfunke en dr. B.K.S. Dijkstra :

«Woensdag 12 juni 1996

Een boerengod

Een Roomse tiran, een vriend van de gewone man, een Hollandse held in barre tijden. Floris de Vijfde lijdt, zo mag duidelijk zijn, al zeven eeuwen onder een imago-probleem. Zelfs de wetenschap ruziet nog steeds over de ware aard van ‘de God van de boeren’. En vooral over de gaten in zijn vermeende gebeente. HET MAUSOLEUM van de graven van Holland bij de oude abdij van Rijnsburg biedt een troosteloze aanblik. De knekels van Floris V en zijn familieleden liggen opgeslagen in een troosteloze kolenkit, afgedekt met een grijze betonnen plaat die aan de voorzijde een kier openlaat en die door de plaatselijke jeugd met graffiti bekalkt is. De twee jonge Amerikaanse rugzaktoeristen kijken beteuterd op van hun reisgids. ‘So this is all they had left for the dukes, right?’ vraagt een van hen ongelovig. Roger uit San Francisco kan er niet over uit. Zijn blik verraadt totaal ongeloof over het over het historische bewustzijn van het Nederlandse volk, dat zijn eerste heersersdynastie er zo bekaaid af laat komen.

door Mohamed El-fers; Rene Zwaap

Moeiteloos weet hij op te lepelen dat het hele Nederlandse volk in de ban is geweest van Floris toen deze in de jaren zestig door Rutger Hauer (‘I'm a big fan of Rutger, you know, he's far better than that nazi-scum Schwarzenegger’) werd geherlanceerd in de gelijknamige tv-serie van Paul Verhoeven.
Om het nationale blazoen niet verder te besmeuren verzwijgen we dat twee wetenschappers in opdracht van de gemeente Rijnsburg enkele maanden geleden het graf hebben opengebroken en vervolgens vaststelden dat de zestien hooggeboren skeletten niet toebehoorden aan het huis van de graven van Holland, maar aan mensen die een slordige vier eeuwen eerder hebben geleefd. De twee wetenschappers, fysisch antropoloog G. Maat van de Rijksuniversiteit Leiden en hoogleraar chemie E. Cordfunke, presenteerden hun wetenschappelijke bijlslag precies op de dag dat prins Floris, zoon van prinses Margriet en mr. Pieter van Vollenhoven, in het Muiderslot het Floris V-jaar in verband met het zevenhonderdste jubileum van de moord op der Keerlen Gods op 27 juni 1296 voor geopend had verklaard. Maat en Cordfunke stelden dat koningin Juliana in 1975 te Rijnsburg helemaal niet het gebeente van de graven van Holland plechtig had ingewijd, maar de botten van enkele anonieme, negende-eeuwse Karolingische lieden.
Maat had naar eigen zeggen wantrouwen gekregen toen hij de vermeende schedel van Floris V in handen had. Hij ontdekte zeventien keer een groeivertraging en stelde op grond daarvan dat deze Floris een ‘chronisch kwakkelende figuur’ moest zijn geweest – geheel in tegenstelling met het atletische imago dat de graaf altijd heeft gehad. Met behulp van de zogenaamde C14-detectiemethode kwamen Maat en Cordfunke vervolgens tot hun vernietigende oordeel.
DE AAN FLORIS V en zijn familie toegeschreven skeletten werden in 1949 gevonden. Een onverwachtse vondst : historisch leek vast te staan dat de laatste rustplaats van de graven van Holland in de zestiende eeuw waren verwoest door fundamentalistische aanhangers van Oranje. Bij opgravingen onder leiding van professor Glasbergen van het instituut voor Prae- en Protohistorie van de Universiteit van Amsterdam op het terrein van het abdijcomplex in Rijnsburg werden in de fundamenten van het dwarsschip voor het koor (de ereplaats van de abdijkerk) een aantal skeletten blootgelegd die op een na alle door dr. Dijkstra uit Groningen konden worden geidentificeerd als de stoffelijke resten van Simon (1075 of 1147), de broer van graaf Dirk VI; Floris de Zwarte (26 januari 1133), eveneens een broer van Dirk VI; Petronella van Saxen (24 november 1144), stichtster van de Abdij, weduwe van Floris III; Robert (1185), broer van Floris III; Aleida (1200), dochter van Dirk VII; Henric van Gelre (1197), verloofde van Aleida; Baldewinus (19 juli 1204), broer van Willem I; Floris (30 november 1210), broer van Willem I; Aleida van Gelre (4 februari 1218), vrouw van Willem I; graaf Willem I (4 februari 1222); graaf Floris IV (1234); Willem (30 augustus 1238), broer van Floris IV; graaf Floris V; graaf Jan I (augustus 1299). Restte het lijk van een onbekend persoon, van wie Dijkstra nu heeft vastgesteld dat het Dirk I betreft, de elfhonderd jaar geleden overleden aartsvader van het gravenhuis. Na deze identificatie werden de graven van Holland en hun aanhang tijdelijk opgeslagen in een speciaal hiertoe gemetselde grafkelder van het Rijnsburger Raadhuis. Ter datering stak professor Glasbergen een versgeslagen dubbeltje in het beton rond de ingang. Nadat de stoffelijke resten in eikehouten kistjes (25 × 30 × 75 cm) met een zilveren plaatje met naam en sterfdatum waren geplaatst en dit alles door kunsthars was omhuld, vond de herbegrafenis plaats.
Rijnsburg kwam volop in het nieuws. Radio, pers en het Polygoonjournaal konden er niet genoeg van krijgen. Met name Floris V, der Keerlen God, mocht zich in hernieuwde belangstelling verheugen. Het Nederlandse volk liep vier jaar na de Tweede Wereldoorlog uit om de scheppers van Holland te aanschouwen. De NZH deed goede zaken met bus 40, ‘de gravenlijn’, die de stromen belangstellenden in tien minuten vanaf station Leiden naar Rijnsburg bracht. Hier wachtte een afgegraven veldje naast de gereformeerde kerk.
Rijnsburg, anno 1996 nog steeds een bastion van protestantisme, morde. Men wantrouwde de belangstelling voor de botten van de zestien katholieke lijken. De vrees bestond dat Rijnsburg zou uitgroeien tot een r-k bedevaartsoord, compleet met wonderbaarlijke genezingen. Dat plaatselijke ongemak met de grafelijke resten werd pijnlijk zichtbaar toen burgemeester Koomans, een fan van de Hollandse graven, voorstelde een paar straten te hernoemen naar de in zijn gemeente begraven leden van het Huis van Holland. Met pijn en moeite werd het een straatje, de Graaf Florislaan, terwijl tegelijkertijd een hele buurt naar Oranje werd vernoemd. Buiten de Oranje- en de Nassaulaan ontstonden er Johan Friso-, Maurits-, Emma en Willem Alexanderplantsoenen en bloeiden er Christina-, Juliana-, Beatrix- en Margrietlanen op. Baas boven baas.
Dr. B. DIJKSTRA, inmiddels woonachtig in Belgie, is woedend over de recentelijk door Maat en Cordfunke gepleegde grafschennis. Volgens hem wordt de moord op Floris V op deze wijze wetenschappelijk nog eens dunnetjes overgedaan: ‘Dit is een wetenschappelijke aanslag, gepleegd door Cordfunke, die in 1987 al probeerde mij van mijn plaats te stoten in het onderzoek te Rijnsburg.’
Dijkstra, oud-medewerker van het Instituut voor Prae- en Protohistorie van de Universiteit van Amsterdam, was de man die tussen 1949 en 1951 de zeventien opgegraven lijken te Rijnsburg met honderd procent zekerheid identificeerde als toebehorend aan Floris V en de andere graven en gravinnen van Holland. Dijkstra leefde in die periode met de graven. Hij had hun stoffelijke resten in kindergrafkisten opgeslagen in zijn werkkamer en wijdde de beste jaren van zijn leven aan het vaststellen van hun ware identiteit. Op grond van nauwgezet onderzoek van de vermeende resten van Floris V kwam hij zelfs met een adembenemende reconstructie van de moordpartij op 27 juni 1296 nabij Muiden; het skelet droeg de sporen van maar liefst 21 zwaardslagen uit dezelfde richting op het bovenlichaam (vermoedelijk toegebracht door edelman Gerard van Velzen) en van vijftien minder harde slagen op de benen.
Uit een verslag van de naspeuringen van dr. Dijkstra : ‘Uit de aard van de verwondingen valt op te maken dat Floris de eerste slag, die voor zijn hoofd bestemd was, wist te ontwijken door achterover in het zadel te leunen. De klap moet grote bloedingen hebben veroorzaakt en Floris moet korte tijd het bewustzijn hebben verloren. Maar hij was nog bij kennis toen hij ten gevolge van de eerste slag uit het zadel viel. Door zijn hoofd te draaien en te beschermen door het optrekken van zijn linkerschouder en zijn knieen probeerde Floris de tweede slag af te weren. Die raakte het linkeropperarmbeen, uit de stand waarvan kan worden afgeleid dat dat de handen van Floris door de samenzweerders op de rug waren gebonden. Deze slag werd Floris toegediend door de eerste, van zijn paard gestegen aanvaller. Het moet een furieuze klap zijn geweest, die de kop van het opperarmbeen scheidde van de schacht van het bot. Een derde slag drong diep in de linkerachterzijde van de schedel; bij een vierde werd een kapje van zeveneneenhalve centimeter van de schedel geslagen. Uit de beschadiging van de schedel valt op te maken dat het zwaard van de aanvaller in de wond bleef steken, zodat deze zijn wapen letterlijk moest loswrikken.’
DIJKSTRA SPREEKT nu met hart en ziel de aantijgingen van Maat en Cordfunke tegen dat hij er vier eeuwen naast zat met zijn analyse. ‘Zonder enige twijfel gaat het hier om de stoffelijke resten van leden van het eerste grafelijke huis van Holland’, zegt hij. ‘Dat Maat en Cordfunke stellen dat het in het geval van de resten van Floris V in werkelijkheid gaat om een Karolingische edelman, is pure flauwekul. De techniek stelt ons helemaal niet in staat om jaartallen zo exact te definieren. Ik heb op grond van een beschadiging aan een van de schedels vastgesteld dat deze was aangebracht door een lans die niet eerder dan na 1200 was ontwikkeld. In het Karolingische tijdperk was er in deze contreien nog helemaal geen sprake van een christelijke begraafwijze, terwijl de graven in Rijnsburg die indertijd werden aangetroffen wel degelijk christelijk waren. Ook ontkennen Maat en Cordfunke dat het hier gaat om een familie. Nu, dat is wel degelijk het geval. In samenwerking met chemisch bioloog Schaafsma uit Groningen heb ik indertijd vastgesteld dat de botten in Rijnsburg allemaal het patroon van een erfelijke aandoening hebben, te weten de aanleg voor het ontbreken van een voorhoofdsholte. Dat had den de graven van Holland tien keer zo veel als de gemiddelde bevolking van die tijd, en dat bewijst dat het hier gaat om een familie met ingehuwden.
Ik vind dit een bizarre kwestie. Maat en Cordfunke hebben hun onderzoek stiekem gedaan. Ik kwam erachter toen ik in maart dit jaar nog eens een bezoekje bracht aan Rijnsburg. Toen zag ik dat de grafkelder was opengebroken. Ik ben toen naar de gemeente gestapt, maar die weigerde een verklaring te geven. Alleen de gemeentesecretaris maakte een opmerking. Ik vroeg hoe hij het zou vinden als een stel wetenschappelijke onverlaten de grafkelder van de Oranjes in Delft zouden openbreken. Toen zei die secretaris : ‘Maar dat kan niet, dat zijn vorsten. Hier ligt alleen maar materiaal.’ Kunt u nagaan ! De graven van Holland vormen wel ons eerste vorstenhuis, zij behoren met respect te worden behandeld. In plaats daarvan solt men met de lijken en sloopt men een nationaal monument. Ik vind het niet erg als mijn werk wordt aangevallen. Maar dat men een dergelijk monument stiekem openbreekt en onnodige, onherstelbare schade toebrengt aan zowel het monument als aan de beenderen zelf, dat tart werkelijk alle verbeelding.'
Helaas voor dr. Dijkstra zijn de ‘stiekeme praktijken’ van Maat en Cordfunke en de gemeente Rijnsburg deze week nog eens goedgekeurd door een onafhankelijke onderzoekscommissie die na klachten vam Dijkstra werd ingesteld. In opdracht van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek bracht een commissie (bestaande uit dr. R. M. van Heeringen, provinciaal archeoloog te Amersfoort, zooloog dr. R. C. G. Lauwerier en prof. dr. H. H. van Regteren-Altena van het Instituut voor Prae- en Protohistorie en Albert Egges van Giffen van de Universiteit van Amsterdam) deze week verslag uit van een onderzoek naar de handelwijze van Maat en Cordfunke. Uitslag : de twee wetenschappelijke grafschenners hadden geen regels overtreden en de gebruikte onderzoeksmethoden werden goedgekeurd.
Woordvoerster Joke Timmer van de gemeente Rijnsburg : ‘De gemeente neemt de aanbevelingen van de commissie-Van Heeringen over. Daarmee staat dus vast dat de resten bij de abdij in Rijnsburg niet aan Floris V en de andere graven van Holland toebehoren. Het gebeente zal wel teruggeplaatst worden in het mausoleum. Het monument blijft zo intact.’
Neemt Rijnsburg zo alsnog wraak op de Roomse graven ? Moet de herinnering aan Floris V dan werkelijk zeven eeuwen na zijn dood nog eens extra worden besmeurd ? Is het monument van Rijnsburg dan werkelijk behept met een vloek, zoals vele floristen menen sinds de tragische dood van de eminente Floris-kenner Fried Lowensteyn na een bezoek aan de grafelijke grafkelder ?
Lowensteyn, professor in de Rechtsgeleerdheid aan de universitteit van Leiden en Tilburg, nam zich begin jaren negentig na overleg met uitgever Kees de Bakker van Conserve voor om de definitieve biografie van Floris V te schrijven. De titel was al gevonden : ‘Ick Floris gebiedt dat...’, vrij naar de aanhef waarmee alle bevelen van de graaf begonnen. Lowensteyn, al sinds de lagere school een Floris-fan, zag als een berg op tegen het schrijven van zijn opus magnum. In november 1993 besloot hij dan eindelijk aan het karwei te beginnen. Om in de stemming te komen, ondernam hij die maand een bedevaart naar Rijnsburg. Daar vatte hij echter een kou die hem fataal werd. Zijn encyclopedische kennis over leven en werk van Floris nam hij mee het graf in.
ZO’N DUIZEND JAAR geleden legde graaf Arnulf van Holland met zijn heldendood in de strijd tegen de Friezen de basis voor een dynastieke heerschappij achter de duinen. Het tijdperk van Arnulf markeerde een belangrijke historische fase in de ontwikkeling van het Graafschap Holland naar het Koninkrijk der Nederlanden. Volgens de eminente Britse historicus John Lothrop Motley werd toen ‘de smalle uithoek (Holland) voorbestemd om bakermat te worden van een aanzienlijk koninkrijk dat zich over beide hemisferen zou uitstrekken’. Een keerpunt : de jonge staat kreeg een eigen identiteit, taal en heersershuis om trots op te zijn.
Arnulfs zoon Dirk III bevocht de onafhankelijkheid en vernietigde het Rijksleger van de machtige Duitse keizer bij Vlaardingen. Dirk IV stierf onder de overmacht van de door keizer Hendrik III gestuurde legers der bisschoppen van Metz, Luik en Utrecht. Zijn broer en opvolger Floris I werd tijdens zijn slaap gekeeld door een sluipmoordenaar. Vervolgens trad Willem II aan, de vader van Floris V. Hij verenigde Holland en Zeeland. De Duitse vorsten, onderling verdeeld, kozen deze Hollandse graaf op 3 oktober 1247 tot Rooms-koning, dat wil zeggen tot keizer in spe van het Roomse Rijk. Een ongelofelijke lancering in de pikorde van de Europese dynastieen kondigde zich aan. Tot een pauselijke keizerskroning kwam het helaas niet : tijdens een strafexpeditie tegen de altijd opstandige Westfriezen zakte Willem II op 28 januari 1256 bij Hoogwoud door het ijs, waarna hij door enkele Westfriezen werd doodgeslagen. Niettemin was Willems zoon en opvolger Floris V niet zomaar een lokale aristocraat; hij was de zoon van een bijna-keizer van het Heilige Roomse Rijk.
Floris, op 24 juni 1254 te Leiden geboren, was pas anderhalf jaar oud toen zijn vader werd vermoord. Reeds bij zijn geboorte was een huwelijkscontract opgemaakt waarin werd bepaald dat Floris zou trouwen met Beatrijs, de dochter van de latere Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre. Op de Schepelenberg aan de duinrand bij Heemskerk, de plek waar alle graven van Holland werden ingehuldigd, werd ook Floris tot graaf van Holland verklaard.
IN VEEL opzichten was Floris een figuur van de nieuwe tijd, met zijn zorg voor een goed bestuur van zijn Holland, waar hij naar Vlaams voorbeeld baljuwen aanstelde en samenwerkte met de standen van burgers en boeren. Hij mocht zich daarom heugen in een ongekende populariteit onder het gewone volk. Minachtend sprak de adel over der Keerlen God, de God der Boeren.
Uiterst nuttig waren Floris’ inspanningen op het gebied van de waterhuishouding. Geld voor bescherming tegen de steeds terugkerende overstromingen was er nauwelijks en van een voor een goede bedijking noodzakelijke samenwerking tussen de verschillende landsheren was ook geen sprake; de edelen bevochten elkaar liever. Dank zij Floris V en de andere graven van Holland kwam het wel tot die broodnodige samenwerking. Dit alles dank zij de oprichting van hoogheemraadschappen. Vanaf dat moment werden de dijken in groter verband aangelegd en onderhouden.
De geslachten van ministerialen die in de twaalfde eeuw nog vrij dociel de opgedragen bestuurstaken vervuld hadden, begonnen zich steeds meer als zelfstandige edelen te gedragen. Dit was vooral duidelijk bij de heren van Amstel en Woerden. Het gebied van de heren van Amstel en Woerden werd bij Holland ingelijfd, hetgeen tegenwoordig nog zichtbaar is in de grillig verlopende provinciegrens tussen Holland en Utrecht.
Als graaf van Holland was Floris V de aartsvijand van de elect-bisschop Jan van Nassau van Utrecht, een neef van de machtige graaf Otto II van Gelre. Jan verkeerde voortdurend in geldnood en verpandde een groot aantal bezittingen aan Floris V, die tenslotte de eigenlijke machthebber in het Sticht werd. Zo groeide Floris uit tot een heerser van internationale proporties.
In 1273-’74 brak er een opstand uit onder de boeren in Kennemer land. Zij waren de voortdurende oorlogjes die de adellijke heren tegen elkaar voerden en waarbij de oogst werd vertrapt, meer dan zat. Voor de bevolking van Utrecht was dat het sein om te revolteren en Jan van Naussau tijdelijk te verdrijven. Floris zag zijn machtspositie groeien en koesterde ondertussen nog grotere ambities. Als wraak voor de moord op zijn vader Willem II lijfde hij West-Friesland in. Deze annexatie werd vergemakkelijkt door het ontstaan van de Zuiderzee, die het zuidwestelijk deel van Friesland van zijn stamland losgescheurd had en het voor de Friezen aan de overzijde moeilijker maakte hun stamgenoten te hulp te komen.
Ook Zeeland-bewester-Schelde (Walcheren en Beverland), waar hij met Vlaanderen in conflict was over de leenhoogte, voegde Floris V aan zijn graafschap toe. Op een bepaald moment beloofde hij zelfs de helft van zijn landen als bruidsschat mee te geven aan zijn dochter bij haar huwelijk met een Engelse prins, zonder echter rekening te houden met het onmiskenbaar aanwezige gewestelijke patriottisme. Zoals haast alle Nederlandse vorsten was Floris partij in de conflicten tussen Engeland en Frankrijk, alleen al doordat hij in ruil voor militaire verplichtingen van de Engelse koning leningen accepteerde.
In 1290 leek Floris de grootste sprong van zijn leven te kunnen maken. De Schotse troon kwam vacant en aangezien hij een Schotse prinses onder zijn voormoederen telde, kandideerde hij zich met twaalf anderen voor deze zetel. Koning Edward I (1272-1307) werd gevraagd als scheidsrechter op te treden. Hij reisde meermalen op en neer naar het Britse eiland en sloot een schimmige overeenkomst met een van zijn medepretendenten. Op 15 november 1292 liet hij echter plotseling zijn aanspraken vallen – waarschijnlijk onder druk van koning Edward. Volgens Melis Stoke, Floris eerste biograaf, liet de graaf zich goed betalen voor deze actie.
Een radicale koerswijziging in 1296 was aanleiding tot de moord op Floris V in Muiden. In het begin van dat jaar verbond Floris zich plotseling met de Franse koning, wel inziende dat hij als bondgenoot van Engeland nooit zijn zin zou krijgen in de kwestie Zeeland-bewester-Schelde; de Engelse koning had er immers veel meer belang bij het te vriend houden van Vlaanderen dan van Holland. Edward I zocht na Floris’ overstap contact met de vele ontevreden edelen in Floris’ landen en vond vooral gehoor bij Herman van Woerden en Gijsbrecht van Amstel, die verbitterd hadden geconstateerd dat hun macht was geslonken sinds ze onder het geordende bestuur van Floris V waren gekomen. Edward wilde dat de Hollandse vijanden van Floris deze gevangen zouden nemen en hem aan hem zouden uitleveren. Tot deze uitlevering kwam het niet : Floris werd op 27 juni vermoord door Herman van Woerden, Gijsbrecht van Amstel en hun medestander Gerard van Velzen.
In de Nederlandse geschiedschrijving wordt deze moord veelal uitgelegd als een crime passionnel. De Hollandse edelen zouden wel degelijk van plan zijn geweest Floris in Britse ballingschap te voeren. Toen zij kort na hun vertrek uit het Muiderslot, waar de graaf onder het voorwendsel van een valkenjacht was weggelokt, opeens met een horde woedende boeren werden geconfronteerd die hun favoriete edelman wilden ontzetten, zouden zij in paniek tot hun fatale slagen zijn gekomen.
In de overvloedige anti-Floris-literatuur – P.C. Hoofts’ tragedie Geeraerdt van Velsen (1613) en Vondels Gijsbrecht van Aemstel (1637) voorop – wordt bovendien telkenmale onderstreept dat Van Velzen een persoonlijk appeltje met Floris had te schillen, omdat de viriele graaf iets zou hebben gehad met Van Velzens echtgenote, tevens de volle nicht van Van Amstel. Vondel laat Gijsbrecht in zijn treurspel klagen over ‘Floris’ geile borst en het schandelijk omhelzen ‘Het schennen van mijn nicht, die schone bloem Van Velzen'.
TOEN FRITS Bolkestein in 1976 onder het pseudoniem Niels Kobet (een anagram van zijn achternaam) zijn oorspronkelijk in het Engels geschreven toneelspel Floris, graaf van Holland publiceerde, nam hij deze versie kritiekloos van zijn voorgangers over. In het onlangs in het Nederlands vertaalde toneelspel, nu wel onder zijn eigen naam gepubliceerd, laat Bolkestein Gijsbrecht van Amstel de volgende woorden tot Van Velzen spreken : ‘Wier lange, blanke benen spreidden zich/ Om gulzig de behaarde ponjaard te ontvangen?/ Wier zwoegende gemoed werd aangeraakt door fel/ Beluste lippen? En wier armen knelden om/ Het strakgespannen lichaam van de man/ Die jij zo trouw gediend hebt ? En met wier/ Kastanjebruine haar werd zweet gedept/ En werden smoezelige lendenen gekuist ?’
Vanzelfsprekend is de arme Van Velzen tegen een dergelijke tirade niet bestand, en gaat hij vervolgens over tot zijn historische daad. ‘Het is gedaen met uw hoghe sprongen’, riepen de daders volgens de overlevering uit. Van Velzen zou overigens als enige van het trio in de kraag worden gevat en geradbraakt.
In zijn onlangs verschenen proefschrift De moord op graaf Floris V maakt Jan Willem Verkaik korte metten met de legende van Floris buitenechtelijke verhouding met vrouwe Van Velzen. Volgens hem ontstond die legende pas in de zeventiende eeuw, toen het volk dank zij een afdoende propagandaslag niet beter meer wist als was Floris V een wrede tiran en een maniakaal schenner van de vrouwelijke eerbaarheid. Volgens Verkaik kwam een dergelijke verklaring de plaatselijke autoriteiten beter uit dan de bittere waarheid dat Floris het slachtoffer was geworden van een internationaal politiek komplot, uitgedacht door de Brabantse edelman Jan van Cuijk in opdracht van het Engelse hof.
Ook mediaeviste Renee Vink, auteur van de pas verschenen historische detective De laatste dagen van Floris V, gaat uit van een vileine opzet van Floris rancuneuze edellieden en toont zich weinig ingenomen met de draai die Bolkestein geeft aan het eerste politieke moordkomplot in de geschiedenis van Holland. Vink : ‘Maar Bolkestein zit er wel meer naast. Zo laat hij helemaal aan het einde van zijn stuk de Vlamingen een veldslag tegen de Fransen verliezen. Terwijl dat nu juist zo'n beetje de enige veldslag is die de Vlamingen in hun hele geschiedenis hebben gewonnen.’»
 (2).

«vrijdag 11 november 2005

Bottenoorlog

Bittere strijd in Rijnsburg. Zijn de dertig jaar geleden herbegraven stoffelijke resten in het plaatselijke mausoleum nu wel of niet van Floris V en de andere graven van Holland ?
AMSTERDAM – Dertig jaar geleden wijdde koningin Juliana in Rijnsburg het mausoleum in van de graven van Holland. Dat had in dertijd heel wat voeten in de aarde. De graven met als bekendste vertegenwoordiger de mythische «keerlen Gods» Floris V vormden de eerste Hollandse heersersdynastie. Ze waren katholiek. Het oranjekamp had zich eeuwenlang moeite getroost om de herinnering aan de roomse graven te doen vergeten. Van de laatste rustplaats van de dynastie ontbrak ieder spoor. Aangenomen werd dat deze het slachtoffer was geworden van de beeldenstorm.
Totdat in 1949 in Rijnsburg een spectaculaire vondst werd gedaan. Op het terrein van het reeds vernietigde abdijcomplex werden zestien skeletten opgegraven. Deze werden door dr. Dijkstra van de Universiteit van Groningen geïdentificeerd als de stoffelijke resten van Floris V en familie leden. Nadat de resten in eikenhouten kistjes (25 × 30 × 75 cm) met een zilveren plaatje met naam en sterfdatum waren geplaatst en dit alles door kunsthars was omhuld, vond in aanwezigheid van de vorstin de plechtige her begrafenis plaats in een speciaal gebouwd mausoleum.
Die situatie blijft ongewijzigd totdat in 1995 op initiatief van de Universiteit van Leiden een nieuw onderzoek wordt gestart. Fysisch antropoloog G. Maat en hoogleraar chemie E. Cordfunke krijgen van de gemeente Rijnsburg toestemming het mausoleum open te breken. Ze komen na een C14-test met een vernietigend rapport. Juliana had niet het gebeente van de graven van Holland ingewijd, maar de botten van enkele negende-eeuwse Karolingische lieden. De botten in Rijnsburg zouden twee eeuwen ouder zijn dan Dijkstra had aangenomen.
Een bittere polemiek gaat van start. «Dit is een wetenschappelijke aanslag, gepleegd door Cordfunke, die in 1987 al probeerde mij van mijn plaats te stoten in het onderzoek te Rijnsburg», verklaart dr. Dijkstra. In opdracht van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek wordt een commissie opgericht, onder leiding van archeoloog dr. R.M. van Heeringen. Conclusie : Maat en Cordfunke hadden geen regels overtreden en de gebruikte onderzoeksmethoden werden goed gekeurd.
Daarmee was de gravensage echter nog niet ten einde. Bij de Historische Kring Rijnsburg was men allerminst overtuigd van het gelijk van Maat en Cordfunke. Voorzitter Leenheer : «Ik was er indertijd bij toen de botten werden opgegraven. Ik zag toen dat er in de schedel van degene die als Floris V werd geïdentificeerd een fors gat zat. Dat klopt precies met het verhaal dat hij met een zwaard een gat in zijn hoofd kreeg geslagen. Ook ontbraken de handen. Wat overeenkomt met de over levering dat de moordenaars van Floris zijn handen hebben afgehakt.» En zo zijn er nog meer bewijzen, aldus Leenheer.
Achter deze mening stelde zich ook de Orde van Sint Jacob. Deze Orde gaat naar men zegt terug tot de tijd van Floris V zelf, die de orde zou hebben opgericht. Sint Jacob-lid Karel Frauenfelle : «Maat en Cordfunke hebben een kardinale fout gemaakt. Zij vergeten dat het eten van vis – wat de graven als goede katholieken ongetwijfeld veel deden – belangrijke dalingen van die radioactieve koolstof teweegbrengt. Daar bestaat in de vakliteratuur genoeg onderzoek naar. Dat verschil van tweehonderd jaar in de C14-test wordt zo verklaard.»
Recent vroeg de Orde van Sint Jacob de Universiteit van Leiden om heropening van het onderzoek. Men drong aan op een DNA-test op de botjes die door de Universiteit zijn bewaard. Karel Frauenfelle : «Men stelde dat zo’n test te duur is. Wat onzin is. DNA-testen worden bij de vleet gedaan bij de politie. Bovendien : we hebben het over de eerste heersersdynastie van Nederland. Daar mag je wel zorgvuldig mee omgaan.»
De kritiek van de Orde van Sint Jacob wordt ondersteund door archeoloog Lanting van de Universiteit van Groningen. Hij wijdde zelf al publicaties aan de complicaties bij de C14-test. Lanting : «Ik ben er persoonlijk van overtuigd dat het in Rijnsburg wel degelijk gaat om de resten van de graven van Holland. Ik vrees dat Maat en Cordfunke een essentieel feit over het hoofd hebben gezien.»
Maat en Cordfunke zijn niet voor commentaar bereikbaar. Wel archeoloog R.M. van Heeringen, die indertijd de commissie leidde dat het onderzoek van Maat en Cordfunke goedkeurde. Van Heeringen : «We hebben ons indertijd niet gebogen over die C14-test. We hebben alleen maar de gevolgde procedure beoordeeld. Het kan dus inderdaad zijn dat er een fout is gemaakt.»
Kortom : Rijnsburg beschikt wellicht wel degelijk over het gebeente van Floris V en de zijnen. De Orde van Sint Jacob doet er alles aan om van Rijnsburg toch nog een bedevaartplek te maken. Frauenfelle ontwierp een twee meter hoog beeld van Floris V, dat inmiddels is geplaatst. Met hulp van de gemeente.
Een woordvoerster van Rijnsburg : «Er zijn sinds het rapport toch weer de nodige twijfels ontstaan. We houden het als gemeente nu maar in het midden of het nu wel of niet gaat om Floris V en de zijnen.»

RENÉ ZWAAP»
 (3).
Noten

1. Fontes Egmundenses, t.a.p., p. 54*.

2. Een boerengod, in  De Groene.

3. Bottenoorlog, in  De Groene.


Start : 22 november 2003 | Laatst bijgewerkt : 14 november 2017